XI.

Er drijft een zeldsaam gisten, zeldsaam dringen

de jonge ziel in haren opgang uit.

Zij breekt den schors van waan die haar omsluit

en neigt tot nadering aan vreemde dingen.

Door 't naaste, wat niet-eigen is, gestuit

baart zij dan teedre ranken, die 't omringen

en gansch tot eigen-worden willen dwingen--

en geeft zich vangeling aan de¯eigen buit.

't Gaat dan om eeuwig heil! want ach! wie beurt

wat aan een schaduw zich heeft willen hechten?

En vast kan zich geen tweedemaal vervlechten

de rank, na d'eersten opgroei afgescheurd.

Dan worden alle klanken, alle kleuren

van 't Leeven weer een vreemd, vèr-af gebeuren.

Dante en Beatrice, en andere verzen · 第 21 / 42 题