HOOFDSTUK IV.

DE DIENSTBAARHEID IN DE EERSTE CHRISTENKERK, MET DE AMERIKAANSCHE

SLAVERNIJ VERGELEKEN.

"Look now upon this picture!--and on this."

Hamlet.

Het is de standvastige bewering van die belijders der Godsdienst

in het Zuiden, die de slavernij volhouden, dat zij, met betrekking

tot deze, op dezelfde wijze te werk gaan, als Christus en zijne

Apostelen. Beschouwen wij derhalve de handelwijze van Christus en

zijne Apostelen, zoowel als den aard van het koningrijk door hen

gegrondvest, en zien wij wat er van de zaak is.

Napoleon zeide eens: "Alexander, Cæsar, Karel de Groote, en ik,

hebben rijken gesticht; doch waarop steunde de schepping van ons

genie? Op geweld. Jezus Christus alleen stichtte zijn Rijk op LIEFDE."

De begeerte om in magt, rang en vermogen boven anderen te zijn,

is eene der diepste in de menschelijke natuur. Zoo er iets is wat

den mensch van andere schepselen onderscheidt, dan is het dat hij een

onderdrukkend dier par excellence is. Op dit beginsel, zoo als Napoleon

opmerkte, zijn alle Rijken gegrond geweest; en aan het denkbeeld om

op eenige andere wijze een Rijk te grondvesten, was zelfs nog nimmer

gedacht geworden, toen Jezus van Nazareth verscheen.

Toen de rustige Galileër, door den nederdalenden Geest gekroond en

verheerlijkt, uit de wateren van den Jordaan opsteeg, en begon te

prediken, zeggende: "Het Koningrijk Gods is nabij gekomen," welke

verwachtingen wekte Hij toen niet? De hoofden der menschen waren vol

van legers die er te gebieden, van landstreken die er te veroveren,

van kabinetten die er te vormen, van staatsambten die er uit te

deelen zouden zijn. Er viel niet aan te twijfelen dat Hij hen dat

alles bezorgen konde, want bezat Hij geene wonderkracht?

Het was daarom, dat Jezus van Nazareth zeer populair was, en geheele

scharen tot zich trok.

Uit dezen koos Hij zich, uit de geringste standen, twaalf mannen van

de beste en eerlijkste karakters die hij vinden konde, die Hij tot

zijne onafscheidelijke medgezellen maken, en, door zijne symphatie

en vriendschap, tot de geschiktheid vormen wilde om zijne denkbeelden

te ontvangen en aan de menschen mede te deelen.

Maar ook zij, hoe opregt en eenvoudig van harte zij ook wezen mogten,

waren door de algemeene ondeugd des menschdoms verblind en betooverd;

en, al beminden zij Hem ook uit den grond hunner ziel, toch sloegen

zij altoos nog het oog op de ambten en rangen die Hij zou uitdeelen,

wanneer, volgens hunne verwachting, dat wonderdadig koningrijk in

zijn luister verschijnen zou.

Terwijl zijn hart worstelde en arbeidde, en zich door nachten vol

gebeden sterkte om verlating, verraad, verloochening, verwerping en

een schandelijken dood te gemoet te gaan--al hetwelk zijn geliefd

volk hem zou aandoen--voerden zij steeds dwaze twisten over de ambten

in het nieuwe koningrijk. Andermaal en nogmaals zeide hij hen met de

duidelijkste woorden, dat zoo iets volstrekt niet te verwachten was;

dat er geen ander onderscheid in zijn koningrijk zijn zoude dan het

onderscheid van smart, lijden en zelfverloochening, tot heil der

menschen vrijwillig te ondergaan.

Zijne woorden schenen hen een ijdel verhaal toe. Inderdaad beschouwden

zij Hem als eene soort van mythe,--eene verborgenheid,--een vreemd,

bovennatuurlijk, onverklaarbaar wezen, dat altoos in gelijkenissen

sprak, en dingen zeide die zij niet verstaan konden.

Aan ééne zaak nogtans kleefden zij vast: Hij was een koning--Hij zou

een koningrijk hebben; en Hij had hen gezegd dat zij zitten zouden

op twaalf troonen, rigtende de twaalf geslachten Israëls.

En toen Hij nu opging naar Jeruzalem om te sterven; toen de

zielsangst, waarmede Hij reeds lang van verre geworsteld had,

bijkans rakelings genaderd was, en Hij stil en afgetrokken voor

hen uitging, tusschenbeide afgebrokene gezegden tot hen rigtende,

naar wier beteekenis zij schroomden te vragen--toen bragten zij,

die achter hem wandelden, den tijd te loor met den gewonen twist

"wie hunner de grootste zou zijn."

De moeder van Jacobus en Johannes kwam tot Hem, en brak zijne

treurige mijmering af door eene zekere zaak van hem te begeeren--dat,

namelijk, hare beide zonen, de een aan zijne regter- en de ander

aan zijne linkerhand zitten mogten, als eerste staatsdienaars in

het nieuwe koningrijk. Met het treurige, verreziende oog nog steeds

op Gethsémané en Calvarië gevestigd, zeide Hij: "Gij weet niet wat

gij begeert. Kunt gij den drinkbeker drinken dien Ik drinken zal,

en met den doop gedoopt worden waarmede Ik gedoopt word?"

Jacobus en Johannes waren beide ten volle verzekerd dat zij dit

konden. Zij waren gewillig om voor de zaak des koningrijks te

strijden. De andere tien namen zulks zeer kwalijk. Waren zij er niet

even gewillig toe als Jacobus en Johannes? En zoo streden zij onder

elkanderen.

Maar Jezus riep hen tot zich, en zeide: "Gij weet dat de oversten der

volkeren heerschappij voeren over hen, en de grooten gebruiken magt

over hen. Doch alzoo zal het onder u niet zijn; maar zoo wie onder u

zal willen groot worden, die zij uw dienaar, en zoo wie onder u zal

willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht. Gelijk de Zoon des

menschen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen,

en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen."

Laat ons nu tot eene andere week in deze geschiedenis overgaan. De

discipelen hebben hunnen meester in triomf Jeruzalem zien binnen

trekken, onder de vreugdekreten der menigte. Een onbeschrijfelijk

iets in zijn voorkomen en wijze van doen, overtuigt hen dat er

eene groote crisis op handen is. Hij wandelt onder de menschen als

een nedergedaalde God. Nooit waren zijne woorden zoo krachtig en

doordringend geweest. Nooit waren er woorden op aarde gesproken,

zoo vol geest en gloed als die van de laatste week uit het leven

van Christus. Al de ijver, al de vurigheid en beeldrijkheid der

oude profeten schenen uit den dooden verrezen te zijn, verhemeld

en verheerlijkt in den persoon van dezen Jezus. Zij durven Hem

niet vragen, doch zijn er nu van verzekerd dat het koningrijk zal

worden opgerigt. Zij voelen, in de schokken van die krachtige ziel,

dat een groote tijdkring geëindigd is, en eene nieuwe periode in de

wereldgeschiedenis aanvangt. Misschien zal op dit zelfde Paaschfeest de

tijd gekomen zijn dat de wonderdadige banier ontplooid, en het nieuwe,

onsterfelijke koningrijk zal worden uitgeroepen. Op nieuw worden de

eerzuchtige verlangens wakker. Dit nieuwe koningrijk zal rangen en

waardigheden hebben. En wie zullen er mede bekleed zijn? Terwijl alzoo

hun Heer in gepeinzen verdiept zit, en in Zijnen geest dat eenvoudige

gebod van liefde overdenkt, dat Hij als grondwet van Zijn koningrijk

zal vaststellen, wordt er wederom verhaald: "En daar werd ook twisting

onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn."

Ditmaal berispt Jezus niet. Hij laat geen ongeduld, geen tegenzin,

geen misnoegen blijken. Wat doet hij dan? Hoor wat Johannes zegt:

"Jezus, wetende dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had,

en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God henen ging, stond op van

het avondmaal, en leide zijne kleederen af, en nemende een linnen doek,

omgordde zichzelven. Daarna goot Hij water in het bekken, en begon

de voeten der discipelen te wasschen, en af te droogen met den linnen

doek, waarmede hij omgord was." "Als Hij dan hunne voeten gewasschen,

en zijne kleederen genomen had, zat Hij wederom aan, en zeide tot hen:

Verstaat gij wat Ik ulieden gedaan heb? Gij heet mij Meester en Heer,

en gij zegt wel, want Ik ben het. Indien dan Ik, de Heer en de Meester,

uwe voeten gewasschen heb, zoo zijt gij ook schuldig elkanders voeten

te wasschen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gelijkerwijs

Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet."

"Voorwaar, voorwaar zeg ik u, een dienstknecht is niet meerder dan

zijn heer, noch een gezant meerder dan die hem gezonden heeft. Indien

gij deze dingen weet, zalig zijt gij zoo gij dezelve doet."

Hier dan hebben wij den Koning, en de grondwet van het Koningrijk. De

koning op de knieën, aan de voeten zijner dienaren, den laagsten

huiselijken dienst verrigtende, met de aankondiging: "Ik heb u een

voorbeeld gegeven, opdat gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden

ook doet."

En toen, na de uitstorting des Heiligen Geestes, al deze onsterfelijke

woorden van Christus, die als een dood zaad in de harten hadden

gelegen, leven en wasdom ontvingen, en tot een hemelschen bloei zich

ontwikkelden, toen werden deze twaalf mannen, elk in het zijne, een

andere Jezus, vervuld met den geest van Hem die ten hemel gevaren

was. De eerste Kerk, als door hen geordend, was eene broederschap van

strikte gelijkheid. Er was geen strijd meer wie de meeste zijn mogt; de

eenige strijd was, wie het meeste dienen en dulden zou. De Christelijke

Kerk was een imperium in imperio; zich voor het uitwendige aan de

wetten des lands onderwerpende, doch inwendig een hooger burgerschap

belijdende, en aan hoogere wetten gehoorzamende. Zij waren dood voor

de wereld, en de wereld voor hen. Hare gebruiken waren niet hunne

gebruiken, hare betrekkingen niet hunne betrekkingen. Al de gewone

betrekkingen des levens, zoodra zij in de Kerk van Christus overgingen,

ondergingen eene plotselinge, onsterfelijke verandering; zoodat de

herschapene betrekking niet meerder naar de oude en heidensche geleek,

dan het verheerlijkte, in onverderfelijkheid opgewekte ligchaam naar

het sterfelijke dat in verderfelijkheid gezaaid was. De betrekking

des huwelijks was van eene tirannische heerschappij van de sterkere

sekse over de zwakkere, in eene teedere vereeniging overgegaan, die

ten zinnebeeld strekte van de betrekking van Christus tot de Kerk. De

betrekking van ouder en kind, van de ruwe trekken der heidensche wet

gezuiverd, werd een gepast zinnebeeld van de liefde des hemelschen

Vaders; en de betrekking van meester en dienaar werd op dezelfde

wijze tot eene vrijwillige betrekking tusschen twee gelijke broederen

verfijnd, waarin de dienaar zijne pligten, als jegens den Heer,

getrouw vervulde, en de meester hem eene redelijke vergelding voor

zijne diensten gaf.

Niemand heeft er ooit aan getwijfeld dat eene betrekking zoo als

deze, eene onschuldige betrekking was. Zij bestaat in alle vrije

Staten. Het is de in de verschillende afdeelingen des levens algemeen

bestaande betrekking tusschen hem die eenen anderen bezigt, en hem

die gebezigd wordt. Het is waar, dat de wettige daad van bevrijding

nooit van den meester gevergd werd; en waarom? Omdat de aard van het

koningrijk zelve, waarin meester en slaaf waren overgegaan, dezen

laatsten reeds bevrijdde. Een meester behoeft geene schriftelijke

akte van bevrijding te geven, wanneer hij zijne slaven in Canada,

of zelfs maar in New-York of Pennsylvanië brengt. Het oogenblik

waarin meester en slaaf te zamen op dien bodem staan, verandert hunne

geheele betrekking jegens elkander. De meester moge meester blijven,

en de dienaar dienaar; maar, volgens de grondwet van den Staat dien

zij betreden hebben, moet de dienst eene vrijwillige dienst van de

zijde des dienaars zijn, en de meester is er eene billijke vergelding

voor schuldig. Toen het water des doops meester en slaaf besprengde,

kwamen zij beide te zamen onder de groote grondwet van Christus'

koningrijk, welke is deze:

"Zoo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar, en zoo

wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht." Onder

zulk eene wet ontving de dienstbaarheid waarde, en werd eervol gemaakt,

doch de slavernij werd eene onmogelijkheid.

Dat de Kerk in haar wezen, en uit hare eigene natuur, zulk eene

instelling van gelijkheid, broederschap, liefde en vrijheid was, die

het bestaan van den slaaf, als zoodanig, tot eene tegenstrijdigheid

en onmogelijkheid maakte, is blijkbaar uit de algemeene strekking

en bedoeling van al de apostolische schriften, inzonderheid die

van Paulus.

En deze beschouwing is niet het gevolg eener drooge ontleding van

Grieksche woorden, of kleingeestige uitpluizing der beteekenis van het

woord doulos, maar van een wegslependen stroom van dien hemelschen,

onwederstaanbaren geest van leven en liefde, die uit elke beschrijving

der Christelijke Kerk ademt.

Tot allen, hetzij slaven of vrijen, rigt de Apostel deze bezielende

woorden: "Één ligchaam is het, en één Geest, gelijkerwijs ook gij

geroepen zijt tot ééne hope uwer beroeping: Één Heer, één geloof,

één doop, één God en Vader van allen, die daar is boven allen, en door

allen, en in u allen." "Want door Hem hebben wij alle den toegang door

éénen Geest tot den Vader." "Zoo zijt gij dan niet meer vreemdelingen

en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenooten Gods:

gebouwd op het fondament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus

Christus is de uiterste hoeksteen." "Want gij zijt allen kinderen Gods

door het geloof in Christus Jezus. Daarin is noch Jood noch Griek:

daarin is noch dienstbare noch vrije: daarin is geen man en vrouw;

want gij allen zijt één in Christus Jezus." "Want gelijk het ligchaam

één is en vele leden heeft, en al de leden van dit ééne ligchaam,

vele zijnde, maar één ligchaam zijn, alzoo ook Christus. Want ook

wij allen zijn door éénen Geest tot één ligchaam gedoopt, hetzij

Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen: en

wij zijn allen tot éénen Geest gedrenkt. En indien één lid lijdt,

zoo lijden al de leden mede; en indien één lid verheerlijkt wordt,

zoo verblijden zich al de leden mede."

Het was de theorie van deze gezegende en goddelijke eenheid, dat welke

gave, of meerderheid, of voordeel, door één lid bezeten werd, deze ook

door elk lid werd bezeten. Daarom zegt Paulus tot hen: "Want alles is

het uwe. Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Céfas, hetzij leven,

hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen; zij zijn

allen uwe; doch gij zijt van Christus, en Christus is van God."

Na de Kerk dus als een levend, onafscheidelijk vereenigd ligchaam

te hebben voorgesteld, bezigt de Apostel een nog sterker en

indrukwekkender zinnebeeld. De Kerk, zegt hij, is één ligchaam, en

dat ligchaam is de volheid van Hem, die alles in allen vervult. Dat

is, Hij die alles in allen vervult, wil deze Kerk als tot deelgenoot

en wederhelft van zich-zelven maken, zoo als eene vrouw van haren

echtgenoot. Van dat ligchaam van geloovigen wordt gesproken als

van eene geestelijke bruid; in de wereld, doch niet van de wereld;

onbevlekt, goddelijk, onsterfelijk; uit den dood der zonde opgewekt

tot nieuwheid des levens, vrijgekocht door het bloed haars Heeren,

en die Hem, ten laatsten dage, zal worden voorgesteld als eene

verheerlijkte Kerk, zonder vlek of rimpel, of iets dat verontreinigt.

Een teeder en geheimzinnig medegevoel (sympathie) wordt verondersteld

deze Kerk te doordringen, zoo als dat teeder en geheimzinnig

zenuwenweefsel dat over het menschelijk ligchaam is uitgebreid;

het geringste lid kan niet lijden, zonder dat het geheele ligchaam

smartelijk wordt aangedaan. Zoo zegt Paulus, die zelf eene volkomene

verwezenlijking van deze schoone theorie was: "Wie is er zwak, dat ik

niet zwak ben? Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande?" "Denwelken

gij vergeeft, dien vergeef ik ook."

Maar meer nog, individuëele Christenen ontvingen op ernstigen,

plegtigen toon, de herinnering: "Of weet gij niet dat uw ligchaam een

tempel is des Heiligen Geestes, die in u is, dien gij van God hebt,

en dat gij uwes zelfs niet zijt?" En wederom: "Want gij zijt de Tempel

des levenden Gods: gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen,

en Ik zal onder hen wandelen." En deze zoo verhevene taal werd in die

dagen niet als loutere praal van welsprekendheid beschouwd, maar was

de altoos aanwezige innerlijke bewustheid der ziel.

Iedere Christen werd jegens zijne broederen tot een voorwerp van

geheiligden eerbied gemaakt, als de tempel des levenden Gods. De

ziel van elken Christen werd in eerbiedige stilte gesust, en

tot waakzaamheid, zorgvuldigheid en heiligheid aangespoord, door

de bewustheid van een inwonenden God. Daarom bezigde Ignatius,

die om zijne uitnemende vroomheid, par excellence, door zijne Kerk

"Theophorus, de God-drager" genoemd werd, toen hij voor keizer Trajanus

stond, de volgende merkwaardige taal: "Niemand kan Theophorus een

boozen geest noemen, want, daar ik Christus, den Koning des Hemels,

in mijn hart draag, breng ik de listen en kunstgrepen der booze

geesten ten onder."

"Wie is dan de God-drager?" vroeg Trajanus.

"Hij, die Christus in zijn hart draagt," was het antwoord.

"Meent gij Hem, wien Pontius Pilatus heeft doen kruisigen?"

"Er is er maar één, en dien meen ik," hernam Ignatius.

"Draagt gij dan den gekruisigde in uw hart?" vroeg Trajanus.

"Zoo is het," zeide Ignatius; "want er is geschreven: Ik zal in hen

wonen en in hen blijven."

Zoo volkomen was de vereenzelviging van Christus met den individuëelen

Christen in de Eerste Kerk, dat het eene gemeenzame wijze van

uitdrukking was, van eene den geringsten Christen aangedane beleediging

te spreken als van eene beleediging, Christus zelven aangedaan. Zoo

zegt Paulus: "Doch gijlieden, alzoo tegen de broeders zondigende,

en hunne zwakke conscientie kwetsende, zondigt tegen Christus." En

van zich-zelven zegt hij: "Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus

leeft in mij."

Lees ook het volgende uit een brief, door Cyprianus, Bisschop van

Carthago, aan eenige arme Numidische Kerken geschreven, die zich tot

hem gewend hadden met de bede om eenige hunner leden uit de slavernij

onder de aangrenzende stammen der barbaren te verlossen. (Neander,

Gedenkwaardigheden, 1ste deel, bladz. 100 der Nederduitsche vertaling.)

"Wij konden de gevangenschap der broeders niet anders aanzien

dan als onze eigene, hun lijden niet anders dan als ons eigen,

daar wij met elkander tot één ligchaam verbonden zijn, en daar

niet alleen de liefde, maar ook een eigenaardig godsdienstig

belang ons moet aansporen en in staat stellen, om de broeders,

die leden van ons eigen ligchaam zijn, los te koopen. Want daar

de Apostel zegt: "Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt, en de

Geest van God in u woont," zoo moesten wij, als de liefde ons niet

genoeg kon aansporen om de broeders te helpen, in dit geval toch

bedenken dat er tempelen Gods gevangen zijn, en wij mogten deze

tempelen Gods door ons dralen niet langer in de gevangenschap

laten; wij moesten met al onze krachten door onze gehoorzaamheid

ons het welgevallen van Christus, onzen Regter, onzen Heer en God,

zoeken te verwerven. Want daar de Apostel Paulus zegt: zoo velen

uwer gedoopt zijn, die hebben Christus aangedaan, zoo moeten wij

in onze gevangene broeders dien Christus voor ons zien, die ons

uit het gevaar van gevangenschap losgekocht, en ons uit gevaar

des doods verlost heeft. Wij moesten ons gedrongen gevoelen om

Hem, die ons uit de kracht des Satans bevrijd heeft, en die nu

in ons blijft en woont, uit de handen der barbaren te verlossen,

om voor eene kleine som gelds Hem los te koopen, die ons door zijn

kruis en bloed losgekocht heeft; en die dit daarom laat gebeuren,

opdat ons geloof beproefd worde.

En omdat nu het Grieksche woord doulos een slaaf kan beteekenen,

en omdat het blijkt dat er in de Christelijke Kerk menschen waren,

douloi genaamd, zal deze of gene, in strijd met den geheelen geest

dezer schoone instelling, misschien willen beweren dat deze lieden

werkelijk als slaven beschouwd werden in den zin der Romeinsche en

Amerikaansche wet? Van alle lompe, averegtsche, moedwillige domheden,

is deze wel de domste. Toegegeven dat Christelijke meesters bedienden

hadden die men douloi noemde, zoo als het duidelijk genoeg is dat

men zulks deed, is het dan niet blijkbaar dat het woord douloi de

beteekenis gekregen had van iets, dat in de Christelijke Kerk zeer

verschilde met hetgeen het in de Romeinsche wet beteekende? Het

was de taak der Apostelen niet, nieuwe woordenboeken te maken;

zij veranderden geene woorden--zij veranderden zaken. De gedoopte,

herborene, nieuw geschapene doulos, van één ligchaam en éénen geest

met zijnen meester, met dezen één gemaakt, zoo als Christus één is

met den Vader, en, met zijnen meester, een lid van die Kerk welke de

volheid van Hem is die alles in allen vervult:--was zijne betrekking

tot zijn Christelijken meester gelijk aan die van den Amerikaanschen

slaaf tot zijn meester? Zou hij, die zijn zwaksten broeder als één met

Christus beschouwde, zijn broeder als een roerend goed bezitten? Kon

hij Christus als roerend goed bezitten? Kon hij Christus voor geld

verkoopen? Kon hij den tempel des Heiligen Geestes als zijn eigendom

bezitten, en in goeden ernst zijn regt verdedigen om dien naar

welgevallen te verkoopen, te verpanden of te verhuren, zoo als dat regt

in de slaven-houdende Staten van Amerika op den kansel beweerd wordt?

Wat zou men bij zulk eene leer gezegd hebben, wanneer zij in de

Christelijke Kerk ware voorgedragen geworden? Elk der leden zou zijne

ooren toegestopt, en uitgeroepen hebben: "Judas!" Zoo de vloek over hem

werd uitgesproken, die meende dat de gave des Heiligen Geestes voor

geld te koop was, wat zou er dan van hem gezegd zijn geworden, die

meende dat de tempel des Heiligen Geestes zelve gekocht en verkocht,

en Christus de Heere eene koopwaar kon worden? Er was nimmer sprake

van zulk een denkbeeld. Het kon niet wederlegd zijn geworden, want

het heeft nooit bestaan. Het was een ongehoord ja ondenkbaar werk des

duivels, hetwelk Paulus zelfs niet eenmaal als mogelijk beschouwde,

dat de eene Christen een regt kon beweren om den anderen Christen als

koopwaar te bezitten, en handel te drijven in de "leden des ligchaams,

het vleesch en been" van Christus. Zulk een afgrijselijk denkbeeld

heeft de onschuld der Christenkerk zelfs niet in hare gedachten

bevlekt.

De vermaningen, door Paulus aan Christelijke meesters en dienstknechten

gegeven, toonen genoegzaam welk eene heiligende verandering de

instelling ondergaan had. In den eersten brief aan Timotheus geeft

Paulus de volgende vermaningen, eerstelijk aan hen die heidensche,

en vervolgens aan hen die Christelijke meesters hebben. Die met

betrekking tot heidensche meesters wordt aldus uitgedrukt: "De

dienstknechten, zoo velen als er onder het juk zijn, zullen hunne

heeren aller eere waardig achten, opdat de naam Gods en de leer niet

gelasterd worde." In het volgende vers wordt aan de dienstknechten

van Christelijke meesters de vermaning gegeven: "En die geloovige

heeren hebben, zullen ze niet verachten, omdat ze broeders zijn:

maar zullen ze te meer dienen omdat zij geloovig en geliefd zijn,

als die dezer weldaad mede deelachtig zijn."

Let nu eens op het contrast tusschen deze vermaningen. De dienstknecht

van den heidenschen meester wordt gezegd onder het juk te zijn,

hetwelk klaarblijkelijk insluit dat de dienstknecht van den

Christelijken meester niet onder het juk was. De dienstknecht

van den heidenschen meester was onder de strenge Romeinsche wet;

de dienstknecht van den Christelijken meester is een gelijke, en

een broeder. Onder deze omstandigheden wordt den dienstknecht van

den heidenschen meester gehoorzaamheid bevolen, ter aanbeveling

van de Christelijke godsdienst. Aan de andere zijde wordt den

dienstknecht van den Christelijken meester bevolen zijnen meester

niet te verachten omdat hij zijn broeder is; maar hij behoort hem

te gehoorzamen omdat zijn meester een geloovige en geliefde is, een

deelgenoot van dezelfde heerlijke hoop als hij zelf. Verondersteld

nu eens dat een geestelijke, op eene katoen-plantaadje gebezigd,

waar de meeste leden der plantaadje--zoo als wij onderrigt zijn dat

somtijds het geval is--leden zijn van dezelfde Christelijke Kerk als

hun meester, de slaven tot zich zou roepen, en hen aldus toespreken:

"Nu, jongens, ik wil niet dat gij uw meester verachten zult omdat

hij uw broeder is. Het is waar dat gij allen één zijt in Christus

Jezus; daar is hier geen onderscheid; daar is Jood noch Griek, neger

noch blanke, slaaf noch vrije, maar gij alle zijt broeders,--alle te

zamen ledematen van Christus, en erfgenamen van hetzelfde Koningrijk;

maar gij moet uw meester uit dien hoofde niet verachten, gij moet

hem als een broeder beminnen, en gewillig zijn om alles te doen wat

gij kunt om hem te dienen, omdat gij ziet dat hij een deelgenoot is

van dezelfde weldaad als gij, en de Heer hem even zeer bemint als

u." Zou zulk eene toespraak niet eene zekere mate van verbazing,

zoo wel bij den meester als bij de slaven wekken; en doet het

feit dat zij ongerijmd schijnt, het niet in het oog vallen dat de

betrekking van den slaaf tot zijnen meester onder de Amerikaansche

wet zeer onderscheiden is van hetgeen zij in de Christelijke Kerk

was? Doch laat ons een anderen tekst aanhalen, dien slaven-eigenaars

zoo gaarne in hun voordeel trekken. In Colossensen III: 22-24 en IV:

1 staat geschreven: "Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam uwen

heeren naar den vleesche, niet met oogendiensten als menschenbehagers,

maar met eenvoudigheid des harten, vreezende God, en al wat gij doet,

doet dat van harten als den Heere, en niet den menschen; wetende dat

gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij

dient den Heere Christus." "Gij heeren, doet uwen dienstknechten regt

en gelijk, wetende dat ook gij eenen Heer hebt in de Hemelen."

Nu is er in deze vermaningen aan dienstknechten toch wel niets,

hetwelk bewijzen zoude dat zij slaven waren in de beteekenis der

slaven-wet, als roerend goed namelijk; want zij zijn even zeer

toepasselijk op elken bediende in Oud en Nieuw Engeland; maar in de

vermaning aan hunne meesters is iets hetwelk bewijst dat zij door

de Kerk niet als roerend goed beschouwd werden, omdat den meester

bevolen wordt hen te geven wat regt en gelijk is, als eene belooning

voor hunne diensten. Van de woorden "regt en gelijk" beteekent "regt"

datgene wat hen wettig toekomt, en "gelijk" datgene wat op zichzelve

regtmatig is, ook al wordt het niet door de wet voorgeschreven.

Maar nu bezitten wij het onbetwijfelbare getuigenis van alle wettige

autoriteiten over de Amerikaansche slavenwet, dat de Amerikaansche

slavernij geene aanspraak maakt van gegrond te zijn op hetgeen "regt"

of op hetgeen "gelijk" is. Zoo zegt de regter Ruffin: "Het kan alleen

in het afgetrokkene gevraagd worden of deze of gene magt van den

meester met het regt overeenkomstig is. Het antwoord zou waarschijnlijk

de eene met de andere wegvegen;" en dit beginsel, zoo ondubbelzinnig

door den regter Ruffin uitgesproken, is, zooals wij gezien hebben,

in alle redeneringen over de slavernij en de slavenwet, reeds

voorlang volkomen toegegeven. Er wordt maar zeer weinig regtsgeleerde

scherpzinnigheid vereischt, om te zien dat de invoeging dezer woorden

van Paulus in de wet van den eenen of anderen Staat, eene practische

vernietiging der slavernij in dien Staat zou medebrengen.

Maar, zegt men, Paulus heeft Onesimus aan zijn meester terug

gezonden. Het is waar! maar hoe? Toen, tot onze eeuwige schaamte en

schande, de verschrikkelijke wet tegen de gevlugte slaven in Boston

ten uitvoer gebragt werd, en de Wieg der Vrijheid zelve van het

gekerm der slaven weêrgalmde, en menschen, hardvochtiger dan Saulus

van Tarsus, de Kerk ten plunderbuit maakten, in de huizen drongen,

mannen en vrouwen grepen en ze in de gevangenis wierpen, toen geheele

kerken van onschuldige Christenen opgebroken, en deze als kudden van

sidderende schapen verstrooid werden; toen echtgenooten en vaders van

hunne huisgezinnen werden afgerukt, en moeders, met arme hulpelooze

kinderen, te middernacht, met bloedende voeten, door sneeuw en ijs,

naar Canada vloden;--te midden van deze tooneelen, die Amerika tot

een spreekwoord en eene uitfluiting onder alle natiën gemaakt hebben:

toen heeft men mannen, Christenen, dienaren zelfs van Jezus' Evangelie

gevonden, die--helaas, dat dit ooit moest worden opgeteekend!--op

den kansel staande, in den naam en uit het gezag van Christus, deze

gruwelen goedkeurden en regtvaardigden, en dezen allerbeminnelijksten

en allereenvoudigsten brief van Paulus misbruikten om deze ongehoorde

afgrijselijkheden te verdedigen!

Hij die zeide: "Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? wie wordt

er geërgerd, dat ik niet brande?"--hij, die den bekeerden slaaf

zijne ingewanden, zijnen zoon noemde, dien hij in zijne banden

geteeld had, en die hem tot den broeder zijner ziel terug zond met

de vermaning: "Neem hem aan als mij zelve, nu voortaan niet als een

dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefde

broeder,"--deze schoone brief, deze uitstorting van teederheid en

liefde, meer dan liefde der vrouwen, werd open geslagen om door de

vuile grijpvogelklaauwen van slavenkoopers en slavengeeselaars,

als hun in naam van Christus en zijne Apostelen geteekende en

gezegelde lettre de cachet, naar zich gehaald te worden, als volle

magt verleenende om slaven terug te voeren om gepijnigd en gegeeseld,

en in eeuwige slavernij verkocht te worden, zoo als Henry Long en

Thomas Sims! Even zoo goed zou de brief eener moeder, waarin zij,

met tranen en gebeden, haar eerste en eenigste kind aan de teedere

liefde en het medegevoel van een vertrouwden vriend aanbeveelt, door

een Inquisiteur als volmagt gebezigd kunnen worden om dat kind in den

kerker te werpen en te folteren. Ware niet het laatste overblijfsel

van 's Apostels ligchaam reeds lang tot stof vergaan, dan zouden

zijne beenderen zich nog in hun graf bewogen hebben, om tegen zulk

eene belastering van den Christelijken naam en het Christelijk geloof

te protesteren. En is het hiertoe gekomen, O Jezus Christus! heeft

men zulke dingen in Uwen naam gedaan, en zwijgt Gij nog? Voorwaar,

Gij zijt een God die u verbergt, o God Israëls, de Verlosser!

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 201 / 220 题