En hij antwoordde: "Ja."

Toen vervolgde de rechter, die een barmhartig mensch was: "Stond ze

u na?"

En don Gaetano antwoordde:

"Ik heb haar lief."

Toen Gandolfo zoo ver met zijn verhaal was gekomen zag men dat

donna Micaela haastig oprees, alsof zij hem wilde tegenspreken,

maar cavaliere Palmeri trok haar vlug naast zich.

"Stil, stil," zei hij tot haar.

En ze zat stil met het gelaat tusschen haar handen verborgen. Nu en

dan schokte haar lichaam en jammerde zij zacht.

Maar Gandolfo verhaalde hoe de rechter, toen don Gaetano dit bekend

had, op zijn medegevangenen gewezen en hem gevraagd had:

"Indien ge deze vrouw lief hebt, hoe kunt ge dan in eenige gemeenschap

staan met deze menschen, die haar vermoord hebben?"

Toen had Gaetano zich plotseling tot de bandieten gewend. Hij had zijn

vuist gebald en naar hen opgeheven. En hij had er uitgezien, alsof

hij zich een dolk wenschte om hen één voor één te kunnen neerstooten.

"Met dezen!" had hij uitgeroepen. "Zou ik in eenige gemeenschap staan

met deze menschen?"

Zeker had hij willen zeggen, dat hij niets had te maken met roovers

en moordenaars.

De rechter had mild gelachen en er uitgezien alsof hij slechts op

dit antwoord gewacht had om don Gaetano vrij te spreken.

Maar toen was er een Godswonder geschied.

Gandolfo verhaalde hoe tusschen al de gestolen zaken, die op de

tafel lagen, ook een klein Christusbeeld geweest was. Dat was een

el hoog en rijk versierd met ringen en getooid met een gouden kroon

en gouden schoentjes. Juist op dit oogenblik boog een der officieren

zich voorover en trok het beeld naar zich toe. Terwijl hij dit deed,

viel de kroon op den grond en rolde naar don Gaetano.

Deze nam de Christuskroon, hield die een oogenblik in zijn handen en

beschouwde ze nauwkeurig. Het scheen alsof hij daarop iets gelezen had.

Hij hield de kroon slechts even in zijn handen, op hetzelfde oogenblik

ontnam de soldaat van de wacht hem die.

Donna Micaela zag bijna verschrikt op. Het Christusbeeld! Daar was

het dus reeds. Zou zij spoedig antwoord krijgen op haar bede?

Gandolfo vervolgde: "Maar toen Gaetano nu opkeek, beefden allen als

voor een wonder, want hij was geheel veranderd.

"O, signori, hij was zoo bleek, dat zijn gelaat scheen te lichten en

zijn oogen waren mild en straalden zacht.

"En er was geen toorn meer in hem.

"En hij begon te smeeken voor zijn medegevangenen, hij begon te bidden

voor hun leven.

"Hij smeekte dat zij deze arme menschen niet zouden dooden. Hij bad,

dat de hooge rechters iets voor hen doen zouden, opdat zij eens konden

leven als andere menschen. "Wij hebben slechts dit leven te leven,"

zei hij. "Ons rijk is slechts van deze wereld."

"Hij begon te verhalen hoe deze menschen geleefd hadden. Hij

sprak alsof hij had kunnen lezen in hun ziel. Hij beschreef hun

levensgeschiedenis zoo somber en ongelukkig, als die werkelijk was. Hij

sprak zoo dat enkelen der hooge heeren weenden.

"Zijn woorden klonken sterk en machtig, zoodat het was alsof don

Gaetano rechter was en de rechters misdadigers waren.

"Zie," zei hij tot hen, "wiens schuld is het, dat deze ongelukkige

menschen te gronde gaan? Zijt gij het niet, die de macht bezit, en

hen in uw bescherming moest nemen?" En men zag hoe allen ontstelden

over de verantwoordelijkheid, die hij hun oplegde.

"Maar plotseling viel de rechter hem in de rede.

"Spreek tot uw eigen verdediging, Gaetano Alagona," zei hij. "Spreek

niet voor anderen."

Toen had Gaetano gelachen. "Signor," zei hij, "ik heb niet veel meer

dan gij om mij te verdedigen. Maar ik heb toch iets. Ik heb mijn

werkkring in Engeland verlaten om oproer te maken op Sicilië. Ik

heb wapens meegebracht. Ik heb oproerige taal gesproken. Ik heb iets

ofschoon niet veel."

De rechter had hem bijna gesmeekt:

"Spreek zoo niet, don Gaetano. Denk aan hetgeen gij zegt."

Maar hij had bekentenissen gedaan, die de rechters gedwongen hadden hem

te veroordeelen. Toen men hem zei, dat hij veroordeeld was tot negen

en twintig jaar gevangenisstraf, had hij uitgeroepen: "Nu geschiedt

de wil van haar, wier baar hier zoo juist voorbij gedragen werd. Moge

het mij gaan, zooals zij wilde."

"En meer zag ik niet van hem," zei de kleine Gandolfo, "want de

soldaten van de wacht namen hem in hun midden en voerden hem weg.

"Maar ik, die hem hoorde smeeken voor degenen, die zijn liefste

vermoord hadden, deed mij zelf de gelofte, dat ik iets voor hem

doen zou.

"Ik beloofde een schoone improvisatie over San Sebastiaan te houden,

opdat deze hem zou helpen. Maar dit is mij niet gelukt. Ik ben geen

improvisator, ik kon niet!"

Hij zweeg en wierp zich luid weenend voor het beeld. "Vergeef mij,

dat ik niet kon," riep hij, "en help hem toch. Ge weet, dat ik deze

gelofte deed toen hij veroordeeld werd. Maar nu heb ik niet kunnen

spreken over u en nu zult ge hem niet helpen."

Donna Micaela wist nauwelijks hoe het gegaan was, maar zij en de

kleine Rosalie, die Gandolfo liefhad, waren bijna gelijktijdig bij

hem. Ze trokken hem naar zich toe en kusten hem en zeiden, dat niemand

gesproken had als hij, neen niemand.

Zag hij niet, dat allen weenden? San Sebastiaan was tevreden over

hem. Donna Micaela schoof een ring aan Gandolfo's vinger, rondom hem

wuifde men met veelkleurige zijden doeken, die glinsterden als de

golven der zee in het sterke licht van de domkerk.

"Viva Gaetano, viva Gandolfo!" riep het volk.

En het regende bloemen, vruchten, zijden doeken en sieraden op den

kleinen Gandolfo.

Donna Micaela werd bijna met geweld van hem gerukt. Maar zij dacht

er niet aan bevreesd te zijn.

Zij stond midden in de golvende menschenmassa te weenen. Tranen

stroomden over haar gelaat en zij weende van vreugde, omdat zij weende.

Dat was de hoogste zegening.

Zij wilde weer naar Gandolfo, zij kon hem niet genoeg danken. Hij

had haar immers verteld, dat Gaetano haar liefhad.

Toen hij deze woorden aanhaalde:

"De wil geschiede van haar wier baar hier werd voorbijgedragen,"

had zij plotseling begrepen, dat Gaetano meende, dat zij het was,

die onder het lijkkleed der Alagona's lag.

De Wonderen van den Antichrist · 第 37 / 80 题