MARTELAARSCHAP.

Tijdens de Methodistische en Presbyteriaansche Kerken de tegen de

slavernij gerigte besluiten namen, die wij hebben opgeteekend, zou

de kerk het slavernij-systeem met betrekkelijk geringe moeite hebben

kunnen ten onder brengen. Dit was de ondervinding der Kwakers, die er

toenmaals de proef van namen, en in die proef slaagden. De maatregel

dien zij volgden, was de eenvoudigst mogelijke. Zij verdeelden hunne

Kerk in ringen of districten, en benoemden geregelde commissiën,

wier taak het was van huis tot huis te gaan, en de regelen der Kerk

op elken slavenhouder, een voor een, toe te passen. Dit werd in zulk

een geest van eenvoudigheid en broederlijke liefde bewerkstelligd, dat

slechts weinigen aan die stem geen gehoor gaven. Zij gaven zich rustig

over, gehoorzaam aan de inspraak van hun geweten en den invloed hunner

broederen. Deze handelwijze, hoe zacht ook, oefende dezelfde kracht

uit, als de kalme zomerzon, die, door weinige uren geduldig schijnens,

den ijsberg doet smelten, waarop al de winterstormen hunne krachten te

vergeefs verspild hadden. O, mogten al de andere gezindheden dien zoo

gelukkigen maatregel bedacht en gevolgd hebben! Maar de dag is voorbij,

dat dit gedrochtelijke kwaad door zachte middelen van overreding zoo

gemakkelijk te overwinnen was.

Toen de Kwakers hunne poging in het werk stelden, was deze Leviathan

in het riet en de biezen van Amerika jong en kaal, en had zijne

krachten nog niet leeren kennen. Toen zou men hem "met een angel

hebben kunnen trekken;" toen zou men "een verbond met hem hebben

kunnen aangaan, en hem tot een eeuwigen slaaf maken;" maar nu is

de Leviathan volwassen. "Ziet, zijne hope zal feilen; niemand is

zoo koen, dat hij hem opwekken zoude; hij zal voor zijn gezigte

nedergeslagen worden. Zeer uitnemende zijn zijne sterke schilden; elk

een gesloten als een naauwdrukkend zegel. Het eene is zoo na aan het

andere, dat de wind daar niet kan tusschen komen. De stukken zijns

vleesches kleven te zamen; elk een is vast in hem, het wordt niet

bewogen. Zijn hart is vast, gelijk een steen, ja vast gelijk een deel

des ondersten molensteens. Raakt hem iemand met den zwaarde, dat zal

niet bestaan. Hij acht het ijzer als stroo en het staal voor verrot

hout. De pijl zal hem niet doen vlieden: de slingersteenen worden hem

in stoppelen veranderd. Hij belacht de drilling der lans. Op aarde

is niets met hem te vergelijken: hij is een Koning over alle jonge

hoogmoedige dieren." [25]

Er zijn er, die zich nog altoos aan de herschenschim vasthouden,

dat, op de eene of andere wijze, zonder eenige bijzonder sterke

poging of tegenstand, door eene zachte, inschikkelijke, redenerende

handelwijze, de Leviathan bekeerd, gedoopt, en tot Christen gemaakt

zal worden. Laten zij het beproeven. Zulk eene manier heeft men al

sedert lang als niets beteekenend leeren beschouwen. Maar zoodra

Leviathan begint te zien, dat het hun ernst wordt, zullen zij de

gevolgen er van ondervinden. De beraadslagingen van alle Synoden in

de Vereenigde Staten, die bewijzen, dat hij een kwaad is per se,

zullen hem niet wekken. Hij beschouwt ze veeleer als vermakelijke

domheden. Ook zullen geene besluiten, dat men hem "met leedwezen

beschouwt," hem bijzonder verontrusten, even zoo weinig als de

uitgedrukte verwachting, dat hij omstreeks de vestiging van het

duizendjarige Rijk wel sterven zal. Ondanks al de vermaningen van

Synode en "Conferentiën," heeft Leviathan zelve maar een zeer gering

gevoelen van zijne Christelijkheid, en eene soort van indruk, dat

hem de algemeene Christus-regering op aarde wel wat ongemakkelijk zal

vallen; doch hij bekommert zich nog niet veel om het vooruitzigt van

op een zoo ver verwijderd tijdstip den geest te moeten geven.

Maar laat iemand, uit het Noorden of uit het Zuiden, het zwaard des

Geestes nemen, en er hem mede tusschen de schilden slaan, dan zal

hij ondervinden welk eene soort van strijd Christianus met Apollyon

had. Laat niemand, uit het Noorden of uit het Zuiden, wiens goede

naam, of welvaart, of rijkdom, hem te dierbaar zijn om ze er aan op te

offeren, dien krijg beginnen! Laat niemand hem ondernemen, die niet

bereid is, zijn goeden naam, ja des noods zijn leven, te haten. Om

deze redenen zullen wij hier het voorbeeld van een martelaar aanvoeren,

die voor deze zaak gestorven is; want men heeft naar waarheid gezegd,

"dat het bloed der martelaren het zaad der Kerk is."

De Eerwaarde Elijah P. Lovejoy was de zoon eener vrouw uit Maine,

een inboorling van dien Staat, die dor en bar in alle andere dingen,

vruchtbaar is in edele gevoelens en heldhaftige daden. Van zijne

jongelingsjaren zeggen wij niets; waarschijnlijk waren deze zoo als die

van andere jonge lieden uit Maine. Wij vatten zijne geschiedenis op,

waar wij hem als geestelijke in St. Louis vinden, en als uitgever

van een Godsdienstig nieuwsblad. Al beleed hij ook niet ronduit

een abolitionist te zijn, zoo liet hij zich evenwel openlijk en

bepaald tegen de slavernij uit. Dit verwekte grooten haat en lokte

gewelddadigheden uit. Kort daarna werd, in de straten van St. Louis,

door eene zamenrotting, uit de aanzienlijkste lieden van die plaats

bestaande, een neger, die de tot zijne gevangenneming uitgezondene

beambten gewond had, levendig verbrand. Dit tooneel eener langzame

marteling duurde tot dat de euveldaad volbragt was, terwijl men de

gillende smeekingen van het slagtoffer om een spoedigen dood in den

wind sloeg. In zijn last aan de jury beweerde de regter Lawless,

dat er geene wettige straf op dit misdrijf viel toe te passen,

omdat het, het bedrijf eener woedende menigte zijnde, boven de wet

was. In rondborstige taal gaf Elijah Lovejoy zijn afschuw van de

bemiddeling en van de beslissing te kennen. Om die reden werd zijne

werkplaats door het gepeupel omver gehaald en vernield. Toen hij

zich in St. Charles bevond, werd het huis door een hoop van zulke

lieden, als de slavernij alleen daartoe kon aanhitsen, aangevallen,

met oogmerk, om hem het leven te benemen. Zijne tot krankzinnigheid

toe opgewondene vrouw hield de wacht aan zijne deur, tegen mannen

strijdende, die met knodsen en dolkmessen gewapend waren, en zwoeren,

dat zij zijn hartebloed wilden. De uiterste wanhoop eener vrouw en

de hulp van vrienden, dreven den eersten aanval terug; maar toen de

troep terugkeerde, wist hij te ontsnappen. Lovejoy kwam te Alton,

in den Staat van Illinois, en begon daar zijn nieuwspapier uit

te geven. De menigte volgde hem. Zijne pers werd tot tweemaal toe

vernield, en dagelijks werd hij met den dood gedreigd.

Eer zijne pers ten derden male vernield werd, verscheen in zijn

nieuwspapier eene oproeping tot eene bijeenkomst der vijanden van de

slavernij en vrienden des vrijen onderzoeks in Illinois, ten einde

onder de bestaande crisis geschikte maatregelen te beramen en uit te

voeren. Deze oproeping werd door omstreeks twee honderd en vijftig

personen uit verschillende gedeelten van den Staat onderteekend,

waaronder ook de Eerwaarde E. Beecher, destijds Voorzitter van het

"Illinois College." Zij bragt een groot aantal menschen bijeen. Toen de

beraadslagingen begonnen, drongen ook de volksleiders zich onder hen;

er ontstond eene groote gisting, en ten slotte werd de bijeenkomst

door de kwalijk gezinden overschreeuwd en uit elkander gedreven. Toen

werd besloten een anti-slavernij-genootschap op te rigten, en eene

verklaring van gevoelens, benevens een adres aan het volk van den

Staat, in het licht te zenden. Er werden bedreigingen gedaan, dat, zoo

Mr. Lovejoy met het drukken van zijn blad voortging, het gepeupel zijne

drukpers zou vernielen. In dezen staat van spanning sprak Mr. Beecher,

op verzoek van het genootschap, twee leerredenen uit, die de gevoelens

en voorgenomene handelwijze er van in het licht stelden. Zij werden

achtervolgens openbaar gemaakt, terwijl het volgende uittreksel den

lezer een denkbeeld zal geven van hetgeen zij waren.

1. Wij zullen trachten onze medeburgers te overreden om

zich boven alle eigenbatige, geldzuchtige, staatkundige en

plaatselijke belangen te verheffen; en, uit een diep gevoel

van Gods tegenwoordigheid, alleen de eeuwige en onveranderlijke

grondbeginselen van waarheid in het oog te houden, die door geene

menschelijke wetten of volksgevoelens veranderd of vernietigd

kunnen worden.

2. Wij zullen trachten het geschil voor te stellen als een geschil

tusschen deze gemeente en God; als een onderwerp dat Hem diep

ter harte gaat, en waaromtrent groote en gewigtige pligten jegens

Hem en onze medeburgers op ons rusten.

3. Wij zullen trachten, zoo veel in ons vermogen is, de hevigheid

van den strijd der partijen te verzachten, alle onheilige drift

te vermijden, en wederkeerig vertrouwen en welwillendheid aan

te kweeken, zoowel als innige belangstelling in de welvaart van

alle gedeelten onzer natie, en eene sterke begeerte om hare Unie

te bewaren en haar hoogsten bloei te bevorderen.

Ons gansche vertrouwen rust op waarheid en liefde, en op de

invloeden des Heiligen Geestes. Wij begeeren niemand door eene

onderdrukkende magt van het algemeen gevoelen te noodzaken om

tegen zijn geweten of overtuiging te handelen; maar een iegelijk

tot onbevooroordeeld nadenken en onpartijdig onderzoek in de

vreeze Gods op te wekken, is alles wat wij verlangen.

En, om dit doel te bereiken, zullen wij ons van dezelfde middelen

bedienen als die gebezigd worden om den openbaren geest nopens

alle andere groote zedelijke onderwerpen te verlichten en te

verheffen:--persoonlijken invloed, openbare adressen, den kansel

en de drukpers.

4. Wij zullen trachten een nieuw en grondig onderzoek der

grondbeginselen van menschelijk regt, en van het verband van alle

regtvaardige wetgeving daarmede, te bevorderen; terwijl wij onze

beginselen zullen afleiden uit de natuur van den menschelijken

geest, uit de betrekkingen van den mensch tot God, en uit den

geopenbaarden wil van den Schepper.

5. Wij zullen vervolgens trachten de slavenwetten van ons land

bij het licht dier beginselen te toetsen, en te bewijzen dat zij

uit haren aard zondig zijn, en dat zij zoowel met den wil van God

als met al de belangen van den meester, den slaaf, en de geheele

maatschappij in strijd zijn.

6. Wij zullen wijders trachten aan te toonen op welke wijze

gemeenten, waar zulke wetten bestaan, zich te gelijk, in volmaakte

veiligheid en vrede, van de schuld zoowel als van de gevaren van

het systeem zullen kunnen bevrijden.

7. En, zoo lang de gemeenten in haar geheel niet mogten te

overreden zijn om hare pligten te betrachten, zullen wij pogingen

aanwenden om de individuëele slavenhouders in zulke gemeenten

hunne verpligtingen voor te houden en op het hart te drukken.

Tegen doeleinden, in dezen geest en op die wijze voorgesteld, zou

men denken dat redelijkerwijze niets ware in te brengen. De eenige

zwarigheid die zij medebragten was deze, dat zij, hoe kalm en minzaam

ook, bleken ernstig gemeend te zijn; en op eenmaal werd Leviathan

volkomen wakker.

De eerste praktikale vraag was: Zal de derde drukpers verdedigd worden,

of zal men ook deze laten vernielen?

Er was eene vreeselijke spanning en eene groote volksbeweging. De

schroomvallige, voorzigtige, rustlievende meerderheid, die in alle

steden te vinden is, die zich om geen triomf van eenig beginsel

bekommert, zoo zij slecht haar eigen belang kan bevorderen, was

kleinmoedig en weifelachtig, en moedigde alzoo de kwalijkgezinden

aan. Alle drangredenen werden te hulp geroepen om Mr. Beecher en

Mr. Lovejoy van hunne pogingen om de drukpers te herstellen, te doen

afzien. Den eerstgenoemde zeide men dat er in Missouri eene premie op

zijn hoofd gezet was--eene fatsoenlijke manier van overtuigen in de

slavenhoudende gedeelten van dit land. Mr. Lovejoy had men al sinds

zoo langen tijd, dag en nacht, gedreigd te zullen vermoorden, dat

het argument bij hem al wat afgesleten geraakt was. Aan Mr. Beecher

zeide men, dat de belangen van het collegie, welks voorzitter hij

was, zouden worden opgeofferd, en dat, zoo hij al verkoos zijne

eigene veiligheid te wagen, hij geen regt had om die belangen in

de waagschaal te stellen. Maar Mr. Beecher en Mr. Lovejoy gevoelden

beide, dat het hier het hoofdbeginsel, dat der vrije inrigtingen gold,

hetwelk te dier tijd, over het geheele land, door opoffering van het

regt van vrije beraadslaging aan de kreten van het gepeupel, ernstig

bedreigd werd; en dat zulk een antecedent tot zeer ver uitziende en

zeer gevaarlijke gevolgtrekkingen zou kunnen leiden.

In eene openbare bijeenkomst rigtte Mr. Beecher eene toespraak tot de

burgers over het regt tot handhaving van het vrije onderzoek, en van

ieders regt tot vrije uiting zijner gemoedelijke overtuiging. Hij las

hun eenige dier welsprekende zinsneden voor, waarin Dr. Channing,

onder gelijksoortige omstandigheden, die zelfde regten te Boston

had verdedigd.

Hij las hen uittreksels voor uit buitenlandsche nieuwspapieren, waaruit

bleek, hoe het Amerikaansch karakter in vreemde landen miskend werd

door den invloed der Lynch-wet en de gewelddadigheden der menigte. Hij

verdedigde het regt van Mr. Lovejoy, om zijne gemoedelijke overtuiging

door de drukpers openbaar te maken; en eindelijk las hij uittreksels

uit eenige zuidelijke dagbladen voor, waarin de handelwijze van den

grooten hoop strengelijk veroordeeld, en het regt van Mr. Lovejoy om

zijne gevoelens te openbaren, verdedigd werd. Ten slotte stelde hij

het nemen der volgende besluiten voor:

Dat de vrije mededeeling van gevoelens een der onschatbaarste

regten van den mensch is; en dat ieder burger over alle onderwerpen

vrijelijk spreken, schrijven of drukken mag, behoudens zijne

verantwoordelijkheid voor het misbruik dier vrijheid.

Dat de handhaving dezer beginselen onafhankelijk behoort te zijn

van alle inschikkelijkheid jegens personen of gevoelens.

Dat zij inzonderheid behooren gehandhaafd te worden ten aanzien

van impopulaire gevoelens, dewijl geene andere de bescherming

der wet behoeven.

Dat wij alleen op deze gronden, en zonder aanzien van staatkundige

en zedelijke verschillen, gezind zijn de drukpers en eigendommen

des uitgevers van den Alton Observer te beschermen, en hem in

zijn regt te ondersteunen om openbaar te maken wat hem goeddunkt,

hem alleen verantwoordelijk stellende jegens de wetten des lands.

Deze besluiten, aldus voorgesteld, zouden in eene laatste bijeenkomst

der burgers, die den volgenden dag moest plaats hebben, in overweging

genomen worden.

Die bijeenkomst had plaats. Hun eerste stap was, Mr. Beecher en

allen, die geene burgers van dat district waren, van het regt van

beraadslaging over het aan te bieden rapport uit te sluiten. De

commissie rapporteerde dan, dat zij de bestaande spanning ten hoogste

betreurde; dat zij nogtans de sterke overtuiging koesterde, dat

de burgers zich van alle onwettige daden zouden onthouden; dat de

eischen des tijds gematigde en verzoenende maatregelen wenschelijk

maakten; en dat men, alhoewel niet gezind om de vrije mededeeling in

het algemeen te belemmeren, het met dat al noodig voor de openbare

rust hield, dat Mr. Lovejoy geen openbaar nieuwsblad in die stad

uitgaf; zonder daarmede in het allerminst iets nadeeligs voor het

karakter of de bedoelingen van Mr. Lovejoy te willen zeggen. Alles

wat de Vergadering voor dit oogenblik verlangde, was te hooren of

Mr. Lovejoy gezind was zich aan haar verlangen te onderwerpen.

Een lid der Commissie stond op, en betuigde zijne sympathie voor

Mr. Lovejoy, dien hij voorstelde als iemand, die onder rampspoeden

gebukt ging, terwijl hij hoopte, dat men indachtig zoude zijn, dat

hij vrouw en kinderen te verzorgen had, en vertrouwde dat men hem zoo

weinig schande zou willen aandoen als mogelijk was; doch dat hij,

en zijne geheele partij met hem, de noodzakelijkheid zouden inzien

van in eene schikking te treden, en Alton te verlaten. Wat daarop

volgde, wordt hier met de woorden van Mr. Beecher verhaald, die in

de Vergadering tegenwoordig was.

Toen broeder Lovejoy opstond om op de bovengemelde redevoering te

antwoorden, lette ik met belangstelling, om niet te zeggen met

angst, op zijn gelaat. Met eene kalme, rustige houding naderde

hij het gestoelte van den Voorzitter, en sprak in den toon van

een diep, teeder, en naauwelijks wederhouden gevoel, het volgende:

"Ik gevoel, mijnheer de Voorzitter, dat dit het plegtigste

oogenblik in mijn leven is. Ik vertrouw eenigermate de

verantwoordelijkheid te gevoelen, die er in dit oogenblik op mij

rust jegens deze mijne medeburgers, jegens de Kerk, waarvan ik

een dienaar ben, jegens mijn vaderland en jegens God. En laat ik,

eer ik voortga, u mogen verzoeken, om niets van hetgeen ik zeggen

zal, als oneerbiedigheid jegens deze Vergadering te beschouwen. Ik

koester geen zoodanig gevoelen, dat zij verre. En zoo ik niet

altoos overeenkomstig hare wenschen spreek of handel, dan is het,

omdat ik dit gewetenshalve niet doen kan.

"Het is noodig dat ik de geheele zaak, zoo als ik haar begrijp,

voor deze Vergadering bloot leg. Ik sta hier niet om over de zaak

te redetwisten, zoo als zij door het rapport van de Commissie

is voorgesteld. Het eenige, wat mij verwondert, is, dat de

achtenswaardige gentleman, de Voorzitter van die Commissie, wiens

karakter ik zeer hoogacht, hoewel de eer niet hebbende van hem

persoonlijk te kennen,--het eenige wat mij, zeg ik, verwondert,

is, hoe die gentleman er toe heeft kunnen besluiten om zulk een

rapport in te leveren.

"Mijnheer de Voorzitter, ik stem niet toe dat het de taak dezer

Vergadering is, te beslissen of ik al dan niet een openbaar

nieuwspapier in deze stad zal uitgeven. De heeren zijn, zoo als

de regtsgeleerden zeggen, van een verkeerd punt uitgegaan. Ik

heb het regt om het te doen. Ik weet, dat ik het regt heb om

mijne gevoelens vrijelijk uit te spreken en openbaar te maken,

alleen onderworpen aan de wetten des lands voor het misbruik

van dat regt. Dat regt is mij door mijn Schepper gegeven, en is

mij door de grondwet der Vereenigde Staten en van dezen Staat,

plegtig gewaarborgd. Wat ik van u wensch te weten, is, of gij

mij wilt beschermen in de uitoefening van dat regt, dan wel

of ik, zoo als tot nog toe, voor persoonlijke beleedigingen en

aanrandingen zal moeten blootstaan. Er wordt van deze besluiten

en van de daarbij voorgestelde maatregelen gesproken als van eene

schikking--eene schikking tusschen twee partijen. Dit is niet zoo,

mijnheer de Voorzitter. Er is hier slechts ééne partij. Het is

eenvoudig de vraag of de wet zal gehandhaafd worden, dan of het

gepeupel de vrijheid zal hebben om haar, zoo als het thans doet,

met voeten te blijven treden, door de regten van een onschuldig

mensch ongestraft te schenden.

"Mijnheer de Voorzitter, wat valt hier van mijne zijde te

schikken? Hen te vergeven, die mij zoo grootelijks beleedigd

hebben; voor hun tijdelijk en eeuwig welzijn te bidden; het heil

van stad en staat te blijven wenschen, ondanks al het leed en den

smaad, die ik er in ondergaan heb;--zoo men dit alles onder de

bedoelde schikking verstaat, dan ben ik van harte genegen haar

te maken. Mijne regten zijn schandelijk en baldadig gehoond;

dit weet ik, gevoel ik, en kan het nimmer vergeten. Maar hen te

vergeven, die dit gedaan hebben, dat kan ik en doe ik.

"Maar zoo men door eene schikking verstaat, dat ik zal ophouden

datgene te doen wat mijn pligt van mij vordert, dan kan ik

haar niet maken. En de reden daarvoor is, dat ik God meer vrees

dan de menschen. Geloof niet dat ik mij ligtvaardig tegen het

algemeene gevoelen zou willen aankanten. De goede meening mijner

medemenschen is mij dierbaar, en om hunne gunst te verkrijgen

zou ik veel opofferen, alleen geene grondbeginselen. Wanneer mij

gevergd wordt deze te laten varen, dan wordt mij meer gevergd dan

ik geven mag. Men heeft het feit aangevoerd dat ik, eenige dagen

geleden, heb aangeboden de uitgave van den Observer aan anderen

over te laten. Dat is waar. Ik deed zulks, omdat sommigen dachten

of zeiden dat dat blad in andere handen betere bescherming zou

vinden. Mijn aanbod werd nogtans van de hand gewezen, en sedert

hebben wij berigten van de vrienden en begunstigers van het blad

in alle gedeelten van den Staat ontvangen. Allen hadden maar één

gevoelen, en dit was, dat het blad door niemand anders dan mij kon

worden staande gehouden. Het is derhalve eene zeer verschillende

vraag, of ik vrijwillig, of op verzoek van vrienden, mijn post

zal overgeven, dan wel of ik dien op den eisch van het gepeupel

verlaten zal. Tot het eerste ben ik ten allen tijde bereid,

wanneer de omstandigheden zulks vorderen, dewijl ik mijne

persoonlijke wenschen of belangen nooit in strijd wil brengen

met de zaak van dien Meester, wiens dienaar ik ben. Maar het

laatste, wees daarvan verzekerd, zal ik NOOIT doen. God--zoo

zeggen alle mijne broederen, en zoo denk ook ik--heeft mij in

den weg Zijner Voorzienigheid de verantwoordelijkheid opgelegd

van mijnen grond hier te verdedigen; en, mijnheer de Voorzitter,

ik ben er toe besloten, dit te doen. Uit Maine, uit Massachusetts,

uit Connecticut, uit New-York, uit Pennsylvanië,--ja, uit Kentucky,

uit Mississippi, uit Missouri--komt eene stem tot mij, die mij

in naam van alles, wat in den hemel of op aarde dierbaar is,

toeroept, om standvastig te blijven; en, met Gods hulp, ZAL IK

STANDVASTIG BLIJVEN. Ik weet, dat ik alleen sta, en dat uwer vele

zijn. Mijne kracht zou tegen u allen weinig kunnen baten. Gij kunt

mij verpletteren zoo gij wilt: maar ik zal op mijn post sterven,

want ik kan noch wil hem verlaten.

"Waarom zou ik uit Alton vlugten? Is dit geen vrije Staat? Toen ik

te St. Louis door het gepeupel werd aangevallen, kwam ik herwaarts,

als naar de woonplaats van wet en vrijheid. Het gepeupel heeft

mij ook hier vervolgd, en waarom zou ik op nieuw vlugten? Waar

kan ik veilig zijn, zoo het hier niet is? Heb ik geen regt om de

bescherming der wetten in te roepen? Wat zou ik elders meer kunnen

hebben? Sir, mijne vlugt zelve zou het gepeupel nog des te stouter

maken, om mij overal te vervolgen, waar ik henen ging. Neen, Sir,

er is geen middel, om aan het gepeupel te ontsnappen, dan het

spoor van mijnen pligt te verlaten; en dat zal ik, met Gods hulp,

nimmer doen.

"Het is hier gezegd geworden, dat mijne hand tegen allen is,

en de hand van allen tegen mij. Het laatste gedeelte van dat

zeggen is eene maar al te smartelijke waarheid. Ik vind inderdaad

bijkans elke hand tegen mij opgeheven; maar tegen wien in deze

plaats is mijne hand opgeheven geweest? Ik beroep mij op allen

hier aanwezig: wien uwer heb ik beleedigd? Wiens karakter heb ik

belasterd? Wiens familie heb ik overlast aangedaan? Met wiens

zaken heb ik mij bemoeid? Zoo daar iemand is, dat hij opsta en

tegen mij getuige.--Niemand antwoordt.

"En zeggen uwe besluiten zelve niet, dat gij tegen mijn bijzonder

of persoonlijk karakter niets weet in te brengen? En kan iemand

gelooven, dat, zoo daar iets tegen in te brengen ware, het

niet geschieden zoude? Zoo ik mij in eenig opzet tegen de wet

vergrepen heb, ben ik in deze gemeente niet zoo bemind, dat het

bezwaarlijk vallen zou mij te overtuigen. Gij hebt geregtshoven,

regters en jurys; zij vinden niets tegen mij. En nu komt gij bijeen

met het doel, om een man, wiens onschuld algemeen bekend is, te

verbannen, om geene andere oorzaak, dan dat hij denken en spreken

durft, zoo als God en zijn geweten hem ingeven. Zal zulk eene

handelwijze den toets van uw vaderland, van uwe nakomelingschap,

en, bovenal, van den oordeelsdag kunnen doorstaan? Want bedenkt,

dat de Regter, die op dien dag zal vonnissen, geen aannemer des

persoons is. Ik smeek u, staat stil en overweegt! De tegenwoordige

spanning zal weldra voorbij zijn; de stem des gewetens zal zich

eindelijk doen hooren. En wanneer gij, op een of ander tijdstip

van onbevooroordeeld nadenken, zelfs nog in deze wereld, u de

tooneelen van dit uur te binnen brengt, dan zult gij genoodzaakt

zijn te zeggen: "Hij sprak de waarheid; hij sprak de waarheid!"

"Maar men heeft u tot zachtmoedigheid en medelijden vermaand, en

om den rampspoed mijner uitbanning niet noodeloos met schande te

verzwaren. Sir, ik verwerp zulk een medelijden. Gij kunt mij niet

schandvlekken. Oneer, valschheid en laster hebben hun vermogen

reeds uitgeput. Mijne schouders hebben den last gedragen, tot

dat zij er aan gewoon zijn geworden. Gij kunt mij ophangen, zoo

als het gepeupel de lieden uit Vicksburg ophing! Gij kunt mij aan

een staak verbranden, zoo als het Mac Intosh te St. Louis deed,

of gij kunt mij van lid tot lid van elkander scheuren, of mij

in den Mississippi werpen, zoo als gij dikwijls gedreigd hebt,

maar gij kunt mij niet schandvlekken. Ik, en ik alleen, kan mij

schandvlekken; en de onuitwischbaarste schande zou zijn, in een

tijd als deze, mijn Meester te verloochenen door Zijne zaak te

verlaten. Hij stierf voor mij, en ik zou ten hoogste onwaardig

zijn Zijn naam te dragen, wanneer ik weigerde, om, des noods,

voor Hem te sterven!

"Verder heeft men u gezegd, dat ik een huisgezin heb, dat op

mijne zorg steunt, en dit heeft men als eene reden doen gelden,

dat ik zoo zachtzinnig mogelijk wierde uitgebannen. Het is waar,

mijnheer de Voorzitter, ik ben echtgenoot en vader; en dit is een

der bitterste inmengsels in den lijdensbeker, dien ik geroepen

word, om te drinken. Ik ben er toe gebragt, om de wijsheid van den

raad des Apostels te gevoelen: "Het is beter niet te trouwen." Ik

weet, Sir, dat ik in dezen strijd niet alleen mijn eigen leven,

maar ook dat van anderen waag. Ik geloof niet, dat mijne vrouw ooit

weder van den schok zal bekomen der verschrikkelijke tooneelen, die

zij te St. Charles heeft doorgestaan. En wat gebeurde nog onlangs,

toen ik mij naar huis begaf? De vrees voor het gepeupel, dat rondom

de woning bijeen schoolde, had haar naar de vliering gedreven;

en naauwelijks was ik in huis, of mijne vensters werden door de

steenworpen van het graauw verbrijzeld, en zij zoo verschrikt,

dat het haar dien geheelen nacht onmogelijk was te slapen of te

rusten. Ik word gejaagd als een veldhoen op de bergen; ik word als

een uitvaagsel in uwe Staten vervolgd, en de beschermende magt

der wetten tegen gewelddadigheid, die zelfs door den snoodsten

misdadiger mag worden ingeroepen, roep ik te vergeefs in.

"Denk echter niet, dat ik ongelukkig ben. Denk niet, dat mijne

gedane keuze mij berouwt. Terwijl alles rondom mij oproer en geweld

is, is het vrede in mijn binnenste. Een goedkeurend geweten en

de beloonende glimlach van God is eene volkomene vergoeding voor

alles, wat ik verliet, en voor alles, wat ik onderga. Ja, Sir,

ik geniet een vrede, dien niets kan verstoren. Ik slaap zacht en

ongestoord, alleen dan uitgezonderd, wanneer de steenworpen van

het graauw mij doen ontwaken.

"Neen, Sir, ik ben niet ongelukkig. Ik heb de kosten berekend,

en ben volkomen bereid, om al het mijne in de dienst van God op

te offeren. Ja, Sir, ik gevoel het gansche gewigt van het door mij

aangeboden offer, terwijl ik mij hier verbind, om dezen strijd tot

het uiterste vol te houden. (Vergeef deze tranen--zij vloeijen

onwillekeurig, en niet om mij-zelven, maar om anderen). Maar

ik word geroepen, om vader en moeder, en vrouw en kinderen, om

Jezus wille te verzaken; en als Zijn verklaarde belijder ben ik

daartoe gereed. Naar het mij toeschijnt is thans de tijd daar,

om die verbindtenis na te komen, Sir, ik durf niet uit Alton

wegvlugten. Zoo ik het beproefde, zou ik ondervinden, dat de Engel

des Heeren, met zijn vlammend zwaard, mij overal vervolgde, waar

ik henen ging. Omdat ik God vrees, vrees ik niemand van allen,

die zich in deze stad tegen mij stellen. Neen, Sir, de strijd

is hier begonnen, en moet hier voleindigd worden. Voor God en

voor u allen verbind ik mij hier, om hem voort te zetten, zoo

het noodig is, tot den dood toe. Zoo ik val, dan zal mijn graf

in Alton gedolven worden."

Lovejoy was welgemaakt van persoon, hoogst beschaafd in stem

en manieren; en het pathos van deze laatste verklaring, met den

edelsten eenvoud uitgesproken, roerde alle aanwezigen, en bragt een

diep stilzwijgen te weeg. Het was een dier oogenblikken, waarin de

gevoelens van een auditorium in de balans trillen, en één korrel ze

naar deze of gene zijde kan doen overslaan. Zoo er in dat oogenblik

een voorstel gedaan ware, om hem bijstand te verleenen, zou het

zijn doorgegaan. De betoovering werd vernietigd door een anderen

dienaar des Evangelies, die opstond en eene homilie uitsprak over de

noodzakelijkheid eener schikking, terwijl hij Mr. Lovejoy aanbeval

op het voorbeeld van Paulus te zien, die in eene mand uit een venster

te Damascus was nedergelaten; alsof Alton eene heidensche stad onder

eene despotische regering geweest ware! Nu de begoocheling eenmaal

verbroken was, werd de Vergadering woelig en driftig, terwijl het alle

mogelijke beschuldigingen op de abolitionisten regende. De Vergadering

nam de door de commissie voorgestelde besluiten aan, en weigerde

hare hulp tot handhaving der wet tegen wettelooze gewelddadigheid;

en het gepeupel begreep zeer goed, dat men het zou laten begaan, ook

wanneer het alles deed, wat het wilde. Daar het nu gebleken was, dat

Mr. Lovejoy niet wijken zoude, was de ontwikkeling van de crisis der

zaak te voorzien, wanneer zijne drukpers aan wal zou worden gebragt.

Gedurende de volgende drie dagen scheen er eene soort van reactie te

komen. Men had een der invloedrijkste leiders van de menigte hooren

zeggen, dat het vernielen van drukpersen nergens toe diende, en dat

er geld genoeg in het Oosten was, om er zich nieuwe te bezorgen,

en dat men de dweepers even zoo goed kon laten loopen.

Dit gaf de besluitelooze stedelijke autoriteiten eenigen moed, en

de vrienden van de drukpers meenden, dat, zoo zij haar eenmaal aan

wal, en veilig in het pakhuis van de heeren Godfrey en Gilman konden

krijgen, de crisis ongemerkt zou voorbijgaan. Zij zonden derhalve

eene expresse aan den kapitein om de landing der boot uit te stellen

tot drie uren in den morgen, en na een vervelend wachten gingen de

aanvoerders van het gepeupel naar huis; de pers kwam veilig aan land,

en ieder dacht dat de onrust gelukkig voorbij was. Onder dien indruk

verliet Mr. Beecher Alton, en keerde huiswaarts.

Wij zullen eenige uittreksels mededeelen uit het verhaal van

Mr. Beecher, zijne laatste ontmoeting met Mr. Lovejoy in dien nacht

vermeldende, waarin de pers aan land gekomen en geborgen was.

Kort na het bepaalde uur voor de landing der boot, stond

Mr. Lovejoy op, en verzocht mij met hem te gaan zien wat de

uitslag was. De maan was ondergegaan en het was nog donker, doch

de dag begon aan te breken; en hier en ginds scheen een licht

door het venster van de eene of andere ziekenkamer, of van iemand

die zeer vroeg was opgestaan. De straten waren ledig en stil,

en het geluid onzer voetstappen kaatste van de wanden terug die

wij voorbij gingen. Weinig vermoedde hij op dat uur den strijd

waarvan de volgende nacht getuige zou zijn; dat deze zelfde

straten de kreten zouden weergalmen van een razend gepeupel,

en met zijn hartebloed geverfd zouden worden.

Wij vonden de boot aan wal, en de pers in het pakhuis, terwijl

men bezig was met haar naar de derde verdieping te hijschen. Wij

verheugden ons allen dat er geene volksbeweging had plaats

gehad, en de pers in veiligheid was; en allen meenden nu, dat

het gevaar voorbij was. Wij waren verzekerd, dat het pakhuis

door zoo weinige menschen als wij persoonlijk in volksoploopen

hadden bezig gezien, niet stormenderhand kon overweldigd worden;

en al wilde de meerderheid der burgers de pers dan ook al niet

helpen verdedigen, zoo vreesden wij toch niet, dat zij in een

aanval op haar zouden mededoen. Die meening was zoo sterk, dat

men zeer weinige menschen genoegzaam achtte, om de pers voortaan

te bewaken; en men kwam overeen, dat het gezelschap in sectiën

van zes man zou verdeeld worden, om bij toerbeurten des nachts de

wacht te houden. Daar zij den ganschen nacht niet geslapen hadden,

boden Mr. Lovejoy en ik ons aan, om ons tot aan den morgen met

de bewaking der pers te belasten; en zij gingen huiswaarts.

Weldra begon de morgen aan te lichten; en dien morgen zal ik

nooit vergeten. Wie, die ooit aan de oevers van den magtigen

stroom gestaan heeft, die toenmaals voorbij mij heenrolde, kan

de verhevene aandoeningen vergeten, die zijn hart deden kloppen,

terwijl hij in zijne verbeelding de kanalen van gemeenschap

trok, door hem en zijne takken door de onbegrensde gewesten dezer

westelijke wereld geopend? Ik dacht aan toekomstige eeuwen, en aan

de ontelbare millioenen, die aan dezen trotschen stroom zouden

wonen; en dat niets dan de waarheid hen zou vrij maken. Nimmer

gevoelde ik zoo zeer de waarde van het regt, waarvoor wij streden,

om die waarheid onbelemmerd te onderzoeken en onbevreesd te

verkondigen. O, hoe verheven is de zedelijke magt! Door haar is

het, dat God het heelal bestuurt. Door haar zal Hij de natiën

bevrijden.

Ik begaf mij naar het dak en beklom het hoogste punt van den

muur. De naderende dag begon den hemel en de rivier te bepurperen,

en de bedrijvige woeligheid van den ambachtsman begon zich reeds

te laten hooren. Met vreugde staarde ik op de tooneelen beneden

mij. Ik gevoelde, dat er zonder bloedstorting een veldslag voor

God en de waarheid gewonnen was, en dat Alton van eeuwige schande

bevrijd was. En toen de langs hoe meer naderende dag den geheelen

omtrek begon te verlichten, toen dacht ik aan die veel heilrijker

zon, die thans aan de wereldkim begon te rijzen, en haar weldra

in stroomen van schitterend licht zou doen baden.

Ook broeder Lovejoy was gelukkig. Hij was niet in verrukking;

hij was rustig en bedaard, doch zijn gelaat drukte het gevoel

zijner ziel uit. Het was eene kalme en rustige vreugde, want Hij

vertrouwde van God, dat de strijd gewonnen was, en dat de banier

eener ontboeide drukpers over dien trotschen stroom golven zoude.

IJdele hoop! Hoe spoedig zou zij in het graf eens martelaars

begraven worden! IJdel, zeide ik? Neen: zij is niet ijdel. Hij

spreekt nog, al is hij gestorven; en eene vereenigde wereld kan

zijne stem nooit tot zwijgen brengen.

Het einde van het treurspel is spoedig verhaald. Eene vrijwillige

compagnie, waartoe Lovejoy behoorde, vormde zich onder den mayor, tot

bescherming der wet. Den volgenden avond, om tien uren, bestormde het

gepeupel het gebouw. Het pakhuis bestond uit twee steenen gebouwen in

één blok, met deuren en vensters aan beide einden, maar zonder vensters

aan de zijden. Het dak was van hout. Gilman opende de eind-deur van

de derde verdieping, en vroeg wat men verlangde. Zij eischten de

pers. Hij weigerde haar over te leveren, en verzocht hen ernstig,

zich zonder gewelddadigheden te verwijderen, met de verzekering dat,

nadien het eigendom aan hunne bewaring was toevertrouwd, zij het

met gevaar van hun leven zouden verdedigen. Na eenige vruchtelooze

pogingen, schreeuwde het gepeupel, dat men het dak zou in brand

steken. Mr. Lovejoy begaf zich met eenige anderen naar buiten, om

het voor dien aanval te beveiligen, en werd door iemand uit den hoop

voorbedachtelijk ter neder geschoten. Na deze verwonding behield hij

nog naauwelijks kracht genoeg, om naar het pakhuis terug te keeren,

klom ééne verdieping op, viel, en blies den adem uit.

Die binnen waren, beproefden nu te capituleren, doch dit werd al

vloekende door het graauw geweigerd, dat het pakhuis dreigde te

verbranden, en hen neder te schieten, zoo zij er uit kwamen. Ten

laatste werd het gebouw werkelijk in brand gestoken, en zij vlugtten

naar buiten, terwijl het gepeupel op hen vuurde. Zoo eindigde het

Altonsche treurspel.

Toen de edele moeder van Lovejoy zijn dood vernam, zeide zij: "Het is

wel. Liever had ik, dat hij zóó stierf, dan dat hij zijne beginselen

verzaakte!" Zoo lang het zulke moeders bezit, is Amerika nog niet

verloren. Was zij niet gezegend, die zulk een zoon op dusdanige wijze

kon afstaan? Wie was die vrouw, welke God voor de gezegendste onder

de vrouwen verklaarde? Was zij het niet, die haren dierbaarste zag

kruisigen? Zoo geheel anders ziet God, dan de menschen!

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 200 / 220 题