HET FEEST VAN SAN SEBASTIAAN.

Toen Gaetano weg was, stond donna Micaela nog langen tijd in donna

Elisa's tuin. Zij stond daar als versteend en kon voelen noch denken.

Toen ontwaakte de gedachte plotseling in haar, dat zij en Gaetano

niet alleen op de wereld bestonden. Zij dacht aan haar zieken vader,

dien zij gedurende zoo vele uren geheel vergeten had.

Ze ging door de poort naar de corso, die eenzaam en verlaten lag. De

schoten en het geschreeuw klonken zeer ver weg en zij zei tot zichzelf,

dat er zeker bij de Porta Etnea gestreden werd.

Heldere maneschijn gleed over den gevel van het zomerpaleis en het

verbaasde haar, dat op dezen tijd en in dezen nacht de balkondeuren

wijd openstonden en dat de vensterluiken niet gesloten waren. En nog

meer was zij verbaasd dat de poort openstond en de winkeldeur ook

niet gesloten was.

Toen zij door het poortgewelf ging, zag zij daar den ouden poortwachter

Piero niet. De lantaarn was niet opgestoken en geen mensch was er te

zien op den binnenhof.

Ze ging de trap op naar de galerij, haar voet stiet tegen iets

hards. Het was een kleine bronzen vaas, die anders in de muziekzaal

stond. Een paar schreden verder vond zij een mes.

Het was een scherp geslepen mes gelijk een dolk. Toen zij het opnam,

vielen een paar donkere druppels van de punt. Zij begreep dat het

bloed moest zijn.

En eveneens begreep zij, dat hetgeen zij den ganschen herfst gevreesd

had, nu geschied was. Bandieten waren in het zomerpaleis gedrongen

om het te plunderen.

En allen, die vluchten konden, waren gevlucht, maar haar vader,

die zijn bed niet kon verlaten, zou nu zeker vermoord zijn.

Ze kon onmogelijk weten of de roovers nog in haar huis waren. Maar

nu zij midden in het grootste gevaar was, verdween haar angst en

zij haastte zich verder zonder er aan te denken, dat zij alleen en

weerloos was.

Zij ging door de galerij en kwam in de muziekzaal. Daar vielen breede

strepen maanlicht over den vloer en midden in een dezer strepen lag

een mensch onbeweeglijk uitgestrekt.

Donna Micaela boog zich over dit onbeweeglijke lichaam.

Het was Giannita. Zij was vermoord, zij had een diepe gapende wonde

aan den hals.

Donna Micaela legde het lichaam terecht, kruiste haar de handen over

de borst en sloot haar de oogen.

Zij kreeg bloed aan haar handen en toen zij dit lauwe kleverige bloed

voelde, begon zij te schreien.

"Ach mijn goede, beminde zuster," zei zij luide, "het is uw jong

leven dat weggevloeid is met dit bloed. Gedurende uw gansche leven

hebt ge mij liefgehad en nu hebt ge uw bloed geofferd, om mijn huis

te beschermen. Is het tot straf voor mijn hardheid, dat God u van

mij heeft genomen?

"Is het omdat ik u niet gunde dengene te beminnen, dien ik

liefhad? Zijt gij daarom van mij gegaan?

"Ach zuster, zuster, kondt gij mij niet minder hard straffen?"

Zij boog zich voorover en kuste de doode op het voorhoofd. "Ge gelooft

het niet," zei zij. "Ge weet dat ik u altijd trouw ben geweest. Ge

weet dat ik u heb liefgehad."

Toen herinnerde zij zich dat de doode nu niet meer op de aarde

vertoefde en zij niet meer behoefte had aan betuigingen van vriendschap

en berouw.

En zij deed een paar gebeden bij het lijk, omdat het eenige, dat zij

voor haar zuster doen kon, was met vrome gedachten den vluchtenden

geest op zijn tocht naar God te steunen.

Daarna ging zij verder, niet meer bevreesd voor iets, dat haar zelf

kon treffen, maar in een onbeschrijflijken angst voor hetgeen haar

vader wedervaren was.

Toen zij eindelijk door de lange zalen in de praalwoning kwam, en

vóór de deur stond van de ziekenkamer, zochten haar handen lang naar

het slot en toen zij het gevonden had, ontbrak haar de kracht om den

sleutel om te draaien.

Toen riep haar vader van uit zijn kamer wie daar was.

Nu zij zijn stem hoorde en begreep dat hij leefde, had zij het gevoel

alsof alles in haar trilde en brak, en het vermogen verloor haar te

dienen. Haar hart en verstand hielden tegelijk op te werken en haar

spieren konden haar niet langer staande houden. Zij dacht nog, dat

dit het gevolg was van de vreeselijke spanning waarin zij verkeerd

had. En met een eigenaardig gevoel van verlichting zonk zij in een

langdurige bezwijming.

Donna Micaela ontwaakte tegen den volgenden morgen uit haar

onmacht. Toen was er veel voorgevallen.

De bedienden waren te voorschijn gekomen uit hun schuilplaatsen en

hadden donna Elisa gewaarschuwd. Zij had het beheer over het verlaten

paleis genomen, en om de politie gezonden, zij had de witte broeders

laten komen. En dezen hadden het lijk van Giannita gedragen naar haar

moeders huis.

Toen donna Micaela ontwaakte, lag ze op een sofa in een vertrek naast

haar vaders kamer. Niemand was bij haar, maar daarbinnen hoorde zij

donna Elisa spreken.

"Mijn zoon en mijn dochter," zei donna Elisa snikkend. "Ik heb mijn

zoon zoowel als mijn dochter verloren."

Donna Micaela trachtte zich op te richten, maar zij kon niet. Haar

lichaam lag nog in een verstijving, hoewel haar ziel reeds ontwaakt

was.

"Cavaliere, cavaliere," zei donna Elisa "kunt gij het

begrijpen? Bandieten van den Etna sluipen in de stad, zij schieten

op het tolkantoor en roepen: "Leve het socialisme!" En dat doen zij

slechts om de menschen van de straat te jagen en de karabiniers te

lokken bij de Porta Etnea. Geen enkele man van Diamante was er bij. Het

zijn bandieten, die dit plan slechts beraamd hebben om te plunderen

bij miss Tottenham en bij donna Micaela, bij twee vrouwen, cavaliere!

"Wat moeten die heeren officieren, die in den krijgsraad zitten,

toch gedacht hebben? Geloofden zij dat Gaetano samenspande met de

bandieten? Zagen zij dan niet dat hij een edelman was, een echte

Alagona, een kunstenaar? Hoe hebben ze hem kunnen veroordeelen?"

Donna Micaela luisterde met ontzetting, maar zij trachtte zich in te

spreken, dat zij nog droomde.

Ze hoorde opnieuw hoe Gaetano haar vroeg of zij hem aan God offerde. En

weer meende zij te antwoorden, dat zij dat deed. Nu droomde zij hoe

het zou zijn, indien hij werkelijk gevangen was genomen.

"Wat is dit toch voor een ongeluksnacht?" zei donna Elisa. "Wat is

het toch, dat in de lucht zweeft en de menschen verward en waanzinnig

maakt?

"Ge kent Gaetano, cavaliere. Hij is immers altijd heftig en vurig

geweest, maar hij was toch niet zonder verstand, hij kon zich toch

altijd wel beheerschen. Maar hedennacht werpt hij zich den vijand in

de armen.

"Gij weet, dat hij oproer wilde maken, ge weet dat hij thuis was

gekomen om oproer te verwekken. Toen hij nu hoort dat er geschoten

wordt en dat men roept "Leve het socialisme" wordt hij wild en

woest. Hij zegt tot zich zelf, dat dit het oproer is, en hij ijlt

de straat op om er bij te zijn. En hij roept den ganschen tijd:

"Leve het socialisme", zoo hard hij slechts kan.

"En toen ontmoet hij een groote menige soldaten, een gansch leger. Want

zij waren op weg naar Paterno maar hoorden het schieten in Diamante en

trokken hier binnen om te zien wat er gaande was. En Gaetano kan geen

soldatenmuts meer herkennen, hij gelooft dat het de oproerlingen zijn,

hij meent in hen gezanten des hemels te zien, en hij stort zich in

hun midden en laat zich zoo gevangennemen. En de soldaten, die even

tevoren alle bandieten hadden opgevangen, terwijl zij met hun buit

wegslopen, leggen nu ook de hand op Gaetano. En zij gaan verder door de

stad en vinden alles rustig. Maar vóórdat zij wegtrekken, houden zij

krijgsraad over hun gevangenen. En zij veroordeelen Gaetano tegelijk

met de anderen, veroordeelen hem evenals hen, die inbraak gepleegd

en vrouwen vermoord hebben.

"Hadden zij hun verstand niet verloren, cavaliere?"

Donna Micaela kon niet hooren wat haar vader antwoordde. Zij zelf

wilde duizend vragen stellen, maar zij was nog verstijfd en kon zich

niet verroeren. Zij zou willen weten of Gaetano doodgeschoten was.

"Wat bedoelden zij met hem te veroordeelen tot negen en twintig jaar

gevangenisstraf?" vroeg donna Elisa.

"Gelooven zij dat hij of iemand, die hem liefheeft zoo lang kan leven?

"Hij is dood, cavaliere, dood voor mij, evenals Giannita."

Donna Micaela had een gevoel alsof zij gebonden was met sterke ketenen,

opdat zij niet zou kunnen ontvluchten. Dit was erger, vond zij,

dan aan een schandpaal gebonden te zijn en gegeeseld te worden.

"'t Is al de vreugde van mijn ouderdom, die nu van mij is genomen,"

klaagde donna Elisa.

"Giannita en Gaetano! Ik had altijd gedacht, dat deze twee nog eens

een paar zouden worden. Zij zouden zoo goed bij elkaar gepast hebben,

omdat beiden mijn kinderen waren en mij liefhadden. Waarvoor zal ik

nu leven, nu ik niet langer jeugd om mij heen heb?

"Ik had het dikwijls zeer arm, toen Gaetano bij mij kwam en men zeide

mij, dat ik minder zorg zou hebben, indien ik alleen was. Maar ik

antwoordde: "Daar geef ik niets om, indien ik slechts jeugd om mij

heen heb." En ik hoopte, dat hij, als hij volwassen zou zijn, een

jonge vrouw zou nemen en zij zouden kleine kinderen krijgen en ik

zou nooit eenzaam behoeven te zitten als een onnut oud mensch."

Donna Micaela moest er aan denken, dat zij Gaetano had kunnen redden,

maar niet had gewild. Maar waarom had zij toch niet gewild? Dat

scheen haar nu onbegrijpelijk. Zij begon bij zich zelf al de redenen

op te sommen, die zij gehad had om hem zich in het verderf te

laten storten. Hij was een godloochenaar en socialist en hij wilde

oproer maken. En dit had opgewogen tegen al het andere, toen zij de

tuinpoort voor hem opende. Deze redenen hadden ook opgewogen tegen

haar liefde. Nu begreep zij dat niet. Het was alsof een schaal vol

veeren had kunnen opwegen tegen een schaal vol goud.

"Mijn mooie jongen," klaagde donna Elisa, "mijn mooie jongen. Hij was

reeds een groot man daarginds in Engeland, en hij kwam thuis om ons

arme Sicilianen te helpen. En nu hebben zij hem veroordeeld als een

bandiet. Men zegt dat zij op het punt stonden hem dood te schieten,

evenals zij dat de anderen gedaan hebben.

"Misschien was het beter geweest, cavaliere. 't Ware beter hem op

het kerkhof te weten, dan dat hij in de gevangenis versmacht. Hoe

zal hij dat lijden kunnen dragen? Hij zal het niet kunnen uithouden,

hij zal ziek worden, en spoedig sterven."

Toen zij dit zei, rukte donna Micaela zich los uit haar verdooving en

richtte zich op van de sofa. Zij wankelde door de kamer en kwam bij

haar vader en donna Elisa, even doodsbleek als de vermoorde Giannita.

Zij was zoo zwak, dat zij het niet waagde te loopen, maar bij de deur

bleef staan en tegen den deurpost leunde.

"Hier ben ik," zei zij, "donna Elisa, hier ben ik-- -- --"

De woorden wilden niet over haar lippen komen. Zij wrong de handen

in vertwijfeling, omdat zij niet kon spreken.

Donna Elisa was oogenblikkelijk bij haar. Zij legde haar arm om donna

Micaela's middel om haar te steunen, zonder zich er om te bekommeren

dat donna Micaela haar trachtte af te weren.

"Gij moet mij vergeven, donna Elisa," zei zij met nauwelijks hoorbare

stem. "Ik heb het gedaan."

Donna Elisa lette niet veel op hetgeen zij zeide. Zij zag dat donna

Micaela koorts had en geloofde dat zij ijlde.

Haar lippen bewogen zich, en men zag dat zij iets wilde zeggen, maar

men hoorde slechts enkele woorden. 't Was onmogelijk te begrijpen

wat zij meende.

"Tegen hem, zooals tegen mijn vader," zei zij herhaaldelijk. En toen

riep zij, dat zij allen, die haar liefhadden, in het verderf stortte.

Donna Elisa had haar naar een stoel geleid en daar zat donna Micaela en

kuste donna Elisa's oude rimpelige handen, en vroeg haar om vergeving

voor hetgeen zij gedaan had.

"Ja, zeker! Ja, zeker! donna Elisa vergaf het haar." Donna Micaela

zag haar scherp aan met groote koortsachtige oogen en vroeg of het

waar was.

"Ja, zeker is het waar."

Toen legde zij haar hoofd op donna Elisa's schouder en snikte. Zij

dankte haar en zei dat zij niet had kunnen leven, indien zij donna

Elisa's vergiffenis niet ontving. Tegen niemand had zij zoo gezondigd

als tegen haar. Kon zij haar vergeven?

"Ja, ja," zei donna Elisa keer op keer en zij geloofde dat donna

Micaela ijlde, tengevolge van schrik en koorts.

"Er is iets dat ik u moet zeggen," zei donna Micaela. "Ik weet het,

maar gij weet het niet. Gij vergeeft mij nooit, indien ge het weet."

"Ja zeker vergeef ik het u," zei donna Elisa.

Op deze wijze spraken zij lang, zonder elkaar te begrijpen, maar

het was goed voor de oude donna Elisa, dat ze dien nacht iemand

kon koesteren en troosten en versterkende kruiden en droppels kon

geven. Het was goed voor haar, dat er nog iemand was, die het hoofd

tegen haar schouder legde en weende over haar verdriet.

Donna Micaela, die gedurende drie jaar Gaetano had liefgehad, zonder

ooit te denken, dat zij elkaar eens zouden toebehooren, had zich aan

een eigenaardige soort liefde gewend. 't Was haar genoeg te weten,

dat Gaetano haar liefhad. Als zij daaraan dacht, doorstroomde haar

een heerlijk gevoel van veiligheid en geluk.

"Wat doet het er toe?" zei zij als zij tegenspoed ondervond. "Gaetano

heeft mij lief!" Hij was haar altijd nabij om haar op te beuren. Hij

was een deel van al haar gedachten en plannen. Hij was de ziel van

het leven zelve voor haar.

Zoo spoedig donna Micaela zijn adres wist, schreef zij hem. Ze bekende

hem, dat zij de vaste overtuiging had gehad, dat hij zijn ongeluk

tegemoet ging. Maar zij was zoo bevreesd geweest voor hetgeen hij

nog in de toekomst zou verrichten, dat zij het niet gewaagd had hem

te redden. Zij schreef ook hoezeer zij zijn leer verafschuwde. Zij

verborg niets voor hem. Zij zeide, dat zelfs indien hij vrij was,

zij nooit de zijne kon worden.

Zij vreesde hem. Hij had zulk een macht over haar dat indien zij

vereenigd waren, hij haar tot een godloochenaarster en socialiste

zou maken. Zij moest altijd van hem gescheiden leven, om haar ziel

te kunnen redden.

Maar zij bad en smeekte hem, dat hij trots alles niet zou ophouden

haar lief te hebben.

Hij mocht niet doen gelijk haar vader. 't Was waarschijnlijk, dat ook

hij haar nu uit zijn hart bande, maar dat mocht hij niet doen. Hij

moest barmhartig zijn. Indien hij wist hoe lief zij hem had, indien

hij wist hoe zij van hem droomde!

En zij bekende hem, dat hij het leven zelf voor haar was. "Moet ik

sterven, Gaetano?" vroeg zij.

"Is het dan niet reeds ongelukkig genoeg, dat deze leer ons scheidt? Is

mijn ongeluk niet reeds groot genoeg, nu men u in de gevangenis

gevoerd heeft? Zult gij nu ook nog ophouden mij lief te hebben,

omdat wij niet gelijk denken? Och, Gaetano, heb mij toch lief. Onze

liefde leidt tot niets, er is geen hoop voor ons, maar heb mij lief,

ik sterf als ge mij niet lief hebt."

Donna Micaela had nauwelijks dezen brief verzonden, of zij begon reeds

op het antwoord te wachten. Zij geloofde, dat zij een brief vol toorn

terug zou krijgen, maar zij hoopte, dat zij een enkel woord daarin

zou vinden, dat haar bewees, dat hij haar nog liefhad.

Maar zij wachtte verscheidene weken zonder een brief van Gaetano

te ontvangen.

't Baatte haar niets, dat zij iederen dag buiten op de galerij den

postbode opwachtte, en hem bijna bedroefd maakte, omdat hij altijd

genoodzaakt was te zeggen, dat hij niets voor haar had.

Een dag ging zij zelf naar het postkantoor en verzocht met smeekende

oogen, dat men haar toch den brief zou geven, dien zij verwachtte. "Die

moest er toch zijn," zei zij. Misschien hadden zij het adres niet

kunnen lezen, misschien was hij in een verkeerd vak gekomen.

En haar mooie smeekende oogen bewogen den postmeester, zoodat zij

mocht zoeken tusschen hoopen oude, onafgehaalde brieven en alle laden

van het postkantoor mocht nazien. Maar dat alles baatte niets.

Toen schreef zij een tweeden brief aan Gaetano, maar er kwam geen

antwoord.

Nu trachtte zij te gelooven, wat haar onmogelijk scheen. Zij beproefde

zich zelf te overtuigen, dat Gaetano haar niet meer liefhad.

En naarmate deze overtuiging vaster vorm aannam, begon zij zich op

te sluiten in haar kamer. Zij werd bang voor de menschen en was het

liefst alleen.

Dag aan dag werd zij zwakker. Zij liep gebogen en zelfs haar schoone

oogen schenen allen glans en leven verloren te hebben.

Na eenige weken was zij zoo verzwakt, dat zij niet meer kon staan, maar

den geheelen dag op de sofa moest liggen. Ze was een gemakkelijke prooi

voor een ziekte, die haar al haar levenskracht ontnam. Zij voelde,

dat zij den dood nabij was en zij was bevreesd te sterven. Maar zij

kon niets doen. Een enkel geneesmiddel bestond er voor haar, maar

dat kwam niet.

Terwijl donna Micaela op deze wijze zacht uit het leven scheen te

glijden, maakte men in Diamante toebereidselen om het feest van San

Sebastiaan te vieren dat in het eind van Januari valt.

Het was het grootste feest dat in Diamante gehouden werd, maar in de

laatste jaren was het niet met de gewone pracht gevierd, omdat nood

en kommer de gemoederen te veel drukten.

Maar dit jaar nadat het oproer mislukt was, terwijl Sicilië nog vol

vreemde troepen was en de geliefde helden van het volk in de gevangenis

smachtten, stelde men voor, het feest met ouderwetschen luister

te vieren. Want nu was het geen tijd de heiligen te verwaarloozen,

zei men.

En het vrome volk van Diamante besloot, dat het feest drie dagen zou

duren en dat San Sebastiaan gevierd zou worden door het uitsteken

der vlaggen, het versieren der huizen, hardrijderijen en bijbelsche

optochten, illuminaties en een wedstrijd van zangers. En met grooten

lust en ijver toog men aan het werk. In ieder huis werd er geboend

en gewreven. Men haalde de oude processiekleederen te voorschijn en

men bereidde zich tot de ontvangst van vreemden van den geheelen Etna.

Het eenige huis in Diamante, waar geen toebereidselen gemaakt werden,

was het zomerpaleis. Donna Elisa was daarover diep bedroefd, maar ze

kon donna Micaela niet bewegen het zomerpaleis te versieren.

"Hoe kunt gij verlangen, dat ik een huis van rouw met bloemen en

groen zal versieren?" zei zij. "De rozen zullen haar bladeren laten

vallen, indien ik ze wilde gebruiken om de rampen te bedekken, die

dit huis vervullen."

Maar donna Elisa dacht aan niets anders dan aan het feest en verwachtte

veel goeds van het vieren der heiligen, gelijk in vroegere dagen. Zij

sprak over niets anders dan hoe de priesters den gevel der domkerk

op oud-Siciliaansche wijze lieten versieren met zilveren bloemen

en spiegels. En zij beschreef den feestrit. Zooveel ruiters zouden

daaraan meedoen, en zulke hooge pluimen zouden zij op den hoed dragen,

en zij zouden lange, met bloemslingers omwonden stokken, waarop een

waskaars prijkte, in de hand houden.

Toen de feestdag aanbrak, was donna Elisa's huis het mooist van

alle versierd, Italië's groen-rood-witte vlag wapperde van het dak,

en roode kleeden met gouden franje en het naamcijfer van den heilige

waren over de vensterkozijnen en balkonhekken gespreid.

Maar langs den muur slingerden zich guirlandes van steeneik, gevormd

tot bogen en sterren, en rondom de ramen waren kransen gevlochten

van de kleine witte rozen uit donna Elisa's tuin.

Boven den ingang stond het beeld van San Sebastiaan, omlijst door

leliën, en op den drempel lagen cypressetakken. En ware men het huis

binnengetreden, dan zou men gezien hebben, dat het van binnen even

heerlijk versierd was als van buiten. Van den kelder tot den zolder

was het schoongemaakt en met bloemen getooid en op de planken in den

winkel stond nog niet zoo'n klein en nietig heiligenbeeldje of het

had een immortel of een bellis in de hand.

En evenals bij donna Elisa, had men in het arme Diamante straat

aan straat versierd. Er was zoo'n gewapper van vlaggen, dat men

moest denken aan het waschgoed, dat van den grond tot den hemel

in de steeg hing, waar het huis van den kleinen Moor stond. Alle

huizen en eerepoorten droegen vlaggen en dwars over de straat waren

touwen gespannen, waaraan wimpel naast wimpel waaide. En bij elke

tien schreden had men eerepoorten opgericht. En boven op iedere

eerepoort stond het beeld van den heilige, omlijst door kransen van

gele immortellen. De balkons waren bekleed met roode doeken en bonte

tafelkleeden, en langs de muren slingerden zich stijve guirlandes.

Er was zooveel groen en bloemen, dat niemand begrijpen kon hoe men

die bijeen had kunnen krijgen in Januari. Alles was met bloemen

versierd. De bezemsteel droeg een krans van krokusjes en de

poortklopper was versierd met een bouquet hyacinthen.

Maar voor de ramen stonden borden met naamcijfers en inscripties van

blauw-roode anemonen.

En tusschen deze versierde huizen bruiste de menschenstroom, machtig

als een stijgende vloed.

Het waren niet alleen de inwoners van Diamante, die San Sebastiaan

vierden. Van den ganschen Etna kwamen gele, prachtig beslagen en

geverfde karretjes vol menschen aanrollen, getrokken door paarden

met versierde leidsels.

Zieken, bedelaars en blinde zangers waren in grooten getale

opgekomen. En er waren heele pelgrimstochten van arme ongelukkige

menschen, die nu na de ongelukken iemand hadden om voor te bidden.

Er waren zooveel menschen bijeen, dat men verbaasd was, hoe allen

plaats konden vinden binnen de stadsmuren. Er waren menschen op straat,

menschen voor de ramen, menschen op de balkons.

Op de hooge steenen trappen zaten menschen, en de winkels waren vol,

de groote huisdeuren stonden wijd open en in de vestibule waren de

stoelen in een halven cirkel geplaatst zooals in een theater. Daar

zaten de eigenaars met hun gasten en keken naar de voorbijtrekkende

menschenmenigte.

De heele stad was vervuld van een feestelijk geruisch. Niet

alleen lachten en spraken alle menschen, maar er waren ook nog

positiefspelers, die op een positief, zoo groot als een orgel,

speelden. Er waren straatzangers en er waren mannen en vrouwen,

die Tasso declameerden met heesche, schreeuwende stemmen. Allerlei

marktventers waren er en uit alle kerken stroomden orgeltonen. Op de

Markt boven op den bergtop speelden stadsmuzikanten zoo luid dat men

de muziek in geheel Diamante kon hooren.

Dit vroolijk rumoer en deze bloemengeur, al dit vlaggen-gewapper in

de lucht voor donna Micaela's venster had de macht haar op te wekken

uit haar verdooving.

Zij rees op, alsof het leven zelf om haar gezonden had.

"Ik wil niet sterven," zei ze tot zich zelf. "Ik wil trachten te

leven."

Zij leunde op haar vaders arm, en ging op straat. Zij hoopte dat het

leven daarbuiten haar zou bedwelmen, zoodat zij haar smart vergeten

zou. "Gelukt dit mij niet," dacht zij, "kan ik geen verstrooiing

vinden, dan moet ik sterven."

Maar nu woonde er in Diamante een arme, oude beeldhouwer, die gaarne

een paar soldi met het feest wilde verdienen. Daarom had hij een paar

kleine lavabustes gemaakt van San Sebastiaan en van Paus Leo XIII. En

daar hij wist dat velen in Diamante Gaetano liefhadden en treurden

om zijn lot, maakte hij ook een paar beelden van hem.

En dadelijk toen donna Micaela op straat kwam, ontmoette zij dezen

man die haar een van zijn kleine, ellendige beeldjes te koop aanbood.

"Koop don Gaetano, donna Micaela," zei de man.

"Koop don Gaetano, dien de regeering gevangengenomen heeft, omdat

hij Sicilië wilde redden."

Donna Micaela drukte haar vaders arm heftig en spoedde zich verder.

Maar in het café Europa stond de zoon van den waard canzones te

zingen. Ter eere van het feest had hij eenige nieuwe liederen gedicht

en onder andere ook een paar over Gaetano. Hij kon immers niet weten

of de menschen niet juist van Gaetano wilden hooren.

Donna Micaela ging voorbij het café, toen zij echter hoorde, dat er

gezongen werd, bleef zij staan om te luisteren.

"Ach, Gaetano Alagona," zong de jonge man. "Zangers zijn machtig. Met

mijn liederen zal ik u vrij zingen. Eerst zend ik u de lieflijke

canzone. Die zal glijden door de traliën van uw gevangenis en deze

verbreken. Dan zend ik u het sonnet, dat schoon is als een vrouw

en dat uw bewakers zal omkoopen. Daarna dicht ik de heerlijke ode,

die de hooge gevangenismuren door haar trotschen rhythmus zal doen

schudden! Maar als niets u helpt, treed ik te voorschijn met het

machtige epos, dat een leger van woorden bezit. O, Gaetano, sterk

als een krijgsschaar, schrijdt het epos voorwaarts. Al de legioenen

van het oude Rome bezaten niet de macht het tegen te houden."

Donna Micaela klemde zich krampachtig vast aan haar vaders arm, maar

zij zei niets, ze ging slechts verder. Toen begon cavaliere Palmeri

te spreken over Gaetano.

"Ik wist niet dat hij zoo bemind was," zei hij.

"Ik ook niet," fluisterde donna Micaela.

"Maar heden zag ik hoe vreemde menschen in donna Elisa's winkel kwamen

en haar smeekten iets te mogen koopen, dat hij gesneden had. Ze had

nog slechts een paar oude rozenkransen, die trok zij stuk en daarvan

deelde zij de koralen uit."

Donna Micaela zag haar vader smeekend aan. Maar hij wist niet of zij

wilde, dat hij zou zwijgen of doorgaan met vertellen.

"Donna Elisa's oude vrienden loopen in den tuin met Luca," zei

hij. "Luca wijst hun Gaetano's lievelingsplekjes en den grond, dien

hij gewoonlijk bewerkte. En Pacifica zit in de werkplaats naast de

schaafbank en vertelt al het mogelijke van hem van af den tijd dat

hij niet grooter was dan zóó."

Meer kon hij niet vertellen, het gedrang en het rumoer werd zoo hevig

dat hij moest afbreken.

Zij gingen naar den dom. Op de domtrap zat de oude Assunta. Zij had

een rozenkrans in de hand en mompelde hetzelfde gebed, den geheelen

rozenkrans langs. Zij smeekte den heilige dat Gaetano, die beloofd

had de armen te helpen, weer in Diamante zou terugkomen.

Toen donna Micaela haar voorbijging, hoorde zij haar zeggen: "San

Sebastiaan, geef ons Gaetano. Ach, uit barmhartigheid, ach, om onze

ellende, geef ons Gaetano terug, San Sebastiaan."

Donna Micaela was van plan geweest naar de kerk te gaan, maar nu

wendde zij zich om.

"Er is zulk een gedrang," zei zij. "Ik durf er niet ingaan."

Zij ging weer naar huis. Maar terwijl ze weg was, had donna Elisa van

de gelegenheid gebruik gemaakt. Zij had een vlag op het dak van het

zomerpaleis geheschen en doeken over de balkons gespreid en toen donna

Micaela thuis kwam, was zij bezig een guirlande vast te maken. Donna

Elisa kon het niet verdragen, dat het zomerpaleis niet versierd

was. Zij wilde, dat dezen keer niets aan San Sebastiaans feest zou

ontbreken. En zij vreesde, dat de heilige Diamante en Gaetano niet

zou helpen, indien het oude paleis der Alagona's hem niet vierde.

Donna Micaela kwam terug, bleek als een ter dood veroordeelde en

gebogen alsof zij een tachtigjarig besje was.

Zij mompelde in zich zelf: "Ik maak geen bustes van hem, ik zing

geen liederen over hem, ik waag het niet God voor hem te bidden,

ik koop geen zijner koralen. Hoe zal hij dan kunnen gelooven, dat ik

hem liefheb? Hij moet al die anderen, die hem aanbidden, liefhebben,

maar niet mij. Ik behoor niet tot zijn wereld, mij kan hij niet

meer liefhebben."

En toen zij zag dat men haar huis met bloemen wilde versieren,

scheen haar dat zoo stuitend leelijk, dat zij den krans rukte uit

donna Elisa's hand en haar dien voor de voeten wierp, terwijl zij

vroeg of donna Elisa haar wilde vermoorden. Daarna ging zij haar

voorbij. Zij wierp zich in haar kamer op de sofa en verborg haar

gelaat in de kussens.

Nooit vroeger had zij begrepen hoe al deze uiterlijke

omstandigheden hem van haar scheidden. De volksman kon haar niet

liefhebben. Daarenboven had zij het gevoel, dat zij hem verhinderd had,

al deze armen te helpen.

Hoe moest hij haar verafschuwen! hoe moest hij haar haten! Haar booze

geest kwam weer over haar. Dit booze dat bestond in het niet bemind

zijn! Dat zou haar vermoorden. Zij dacht dat nu alles voorbij, dat

alles geëindigd was.

Terwijl zij zoo lag, kwam haar plotseling het kleine Christusbeeld

in de gedachten. Het was alsof hij in al zijn armoedige pracht de

kamer binnentrad. Zij zag hem duidelijk.

Donna Micaela begon het Christuskind om hulp aan te roepen. En zij

was verbaasd, dat zij zich niet vroeger tot dezen wonderdoener gewend

had. Maar dat kwam zeker, omdat het beeld niet in een kerk stond,

maar rondgevoerd werd als een der rariteiten van miss Tottenham,

zoodat zij slechts in den hoogsten nood aan hem dacht.

Het was laat op den avond van denzelfden dag. Donna Micaela had al

haar bedienden verlof gegeven naar het feest te gaan, zoodat zij en

haar oude vader alleen in het groote huis waren.

Maar tegen tien uur stond haar vader op en zei dat hij den wedstrijd

der zangers op de markt wilde gaan hooren. En toen hij ging, wilde

donna Micaela niet alleen achterblijven, en moest zij wel besluiten

hem te volgen.

Toen zij op de markt kwamen, zagen zij dat het plein veranderd was

in een theater met rijen stoelen naast elkaar. Elk plekje was bezet

met menschen en ternauwernood konden zij een plaats vinden.

"Vanavond is Diamante heerlijk, Micaela," zei cavaliere Palmeri. 't

Was alsof de lieflijkheid van den nacht hem zachter stemde. Hij sprak

meer en teederder tot haar, dan hij sedert langen tijd gedaan had.

Donna Micaela scheen het, dat haar vader de waarheid sprak. Zij had

een gevoel, zooals zij gehad had, toen zij voor de eerste maal in

Diamante kwam.

Het was de stad der wonderen, de stad van schoonheid, een klein

heiligdom van God.

Tegenover haar verrees een hoog, statig gebouw, opgetrokken van

stralende diamanten. Zij moest een tijdlang nadenken, vóórdat zij

begrijpen kon, wat het was.

Toch was het niets anders dan de gevel der domkerk, die bedekt was

met bloemen van stijf zilver- en goudpapier, waarin duizenden kleine

stukken spiegelglas waren gestoken. En in elke bloem hing een klein

olieglas met een vlammetje zoo groot als een vuurvlieg. Het was van

een zeldzame bekoring, de mooiste illuminatie, die donna Micaela ooit

gezien had.

Er was geen andere verlichting op de markt, en dat was ook niet

noodig. Deze groote muur van diamanten verlichtte voldoende.

Het zwarte palazzo Geraci stond gloeiend rood als werd het verlicht

door een vuurwolk.

Men zag niets van de wereld behalve de markt; daarbuiten heerschte

diepe duisternis en dit maakte dat donna Micaela opnieuw het oude

betooverde Diamante meende te herkennen, dat niet op de aarde lag,

maar een heilige burcht was op een der hemelsche bergen. Het raadhuis

met de zware balkons en de hooge trap, het groote nonnenklooster en

de Romeinsche poort waren opnieuw heerlijk en wonderbaarlijk. En zij

kon nauwelijks gelooven, dat zulk een vreeselijk lijden haar hier

getroffen had.

Te midden van deze menschenmassa voelde men geen koude. De winteravond

was zwoel als een nacht in 't voorjaar. Een lentestemming kwam op in

donna Micaela. Het begon in haar te beven en te trillen op een wijze,

die tegelijkertijd heerlijk en vreeselijk was.

Zoo moest de sneeuwmassa op den Etna zich gevoelen als de zon haar

oploste in bruisende bergstroomen.

Zij zag naar de menschen, die de markt vulden en zij was verbaasd

dat hun aanblik haar des voormiddags zoo gepijnigd had. Nu vond zij

het heerlijk dat zij Gaetano liefhadden. Ach, indien hij haar slechts

bleef liefhebben, zou zij zoo onuitsprekelijk trotsch op hun liefde

zijn, gelukkig over hun vereering. Dan zou zij deze oude bevende

handen willen kussen, die beelden van hem maakten en voor hem in

gebed gevouwen waren.

Toen zij dit dacht, werden de kerkdeuren wijd opengeslagen en een

groote, platte wagen rolde uit de kerk. Boven op den met rood doek

bekleeden wagen stond San Sebastiaan bij een paal, en onder het beeld

zaten de vier zangers, die deelnamen aan den wedstrijd.

Het was een oude blinde zanger van Nicolosi, een kuiper van Catania,

die beschouwd werd als de beste improvisatore van geheel Sicilië,

een smid van Termine en de kleine Gandolfo, zoon van den poortwachter

van het raadhuis. Alle menschen waren verbaasd, dat Gandolfo het

waagde deel te nemen aan zulk een gevaarlijken wedstrijd. Deed hij

dat misschien om zijn bruid, de kleine Rosalie, te behagen? Niemand

had ooit geweten, dat hij kon improviseeren. Hij had zijn gansche

leven niets anders gedaan dan mandarijnen eten en naar den Etna staren.

Het eerste dat gedaan werd, was de deelnemers te laten loten, en het

lot viel zoo, dat de kuiper het eerst aan de beurt kwam en Gandolfo

het laatst. Toen de loting zoo uitviel, verbleekte Gandolfo. 't Was

immers vreeselijk het laatst te komen, daar allen over hetzelfde

onderwerp zouden spreken.

De kuiper sprak over San Sebastiaan, toen hij legionair in het oude

Rome was en terwille van zijn geloof aan een paal werd vastgebonden

om als mikpunt voor zijn kameraden te dienen. Na hem kwam de blinde

zanger, die verhaalde hoe een vrome Romeinsche den martelaar vond,

bloedend en doorboord met pijlen en hoe het haar gelukte hem opnieuw

tot het leven te roepen. Toen kwam de smid, die al de wonderen vertelde

die San Sebastiaan verricht had op Sicilië gedurende de pest van het

jaar vijftienhonderd.

Zij werden alle drie geprezen. Zij gebruikten sterke woorden van bloed

en dood en het volk juichte hen toe. Maar zij, die van Diamante waren,

werden bang voor den kleinen Gandolfo.

"De smid heeft hem alle woorden ontnomen," zei men, "het zal hem

niet gelukken."

"O," zeiden anderen, "de kleine Rosalie neemt om die reden den

verlovingsband niet uit haar vlechten."

Maar Gandolfo kroop ineen in zijn hoek van den wagen. Hij werd al

kleiner en kleiner. Zij, die in zijn nabijheid zaten, konden hooren

hoe zijn tanden klapperden van vrees.

Toen eindelijk zijn beurt kwam, stond hij op en begon te improviseeren,

maar hij sprak zeer slecht, nog veel slechter dan iemand verwacht

had. Hij stamelde een paar verzen, maar het was slechts een herhaling

van hetgeen de anderen gezegd hadden.

Toen zweeg hij plotseling en haalde heftig adem. In dit oogenblik kwam

de kracht der wanhoop over hem. Hij richtte zich op en een zacht rood

kleurde zijn wangen.

"O, signori," zei de kleine Gandolfo. "Laat mij spreken over hetgeen

mij altijd vervult. Laat mij spreken over hetgeen ik altijd vóór

mij zie!"

En hij begon met wegsleepende welsprekendheid te vertellen wat hij

zelf gezien had.

Hij verhaalde hoe hij, de zoon van den poortwachter van het raadhuis,

over donkere zolders geslopen was en verborgen had gelegen onder

een der galerijen van de gerechtszaal in den nacht dat de krijgsraad

verzameld was om de oproerlingen van Diamante te vonnissen.

Toen had hij don Gaetano Alagona zien zitten op de bank der

aangeklaagden in een gezelschap van een menigte woeste gezellen,

die erger waren dan dieren.

Hij vertelde hoe schoon Gaetano geweest was. Den kleinen Gandolfo

had hij een god toegeschenen naast de vreeselijke menschen,

die hem omringden. En hij beschreef deze bandieten met hun wilde

roofdiergezichten, hun ruig haar en plompe ledematen. Hij zei,

dat ze er zoo woest uitzagen, dat iemand die hen in de oogen keek,

het hart beefde.

Toch was in al zijn schoonheid don Gaetano angstwekkender dan deze

menschen.

Gandolfo wist niet hoe zij het waagden naast hem te zitten op de

bank. Onder zijn saamgetrokken wenkbrauwen schoten vlammende blikken

op zijn medegevangenen, die hun zielen vermoord zouden hebben, als

zij gelijk andere menschen zielen bezeten hadden.

"Wie zijt gij," scheen hij te vragen, "dat ge het waagt op plundering

en moord uit te trekken, terwijl gij de heilige vrijheid aanroept? Weet

gij, wat gij gedaan hebt?

"Weet gij, dat ik nu ter wille van uw list gevangen zit? En dat ik

het ben, die Sicilië gered zou hebben?" En iedere blik, dien hij op

hen wierp, was een terdoodveroordeeling. Zijn blikken vielen op al

die zaken, die de bandieten gestolen hadden en nu op de gerechtstafel

lagen. Hij herkende deze voorwerpen. Zou hij de pendules en zilveren

schalen van het zomerpaleis niet kennen, zou hij de heiligenbeelden

en munten niet kennen, die zij geroofd hadden van zijn Engelsche

beschermster? Maar toen hij deze zaken herkend had, zond hij zijn

medegevangenen een vreeselijken lach toe.

"Gij helden, gij hebt geplunderd bij twee vrouwen," zei deze lach.

Zijn edel gelaat wisselde voortdurend van uitdrukking.

Eens had Gandolfo het plotseling zien samentrekken van schrik. Het

was toen de man, die naast hem zat, een hand had uitgestrekt, die

rood was van bloed.

Had hij toen misschien plotseling een vermoeden van de waarheid

gekregen? Dacht hij er aan, dat deze menschen ingebroken hadden in

het huis, waar zijn geliefden woonden?

Gandolfo vertelde hoe de officieren, die rechters zouden zijn, nu

zwijgend en ernstig binnen waren gekomen en plaats hadden genomen. Toen

hij deze hooge heeren gezien had, was zijn onrust verminderd.

Hij had tot zich zelf gezegd, dat zij wisten, dat Gaetano een voorname

man was en dat zij hem niet zouden veroordeelen. Zij zouden hem niet

verwarren met de bandieten. Niemand kon toch gelooven, dat hij had

willen plunderen bij twee vrouwen.

En zie, toen de rechter Gaetano Alagona opriep, was er geen strengheid

in zijn stem. Hij sprak tot hem als tot een gelijke.

"Maar," zei Gandolfo, "toen nu don Gaetano zich verhief, stond hij zóó,

dat hij op de markt kon zien. En op de markt, op deze zelfde markt,

waar nu zoo vele menschen zitten in vreugde en genot, naderde toen een

lijkstoet. Het waren de witte broeders, die het lijk van de vermoorde

Giannita droegen naar haar moeders huis. Ze liepen met fakkels en

men kon duidelijk de baar zien, die zij op hun schouders droegen.

"Terwijl de stoet langzaam over de markt schreed, kon men het

lijkkleed herkennen dat gespreid was over de doode. Het was het

kleed der Alagona's, versierd met het groote wapen en de rijke

zilverfranjes. Maar toen Gaetano dit zag, begreep hij dat de vermoorde

uit het huis der Alagona's zijn moest.

"Zijn gelaat werd aschgrauw en hij wankelde, alsof hij op het punt

stond te vallen.

"In dit oogenblik vroeg de rechter hem:

"Kent ge de vermoorde?"

De Wonderen van den Antichrist · 第 36 / 80 题