"Is dat ver weg?"
"Vier uur met den postwagen."
"En met den trein?"
"Er bestaat geen spoorweg naar Diamante, signorina."
"Ge moest er een aanleggen."
"Wij, wij zijn te arm. Vraag den rijken menschen in Catania of zij
voor ons een spoorweg willen aanleggen."
Nadat hij dit gezegd had, wil hij gaan, maar in de deur wendt hij
zich om en komt terug om haar zijn amandelbloemen te geven. Dat is
tot dank voor al het schoone, dat zij hem heeft laten zien.--
Toen donna Micaela de oogen opende, wist zij niet of zij gedroomd
had of dat zoo iets misschien werkelijk eens gebeurd was. Gaetano
kon immers heel goed eens in het palazzo Palmeri geweest zijn om zijn
beelden te verkoopen, ofschoon zij het vergeten was; maar nu hadden
de amandelbloemen dat voorval weer in haar geheugen geroepen.
Maar dit was hetzelfde. De hoofdzaak was, dat de jonge houtsnijder
Gaetano was. Het was als had zij met hem gesproken. Zij meende te
hooren hoe de deur achter hem dichtviel. En na dezen droom rijpte het
plan in haar, dat zij een spoorweg moest aanleggen tusschen Catania
en Diamante.
Gaetano was zeker tot haar gekomen om haar te verzoeken dit te
doen. Het was een bevel van hem en zij voelde, dat zij hem moest
gehoorzamen. Zij deed volstrekt geen poging om zich te verzetten. Zij
was overtuigd dat Diamante meer behoefte had aan een spoorweg dan aan
iets anders. Zij had Gaetano eens hooren zeggen, dat indien Diamante
slechts een spoorweg bezat, zoodat het zijn oranjeappelen, zijn wijn,
honing en amandelen kon vervoeren, en de vreemdelingen het gemakkelijk
konden bereiken, het spoedig een rijke stad zou zijn.
Zij was ook vast overtuigd, dat zij een spoorweg tot stand zou
kunnen brengen. Zij moest het in elk geval beproeven. Het viel haar
geen oogenblik in, dat zij het kon laten. Als Gaetano het wenschte,
moest zij gehoorzamen.
Zij dacht er over na hoeveel geld zij zelf daarvoor zou kunnen
afstaan. Maar daarmee zou zij wel niet ver komen. Het eerste, dat
zij doen moest, was trachten geld te krijgen. Nog in hetzelfde uur
was zij bij donna Elisa en riep haar hulp in om een bazaar te regelen.
Donna Elisa hief haar oogen op van haar borduurwerk. "Waarvoor wilt
ge een bazaar houden?"
"Ik wil geld verzamelen voor een spoorweg."
"Dat is juist iets voor u, donna Micaela, daar zou niemand anders
aan gedacht hebben."
"Hoe, donna Elisa? Wat meent gij?"
"O niets."
En donna Elisa ging weer aan haar borduurwerk.
"Gij wilt mij dus niet helpen met mijn bazaar?"
"Neen."
"En gij wilt geen kleine bijdrage daarvoor afstaan?"
"Zij, die zoo kort geleden haar man verloren heeft," antwoordde donna
Elisa, "moest niet aan dergelijke grapjes denken."
Donna Micaela begreep, dat donna Elisa boos op haar was om een of
andere reden en dat zij haar daarom niet wilde helpen.
Maar er zouden wel andere menschen te vinden zijn die begrijpen zouden,
dat dit heerlijke plan Diamante zou redden.
Maar donna Micaela moest tevergeefs van deur tot deur gaan. En al
sprak en smeekte zij nog zoo veel, zij kreeg geen aanhangers.
Zij trachtte de menschen te overtuigen, zij wendde al haar
welsprekendheid aan om hun het plan te verklaren.
Maar er was niemand, die op haar voorstel wilde ingaan. Waar zij kwam,
antwoordde men haar, dat men te arm was, te arm.
De vrouw van den sindaco wilde niet, dat haar dochters op den
bazaar zouden helpen verkoopen. Don Antonio Greco, de eigenaar
van het marionetten-theater, wilde niet komen met zijn poppen. De
stadsmuzikanten wilden niet spelen. Geen koopman wilde goederen
afstaan. En als donna Micaela heengegaan was, lachte men haar uit.
Een spoorweg, een spoorweg! Zij wist niet, wat zij wilde. Daarvoor
waren statuten, een maatschappij, aandeelen en een concessie
noodig. Hoe zou een vrouw dat alles kunnen regelen?
Maar anderen vergenoegden zich niet met donna Micaela uit te lachen,
sommigen werden boos op haar.
Zij ging naar den donkeren winkel naast het klooster der Benedictijnen,
waar meester Pamphilio zijn ridderromans vertelde. Zij kwam om hem te
vragen of hij op haar bazaar wilde komen om het publiek te onderhouden,
met Karel den Grooten en zijn paladijnen; maar daar hij midden in
een verhaal was, moest zij wachten.
Toen sloeg zij donna Concetta gade, meester Pamphilio's echtgenoote,
die op de estrade aan zijn voeten zat te breien.
Zoo lang meester Pamphilio sprak, bewogen donna Concetta's lippen
zich. Zij had zijn romans zoo dikwijls gehoord, dat zij die van
buiten kende en de woorden zei, vóórdat ze over meester Pamphilio's
lippen kwamen. Maar het was voor haar altijd nog hetzelfde genot hem
te hooren verhalen, en zij weende en lachte, zooals zij gedaan had,
toen zij hem voor de eerste maal had hooren vertellen.
Meester Pamphilio was een oude man, die zeer veel gesproken had in
zijn leven, zoodat zijn stem hem in den steek liet, als hij aan
de groote oorlogstooneelen kwam, die met luide en krachtige stem
verhaald moesten worden. Maar donna Concetta, die iederen roman van
buiten kende, ontnam meester Pamphilio nooit het woord. Zij gaf den
toehoorders een teeken dat zij moesten wachten tot zijn stem terugkwam.
Als echter zijn geheugen hem ontrouw werd, deed donna Concetta, alsof
ze een steek liet vallen; dan bracht zij haar kous bij de oogen en
daarachter wierp zij hem het woord toe, zoodat niemand het kon merken.
En allen wisten, dat hoewel donna Concetta de romans misschien mooier
had kunnen verhalen dan meester Pamphilio, zij dat nooit zou willen
doen. Niet slechts omdat dit onpassend was voor een vrouw, maar
ook omdat dit haar nooit zulk een genot kon zijn als haar geliefden
meester Pamphilio te hooren vertellen.
Toen donna Micaela zoo keek naar donna Concetta, verzonk zij in
droomen. O, zoo te zitten onder de estrade, waar de geliefde spreekt,
zoo daar te zitten dag uit en dag in om hem te aanbidden. Zij wist,
wie dat gaarne zou willen! Maar toen meester Pamphilio zijn verhaal
geëindigd had, ging donna Micaela naar hem toe en verzocht hem of
hij haar wilde helpen. 't Viel hem moeielijk neen te zeggen op de
duizenden smeekbeden, die in haar oogen geschreven stonden.
Donna Concetta kwam hem te hulp. "Meester Pamphilio," zei zij,
"verhaal donna Micaela van Guglielmo den Slechten."
En meester Pamphilio vertelde:
"Donna Micaela, weet ge, dat er eens een koning in Sicilië heerschte,
die Guglielmo de Slechte heette?
"Hij was zoo gierig, dat hij zijn onderdanen al hun geld ontnam. Hij
beval dat allen die gouden munten bezaten, hem die moesten afstaan. En
hij was zoo slecht, dat allen hem moesten gehoorzamen.
"Nu, donna Micaela, wilde Guglielmo de Slechte weten of iemand nog
gouden munten in zijn huis verborgen had. En daarom zond hij een
zijner dienaren met een schoon paard door de corso in Palermo. En de
man bood het paard te koop aan en riep luid:
"Te koop voor een gouden munt! te koop voor een gouden munt!"
"Maar er was niemand, die het paard kon koopen.
"Doch het was een zeer schoon paard en een jonge heer in Palermo,
de hertog Montefiascone, was opgetogen daarover.
"Er bestaat voor mij geen vreugde op deze aarde meer indien ik dit
paard niet kan koopen," zei hij tot zijn hofmeester.
"Signor duca," antwoordde de hofmeester, "ik kan u zeggen, waar gij
een gouden munt kunt vinden. Toen uw heer vader stierf en door de
Kapucijners werd weggehaald, legde ik volgens oud gebruik een gouden
munt in zijn mond. Die kunt ge immers nemen, signor."
"Want ge moet weten, donna Micaela, dat men in Palermo zijn dooden
niet in den grond begraaft. Men brengt hen naar het klooster der
Kapucijnen, waar de monniken hen in hun grafkamers hangen.
"O, hoe velen hangen daar! Zoo vele dames gekleed in zijde en satijn,
zoo vele hooge heeren met ridderorden op hun uniform, en zoo vele
priesters met pij en kalotje op het doodshoofd en over het geraamte.
"De jonge hertog volgde den raad. Hij begaf zich naar het klooster
der Kapucijnen en nam de gouden munt uit zijns vaders mond en kocht
het paard daarvoor.
"Maar gij begrijpt, dat de koning slechts zijn dienaar met het paard
uitgezonden had om te weten te komen of nog iemand geld bezat. En nu
werd de hertog voor den koning gevoerd.
"Hoe komt het, dat gij nog eene gouden munt bezit?" zei Guglielmo
de Slechte.
"Sire, die was niet van mij, maar van mijn vader." En hij verhaalde
vanwaar hij de munt gekregen had.
"'t Is waar ook," zei de koning. "Ik had vergeten, dat de dooden nog
geld bezitten."
"En hij zond zijn dienaar naar de Kapucijners om alle munten uit den
mond der dooden te nemen."
Hier eindigde de oude meester Pamphilio zijn verhaal. En nu wendde
donna Concetta zich met van toorn fonkelende oogen naar donna Micaela.
"Gij zijt het die met het paard uitgaat," zei zij.
"Ben ik dat? ik?"
"Ja, gij donna Micaela. Nu zal de regeering zeggen: "Zij leggen een
spoorweg aan in Diamante. De menschen daar zijn dus rijk." En men
zal onze belastingen verhoogen. En God weet, dat wij de belastingen,
die ons reeds zijn opgelegd, niet kunnen betalen, zelfs indien wij
onze voorvaderen plunderden."
Donna Micaela wilde haar kalmeeren.
"Zij hebben u uitgezonden om te vernemen of wij nog geld bezitten. Gij
zijt een spion der rijken, gij wordt betaald door de regeering. Die
bloedzuigers in Rome hebben u betaald."
Donna Micaela wendde zich van haar af.
"Ik kwam om met u te spreken, meester Pamphilio," zei zij tot den
grijsaard.
"Maar ik ben het, die u antwoorden zal," viel donna Concetta haar in
de reden, "want het is een onaangename zaak, en die moet ik op mij
nemen. Ik weet, wat de vrouw van een groot man past, donna Micaela."
Donna Concetta zweeg, want de voorname dame keek haar aan met een blik,
zoo vol afgunstig verlangen, dat zij medelijden met haar gevoelde. God
ja, er bestond ook verschil tusschen mannen, don Ferrante of meester
Pamphilio!