FRA FELICE'S TESTAMENT.

Toen donna Emilia het loket opende om de biljetten te verkoopen voor

de tweede voorstelling van het oude passiespel, maakten de menschen

queue voor den ingang om plaats te krijgen; den avond daarop was

het theater zoo overvol, dat er menschen bezwijmden in het gedrang,

en den derden avond kwamen er menschen van Aderno en Paterno om het

geliefde treurspel te zien.

Don Antonio voorzag, dat hij het gedurende een gansche maand voor

dubbelen prijs zou kunnen spelen met twee voorstellingen iederen avond.

Hoe gelukkig waren zij, hij en donna Emilia, en met welk een vreugde

en dankbaarheid legden zij vijf en twintig lire in de collectebus

van het kleine beeld.

In Diamante wekte deze gebeurtenis zeer veel verbazing en vele menschen

gingen naar donna Elisa om te hooren of zij geloofde, dat de heilige

wilde, dat men donna Micaela zou bijstaan.

"Hebt ge gehoord, donna Elisa," zei men, "dat don Antonio Greco

geholpen is door het kleine Christuskind in San Pasquale, omdat hij

beloofd had de opbrengst van een avond te geven voor donna Micaela's

spoorweg?"

Maar als men dit aan donna Elisa vroeg, kneep zij den mond dicht

alsof zij aan niets anders denken kon dan aan haar borduurwerk.

Fra Felice kwam in haar winkel om haar de twee wonderen te verhalen,

die het beeld reeds verricht had.

"Signorina Tottenham was zeer dom, dat zij het beeld wegschonk,

als het zulk een groote wonderdoener is," zei donna Elisa.

Datzelfde vonden allen. Signorina Tottenham had het immers gedurende

zoo vele jaren bezeten en zij had nooit iets gemerkt. Het beeld kon

zeker geen wonderen doen. Het was slechts een toeval.

Het was een ongeluk dat donna Elisa niet wilde gelooven. Ze was de

eenige der oude Alagona's die nog in Diamante woonde. De menschen

richtten zich meer naar haar dan zij zelf wisten. Indien donna Elisa

het wonder geloofd had, zou de gansche stad donna Micaela hebben

willen helpen.

Maar donna Elisa kon niet gelooven, dat God en de heiligen haar

schoonzuster wilden bijstaan.

Zij had haar reeds sinds het feest van San Sebastiaan

gadegeslagen. Zoodra iemand sprak van Gaetano verbleekte donna Micaela

en zag er ontsteld uit. Haar gelaatstrekken werden als die van een

zondaar, gekweld door gewetenswroeging.

Op een morgen dacht donna Elisa hieraan en zij was zoo verdiept in

deze gedachten, dat zij haar naald liet rusten.

"Donna Micaela is geen vrouw van den Etna," zei zij tot zich zelf. "Ze

houdt het met de regeering en ze is blijde, dat Gaetano gevangen zit."

Op hetzelfde oogenblik droeg men op straat een groote baar

voorbij. Daarop waren een menigte kerksieraden gestapeld. Het waren

lichtkronen, een altaarhemel en reliquieënkastjes.

Donna Elisa keek een oogenblik op, toen keerde zij weer tot haar

gedachten terug.

"Zij wilde mij niet toestaan het huis der Alagona's te versieren

op San Sebastiaans feest," dacht zij. "Zij wilde zeker niet dat de

heilige Gaetano zou helpen."

Twee mannen kwamen er nu aansleepen met een krakende kar. Daarop lag

een heele berg van roode wandbekleedingen, rijk geborduurde antependiën

en altaarstukken in breede vergulde lijsten.

Donna Elisa wuifde met haar hand als om allen twijfel te verjagen. Het

kon geen echt wonder geweest zijn, dat geschied was. De heilige

moest toch weten dat Diamante geen geld had om een spoorweg aan te

leggen. Maar nu reed er een gele wagen voorbij, hoog beladen met

muzieklessenaars, misboeken, bidbankjes en biechtstoelen.

Donna Elisa ontwaakte uit haar gepeins. Ze keek tusschen de

rozenkransen door, die in trossen voor haar winkelraam hingen,

naar de straat. Dat was immers al de derde vracht kerksieraden,

die voorbijging. Werd Diamante geplunderd? Waren de Saracenen in de

stad gekomen?

Ze ging nu voor haar deur staan om beter te kunnen zien. En weer kwam

er een baar voorbij en daarop lagen rouwkransen van ijzer, stukken

zerk met lange inscripties en wapenschilden, zooals men in de kerk

hangt tot nagedachtenis der dooden.

Donna Elisa vroeg een der dragers, wat dit beteekende en hoorde nu wat

er gaande was. Men was bezig de kerk Santa Lucia in Gesu te ontruimen.

De sindaco en de gemeenteraad hadden bevolen, dat men de kerk in een

theater zou veranderen.

Na het oproer had men een nieuwen sindaco in Diamante gekregen. 't

Was een jonge man uit Rome, hij kende de stad niet, maar hij wilde

toch gaarne iets voor haar doen. Nu had hij in den gemeenteraad

voorgesteld, dat Diamante zich op dezelfde wijze een schouwburg zou

verschaffen als men in Taormina en in andere steden gedaan had. Men

zou eenvoudig een der kerken tot schouwburg inrichten. Men had toch

zeker meer dan voldoende aan vijf stadskerken en zeven kloosterkerken;

men zou zeker heel goed een daarvan kunnen missen.

Daar was b. v. de Jezuïetenkerk, Santa Lucia in Gesu. Het klooster dat

er bij behoorde was reeds veranderd in een kazerne en de kerk was zoo

goed als verlaten. Deze kerk zou een uitstekend theater kunnen worden.

Dit had de sindaco voorgesteld en de gemeenteraad had het voorstel

aangenomen.

Toen donna Elisa hoorde, wat er plaats greep, wierp zij een mantille

en een sluier om en spoedde zich naar de Santa Lucia met even groote

haast als waarmee men ijlt naar het huis, waar een stervende ligt.

Hoe zou het nu met de blinden gaan? dacht donna Elisa. Hoe zouden

dezen kunnen leven zonder hun kerk Santa Lucia in Gesu?

Toen donna Elisa op de kleine stille markt kwam waar omheen de lange,

leelijke gebouwen der Jezuïeten zijn opgetrokken, zag zij op de

breede steenen trappen, die langs den ganschen gevel der kerk loopen,

een schaar in lompen gehulde kinderen en vele langharige honden. Dat

waren de geleiders der blinden, en allen schreiden en klaagden zoo

hard zij slechts konden.

"Wat is er te doen?" vroeg donna Elisa.

"Ze willen ons onze kerk ontnemen," jammerden de kinderen en

tegelijkertijd blaften de honden nog klaaglijker dan te voren, want

de honden der blinden zijn bijna menschen gelijk.

In de kerkdeur ontmoette donna Elisa meester Pamphilio's echtgenoote,

donna Concetta.

"Ach, donna Elisa," zei ze, "nooit in uw leven hebt ge zoo iets

vreeselijks gezien. Ge doet beter niet in de kerk te gaan."

Maar donna Elisa ging verder.

In de kerk zag zij eerst niets anders dan een wolk van stof. Maar

in dien nevel dreunden hamerslagen, eenige arbeiders waren bezig een

grooten steenen ridder los te breken, die in een der vensternissen lag.

"Mijn God," zei donna Elisa en vouwde haar handen, "ze breken Sor

Arrigo los."

En zij dacht er aan, hoe veilig hij altijd in zijn nis gelegen

had. Iederen keer, als zij hem gezien had, wenschte zij, zoo verlost

te zijn van alle onrust en smart als de oude Sor Arrigo. En nu

werd ook zijn rust verstoord. In de Luciakerk was nog een groot

grafmonument. Dat stelde een ouden Jezuïet voor, die op een zwart

marmeren sarcophaag lag met een geesel in de hand en zijn hoed diep

over het voorhoofd getrokken. Hij werd pater Succi genoemd en men

placht de kinderen in Diamante bang te maken met hem.

"Zouden zij het wagen pater Succi aan te raken?" dacht donna Elisa. En

door de kalkwolk heen, trachtte zij den weg te vinden naar het koor

waar de sarcophaag stond, om te zien of ze den moed hadden den ouden

Jezuïet aan te raken.

Maar pater Succi lag nog op zijn steenen bed. Hij lag daar, duister

en hard, zooals hij bij zijn leven geweest was, en men kon bijna

gelooven, dat hij nog leefde. Was er een dokter en een tafel met

medicijnflesschen benevens een brandende kaars voor het bed geweest,

dan zou men gedacht hebben dat pater Succi ziek lag in het koor van

zijn kerk en op zijn laatste stonde wachtte.

De blinden zaten om hem heen, gelijk bloedverwanten, die zich

verzamelen om een stervende, en wiegden hun lichamen van smart heen

en weer. Daar waren de beide vrouwen van de hotelpoort, donna Pepa

en donna Tura, dan was er oude moeder Saraedda, die genadebrood at

bij den sindaco Voltaro. Er waren blinde bedelaars, blinde zangers,

blinden van elken leeftijd en stand. Alle blinden van Diamante waren

er en in Diamante zijn er ongelooflijk velen, die nooit meer het

zonnelicht zien.

Al deze blinden zaten meest zwijgend, maar nu en dan barstte een van

hen in jammerklachten uit. Nu en dan trachtte een van hen den weg te

vinden naar pater Succi en wierp zich luid jammerend over hem heen.

En wat het nog meer op een sterfbed deed gelijken, was dat de pastoor,

don Matteo, en pater Rossi van het Franciscanerklooster rondgingen

om de bedroefden te troosten.

Donna Elisa was diep getroffen. Ach, hoe vele malen had zij deze

menschen gelukkig gezien in haar winkel, en nu moest zij hen in zulk

een ellende treffen?

Zij hadden haar oogen milde tranen ontlokt toen zij treurzangen

hadden gezongen over haar man, signor Antonelli, en over haar broer,

don Ferrante. Het bedroefde haar hen nu in zulk een nood te zien.

Oud moedertje Saraedda begon te spreken tegen donna Elisa.

"Ik wist niets, toen ik hier kwam, donna Elisa," zei het oude

vrouwtje. "Ik liet mijn hond buiten op de trap en trad binnen door

de kerkdeuren. Toen strekte ik mijn armen uit, om mij te steunen aan

den deurpost, maar er was geen deurpost. Ik zette mijn voeten neer,

alsof er een drempel voor de deur was, maar er was geen drempel. Ik

strekte mijn hand uit om wijwater te nemen, ik boog mijn knieën,

toen ik voorbij het hoogaltaar ging en ik luisterde naar het klokje,

dat geluid wordt, als pater Rossi ter misse gaat.

"Donna Elisa, er was geen wijwater, geen altaar, geen klokgelui,

niets, niets was er."

"Och, arme!" zei donna Elisa.

"Toen hoorde ik gehamer en geklop in een venster. "Wat doet ge met

Sor Arrigo?" riep ik, want ik hoorde dadelijk, dat het geluid uit de

nis van Sor Arrigo kwam.

"Wij moeten hem wegvoeren," antwoordde men mij.

"Tegelijkertijd komt don Matteo naar mij toe, neemt mij bij de hand

en verklaart mij alles. En ik word bijna boos op den pastoor, als hij

mij vertelt, dat men onze kerk voor een theater wil gebruiken. Onze

kerk voor een theater!

"Waar is pater Succi?" vraag ik eindelijk. "Is pater Succi nog

hier?" En hij brengt mij bij pater Succi. Hij moet mij er wel heen

geleiden, want ik kan den weg niet vinden. Sedert ze alle stoelen en

bidbankjes, matten en losse treden weggenomen hebben, weet ik niet

meer waar ik ben. Vroeger kon ik hier zoo goed den weg vinden als gij."

"De pastoor zal jelui een andere kerk geven," zei donna Elisa.

"Donna Elisa, wat wilt ge daarmee zeggen? Ge kunt evengoed zeggen,

dat de pastoor ons het gezicht terug zal geven. Kan don Matteo ons

een kerk geven, waar wij zien kunnen, zooals wij hier zagen? Geen

van ons behoefde hier zijn geleider mee te nemen.

"Daarginds, donna Elisa, stond een altaar, de bloemen daarop waren even

rood als de Etna bij zonsondergang en dat konden we zien. Des Zondags

telden we zestien kaarsvlammen boven het hoofdaltaar en op feestdagen

dertig. Wij konden zien dat pater Rossi hier de mis bediende.

"Wat moeten wij in een andere kerk doen, donna Elisa? Daar kunnen we

niets zien. Ze hebben ons het licht onzer oogen opnieuw ontnomen."

Donna Elisa's hart werd zoo warm, alsof er gesmolten lava over

stroomde. Het was stellig een groot onrecht, dat men dezen ongelukkigen

aandeed.

Toen ging donna Elisa naar don Matteo.

"Uw Hoogeerwaarde," zei ze, "heeft u gesproken met den sindaco?"

"Ach, ach, donna Elisa," zei don Matteo. "'t Is beter, dat gij beproeft

met hem te spreken, dan dat ik het doe."

"Don Matteo, de sindaco is een vreemdeling, misschien heeft hij nooit

hooren spreken over de blinden."

"Signor Voltara is bij hem geweest, pater Rossi is bij hem geweest

en ook ik, ook ik was bij hem. Hij antwoordde niets anders dan dat

hij niet kan veranderen wat in den gemeenteraad besloten is.

"Dat weet ge immers wel, donna Elisa, een besluit van den gemeenteraad

kan nooit herroepen worden. Als deze besloten heeft, dat uw kat de

mis zal lezen in de domkerk, kan er niets aan dit besluit veranderd

worden."

Er ontstond plotseling een opschudding in de kerk. Een groote blinde

man kwam binnen.

"Vader Elisa," fluisterde men. "Vader Elisa."

Vader Elisa was de deken van het gilde der blinde zangers, die zich in

deze kerk plachten te verzamelen. Wit was zijn haar en hij droeg een

langen witten baard; hij was schoon als een der heilige patriarchen.

Hij ging gelijk alle anderen naar pater Succi, nam naast hem plaats

en drukte zijn voorhoofd tegen het marmer. Donna Elisa ging naar

vader Elisa om met hem te spreken.

"Vader Elisa," zei ze, "ge moest naar den sindaco gaan." De

grijsaard herkende donna Elisa's stem en hij antwoordde met zijn

grove oudemannenstem:

"Gelooft ge dat ik gewacht heb tot gij mij dat zoudt zeggen? Denkt ge

dan niet, dat het mijn eerste gedachte was naar den sindaco te gaan?"

Hij sprak zoo luid en duidelijk, dat de arbeiders ophielden met

hameren, omdat ze meenden, dat iemand begon te preeken. "Ik heb hem

verteld, dat wij blinde zangers een gilde vormen en dat de Jezuïeten

reeds drie eeuwen geleden hun kerk voor ons openden en ons het

recht gaven hier te vergaderen om nieuwe leden te kiezen en zangen

te beoordeelen.

"En ik vertelde hem, dat ons gilde uit dertig zangers bestaat, en

dat de heilige Lucia onze schutspatrones is en wij nooit op straat

zingen, maar slechts op binnenplaatsen en in de huizen. Ik zei hem,

dat we legenden van heiligen zingen en treurzangen, maar nooit een

wereldsch lied en dat de Jezuïet pater Succi zijn kerk voor ons opende,

omdat wij blinden de zangers zijn van Onzen Lieven Heer.

"Ik vertelde hem, dat sommigen van ons recitatores zijn, die de oude

gedichten voordragen, en dat anderen trovatores zijn, die nieuwe

dichten.

"Ik zei hem dat wij tot vreugde waren van vele menschen op het

edele eiland, en vroeg hem, waarom hij ons niet het leven wilde

laten behouden; een daklooze kan niet leven. Ook vertelde ik hem

dat wij van stad tot stad plegen te trekken op den Etna, maar dat

de Luciakerk ons thuis is en dat hier iederen morgen de mis voor ons

wordt gelezen. Waarom wilde hij ons den troost van Gods woord weigeren?

"Ook verhaalde ik hem, dat de Jezuïeten eens van gevoelens jegens ons

veranderden en ons uit hun kerk wilden verdrijven, maar dat dit hun

niet gelukt was. Wij kregen een gezegeld document van den vice-koning,

dat wij ten eeuwigen dage onze vergaderingen in de Santa Lucia in

Gesu mogen houden. En ik toonde den sindaco het document."

"Wat antwoordde hij toen?"

"Hij lachte mij uit."

"Kan geen der andere raadsleden u helpen?"

"Ik ben bij hen allen geweest, donna Elisa. Ik ben den ganschen morgen

van Pontius naar Pilatus gezonden."

"Vader Elisa," zei donna Elisa, en ze liet haar stem dalen, "hebt ge

vergeten de heiligen aan te roepen?"

"Ik heb de zwarte Madonna aangeroepen, zoowel als San Sebastiaan en

Santa Lucia. Ik heb gebeden tot zoo vele heiligen, als ik slechts

bij naam kende."

"Gelooft gij, vader Elisa," zei donna Elisa en zij liet haar stem nog

meer dalen, "dat don Antonio Greco geholpen werd, omdat hij beloofde

geld te geven voor donna Micaela's spoorweg?"

"Ik heb geen geld te geven," zei de grijsaard moedeloos.

"Gij moest er toch eens over denken, vader Elisa," zei donna Elisa,

"nu gij in zulk een grooten nood verkeert. Gij moest het Christusbeeld

beloven, dat gij zelf en allen, die tot uw gilde behooren, zullen

zingen en spreken over den spoorweg, om den menschen te overreden

bijdragen daarvoor af te staan, indien gij uw kerk moogt behouden. Wij

weten niet of het helpt, maar we moeten al het mogelijke beproeven,

vader Elisa. Een belofte kost niets."

"Ik wil beloven wat gij slechts wilt," zei de grijsaard.

Hij legde weer zijn hoofd op het zwarte marmer, en donna Elisa begreep

dat hij de belofte slechts gegeven had om met zijn smart alleengelaten

te worden.

"Zal ik uw belofte tot het Christuskind brengen?" zei ze.

"Doe gelijk gij wilt, donna Elisa," zei de grijsaard.

Denzelfden dag was fra Felice om vijf uur 's morgens opgestaan en zijn

kerk begonnen te vegen. Hij voelde zich vroolijk te moede, maar toen

hij daar zoo bezig was, meende hij opeens dat San Pasquale met den

zak vol steenen, die in het kerkportaal stond, hem iets te zeggen had.

Hij ging nu naar hem toe, maar San Pasquale stond even onbeweeglijk

als altijd. Op hetzelfde oogenblik steeg de zon boven den Etna en zond

veelkleurige stralen, harpsnaren gelijk, over den bergketen. Toen

de stralen fra Felice's oude kerk bereikt hadden, tintten ze deze

rozerood, rozerood werden ook de oude, verweerde zuilen, die den

baldakijn boven het beeld droegen, en San Pasquale met den zak,

evenals fra Felice zelf.

"Wij zien er uit als jonge knapen," dacht de grijsaard. "We hebben

nog vele jaren te leven."

Maar toen hij de kerk weer wilde binnengaan, voelde hij een

beklemmenden druk boven het hart en het viel hem in, dat San Pasquale

hem geroepen had om hem vaarwel te zeggen. Op hetzelfde oogenblik

werden zijn beenen zoo zwaar, dat hij ze nauwelijks kon verzetten. Hij

gevoelde geen pijn, maar een loodzware moeheid, die niets anders dan

den dood kon beteekenen. Hij had nauwelijks de kracht om den bezem

weg te zetten achter de deur van de sacristie; toen sleepte hij zich

naar het koor en ging voor het hoogaltaar liggen, terwijl hij zich

in zijn pij wikkelde.

't Was alsof het Christuskind tegen hem knikte en zei: "Nu heb ik je

noodig, fra Felice."

De Wonderen van den Antichrist · 第 52 / 80 题