DE VROUW VAN EEN GROOT MAN.

Het was in Februari en de amandelboomen begonnen op het zwarte lavaveld

rondom Diamante te bloeien.

Cavaliere Palmeri had een tocht op den Etna gemaakt en een grooten

amandeltak vol knoppen en bloemen meegebracht; dezen had hij in een

vaas in de muziekzaal gezet.

Donna Micaela beschouwde den bloeienden tak. De amandelbloemen waren

dus reeds gekomen! Gedurende een gansche maand, gedurende zes volle

weken zou men ze nu overal vinden.

Zij zouden op het altaar in de kerk staan, zij zouden liggen op de

graven, en zij zouden in het knoopsgat, op den hoed en in het haar

gedragen worden.

Zij zouden bloeien langs den weg, op de bergen en ruïnes, en zij

zouden prijken op het zwarte lavaveld.

En iedere amandelbloem zou haar herinneren aan den dag, toen de

klokken luidden en Gaetano nog vrij en gelukkig was, toen zij droomde

een heel leven met hem te zullen leven.

Het kwam haar voor, dat zij nooit te voren volkomen begrepen had wat

het wilde zeggen, dat hij gevangen en weg was en dat zij hem nooit

meer zou zien.

Zij moest gaan zitten om niet te vallen, haar hart scheen op te houden

met kloppen en zij sloot de oogen.

Terwijl zij daar zoo zat, had ze een visioen.

Opeens bevindt zij zich thuis in het paleis te Catania. Zij zit in de

hooge vestibule te lezen en zij is een vroolijke jonge dame, signorina

Palmeri. Een bediende voert een reizenden koopman tot haar. 't Is een

jonge, mooie man met een takje amandelbloemen in het knoopsgat, op

het hoofd draagt hij een plank vol heiligenbeeldjes, uit hout gesneden.

Zij koopt eenige beeldjes van hem, onderwijl verslindt de jonge man

met zijn oogen alle kunstwerken in de vestibule. Zij vraagt hem of

hij hun verzameling wil zien. Ja, dat wil hij gaarne. En zij gaat

zelf met hem mee om hem alles te toonen. En hij is zoo gelukkig door

hetgeen hij ziet, dat zij denkt dat hij een kunstenaar moest worden

en zij doet zich zelf de gelofte, dat zij hem niet zal vergeten.

Zij vraagt hem waar hij thuis behoort.

De Wonderen van den Antichrist · 第 41 / 80 题