Hij knikte terug. "Ik ben gereed, ik zal je niet ontrouw worden."

Hij lag daar slechts te wachten, en dat was heerlijk, vond fra

Felice. Gedurende zijn gansche leven had hij geen tijd gehad om te

voelen hoe moede hij was. Nu kon hij eindelijk eens uitrusten. Het

beeld zou de kerk en het klooster wel zonder hem in stand houden.

Hij glimlachte omdat de oude San Pasquale hem naar buiten geroepen

had om hem vaarwel te zeggen.

Zoo lag fra Felice een groot gedeelte van den dag, meestal sluimerde

hij. Niemand was bij hem, en er kwam een gevoel over hem, dat het

niet aanging zoo uit het leven te glijden.

't Was alsof hij iemand daarmee te kort deed. Die gedachte wekte hem

keer op keer. Hij behoorde de priesters bij zich te hebben, maar hij

had immers niemand om hen te halen.

Terwijl hij daar zoo lag, scheen het hem dat zijn lichaam al meer

en meer inkromp, dat hij steeds kleiner werd. 't Was alsof hij

geheel verdwijnen zou. Nu kon hij zich zeker wel viermaal in zijn

pij wikkelen.

Hij zou heel eenzaam gestorven zijn, indien donna Elisa niet gekomen

was om het kleine beeld aan te roepen om hulp voor de blinden.

Zij was wonderlijk te moede, want zij wilde gaarne, dat de blinden

geholpen werden, maar zij wenschte niet, dat donna Micaela's zaak

bevorderd zou worden.

Toen zij in de kerk kwam, zag zij fra Felice voor het altaar liggen

en zij ging naar hem toe en knielde bij hem neer.

Fra Felice wendde zijn oogen naar haar en glimlachte stil. "Ik moet

sterven," zei hij heesch, maar toen verbeterde hij zich en zei:

"Ik ga sterven."

Donna Elisa vroeg wat hem scheelde en zei, dat zij hulp wilde halen.

"Ga hier zitten," zei hij en deed een matte poging om met zijn mouw

het stof van den grond te wisschen.

Donna Elisa zei, dat zij den pastoor en de liefdezusters wilde

halen. Hij greep haar bij haar mantel en hield haar terug.

"Eerst moet ik u iets zeggen, donna Elisa."

't Spreken viel hem moeielijk, tusschen ieder woord haalde hij zwaar

adem. Donna Elisa ging naast hem zitten om te wachten.

Een tijd lang hijgde hij naar adem, toen steeg een vlammend rood op

in zijn gelaat, zijn oogen begonnen te glinsteren, en hij sprak vol

vuur en zonder eenige moeite.

"Donna Elisa," zei fra Felice, "ik heb een erfenis weg te schenken. 't

Heeft mij den ganschen dag zorg gebaard, want ik wist niet aan wien

ik die zou nalaten."

"Fra Felice," zei donna Elisa, "wees daarover niet bezorgd. Er is

geen mensch, die een goede gave niet gebruiken kan."

Maar daar fra Felice zich nu beter gevoelde, wilde hij, vóórdat hij

over zijn erfenis beschikte, donna Elisa vertellen hoe goed God voor

hem was geweest.

"Heeft God mij geen groote genade bewezen, door mij tot een polacca

te maken?" zei hij.

"Ja, dat is een groote gave," zei donna Elisa.

"Reeds een kleine, zeer kleine polacca te zijn is een groote gave,"

zei fra Felice. "Vooral was het nuttig, toen het klooster opgeheven

werd en de kameraden weggetrokken of dood waren. 't Is alsof men een

zak vol brood heeft, voordat men de hand uitsteekt om te bedelen,

het maakt, dat men altijd vriendelijke gezichten om zich heen ziet

en begroet wordt met diepe buigingen. Ik ken geen grooter gave voor

een armen monnik, donna Elisa."

Donna Elisa dacht er aan hoe geliefd en geëerd fra Felice altijd

geweest was, omdat hij kon voorspellen op welke nummers prijzen zouden

vallen. En zij kon niet nalaten hem gelijk te geven.

"Als ik langs den weg kwam in zonnehitte," zei fra Felice, "kwam

de herder naar mij toe en vergezelde mij een eindweegs, terwijl

hij zijn parapluie boven mijn hoofd hield om mij te beschutten

tegen de zonnestralen. En als ik bij de arbeiders kwam in de koele

steengroeve, deelden zij hun brood en boonensoep met mij. Ik ben

nooit bang geweest voor roovers, noch voor karabiniers. De man in

het tolkantoor sluimerde, toen ik voorbij ging met mijn zak. 't Is

een goede gave geweest, donna Elisa."

"Ja, dat is waar," zei donna Elisa.

"En 't is geen harde arbeid geweest," zei fra Felice.

"Zij spraken tot mij en ik antwoordde hun, dat was alles. Zij wisten

dat elk woord zijn nummer had, en zij luisterden naar hetgeen ik zei

en speelden daarnaar. Ik wist niet, hoe het toeging, donna Elisa,

het was een Godsgave."

"Het arme volk zal u zeer missen, fra Felice," zei donna Elisa.

Fra Felice glimlachte: "Ze geven niets om mij op Zondag of Maandag,

als de trekking pas geweest is," zei hij. "Maar Donderdags en Vrijdags

en Zaterdagsmorgens komen zij tot mij, omdat iederen Zaterdag de

loting is."

Donna Elisa begon onrustig te worden omdat de stervende aan niets

anders dacht dan aan dit. Plotseling kwamen haar verschillende menschen

in de gedachte, die in de loterij verloren hadden, en zij herinnerde

zich velen die hun geheele vermogen daarmee verspeeld hadden. Zij

wilde zijn gedachten leiden van dit zondige loterijspel.

"Gij zeidet, dat gij over uw testament wildet spreken, fra Felice."

"Maar juist omdat ik zoo vele vrienden bezit, valt het mij zoo

moeilijk te weten aan wien ik mijn erfenis moet schenken. Zal ik

haar geven aan hen, die de zoete koekjes voor mij bakten of aan hen,

die artisjokken voor mij roosterden in versche olie? Of zal ik het

geven aan de liefdezusters, die mij verpleegden, toen ik ziek was?"

"Hebt gij veel weg te schenken, fra Felice?"

"Dat gaat wel, donna Elisa. Dat gaat wel."

Fra Felice scheen weer benauwd te worden, zijn borst rees en daalde

heftig.

"Ik zou het ook willen geven aan de arme monniken, die hun klooster

verloren hebben," fluisterde hij.

En na een tijdje vervolgde fra Felice: "Ik zou het ook wel gaarne

willen schenken aan den goeden man in Rome. Aan hem die over ons

allen waakt."

"Zijt gij zoo rijk, fra Felice?" vroeg donna Elisa.

"Dat gaat wel, donna Elisa, dat gaat wel."

Hij sloot de oogen een wijle, toen vervolgde hij:

"Ik wil het aan alle menschen schenken, donna Elisa."

Hij kreeg nieuwe kracht door deze gedachte, weer kleurde een zwak

rood zijn wangen en hij richtte zich op zijn ellebogen op.

"Ziehier, donna Elisa," zei hij, terwijl hij zijn hand in zijn pij

stak en een verzegelden brief te voorschijn haalde dien hij haar

overreikte. "Dezen moet gij aan den sindaco geven, den sindaco van

Diamante."

"Hier, donna Elisa," zei fra Felice, "hier zijn de vijf cijfers,

die den volgenden Zaterdag zullen winnen. Zij zijn mij geopenbaard

geworden en ik heb ze opgeteekend. En de sindaco moet deze cijfers aan

de Romeinsche poort laten aanplakken, waar al het gewichtige nieuws

aangekondigd wordt. En hij moet het volk doen weten dat dit mijn

testament is. Dit schenk ik aan alle menschen Vijf winnende cijfers,

een heele quinterne, donna Elisa."

Donna Elisa nam den brief en beloofde dien aan den sindaco te

geven. Zij kon niets anders doen, want de arme fra Felice had niet

vele oogenblikken meer te leven.

"Als het nu Zaterdag is," zei fra Felice, "zullen er velen aan fra

Felice denken.

"Zou oude fra Felice ons bedrogen hebben?" zullen zij vragen. "Kan

het mogelijk zijn dat we een heele quinterne winnen?"

"Zaterdagavond is er trekking op het balkon van het raadhuis te

Catania, donna Elisa. Dan brengt men het loterijrad en de tafel

naar buiten en de heeren van de loterij verschijnen, met het kleine,

aanvallige kind uit het weeshuis. En het eene na het andere nummer

wordt gelegd in het rad van het avontuur, tot ze er alle in zijn,

alle honderd.

"Maar de menschen staan beneden op het marktplein te beven van

verwachting, gelijk de zee trilt bij storm.

"En alle menschen van Diamante zullen daar zijn, bleek en vol

spanning. Ze wagen het nauwelijks elkaar aan te zien. Vóór dien tijd

hebben zij geloofd maar nu niet meer. Geen van hen waagt het de minste

hoop te koesteren.

"Dan wordt het eerste nummer getrokken en het komt uit. O, donna Elisa,

zij zullen zoo ontroerd zijn dat ze nauwelijks kunnen jubelen. Want

zij allen hadden gedacht dat zij bedrogen waren. Als het tweede

cijfer uitkomt, blijft het doodstil. Dan komt het derde. De heeren

van de loterij zullen verbaasd zijn, dat alles zoo stil blijft. "Heden

winnen zij niets," zullen zij zeggen, "heden maakt de staat een goede

winst." Dan komt het vierde cijfer. Het weesje neemt de rol uit het

rad en de markeur opent de rol en toont het cijfer.

"Het volk zwijgt in angstige spanning, men kan geen woord spreken bij

zooveel geluk. Dan komt het laatste cijfer. Donna Elisa, men schreeuwt,

men jubelt, men valt elkaar in de armen, en snikt van vreugde. Men

is rijk. Geheel Diamante is rijk..."

Donna Elisa had fra Felice's hoofd met haar arm gesteund, terwijl

hij dit hijgend stamelde. Nu viel zijn hoofd plotseling zwaar

achterover. De oude fra Felice was dood.

Terwijl donna Elisa in de kerk was bij fra Felice, hadden vele

menschen gehoord van het lot der blinden en waren daardoor diep

getroffen. Niet juist mannen, de meeste mannen werkten op het land,

maar de vrouwen. Ze waren in groote scharen opgetrokken naar Santa

Lucia om de blinden te troosten, en toen er ten slotte ongeveer vier

honderd vrouwen verzameld waren, was het haar tegenvallen, dat zij

naar den sindaco moesten gaan om met hem te spreken.

Ze waren naar de markt gegaan en hadden om den sindaco geroepen. Toen

was hij op het balkon van het raadhuis verschenen en zij hadden

gesmeekt, dat de blinden hun kerk mochten behouden. De sindaco was

een mooie, vriendelijke man. Hij had haar welwillend te woord gestaan,

maar niet toegegeven.

Hij kon niet herroepen, wat de gemeenteraad besloten had. Maar de

vrouwen hadden zich stellig voorgenomen, dat het besluit herroepen

zou worden, en zij bleven wachten op de markt. De sindaco trok zich

terug in het raadhuis, maar zij bleven staan om te roepen. Zij wilden

niet naar huis gaan voordat hij toegegeven had.

Terwijl dit plaats vond, kwam donna Elisa er aan om den sindaco het

testament te brengen van fra Felice. Zij was zielsbedroefd over al

de ellende, maar tegelijkertijd gevoelde zij een bittere voldoening

in het feit dat zij geen hulp gevonden had bij het Christuskind. Zij

had immers altijd gedacht, dat de heiligen donna Micaela niet wilden

bijstaan.

Het was een mooi geschenk dat zij ontvangen had in San Pasquale. Niet

alleen dat het de blinden niet kon helpen, maar het was in staat de

gansche stad in het verderf te storten. Nu zou het weinige dat het

volk nog bezat in de loterij verspeeld worden. Alles wat ze bezaten,

zouden ze verpanden en verkoopen.

De sindaco ontving donna Elisa dadelijk en was even beleefd en

vriendelijk als altijd, ofschoon de vrouwen nog op de markt stonden

te smeeken, blinden in de wachtkamer jammerden en hij den ganschen

dag lastig gevallen was door allerlei menschen.

"Waarmee kan ik u van dienst zijn, signora Antonelli?" zei hij. Donna

Elisa wist eerst niet tot wie hij sprak.

Toen vertelde zij hem van het testament.

De sindaco was noch bevreesd, noch verwonderd.

"Dat is zeer interessant," zei hij en strekte de hand uit naar

het papier.

Maar donna Elisa hield den brief vast, en vroeg:

"Signor sindaco, wat zijt ge van plan er mee te doen, is het uw

voornemen het aan de Romeinsche poort te laten aanplakken?"

"Ja, wat kan ik anders doen, signora? Het is de laatste wil van

een stervende."

Donna Elisa zou hem hebben willen zeggen, welk een noodlottig testament

het was. Maar zij zweeg om de zaak der blinden te kunnen bepleiten.

"Pater Succi, die verordende, dat de blinden in zijn kerk mochten

bijeenkomen, behoort ook tot de dooden," sprak zij nu.

"Signora Antonelli, begint gij ook hierover?" zei de sindaco heel

vriendelijk. "'t Was een vergissing, maar waarom heeft niemand mij

vóór dien tijd gezegd, dat de blinden vergaderden in de Luciakerk? Nu

het eenmaal besloten is, kan ik het besluit niet herroepen. Dat kan

ik niet."

"Maar hun rechten en hun document, signor sindaco?"

"Hun rechten beteekenen niets. Die gelden voor het Jezuïetenklooster,

maar zulk een klooster bestaat niet meer.

"En signora Antonelli, wat zou er van mij worden, indien ik nu toegaf?"

"Men zou u liefhebben als een goeden man."

"Signora, men zal gelooven, dat ik zwak ben, en elken dag zullen

er vierhonderd vrouwen voor het raadhuis komen bedelen om het een

of het ander. Het is immers slechts de quaestie om één dag vol te

houden. Morgen zal het vergeten zijn."

"Morgen!" zei donna Elisa. "Nooit zullen wij het vergeten."

De sindaco glimlachte, en donna Elisa zag, dat hij geloofde het volk

van Diamante beter te kennen dan zij.

"Ge gelooft, dat deze zaak hun na aan het harte ligt?" vroeg hij.

"Ja, dat geloof ik, signor sindaco."

De Wonderen van den Antichrist · 第 53 / 80 题