Er drijft een zeldsaam gisten, zeldsaam dringen
de jonge ziel in haren opgang uit.
Zij breekt den schors van waan die haar omsluit
en neigt tot nadering aan vreemde dingen.
Door 't naaste, wat niet-eigen is, gestuit
baart zij dan teedre ranken, die 't omringen
en gansch tot eigen-worden willen dwingen--
en geeft zich vangeling aan de¯eigen buit.
't Gaat dan om eeuwig heil! want ach! wie beurt
wat aan een schaduw zich heeft willen hechten?
En vast kan zich geen tweedemaal vervlechten
de rank, na d'eersten opgroei afgescheurd.
Dan worden alle klanken, alle kleuren
van 't Leeven weer een vreemd, vèr-af gebeuren.