In de eerste plaats dan: zijn eenige dezer gevoelens ooit door de
kerk als ketterijen beschouwd, en zijn de verbreiders er van aan
de kerkelijke straffen onderworpen geworden, waarmede de ketterij
gestraft wordt?
Na een tamelijk wijdloopig onderzoek op dit punt, heeft de schrijfster
niet meer dan één voorbeeld van dien aard kunnen opsporen. Het
is niettemin mogelijk dat er zulke gevallen in andere kerkelijke
afdeelingen bestaan hebben, die aan de nasporing ontsnapt zijn.
Een geestelijke in de "Cincinnati New school Presbytery," predikte
de leer, dat het houden van slaven door den Bijbel gebillijkt werd;
en om zijne volharding in het handhaven van dat gevoelen, werd hij
door die "Presbytery" in zijn dienstwerk geschorst. Hij beriep zich
op de Synode, en de beslissing werd door de Synode van Cincinnati
bekrachtigd. De "New School General Assembly" vernietigde nogtans
deze beslissing der "Presbytery," en herstelde den geestelijke in
zijn ambt. Van hare zijde weigerde nu de "Presbytery" hem weder te
aanvaarden, en men ontving hem in de "Old School Church."
De Presbyteriaansche kerk heeft waarschijnlijk alle andere
kerken in de Vereenigde Staten door haren ijver voor leerstellige
gevoelens overtroffen. Deze kerk is tot in hare grondvesten toe
door kettertwisten geschokt en bewogen geworden; maar, dit enkele
geval uitgezonderd, weet men niet dat eenige dier beginselen, welke
door zuidelijke Presbyteriaansche ligchamen en individuën beweerd
zijn geworden, ooit als onderwerpen van ketterij in hare Algemeene
Vergadering zijn ter sprake gebragt.
Omstreeks den tijd dat Smylie's vlugschrift het licht zag, werd de
Presbyteriaansche kerk geschokt door het regtsgeding, den Eerwaarden
Albert Barnes om zekere door hem verdedigde kettersche gevoelens
aangedaan. Deze ketterijen raakten het werkverbond, in Adam, als
ons hoofd, gevestigd; de toerekening zijner zonde aan zijne gansche
nakomelingschap; en de vraag of de mensch op eenigerlei wijze bekwaam
is om Gods geboden te bewaren.
Om de voorstelling van zekere gevoelens nopens deze onderwerpen, werd
aan Mr. Barnes, door de Synode waartoe hij behoorde, het stilzwijgen
opgelegd, en zijn regtsgeding over deze punten in de Algemeene
Vergadering bleef een tijd lang het hoofd-onderwerp, waarvoor,
in de Presbyteriaansche kerk, al het overige op den achtergrond
geraakte. Ook de Eerwaarde Dr. L. Beecher werd in gelijksoortige
gevoelens in een regtsgeding gewikkeld. Gedurende al dien tijd werd er
geene notitie genomen van de ketterij (zoo zij dit is) dat het regt om,
uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen, of in slavernij te
houden, uitdrukkelijk door God verleend werd; alhoewel die ketterij, in
dezelfde Presbyteriaansche kerk, door Mr. Smylie en de Presbyterianen
waarmede hij verbonden was, in het openbaar verbreid werd.
Wilde men de reden daarvan hierin zoeken, dat de slavenkwestie eene
vraag van praktikale zedekunde, en niet van dogmatische godgeleerdheid
is, dan moeten wij doen opmerken dat zedekundige vraagstukken van
veel minder belang met den vurigsten ijver zijn behandeld geworden.
De Presbyteriaansche kerk der "Old School," tot wier gemeente de
meeste der slavenhoudende Presbyterianen in het Zuiden behooren, heeft
nooit het voornemen aan den dag gelegd om hare leden eenige kerkelijke
straf op te leggen voor de handhaving van een stelsel dat het wettig
huwelijk aan alle slaven ontzegt. En toch werd deze kerk tot in hare
grondvesten geschokt door de behandeling eener zedekundige vraag, die
aan een onpartijdig opmerker waarschijnlijk veel minder belangrijk
zal voorkomen; de vraag namelijk, of het een' man vrijstaat, met de
zuster zijner overledene vrouw te huwen. Voor een tijd lang scheen
al de sterkte en aandacht van de kerk zich als in één brandpunt
op dit belangrijk onderwerp te vestigen. De twistvraag werd door de
"Presbytery" voor de Synode, en door deze voor de Algemeene Vergadering
getrokken, en eindigde hiermede, dat een zeer achtenswaardig leeraar
om deze misdaad van zijnen post ontzet werd.
De Eerwaarde Robert J. Breckenridge, Theol. Dr., een lid der "Old
School Assembly," beschrijft den toestand der slavenbevolking met
betrekking tot het huwelijk aldus: "het slavenstelsel ontzegt aan eene
geheele klasse van menschelijke wezens de heiligheid des huwelijks en
des huisgezins, terwijl het hen dwingt om in een staat van onwettige
gemeenschap (concubinage) te leven; want in het oog der wet is geen
gekleurde slaaf de echtgenoot van eenige bijzondere vrouw, noch eenige
slavin de vrouw van eenigen bijzonderen man; is geen slaaf de vader
van eenig bijzonder kind, en geen slavenkind het kind van eenigen
bijzonderen vader of moeder."
Had deze kerk nu het feit, dat drie millioenen mannen en vrouwen,
door de wetten des lands, verpligt waren om op deze wijze te leven,
als niet minder gewigtig ter harte genomen, dan is het uit de
opregtheid, de betoogkracht, de hevigheid, het Bijbel-onderzoek,
en den onvermoeiden ijver, door haar aan het regtsgeding van Mr. Mac
Queen te koste gelegd, klaarblijkelijk, dat zij ook met betrekking
tot dit feit, zeer veel zou hebben kunnen verrigten.
De geschiedenis van de eenstemmige handelwijze der kerken van alle
benamingen, zoowel in de vrije als in de slaven-Staten, levert aan
een nadenkend gemoed een treurig, door feiten opgehelderd voorbeeld
op van die trapsgewijze verbastering des zedelijken gevoels, die het
gevolg is van met eene erkende zonde in eenige, ook nog zoo geringe,
schikking te treden. De beste gemoederen van de wereld kunnen
zulk eene gemeenzaamheid niet doorstaan, zonder schade te lijden
aan hun zedelijk gevoel. De feiten van het slavenstelsel en van de
slavenwetten, aan belangelooze regters in Europa voorgesteld, hebben
eene algemeene uitbarsting van afgrijzen te weeg gebragt; en toch zijn
deze dingen, in vergaderingen uit de wijste en beste geestelijken van
Amerika zaâmgesteld, telken jare beredeneerd geworden, zonder eenige
uitkomsten op te leveren die het euvel slechts in het allerminste
verzacht hebben. De reden daarvan is deze: een gedeelte der leden van
deze ligchamen hadden zich verbonden om het stelsel vol te houden,
en alle discussiën daarover stellig te weigeren en af te snijden;
en het andere gedeelte van het ligchaam beschouwde de zaak niet als
zulk eene levensvraag, dat zij eene afscheiding om harentwille zou
kunnen wettigen.
Niemand zal er aan twijfelen dat, indien de zuidelijke leden zich ten
aanzien der Godheid onzes Zaligmakers op zulk een standpunt geplaatst
hadden, de scheiding onmiddellijk en eenparig zou hebben plaats gehad;
maar toch wordt door de Zuidelijke leden het regt gehandhaafd om
menigten van mannen en vrouwen te koopen en te verkoopen, te huren,
te verhuren en te verpanden, die zij, in denzelfden adem, verklaard
hebben ledematen hunner kerken, en echte Christenen te zijn. De Bijbel
verklaart van die allen, dat zij tempelen des Heiligen Geestes, dat zij
leden van Christus ligchaam, dat zij Zijn vleesch en been zijn. Is nu
niet de leer dat men de leden van Christus, Zijn ligchaam, Zijn vleesch
en been, om winstbejag regtmatig verkoopen mag, eene zoo wezenlijke
ketterij als de verloochening der Godheid van Christus; en wordt er
Hem die over allen is, God, te prijzen in eeuwigheid, geene oneer
door aangedaan, dit vreeselijk gevoelen, met zijne nog vreeselijker
gevolgen, te dulden, terwijl de geringste ketterijen nopens de
toerekening van Adam's zonde met de grootste hevigheid vervolgd
worden? Als het vervolg van de geschiedenis der handelingen van al
de aldus vereenigde ligchamen eenmaal geschreven zal kunnen worden,
dan zal het blijken dat, uit hoofde van deze dulding eener erkende
zonde, het getuigenis tegen de slavernij van jaar tot jaar zwakker
geworden is. Als wij de geschiedenis van alle kerkelijke afdeelingen
overzien, dan zal het ons in het oog vallen dat zij in den beginne
eene zeer sterke taal tegen de slavernij hebben doen hooren. Dit is
inzonderheid het geval met de Methodistische en Presbyteriaansche
ligchamen, om welke reden wij deze beide tot voorbeelden zullen
kiezen. Het genootschap der Methodisten inzonderheid, als door John
Wesley georganiseerd, was een anti-slavernij-gezind genootschap, en
zijn Boek van kerkelijke tucht bevatte de stelligste wetten tegen het
houden van slaven. De geschiedenis der achtereenvolgende besluiten van
de Conferentie dezer kerk is zeer treffend. In 1780, eer de kerk nog
wettig in de Vereenigde Staten geordend was, besloot zij het volgende:
De Conferentie erkent dat de slavernij met de Goddelijke en
menschelijke wetten en met die der natuur in strijd is; als
ook dat zij schadelijk is voor de maatschappij; dat zij gekant
is tegen de inspraken des gewetens en van de ware godsdienst;
en dat zij aan anderen doet wat wij niet wenschen zouden dat
anderen aan ons deden.
In 1784, toen de kerk volkomen georganiseerd was, werden er maatregelen
genomen, de tijdstippen voorschrijvende waarop leden die reeds
slavenhouders waren, hunne slaven zouden emanciperen. Hierop volgden
wederom deze:
Een iegelijk wien het aangaat, en zich niet aan deze regelen
wenscht te onderwerpen, zal volkomen vrijheid hebben om ons
genootschap te verlaten binnen de twaalf maanden, volgende op de
bovengemelde, hem gedane waarschuwing; zullende hij anders door
de opzieners buiten het genootschap gesloten worden.
Niemand die slaven houdt, zal in het vervolg tot het genootschap
of tot 's Heeren Avondmaal worden toegelaten, tenzij hij zich
vooraf aan deze regelen, de slavernij betreffende, onderwerpe.
Zij die slaven koopen, verkoopen, of wel er zich van ontdoen,
anders dan om ze te bevrijden, zullen onmiddellijk worden
uitgesloten.
In 1801:
Wij verklaren meer dan ooit overtuigd te zijn van het groote
kwaad der Afrikaansche slavernij, die nog in deze Vereenigde
Staten wordt aangetroffen.
Ieder lid des genootschaps die een slaaf verkoopt, zal, na voldoend
bewijs, terstond uit het genootschap worden verwijderd.
De jaarlijksche Conferentiën zullen belast worden met het
stellen van adressen aan de Wetgevende Magt, strekkende tot
de trapsgewijze emancipatie der slaven. Door de jaarlijksche
Conferentiën zullen speciale commissiën uit de achtenswaardigste
onzer vrienden benoemd worden, tot leiding dier aangelegenheid;
terwijl de voorzittende ouderlingen, diakenen, en reizende
predikers zoo vele handteekeningen als mogelijk op de adressen
zullen inwinnen, en al den bijstand zullen verleenen die hun
in allen opzigte ten dienste staat, om de commissiën te helpen,
en de gezegende onderneming te bevorderen. Dit zal van jaar tot
jaar worden voortgezet, tot dat het beoogde doel bereikt is.
Welk eene verandering in 1836! De Algemeene Conferentie hield hare
jaarlijksche zitting te Cincinnati, en nam het volgende besluit:
Door de afgevaardigden der jaarlijksche Conferentie, in Algemeene
Conferentie vereenigd, is besloten, dat zij besliste tegenstanders
zijn van het moderne abolitionismus, en dat zij alle regt,
wensch of voornemen tot tusschenkomst in de burgerlijke en
staatkundige betrekking tusschen meester en slaaf, zoo als zij
in de slavenhoudende Staten dezer Unie bestaat, ten eenemale
ontkennen of afwijzen.
Deze besluiten gingen met eene zeer groote meerderheid door. Er
kwam een adres in van de Wesleyaansch-Methodistische Conferentie
in Engeland, dat zich over de zaak der slavernij ernstig, doch
vriendbroederlijk uitliet. De Conferentie weigerde het openbaar te
maken. In den herderlijken brief aan de kerken komen de volgende
zinsneden voor:
Het kan u niet onbekend zijn dat de slavernijkwestie in de
Vereenigde Staten, door het constitutioneel verdrag hetwelk ons als
natie vereenigt, aan de regeling van de Wetgevende Vergaderingen
der afzonderlijke Staten zelven overgelaten, en alzoo buiten het
toezigt der algemeene regering, zoowel als dat van alle kerkelijke
ligchamen gebleven is; waaruit volgt dat in de slavenhoudende
Staten de geheele verantwoordelijkheid wegens het al dan niet
bestaan der slavernij, op de Wetgevende Vergaderingen dier Staten
blijft rusten. **** Deze feiten, welke hier alleen vermeld worden
als aanleiding tot de vriendschappelijke vermaning welke wij u
wenschen te geven, leggen ons, als uwe herders, aan wie het opzigt
over uwe zielen, waarvan zij eenmaal rekenschap moeten geven,
is aanbevolen, de verpligting op, om u van alle abolitionistische
bewegingen en vereenigingen af te manen, en u te verbieden eenige
hunner schriften te beschermen of aan te moedigen, enz. ***
De ondergeschikte Conferentiën leiden denzelfden geest aan den dag.
In 1836 besloot de New-Yorksche jaarlijksche Conferentie dat niemand
tot diaken of ouderling zou gekozen worden, ten ware hij zich jegens
de kerk wilde verbinden om zich van alle discussie nopens dit onderwerp
te onthouden. [23]
In 1838 besloot de Conferentie,
dat dezulke harer leden, of aankomelingen, die den "Zions Watchman"
mogten voorstaan, hetzij door tot lof van dat blad te schrijven,
door het te verspreiden, aan te bevelen, er inteekenaars aan te
verschaffen, of gelden ervoor in te zamelen, als schuldig aan
onbedachtheid beschouwd, en als zoodanig gestraft zullen worden.
Men zal zich herinneren dat "Zions Watchman" door Le Roy Sunderland
werd uitgegeven, voor wiens gevangenneming de Staat van Alabama
vijftig duizend dollars had uitgeloofd.
In 1840 nam de Algemeene Conferentie te Baltimore het reeds door ons
aangehaalde besluit, hetwelk den predikanten verbood, kleurlingen
tot het geven van getuigenis in hunne kerken toe te laten. Men heeft
berekend dat door deze daad omstreeks tachtig duizend menschen van
het regt van getuigenis beroofd zijn geworden. Deze Methodistische
kerk splitste zich naderhand in eene noordelijke en zuidelijke
Conferentie. De zuidelijke Conferentie is geheel en al vóór de
slavernij gestemd, terwijl de noordelijke nog altoos slavenhoudende
Conferentiën en leden telt.
Van de noordelijke Conferentiën nam eene der uitgebreidste, die van
Baltimore, het navolgende besluit:
Is besloten, dat deze Conferentie alle deelneming in het
abolitionismus afkeurt. En dewijl zij, integendeel, besloten heeft
hare welbekende en lang gevestigde stelling te handhaven door de
tot hare gemeenschap behoorende reizende predikanten buiten de
slavernij-kwestie te houden, zoo is ook besloten geene betrekking
te onderhouden met eenig kerkelijk ligchaam dat het niet houden
van slaven tot voorwaarde van het lidmaatschap der kerk maakt,
maar de kerkelijke tucht, zoo als zij bestaat, te ondersteunen
en te handhaven.
Het volgende uittreksel is genomen uit een adres van de Philadelphische
jaarlijksche Conferentie aan de onder haar opzigt staande gemeenten,
gedagteekend uit Wilmington (Staat Delaware) den 7den April 1847:
Zoo het plan van scheiding ons met de herderlijke zorg over u
belast, dan blijft er te onderzoeken of wij, als Conferentie of als
menschen, iets hebben gedaan, waardoor wij uwe liefde en vertrouwen
verbeurd zouden hebben. Het is ons niet bekend dat wij, zelfs
in de groote woeling die u, eenige maanden geleden, bedroefde,
door iemand wien het ook zij, van eenige fout in ons zedelijk
gedrag, van ongezondheid in de leer, of wel van dwingelandij of
omkoopbaarheid in de handhaving der kerkelijke tucht beschuldigd
zijn. Doch wij vernemen dat de oorzaak der ongelukkige spanning
onder u alleen deze is, dat sommigen ons verdenken, of veinzen
te verdenken, van abolitionisten te zijn. Doch geene bijzondere
daad van de Conferentie, noch van iemand harer afzonderlijke
leden, wordt als bewijs aangevoerd voor deze ongegronde en
onregtvaardige verdenking. Wij mogen het vragen, broeders, of
de loop onzer zestigjarige bediening onder u ons niet voor zulk
eene beschuldiging behoorde te vrijwaren? Of de vraag, die wij
sinds eenige jaren gewoon zijn den candidaten voor te leggen,
namelijk, zijt gij een abolitionist? zonder wier ontkennende
beantwoording geen hunner onder ons werd toegelaten, ons niet
voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren. Of de daad
der laatste Conferentie met betrekking tot deze bijzondere zaak
niet elken opregten en waarheidlievenden behoorde te overtuigen
dat wij geene abolitionisten zijn, en het ook niet begeeren te
zijn? *** Wij kunnen niet bevroeden hoe wij voor abolitionisten
kunnen worden aangezien, ten ware men de predikanten der
Methodistisch-Episcopaalsche kerk in het Zuiden in hetzelfde
licht wilde beschouwen.
Onder toewensching van alle hemelsche zegeningen, blijven wij,
waarde broeders, de uwen in Christus Jezus,
J. P. Durbin.
J. Kennaday.
Ignatius T. Cooper.
William H. Gilder.
Joseph Castle.
Deze feiten mogen volstaan ter kenschetsing van de gevoelens der
Methodistische kerk. De geschiedenis is treurig, doch leerzaam. Die
der Presbyteriaansche kerk is evenzeer belangrijk.
In 1793 werd de volgende verklarende noot op het achtste gebod bij
het Boek der kerkelijke tucht ingelascht, als de leer der kerk met
betrekking tot het houden van slaven uitdrukkende:
1 Tim. I: 10. De wet is gemaakt tegen MENSCHENDIEVEN. Deze
misdaad stelde hen die zich daaraan schuldig maakten, aan de
zwaarste straf bloot, Exodus XXI: 16; en de Apostel plaatst
hen hier onder de zondaars van den eersten rang. Het door hem
gebezigde woord omvat, in zijne oorspronkelijke beteekenis, allen
die medepligtig zijn aan het in slavernij brengen of houden van
eenig menschelijk schepsel. Hominum fures, qui servos vel liberos,
abducunt, retinent, vendunt, vel emunt. Menschendieven zijn
zij alle, die slaven of vrije lieden wegleiden, en ze HOUDEN,
KOOPEN of VERKOOPEN. Een vrij mensch te stelen, zegt Grotius,
is de ergste soort van diefstal. In andere gevallen stelen wij
slechts menschelijk eigendom; doch wanneer wij menschen stelen
of in slavernij houden, dan maken wij ons meester van hen, die,
gemeenschappelijk met ons, tot heeren over de aarde gesteld zijn.
Aan geene regelen der kerkelijke tucht werd kracht bijgezet, en leden
die door de aangehaalde woorden aan deze misdaad schuldig verklaard
werden, bleven ongestoord, als predikanten of ouderlingen, tot de
gemeente behooren. Deze onbestaanbaarheid werd in 1816 uit den weg
geruimd, door het aangehaalde uit het Boek der kerkelijke tucht te
schrappen. In 1818 gaf zij eene verklaring harer inzigten nopens de
slavernij. Dit document is zeer uitgebreid, in een echt christelijken
geest gedacht en geschreven, en werd eenstemmig aangenomen. Het
navolgende is zijne belijdenis opzigtelijk den aard der slavernij:
Wij beschouwen het moedwillig in slavernij brengen van een
gedeelte des menschelijken geslachts door een ander, als eene zware
schending der kostelijkste en heiligste regten der menschelijke
natuur; als ten uiterste onbestaanbaar met de wet Gods, die eischt
dat wij onzen naasten zullen liefhebben als ons zelven; en als ten
eenemale onvereenigbaar met den geest en de voorschriften van het
Evangelie van Christus, die ons inscherpen: "alles wat gij wilt dat
u de menschen doen zullen, doet gij hen ook alzoo." De slavernij
schept eene tegen de zedeleer aandruischende stelling (paradox);
zij brengt zedelijke, voor hunne daden verantwoordelijke, en
onsterfelijke wezens in eenen toestand, die hen naauwelijks
het vermogen tot zedelijke werkzaamheid overlaat. Zij doet het
van den wil van anderen afhangen of zij godsdienstig onderwijs
zullen ontvangen; of zij den waren God zullen kennen en vereeren;
of zij in de zegeningen des Evangelies zullen deelen; of zij
de pligten en genoegens van echtgenooten, ouders en kinderen,
betrekkingen en vrienden, zullen volbrengen en genieten; of zij
hunne kuischheid en zuiverheid zullen bewaren, of de voorschriften
van regtvaardigheid en menschelijkheid zullen opvolgen. Deze zijn
eenige der gevolgen van de slavernij; gevolgen, niet denkbeeldig,
maar die in haar bestaan zelve liggen opgesloten. De rampen waaraan
de slaaf altoos is blootgesteld, hebben dikwijls werkelijk plaats,
en wel in hun ergsten trap en gedaante; en waar zij alle geen
plaats hebben--zoo als wij met blijdschap zeggen, dat dikwijls,
door den invloed der beginselen van Godsdienst en menschelijkheid
op het gemoed der meesters, het geval is--is de slaaf niettemin
beroofd van zijn natuurregt, als menschelijk wezen verlaagd, en
aan het gevaar blootgesteld van in handen van een meester over te
gaan, die hem alle ongemakken en beleedigingen kan doen ondergaan,
die onmenschelijkheid en gierigheid hem kunnen doen uitdenken.
Deze taal was voorzeker duidelijk en beslissend, en werd, door
slavenhouders en niet-slavenhouders, eenparig goedgekeurd. Men zou
zonder twijfel gedacht hebben, dat nu de tijd der verlossing nabij
was. De verklaring gaat nog verder, en zegt:
Wanneer de onbestaanbaarheid der slavernij met de uitspraken van
Godsdienst en menschelijkheid bewezen is, en algemeen ingezien en
erkend wordt, dan is het duidelijk de pligt van alle Christenen,
die zich in het licht der tegenwoordige bedeeling verheugen
mogen, om eerlijke, ijverige, onvermoeide pogingen aan te wenden
tot verbetering der dwalingen van vorige tijden, en zoo spoedig
mogelijk deze vlek op onze heilige Godsdienst af te wisschen door
de VOLKOMENE AFSCHAFFING der slavernij onder het Christendom en
door de geheele wereld.
Hier zien wij dan de geheele, slavenhoudende en niet-slavenhoudende,
Presbyteriaansche kerk, daadwerkelijk tot een groot
abolitie-genootschap gevormd, zoo als wij gezien hebben dat de
Methodistische insgelijks was.
De "Assembly" zegt verder dat de slaven voor tegenwoordig nog
niet tot de vrijheid zijn voorbereid; dat zij (de "Assembly")
treurig is aangedaan over het op kerk en vaderland overgeërfde
aandeel in dit kwaad; doch dat "een groot en het deugdzaamste
gedeelte der gemeente DE SLAVERNIJ VERAFSCHUWT en HARE VERNIETIGING
wenscht." Wijders vermaant zij om het werk van het onderwijs der
slaven onverwijld aan te vangen, met het doel om hen tot de vrijheid
voor te bereiden; om geen langer uitstel te nemen dan "met betrekking
tot het openbare welzijn onvermijdelijk gevorderd wordt;" en om zich
"door geene andere inzigten te laten beheerschen dan "eene eerlijke
en onpartijdige beschouwing van het welzijn der onderdrukte partij,
op welke beschouwing de nadeelen en ongelegenheden die zij mogt
medebrengen, geen invloed mogen uitoefenen." Zij waarschuwt tegen
eene "noodelooze uitbreiding dier redenen van noodzakelijkheid" als
dekmantel voor de zucht tot instandhouding der slavernij. Zij eindigt
met de bedreiging eener onmiddellijke censuur en schorsing jegens een
ieder die een mede-Christen, zonder diens toestemming, verkoopen mogt.
Wanneer wij in aanmerking nemen dat dit alles, zoowel door
slavenhouders als anderen, eenstemmig werd aangenomen, en
toestemmen, zoo als wij ongetwijfeld doen, dat het eerlijk en
ter goeder trouw geschiedde, dan zullen wij er voorzeker iets
van verwachten. De onmiddellijke daarstelling en organisatie
van scholen voor de slavenkinderen; een doelmatig godsdienstig
onderrigt; eene volkomene staking van den handel in Christenslaven;
wetten, die de familie-betrekkingen heiligen; dit alles zouden
wij er van verwachten. En is er iets van dat alles gedaan of
beproefd? Helaas! Twee jaren later kwam de admissie van Missouri
tot de Unie, en de toenemende vraag op de Zuidelijke slavenmarkt,
en de binnenlandsche slavenhandel. In plaats van school-onderwijzers
had men slaven-handelaars; in plaats van scholen te verzamelen,
verzamelde men slaven-hoopen; in plaats van schoolhuizen te bouwen,
bouwde men slavenhokken, slavengevangenissen, factorijen, of hoe de
handel ze verkiest te noemen; en dit was de geschiedenis van het plan
van trapsgewijze emancipatie!
Zestien jaren later, in 1834, gaf eene speciale commissie uit de
synode van Kentucky, in welken Staat, naar het algemeen gevoelen, de
slavernij in haren zachtsten vorm bestaat, de volgende schildering van
den toestand der slaven. In de eerste plaats zegt zij, met betrekking
tot hunnen godsdienstigen toestand:
Na alles wat billijk is te hebben laten gelden, kan onze bevolking
van kleurlingen, op zijn best, nog maar als half-heidensch
beschouwd worden.
Wreede geeselingen en alle de verschillende soorten van
persoonlijke vernederingen, zijn niet de eenige soort van
wreedheid, die de slavernij medebrengt. De familie-betrekkingen
van den slaaf worden niet door de wet erkend, terwijl zij
hare bescherming van het genot des huiselijken geluks niet tot
hem uitstrekt. De leden eener slavenfamilie mogen gewelddadig
gescheiden worden, zoodat zij elkander vóór den oordeelsdag nooit
wederzien. En de begeerlijkheid prikkelt den meester niet zelden,
om te doen wat de wet veroorlooft. Broeders en zusters, ouders en
kinderen, echtgenooten en vrouwen, worden van elkander afgerukt, en
mogen elkander nooit wederzien. Deze dingen hebben dagelijks onder
ons plaats. Het gegil en de doodsangsten, bij zulke gelegenheden
dikwijls bijgewoond, verkondigen met de stem eener bazuin de
onregtvaardigheid en wreedheid van ons stelsel. De noodkreten
dezer lijders klimmen op tot het oor des Heeren Zebaoth. Er is geen
vlek, waar deze hartverscheurende tooneelen geen plaats hebben. Er
is geen dorp of landweg, waar de treurige optogten niet gezien
worden van geboeide ongelukkigen, wier ketenen en nedergebogene
houding verhalen, dat zij door geweld zijn weggerukt van allen,
die aan hunne harten dierbaar zijn. Jaren geleden verhief onze kerk
hare stem van plegtige waarschuwing tegen deze in het oog loopende
schending aller beginselen van barmhartigheid, regtvaardigheid en
menschelijkheid. Maar wij blozen, dat wij voor u en voor de wereld
betuigen moeten, dat die waarschuwing dikwijls is verwaarloosd
geworden, door de zoodanigen zelfs, die van onze gemeente zijn. In
onze eigene kerkelijke afdeeling hebben er gevallen plaats gehad,
dat belijders van de godsdienst der barmhartigheid de moeder van
hare kinderen hebben afgescheurd, en haar in eene onbarmhartige,
eeuwigdurende ballingschap hebben gezonden. Maar zelden heeft men
de kerkelijke tucht voor zulk een gedrag jegens hen uitgeoefend.
De Eerwaarde James G. Birney, die eenige jaren in Kentucky woonde,
verbetert, in zijn vlugschrift het woord zelden, door er nooit voor in
de plaats te stellen. Wat kon nu duidelijk de uiterste ondoelmatigheid
der laatste verklaring van de "Assembly," en de noodzakelijkheid
van meer krachtdadige maatregelen aantoonen? In 1835 werd uit dien
hoofde door de Algemeene Vergadering op de zaak aangedrongen, terwijl
de leden dringend gesmeekt werden, om de in 1818 door hen beledene
beginselen en voornemens ten uitvoer te leggen.
In eene door Mr. Stuart, uit Illinois, gehouden redevoering over dit
onderwerp, zeide hij:
Ik hoop, dat deze Vergadering bereid is, om onbewimpeld voor haar
gevoelen uit te komen, en rondborstig hare meening te verklaren,
dat het houden van slaven eene uiterst snoode en verfoeijelijke
ZONDE is. Laten wij hier geene zijpaden inslaan, terwijl zoo
vele duizenden en tienduizenden onzer medeschepselen onder de
zweep krimpen, die zelfs door leeraars en ouderlingen van de
Presbyteriaansche kerk gezwaaid wordt.
In deze kerk mag iemand een vrijgeboren kind grijpen, het van zijne
ouders afrukken, aan wien God het toevertrouwde, zeggende: "voedt
het voor mij op," het als een dier verkoopen of in altoosdurende
slavernij houden--en niet alleen ligchamelijke straf ontgaan, maar
nog daarenboven voor een uitmuntend Christen gehouden worden. Ja,
zelfs bedienaars des Evangelies en doctoren in de Godgeleerdheid
mogen zich met dezen snooden handel inlaten, en niettemin hunne
verhevene en heilige roeping handhaven.
Ouderlingen, leeraars en doctoren in de Godgeleerdheid, zijn,
met beide handen, in dezen handel werkzaam.
Men zou gedacht hebben, dat daadzaken als deze, in eene Vergadering
van Christenen uitgesproken, genoeg zouden zijn om de dooden te
wekken: maar helaas! men kan aan zeer afschuwelijke dingen gewoon
worden. Op deze voorstellingen volgde niets anders dan dat men ze eene
commissie in handen stelde, die op de volgende bijeenkomst, in 1836,
haar verslag daarover zou uitbrengen.
De bestuurder van de Vergadering in 1836 was een slavenhouder:
Dr. T. S. Witherspoon, dezelfde die aan den uitgever van den
Emancipator schreef: "Ik bewijs mijne bevoegdheid, om den slaaf
in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen
Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden,
is door God erkend. Als de trage voortgang der wetten te talmachtig
is, om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden
het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen."
De meerderheid der speciale Commissie bragt een Verslag uit als volgt:
Nademaal het onderwerp der slavernij onafscheidelijk verbonden
is met de wetten van vele Staten in deze Unie, waarin het een
kerkelijk regtsgebied geenszins vrijstaat, zich te mengen, en
vele beschouwingen insluit nopens welke het bekend is, dat eene
groote verscheidenheid van meeningen en gevoelens in de door
deze Vergadering vertegenwoordigde kerken wordt aangetroffen:
en nademaal er vele redenen bestaan, om te gelooven, dat eenige
daad van wege deze Vergadering, met betrekking tot dit onderwerp
strekken zoude, om onze kerken onderling te verwijderen en te
verdeelen, en ongetwijfeld op geenerlei wijze diegenen bevoordeelen
zoude, wier welzijn door de ingeleverde memoriën regtstreeks
bedoeld wordt:
Is uit dien hoofde besloten:
1. Dat de Vergadering het niet oorbaar acht, eenige verdere
maatregelen in deze zaak te nemen.
2. Dat, dewijl de ophelderingen (notes), die uit onze openbare
formulieren zijn weggeschrapt, en wier herstelling door eenige
der ingediende memoriën verlangd wordt, op eene onregelmatige
wijze zijn ingevoerd, nooit door de kerk zijn bekrachtigd, en
derhalve nooit eenig gezag hadden, de Algemeene Vergadering geene
magt heeft, en het ook niet voegzaam acht, er eene plaats in de
gewettigde kerkformulieren aan toe te wijzen.
De minderheid der Commissie, de Eerwaarde heeren Dickey en Beman,
bragten het volgende verslag uit:
Is besloten:
1. Dat het koopen, verkoopen of in eigendom bezitten van een
menschelijk wezen, in het oog van God eene afschuwelijke zonde is,
en hij, die er zich aan schuldig maakt, aan de kerkelijke censuur
behoorde onderworpen te worden.
2. Dat het de pligt is van een ieder, maar inzonderheid van elken
Christen, die zich aan deze zonde mogt hebben schuldig gemaakt,
zich zonder uitstel uit hare strikken los te maken.
3. Dat het de pligt is van iedereen, maar inzonderheid van elken
Christen, om in de kracht en in de liefde des Evangelies de zaak
der armen en behoeftigen te bepleiten, door tegen het beginsel
en de daad der slavernij te getuigen, en zijne beste pogingen
aan te wenden, om de kerk des Heeren van dit euvel te bevrijden,
en de emancipatie der slaven in deze Vereenigde Staten en over
de geheele wereld te bevorderen.
De slavenhoudende afgevaardigden, ten getale van acht-en-veertig,
vergaderden afzonderlijk, en besloten:
Dat, ingeval de Algemeene Vergadering ondernemen mogt, nopens het
onderwerp der slavernij eenig gezag uit te oefenen, door haar
b. v. eene onzedelijkheid te noemen, of op eenigerlei wijze te
verklaren, dat Christenen, die slaven houden, zich aan misdaad
schuldig maken, alsdan door de afgevaardigden uit het Zuiden eene
verklaring zal worden ingeleverd, waardoor de regtsbevoegdheid der
Vergadering ten deze ontkend, en ons voornemen uitgedrukt wordt,
om ons aan zoodanige beslissing niet te onderwerpen.
Ten aanzien dezer strijdige rapporten, besloot de vergadering als
volgt:
Nademaal de constitutie der Presbyteriaansche kerk, in hare
aanleidende en grondwettige beginselen, verklaart dat geene
kerkelijke overheden zich het regt mogen aanmatigen van wetten
te maken om uit krachte van hun gezag het geweten te binden; en
nademaal de spoedvorderende aard der bezigheden van de vergadering,
en de kortheid des tijds dien zij aan hare zittingen kan besteden,
het onmogelijk maken om met een rijp overleg over het onderwerp
der slavernij in betrekking tot de Kerk te beraadslagen en te
beslissen, is, derhalve, besloten, dat dit geheele onderwerp
onbepaald zal worden uitgesteld.
Het beloop van den slavenhandel,--tijdens de Algemeene Vergadering
weigerde men het geheele onderwerp der slavernij te behandelen,--kan
uit de volgende items worden afgeleid. In een artikel van den
Virginia Times uit dat zelfde jaar 1836, wordt het getal der
ten verkoop uitgevoerde slaven, uit dien staat alleen, gedurende
de laatste twaalf maanden, op veertig duizend geschat. De Natchez
Courier (Mississippi) zegt, dat door de staten van Alabama, Missouri
en Arkansas, in datzelfde jaar, twee honderd en vijftig duizend slaven
uit de meer noordelijke Staten zijn ingevoerd. Zoo wij daar nu diegenen
van aftrekken die men vermoeden kan dat met hunne meesters geëmigreerd
zijn, welk een onmetelijke handel blijft er dan toch nog over!
De Eerwaarde James H. Dickey, de voorsteller der bovengemelde
besluiten, had eenige omstandigheden bijgewoond die hem
natuurlijkerwijze den wensch moesten inboezemen dat de Vergadering
de zaak ter harte name, zoo als blijkt uit het volgende, door hem
geschrevene verhaal zijner ontmoeting van een slaventroep:
In den zomer van 1822, toen ik met mijne familie van een bezoek
naar de vlakten van Kentucky terugkeerde, was ik ooggetuige
van een tooneel zoo als ik nog nooit te voren gezien had,
en ook nooit weder hoop te zullen zien. Nadat wij Parijs, in
Bourbon County (Staat Kentucky) waren doorgetrokken, werd mijne
aandacht geboeid door de klanken eener muzijk, die van achter een
eenigzins oprijzenden grond scheen voort te komen. Ik rigtte het
oog derwaarts, en zag de vlag van mijn vaderland wapperen. In de
meening van eene militaire parade te zullen ontmoeten, spoedde ik
mij naar de zijde van den weg; en, de hoogte beklommen hebbende,
ontdekte ik, naar gissing, omstreeks veertig zwarten, alle op
de volgende wijze aan elkander geketend: zij waren in rij en
gelid geplaatst, terwijl ieder afzonderlijk met een handboei
gekluisterd was. Tusschen de twee rijen door, liep een keten
van misschien veertig voet lang, waaraan kortere ketenen gehecht
waren, die weder tot aan de handboeijen liepen. Achter hen waren,
naar gissing, omstreeks dertig vrouwen, paarsgewijze met de
handen aan elkander gebonden. Eene diepe droefheid lag op aller
gelaat, en de akelige stilte van dezen wanhopigen optogt werd
alleen door den klank van twee violen afgebroken; ja, alsof men
beschimping bij het lijden had willen voegen, had men aan ieder
van het voorste paar eene viool in handen gegeven; het tweede paar
was met kokarden opgeschikt, en omtrent in het midden waaide de
republikeinsche vlag, door eene hand gedragen die letterlijk in
ketenen was. Ik kon mij niet bedwingen, den opziener, die, op zijn
gemak, naast den troep reed, toe te roepen: "'s Hemels vloek ruste
op den man die zulk een handel drijft, en op de regering die hem
daarbij beschermt!" Ik zette mijne reis tot aan den avond voort, en
maakte mijn nachtkwartier gereed, terwijl ik het tooneel verhaalde,
waarvan ik getuige geweest was. "Ach!" riep mijne hospita, "dat is
mijn broeder!" Van haar vernam ik dat hij Stone heette, uit Bourbon
County (Kentucky), in compagnieschap met zekeren Kinningham, uit
Parijs (Kentucky), en dat hij, weinige dagen te voren, van een
man uit Nicholas County eene negerin gekocht had. Zij weigerde
met hem mede te gaan; hij beproefde haar te dwingen, doch zij
verdedigde zich. Zonder verdere pligtpleging trad hij achteruit,
wierp haar, door een slag op het hoofd met den knop zijner zweep,
op den grond, boeide haar, en nam haar mede. Verder vernam ik,
dat behalve den troep dien ik gezien had, er omstreeks dertig,
veiligheidshalve, in de gevangenis te Parijs waren opgesloten, om
bij den troep gevoegd te worden, en dat zij voor de slavenmarkt van
Orleans bestemd waren. En daartoe zijn zij om geene andere misdaad
veroordeeld dan die eener zwarte huid en gekroesde lokken. Zou
ik over die dingen geene bezoeking doen? spreekt de Heere. Of
zou mijne ziele zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?
Het kan niet mogelijk zijn, dat deze Christelijke mannen deze dingen
ter harte namen; of, op zijn hoogst, zij namen die juist op die wijze
ter harte als wij de ernstigste waarheden van de godsdienst doen,
flaauw en oppervlakkig.
Twee jaren later nam de Algemeene Vergadering, door eene plotselinge
en zeer onverwachte beweging, een besluit, waarbij, zonder vorm
van regtsgeding, vier synoden, de werkzaamste en meest beslist
anti-slavernijgezinde gedeelten van de Kerk bevattende, van de
gemeenschap der Kerk werden uitgesloten. De aangevoerde redenen waren,
leerstellige verschillen en kerkelijke handelingen, onbestaanbaar met
het Presbyterianisme. Door deze daad werden omstreeks vijf honderd
leeraars en zestig duizend ledematen van de Presbyteriaansche kerk
afgesneden.
Dat gedeelte der Presbyteriaansche kerk, dat de "New School" genaamd
wordt, deze handelwijze als onregtmatig beschouwende, weigerde er
hare toestemming aan, voegde zich bij de uitgeslotene synoden, en
vormde zich met dezen tot de "New School General Assembly." In deze
gemeenschap bleven slechts drie slaven-houdende "presbyteries." In
de oude waren er tusschen de dertig en veertig.
Het gedrag der "Old School Assembly," na de scheiding, met betrekking
tot het onderwerp der slavernij, zal het best kunnen blijken door
de aanhaling van een harer besluiten, in 1845 genomen. Daar zij
eenige besliste tegenstanders der slavernij in haar midden telde,
en daar, bovendien, door eenige vereenigde ligchamen, adressen over
dit onderwerp aan haar waren ingediend, openbaarde zij, in dat jaar,
haar gevoelen deswege op de volgende wijze:
Is besloten, 1. Dat de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche
kerk oorspronkelijk was georganiseerd, en, vervolgens, den band
van vereeniging in de kerk heeft vastgehouden, op het erkende
beginsel, dat het bestaan der huishoudelijke slavernij, onder de
omstandigheden, waarin zij in het zuidelijke gedeelte des lands
wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke
gemeenschap.
2. Dat de verzoekschriften, die van de Vergadering verlangen,
dat zij het houden van slaven op zich zelve tot een onderwerp van
kerkelijke tucht make, uit den aard der zaak van dit ligchaam
vorderen zich zelve te ontbinden, en de organisatie te laten
varen, waaronder het, door den Goddelijken zegen, zoo lang
gebloeid heeft. De strekking is blijkbaar om het Noordelijke van
het Zuidelijke gedeelte der Kerk af te scheiden,--een gevolg,
hetwelk ieder goed Christen betreuren moet, als leidende tot
de ontbinding der Unie van ons dierbaar vaderland, en waartegen
ieder verlicht Christen zich verzetten zal, als eene verderfelijke
en noodelooze scheuring met zich brengende tusschen broeders,
die een gemeenschappelijk geloof belijden.
Voor dit besluit stemden honderd acht en zestig leeraars en
ouderlingen, en daar tegen slechts dertien.
Het zal naauwelijks noodig zijn, eenige woorden bij deze zoo
duidelijke verklaring te voegen. Zij is de onbewimpeldst mogelijke
verloochening van ieder protest tegen de slavernij; de rondborstigst
mogelijke betuiging, dat het bestaan der kerkelijke organisatie van
meer belang is dan al de zedelijke en maatschappelijke beschouwingen,
die in eene volkomene verdediging en uitoefening der Amerikaansche
slavernij liggen opgesloten.
In het volgende jaar werden een groot aantal verzoek- en
vertoogschriften ingediend, waarbij de Vergadering verzocht werd eene
nadere getuigenis tegen de slavernij te uiten.
In antwoord op deze verzoekschriften, bevestigde de Algemeene
Vergadering op nieuw alle hare vroegere getuigenissen tegen de
slavernij, van over zestig jaren herwaarts; waardoor zij derhalve
vaststelde, dat de verklaring des vorigen jaars niet als eene
intrekking dier vroegere getuigenissen moest beschouwd worden. Met
andere woorden: zij verklaarde, in de woorden van 1818, van gevoelen
te zijn, dat de slavernij "TEN EENENMALE IN STRIJD IS MET DE GODDELIJKE
WET," en "VOLSTREKT ONVEREENIGBAAR MET DE VOORSCHRIFTEN DES EVANGELIES
VAN CHRISTUS;" en toch niettemin "dat zij hare kerkelijke organisatie
gevestigd had op het erkende beginsel, dat het bestaan der slavernij,
onder de omstandigheden, waarin zij in de Zuidelijke Staten der
Unie wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke
gemeenschap."
Eenige leden protesteerden tegen deze handeling.
In den beginne vatte men groote hoop op van het ligchaam der "New
School." Als ligchaam bestond het voor het grootste gedeelte uit
anti-slavernijgezinden. Het had die synoden in zich opgenomen, wier
anti-slavernijgezinde gevoelens en daden, om het minste te zeggen,
eene voorname oorzaak harer uitsluiting van de kerk geweest waren. Het
had slechts drie slaven-houdende "Presbyteries." Het had de volle magt
in handen. Nu, zoo ooit, was het de tijd, om dezen verfoeijelijken
last geheel af te werpen, en, in deze eeuw van inwilliging aan en
gelijkvormigheid met de wereld, als eene zuiver protesterende Kerk op
te staan, vrij van alle medepligtigheid aan deze allervreeselijkste
nationale ongeregtigheid.
Bij de eerste zitting der Algemeene Vergadering werden deze
maatregelen, door vele verzoek- en vertoogschriften, ten sterkste
aangedrongen. Deze stukken werden aan eene commissie van besliste
anti-slavernijgezinden in handen gesteld. Van de eene zijde werd
beweerd, dat de tijd nu gekomen was om beslissende maatregelen te nemen
tot afsnijding van alle medepligtigheid ten voordeele der slavernij,
en om rondborstig voor zijne gevoelens uit te komen, al zou men ook
alle kerken van de gemeenschap moeten afsnijden, die niet gereed
waren om in eene onmiddellijke emancipatie te bewilligen.
Van den anderen kant werd de meerderheid der commissie door
tegenovergestelde beschouwingen geleid. De broeders uit slaven-Staten
opperden bedenkingen, nagenoeg als deze: "Broeders, onze harten
zijn eenstemmig met de uwe. Wij vereenigen ons met u in geloof,
in liefde, in gebeden. Wij namen deel in den u aangedanen smaad
door de uitsluiting. Wij stonden toen aan uwe zijde, en zijn er ook
nu nog gereed toe. Wij sympathiseren niet met de partij die u heeft
uitgedreven, en wenschen ook niet tot haar terug te keeren. Wat de zaak
der slavernij betreft, hebben wij geen verschil met u. Wij beschouwen
haar als een kwaad. Wij treuren en klagen er over. Wij stellen pogingen
in het werk om haar van lieverlede en door vreedzame middelen uit
onze kerken te bannen. Wij komen het gevoelen onzer kerken zoo verre
te gemoet als ons doenlijk is. Wij kunnen tot geene meer doortastende
maatregelen overgaan, zonder onzen invloed op haar te verliezen, en,
naar ons oordeel, de zaak der emancipatie achteruit te zetten. Zoo
gij op deze beslissende manier begint, kunnen wij onze kerken niet
vereenigd houden; zij zullen zich van elkander scheiden, en tot de
"Old School" overgaan."
Hier had men een zeer sterk pleit, door goede en opregte mannen
uitgebragt. Daarenboven hield het een beroep in op de edelste gevoelens
des harten. Het zeide inderdaad zooveel als: "Broeders, wij hebben
u bijgestaan, en uwe zaak verdedigd, toen alles tegen u gekant was;
en thans, nu gij de magt in handen hebt, zoudt gij haar bezigen om
ons buiten te werpen?"
Deze mannen, hoe sterk anti-slavernijgezind ook, konden niet
onbelemmerd te werk gaan. Een lid der commissie voorzag en vreesde
er de uitkomst van. Hij was van gevoelen, en gaf zulks te kennen,
dat de voorgeslagene maatregel de geheele zaak zou doen schipbreuk
lijden. De meerderheid was, ten slotte, van gevoelen, dat het best
ware haar uit te stellen. De commissie rapporteerde dat de verzoekers,
om voor hen voldoende redenen, hunne papieren hadden terug genomen.
Het volgende jaar, in 1839, werd het onderwerp wederom opgevat,
en bij vernieuwing werd er op aangedrongen dat de Vergadering op
eene beslissende en onmiskenbare wijze er zich over uiten mogt; en
voorzeker, wanneer wij in aanmerking nemen dat gedurende al dien
tijd niet eene enkele kerk hare slaven geëmancipeerd had, en dat
de magt der "instelling" allerwege was toegenomen en uitgebreid,
dan zal het wel in het oog loopen dat er iets anders noodig was
dan eene algemeene verklaring dat de Kerk met het in 1818 gegevene
getuigenis overeenstemde. Het werd haar ten sterkste voorgehouden
dat het tijd was om iets te doen. Dit jaar besloot de Vergadering
den "Presbyteries" de zaak in handen te geven, om er in te doen wat
zij raadzaam zouden achten. De gebezigde woorden waren deze: "De
geheele zaak plegtiglijk aan de lagere regtskringen (judicatories)
overgevende, om eene zoodanige beslissing te nemen, als naar hun
gevoelen met de regtvaardigheid strookt, en geschikt is om het kwaad
te verwijderen." De Eerwaarde George Beecher stelde voor om het woord:
zedelijk vóór het woord: kwaad in te lasschen; dan, zulks werd van
de hand gewezen.
In 1840 werd een nog veel grooter aantal vertoog- en verzoekschriften
ingeleverd; en door de abolitionisten werden zeer sterke pogingen
gedaan om eenige bepaalde daad te verkrijgen.
De commissie beriep zich dit jaar op hetgeen in het vorige jaar gedaan
was, en verklaarde het onraadzaam, iets verder te doen. De zaak werd
onbepaald uitgesteld. Thans werd besloten dat de Vergadering slechts
eenmaal in de drie jaren zou bijeenkomen. Gevolgelijk kwam zij niet
bijeen vóór 1843. In dat jaar werden wederom verscheidene memoriën
ingediend, en eenige besluiten werden der Vergadering voorgelegd,
waartoe ook het volgende behoorde:
Is besloten, dat wij de met deze Vergadering verbondene leeraars,
"Presbyteries" en Synoden, minzaam en ernstig vermanen, deze zonde
even als alle andere zware zonden te behandelen; en door eene
vlijtige, minzame en getrouwe aanwending der hen door God verleende
middelen, door onderwijzing, vermaning, berisping en daadwerkelijke
tucht, de kerk van deze groote ongeregtigheid trachten te zuiveren.
Dit besluit werd van de hand gewezen, en men nam het volgende:
Nademaal in deze Vergadering eene groote verscheidenheid van
gevoelens bestaat met betrekking tot de geschiktste en beste
handelwijze in de zaak der slavernij; en nademaal, onder zulke
omstandigheden, deze of gene uitdrukking van gevoelen slechts
weinig gewigt zou aanbrengen wanneer zij met eene geringe
meerderheid doorging, maar veeleer verwijdering en verdeeling
zou veroorzaken; en nademaal de Vergadering van 1839, met groote
eenstemmigheid, deze geheele zaak aan de lagere regtskringen heeft
overgegeven, om eene zoodanige beslissing te nemen als naar hun
gevoelen geschikt is om het kwaad te verwijderen;--is besloten,
dat de Vergadering het tot stichting der Kerk ondienstig acht,
in dezen iets te verrigten.
Niettemin ging het volgende besluit door:
Is besloten, Dat het fatsoenlijk vermaak van gemengde dansen zoo
geheel onschriftmatig, en voornamelijk en uitsluitend dat der
"wereld" is "die in het booze ligt," en zoo geheel onbestaanbaar
met den geest van Christus, met het den Christen voegende gedrag,
en met die reinheid des harten, welke zijne volgelingen verpligt
zijn te bewaren, dat het niet slechts onvoegzaam en schadelijk
voor Christenbelijders is er deel in te nemen, of hunne kinderen
daartoe in staat te stellen, door hen de kunst te onderwijzen,
maar ook eene getrouwe en regtmatige uitoefening der kerktucht
van de zijde der kerkelijke opzieners vordert, wanneer eenig lid
der gemeente zich daaraan heeft schuldig gemaakt.
Drie jaren later, in 1846, openbaarde de Algemeene Vergadering de
volgende verklaring harer gevoelens:
1. Het slavernijstelsel, zoo als het in deze Vereenigde Staten
aanwezig is, hetzij uit het oogpunt der wetten van de verschillende
Staten, die het goedkeuren, of uit dat zijner tegenwoordige
werking en gevolgen in en voor de maatschappij beschouwd, is uit
zijnen aard onregtvaardig en verdrukkend; terwijl het evenzeer
gekant is tegen de voorschriften van Gods wet, den geest en de
leeringen des Evangelies, en de hoogste belangen der menschheid.
2. Het getuigenis der Algemeene Vergadering, van de jaren 1787
tot 1818 ingesloten, heeft het veroordeeld, en blijft nog altijd
het opgeschreven getuigenis der Presbyteriaansche kerk dezer
Vereenigde Staten, hetwelk wij niet terug nemen.
3. Wij kunnen, derhalve, de uitdrukking van ons grievend leedwezen
niet achterhouden, dat de slavernij door eenige der leden van
onze kerken wordt volgehouden en verdedigd; en wij vermanen zoowel
dezen, als de kerken, waaronder zij bestaat, met den meesten ernst,
tot het aanwenden van alle in hunne magt staande middelen, ten
einde dit kwaad uit hun midden worde weggedaan. De voortduring er
van kan niet missen, bij eene menigte menschen, door den invloed
van hun voorbeeld geleid, het begrip te doen ontstaan, als of door
dat voorbeeld het daarin zigtbare en door de verordeningen der
slaven-houdende Staten, waarin zij wonen, gehandhaafde stelsel,
werd gewettigd. Daarenboven kan geene bloote verzachting zijner
gestrengheid, door de menschelijkheid en het Christelijk gevoel
van eenigen die voortgaan met hunne medemenschen in slavernij
te houden, aangebragt, als een getuigenis tegen het systeem,
of als in het geringste zijn wezenlijk karakter veranderende,
beschouwd worden.
4. Maar, hoezeer wij gelooven, dat vele van het stelsel
onafscheidelijke boosheden het noodzakelijk en verpligtend maken,
om er tegen te getuigen, nogtans ondernemen wij niet, den graad van
zedelijke verdorvenheid te bepalen van de zijde der individuën,
die er in betrokken zijn. Ongetwijfeld zal deze, in het oog van
God, afhangen van de mate van het geschonken licht, en van andere
omstandigheden, tot elk in het bijzonder betrekkelijk. Wanneer
wij het oog vestigen op al de hinderpalen en belemmeringen der
emancipatie, door de verordeningen der slaven-houdende Staten,
en door den maatschappelijken invloed op de zienswijze en het
gedrag der bedoelde personen in den weg geworpen, dan kunnen wij
geen vonnis van algemeene en onbepaalde veroordeeling uitspreken,
dat gemis van Christelijke beginselen en gevoelens medebrengende,
waardoor allen, die in de wettige betrekking van meesters tot
slaven staan, van des Heeren tafel geweerd zouden worden, of ons
regtvaardigen, wanneer wij hen onze kerkelijke en Christelijke
gemeenschap onttrekken wilden. Veeleer hebben wij medelijden met
hunne gemoedelijke bezwaren, en zouden hen daarin wenschen te hulp
te komen, als van oordeel zijnde, dat scheiding en verwijdering
tusschen de kerken en hare leden, niet de door God goedgekeurde
en bekrachtigde middelen tot de hervorming Zijner kerk zijn.
5. Terwijl wij ons, derhalve, verpligt achten, ons getuigenis tegen
de slavernij in te brengen, en onze geliefde broederen te vermanen
haar zoo spoedig mogelijk, door alle gepaste en voegzame middelen,
uit hun midden weg te doen, veroordeelen wij te gelijkertijd alle
verdeelende en scheuring veroorzakende maatregelen, strekkende om
de eenigheid onzer kerk te ontbinden en haren vrede te verwoesten,
en schromen wij den geest van beschuldiging en straf-opleggende
gestrengheid, die dezulken buiten de kudde zou drijven, welke
wij veeleer, om den geest des Evangelies en de pligten onzer
belijdenis, gehouden zijn te onderwijzen, te raden, te vermanen,
en aldus in de wegen Gods te leiden; en jegens welken, ofschoon
zij dwalen mogen, wij geduld en broederlijke liefde behooren
te oefenen.
6. Als eene regtbank van onzen Heer Jezus Christus, bezitten
wij geene wetgevende magt; en als de Algemeene Vergadering der
Presbyteriaansche kerk, bezitten wij geene regterlijke magt. Wij
hebben geen regt om een toetssteen van het Christelijk karakter
en lidmaatschap der kerk in te stellen en voor te schrijven,
die in de Heilige Schriften, en in de belijdenissen, waarnaar
wij beloofd hebben, onzen wandel te rigten, niet erkend en
bekrachtigd is. Wij moeten, derhalve, deze zaak overlaten aan
de kerkbesturen (sessions), "Presbyteries" en Synoden, als de
regtskringen (judicatories), aan welken het oordeel toekomt in
de besturing der kerkelijke tucht naar pligt en geweten, als
aan de Algemeene Vergadering alleen bij wege van algemeen op-
en toezigt ondergeschikt zijnde.
Wanneer eene boot op een effen doch sterken stroom onmerkbaar afdrijft,
dan kunnen wij haren voortgang slechts door vergelijking met andere
voorwerpen op het strand bespeuren.
Wanneer men deze verklaring der Algemeene Vergadering van de "New
School" met die van 1818 vergelijkt, dan zal men bevinden, dat zij
veel minder rondborstig en beslissend van toon is dan deze laatste,
terwijl inmiddels de slavernij viervoudig in magt is toegenomen. In
1818 verklaart de Vergadering, dat het deugdzaamste deel der gemeente
in de slaven-Staten de slavernij verafschuwt en hare vernietiging
wenscht. In 1846 betuigt de Vergadering met leedwezen, dat de slavernij
door eenige leden onzer kerken nog altoos volgehouden en verdedigd
wordt. Het getuigenis van 1818 heeft het openhartig en stoutmoedig
voorkomen van een eenstemmig document, waaruit slechts één gevoelen
spreekt. Dat van 1846 heeft het behoedzaam aanzien van een onzijdigen
grond tusschen twee strijdende legers; het is uitziftend, behoedzaam
vreesachtig en zorgvuldig.
Doch wanneer men, met dat alles, het document op zich zelven beschouwt,
dan is het zekerlijk een zeer goed stuk te noemen; en het zou eene zeer
gepaste uitdrukking van Christelijk gevoel zijn, zoo het betrekking
had tot eenig ander gewoon groot kwaad, en in deze of gene algemeene
crisis ware geuit geworden; doch laat ons zien, wat het aangegrepen
kwaad, en wat de crisis was. Beschouwen wij het door de Synode van
Kentucky opgehangen tafereel van den tegenwoordigen staat van zaken
ten harent: "De leden van slaven-familiën gescheiden, om elkander
niet weder te zien vóór den oordeelsdag; broeders en zusters, ouders
en kinderen, echtgenooten en vrouwen, dagelijks van elkander afgerukt,
zonder elkander ooit te mogen wederzien; het gegil en de doodsangsten,
die als met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van
het stelsel verkondigen; de kreten der lijders, die opgaan tot het oor
des Heeren Zebaoth; geen gehucht waar deze hartverscheurende tooneelen
niet gezien worden; geen dorp of landweg zonder den treurigen optogt
van geboeide ballingen, wier ketenen en gebogene houding verhalen,
dat zij met geweld zijn afgerukt van alles, wat hunnen harten dierbaar
is; Christenleeraars, de moeder van haar kind afscheurende, om haar
in eeuwigdurende ballingschap te verkoopen."
Dit was de taal der Synode van Kentucky, veertien jaren te voren;
en die tooneelen zijn sedert dien tijd altoos voorgevallen, en
vallen nog dagelijks voor, zoo als de berigten van elk zuidelijk
nieuwspapier aantoonen; en toch heeft de kerk van Christus sedert
1818 niets anders gedaan dan haar leedwezen te betuigen, en deftige
bovennatuurkundige beraadslagingen te houden of de slavernij eene
zonde per se was, en de voorbarige handelwijze te berispen van mannen,
die, de onmogelijkheid ziende om het kwaad op eenige andere wijze
te doen ophouden, zulks beproefden door de slavenhouders van de
gemeenschap der kerk uit te sluiten. Alsof het niet beter ware dat
één slavenhouder op de honderd, wanneer het hem meer in het bijzonder
betreft, buiten de kerk zou staan, dan dat al die vreeselijke foltering
en ongeregtigheid bij voortduring de wettiging van het voorbeeld
der kerk ontvangen zoude! Zou een edelmoedig Christen niet zeggen:
"Als de kerkban dit verschrikkelijke kwaad kan ten onder brengen,
laat hij komen, al zou hij ook zwaar op mij drukken! Het is beter,
dat ik eene geringe onregtvaardigheid lijde, dan dat deze afschuwelijke
ongeregtigheid steeds op de rekening der Kerk van Christus blijve! Zal
ik de geheele Kerk met mijne bezwaren belasten? Wanneer ik in de
behandeling mijner slaven liefderijk en zorgvuldig te werk ga;
wanneer ik de slechte leerstelling, dat zij mijn eigendom zijn,
uit mijn hart verworpen heb, en ze als mijne broeders behandel--wat
doe ik dan? Al het gewigt van mijn voorbeeld zet het systeem kracht
bij. De Kerk moet deze vreeselijke ongeregtigheid bestraffen, en de
bestraffer behoort zuivere handen te hebben; en als ik mij niet ten
volle van dit kwaad kan losmaken, dan is het beter dat ik buiten de
Kerk blijve, totdat ik het kan."
Laat ons nu ook de geduchte verschansingen en de sterkte van het kwaad
beschouwen, waar tegen dit zeer gematigd besluit gerigt was. "Eene
geldmagt van twee duizend millioenen dollars, in handen eener kleine
vereeniging van bekwame en wanhopige lieden; die vereeniging door
bijzondere wettelijke bepalingen tot eene staatkundige aristocratie
verheven; het katoen, het voortbrengsel van den slaven-arbeid, de
grondslag uitmakende van onzen geheelen buitenlandschen koophandel,
en de handelsklasse alzoo bevoorregt; de drukpers omgekocht; de
zuidelijke kansel tot vasal vernederd; het hart der lagere klasse
door een bitter vooroordeel tegen het zwarte menschenras verkild,
en onze hoofdleiders door eerzucht óf tot stilzwijgen óf tot openbare
vijandschap verleid." [24] En nu, in dezen staat van zaken, wordt de
slavernij door het gansche gewigt dezer kerken ondersteund, omdat zij
slavenhouders bevatten. Dat zij geen deel hebben aan de misbruiken
van het stelsel, doet niets ter zake; het wordt haar door niemand
gevergd. De slavenmagt wenscht niet dat belijders van de godsdienst
familiën scheiden, of hunne slaven bovenmatigen arbeid opleggen, of
eenige schanddaad bedrijven: dat is haar belang niet. De slavenmagt
behoeft vrome, teederhartige, edelmoedige en menschelijke meesters,
en behoeft ze, om het systeem tegen het toenemend zedelijk gevoel
der wereld staande te houden; en hoe vromer en edelmoediger zij zijn,
des te beter. Zonder deze lieden zou de slavernij geen uur lang kunnen
staande blijven. Wat is het derhalve? Deze lieden houden het systeem,
en dat groote anti-slavernijgezinde ligchaam van leeraars houdt deze
lieden staande. Dit is het slot van de geheele zaak.
Paulus zegt, dat wij aan diegenen moeten gedenken, die in banden
zijn, als met welke ook hij gebonden is. Verondersteld eens, dat
deze Algemeene Vergadering uit mannen bestaan had, die vlugtelingen
geweest waren. Verondersteld dat een hunner zijne dochters naar de
slavenmarkt van New-Orleans had zien wegvoeren, zoo als Emily en Mary
Edmondson; dat de dochter van een' ander' op dezen overlandstogt in
een slaventroep gestorven was, met geene andere oppassing dan die
van een slavendrijver, zoo als de arme Emily Russell; dat de vrouw
van een' derden met een gebroken hart gestorven was, toen men haar
hare kinderen van de borst rukte om ze te verkoopen; en dat een
vierde eene half krankzinnig gemaakte moeder had, wier haren door
zielsangst vóór den tijd waren grijs geworden. Verondersteld dat die
hartverscheurende tooneelen van scheiding, met gillen en snikken,
waarvan de Synode van Kentucky zegt zoo langen tijd getuige geweest
te zijn, in de familiën dier leeraars hadden plaats gehad, en dat zij
tot deze beraadslaging waren opgegaan met harten, zoo doorpriemd en
verscheurd als het hart van den armen ouden Paul Edmondson, toen hij
naar New-York ging om voor zijne dochters te bedelen. Verondersteld dat
zij het afschuwelijk stelsel, waaronder dit alles was voorgevallen,
nog ieder uur zagen uitbreiden; dat leeraars onder de Christenen van
alle gezindheden in het Zuiden het voor eene door God bekrachtigde
instelling verklaarden; dat al de rijkdom, al de rang en al de fashion
des lands te zijnen gunste vereenigd waren; en dat zij, zoo als Aäron,
gezonden waren om tusschen de levenden en de dooden te staan, opdat
de pest mogt ophouden.
En laat het nu zoo nederig en zoo ernstig mogelijk aan de Christenen
dezer natie, en aan de Christenen van alle natiën, gevraagd mogen
worden, of op zulk een tijdstip, en onder zulk eene crisis, deze
handeling voldoende was? Heeft zij iets uitgewerkt? Heeft zij ook
maar het minste te weeg gebragt om het kwaad te stuiten? En behoorde
er in zulk een vreeselijken tijd niet iets gedaan te worden wat die
uitwerking kan hebben?
Laat ons de geschiedenis voortzetten. Men zal hebben opgemerkt dat
het besluit eindigt met het onderwerp aan ondergeschikte regtskringen
over te laten. De "New School Presbytery" van Cincinnati, waarin de
hoogleeraars van het seminarium van Lane zitting hadden, schorsten
Mr. Graham in zijne bediening, om zijne leerstelling, dat de Bijbel
de slavernij regtvaardigde; bij dit vonnis de stelling voegende,
dat zulks eene ketterij was, onbestaanbaar met de Christelijke
gemeenschap. De Synode van Cincinnati bevestigde deze uitspraak. De
Algemeene Vergadering wierp deze beslissing omverre, en herstelde
Mr. Graham. De afgezondene van die "Presbytery" zeide, dat zij nooit op
hare schreden zou terugkeeren, en zoo gebeurde het ook. De "Presbytery"
van Cincinnati weigerde hem terug te ontvangen. Haar zij er alle eer
voor toegebragt! Hier, ten minste, werd een beginsel vastgesteld, voor
zoo veel de "New School Presbytery" van Cincinnati, en een beginsel
voor zoo veel de Algemeene Vergadering betreft. Door deze daad stelde
de Algemeene Vergadering het feit vast, dat de Presbyteriaansche kerk
der "New School" niet beslist had, dat de verdediging der slavernij
uit den Bijbel eene ketterij was.
De leer te verkondigen, dat er geene drie Personen in de Drieëenheid
zijn, is ketterij.
De leer te verkondigen, dat al deze drie Personen een systeem
bekrachtigen, hetwelk zelfs door Mahomedaansche vorsten uit louter
natuurlijke schaamte en gewetenshalve is vernietigd, is geene ketterij!
De Algemeene Vergadering ging voort met te bewijzen, dat zij deze leer
niet als ketterij beschouwde, door in 1846 de Algemeene Vergadering der
"Old School" tot gemeenschappelijke viering van 's Heeren Avondmaal uit
te noodigen. Onder die Vergadering behoorden niet alleen Dr. Smylie,
en al die ligchamen onder haar, die niet alleen de slavernij in het
afgetrokkene, maar zelfs eenige harer ergste misbruiken, uit Gods
woord hadden verdedigd; maar het ligchaam der "New School" hield
deze gevoelens voor geene ketterij, die de Christelijke gemeenschap
zou verhinderen!
In 1849 verklaarde de Algemeene Vergadering, dat bij haar geene
berigten waren ingekomen ten bewijze, dat de leden in Slavenstaten
niet alles deden wat zij konden om, onder opzien tot God, den slaven
het bezit en genot der vrijheid te bezorgen. Dit is eene merkwaardige
verklaring, wanneer wij in aanmerking nemen, dat in Kentucky geene
strenge wetten tegen de emancipatie bestaan, en dat, in Kentucky
of in Virginia, de slaaf kan worden in vrijheid gesteld door hem
eenvoudig een paspoort te geven om de grenslijn van den naburigen
Staat te overschrijden.
In 1850 werd door den Eerwaarden H. Curtiss, van Indiana, een
voorstel aan de Vergadering gedaan, ten volgenden einde: "Dat het tot
slaven maken of als eigendom bezitten van menschen, een vergrijp is,
zoo als in ons Boek van kerkelijke tucht, hoofdstuk 1, afdeeling 3,
bepaald is; en als zoodanig onderworpen aan onderzoek, bestraffing en
afsnijding, op de wijze, door onze regelen voorgeschreven; en dat het
met behoorlijke inachtneming van alle verzwarende of verzachtende
omstandigheden voor ieder bijzonder geval behoort behandeld te
worden." Een ander voorstel was van een ouderling uit Pennsylvanië,
en stelde vast, dat de slavernij, prima facie, een vergrijp was in
de bedoeling van ons Boek van kerkelijke tucht, en den slavenhouder
den last oplegde van zulke omstandigheden aan te voeren, als strekken
konden om hem van de schuld der overtreding te ontheffen.
Beide deze voorstellen werden verworpen. Het volgende werd aangenomen:
"Dat de slavernij met vele en groote boosheden beladen is; dat men de
uitwerkselen van het geheele slavernijstelsel betreurt; dat het houden
onzer medemenschen in den staat van slavernij, uitgezonderd in die
gevallen, waarin het uit hoofde der wetten van den Staat, de pligten
van voogdijschap, of de eischen der menschelijkheid onvermijdelijk is,
een vergrijp (offence) is, naar de eigenlijke meening dier uitdrukking,
zoo als zij in het Boek der kerkelijke tucht gebezigd wordt, en op
dezelfde wijze als andere vergrijpen te beschouwen en te behandelen
is; en dat dit onderwerp derhalve aan de kerkbesturen (sessions) en
"presbyteries" wordt overgelaten." De stemmen waren acht-en-veertig
tegen zestien, onder een schriftelijk protest van de minderheid, die in
den tegenwoordigen toestand des lands alle handeling afkeurde. Laat de
lezer deze handeling wederom met die van 1818 vergelijken, en hij zal
zien dat de boot nog altoos afdrijft--inzonderheid dewijl zelfs deze
gematigde verklaring niet eens met algemeene stemmen gegeven werd. Op
nieuw, in dit jaar 1850, verklaart men zich bereid om in den geest van
broederlijke en Christelijke liefde, eenige voorslagen tot hereeniging
te ontvangen, die het ligchaam der "Old School" voornemens was te doen.
In 1850 kwam de verschrikkelijke wet tegen de weggevlugte slaven. Welke
daden werden toen bedreven? Toen werden de tooneelen van schrik
en doodsangst, die te voren slechts op den slavenbodem aanschouwd
werden, naar onze vrije Staten overgebragt. Kerken werden open
gebroken. Bevende Christenen vloden. Echtgenooten en vrouwen werden
gescheiden. Toen werd aan den armen Afrikaan het vreeselijk doemvonnis
voltrokken, over den wandelenden Jood uitgesproken: "Gij zult geene
rust vinden, en uwe voetzolen zullen geene rust hebben; maar uw
leven zal altoos in gevaar zijn, en gij zult dag en nacht vreezen,
en geene veiligheid voor uw leven hebben." De gansche maatschappij
ging toen éénen weg op--al de rijkdom, al de magt, al de fashion. Nu,
zoo ooit, was het tijd voor de Kerk van Christus om op te staan en
voor de armen te spreken.
De Algemeene Vergadering kwam bijeen. Zij was ernstig aangemaand om
zich te uiten. Nooit bestond er eene schitterender gelegenheid om te
toonen, dat het koningrijk van Christus niet van deze wereld is. Een
protest derhalve van een zoo talrijk en achtenswaardig ligchaam zou de
Amerikaansche Kerk voor de schande bewaard hebben, die zij thans in het
oog van alle natiën draagt. O, dat zij eenmaal gesproken had! Wat zeide
de Presbyteriaansche Kerk? Zij zeide niets, en oogstte er den dank der
staatkundige leiders voor in. Zij had alles gedaan, wat zij verlangden.
Intusschen was onder dezen gang van zaken het getal der "Presbyteries"
in slaven-houdende Staten van drie tot twintig geklommen! en deze
kerk had nu van vijftien- tot twintigduizend leden in Slavenstaten
onder hare hoede.
Genoeg over de handelwijze van een beslist anti-slavernijgezind
ligchaam, in vereeniging met eenige weinige slavenhoudende
Kerken. Genoeg over eene bescheidene, voorzigtige, liefderijke en
broederlijke poging om de zaak door ondervinding te toetsen. Welke
gemeenschap heeft het licht met de duisternis, en welke overeenstemming
heeft Christus met Belial? Het slavensysteem is de duisternis--het
slavensysteem is Belial! en elke poging om het met de belijdenis
des Christendoms overeen te brengen, zal denzelfden uitslag hebben
als deze. Het behoort nogtans hier gezegd te worden, dat een klein
ligchaam van de meest besliste tegenstanders der slavernij in de
Presbyteriaansche Kerk zich afscheidde, en de vrije Presbyteriaansche
Kerk vormde, wier voorwaarde van gemeenschap eene volkomene verzaking
van het slaven-houden is. Ook moet het worden opgemerkt, dat deze
grondregel door de Kwakers aangenomen en ten uitvoer gebragt werd--het
eenige met dit kwaad besmette ligchaam van Christenen, wien het ooit
gelukt is er zich van te bevrijden.
Het zij nu dat censuur en kerktucht al dan niet geschikte middelen
zijn om zulke zedeloosheden en ketterijen bij individuën tegen te
gaan,--genoeg is het, dat zulks het verklaarde en in uitoefening
gebragte gevoelen van de Presbyteriaansche Kerk geweest is.
Wanneer men de redenering van Charles Summer overweegt, dan zal
het in het oog vallen dat de geschiedenis dezer Presbyteriaansche
Kerk aanmerkelijke punten van overeenkomst oplevert met die onzer
Vereenigde Staten. In beide was, in den beginne, anti-slavernij de
heerschende invloed, zelfs onder slavenhouders. In beide was er geen
verschil van gevoelen omtrent de wenschelijkheid van de volkomene
vernietiging der slavernij; beide gaven iets toe, zoo weinig als men
zich met mogelijkheid verbeelden kan; beide deden dit volkomen ter
goeder trouw, met het doel eener spoedige verwijdering en vernietiging
van het kwaad; en beider geschiedenis is dezelfde. Het kleine punt
van toegeving breidde zich uit, won meer en meer veld, en ging, van
jaar tot jaar, verslindende voort, tot dat èn de Vereenigde Staten,
èn de Presbyteriaansche Kerk, het standpunt bereikt hadden waarop zij
zich thans bevinden. Nog erger was de geschiedenis der Methodistische
Kerk. Die van de Kerk der Baptisten toont hetzelfde beginsel; en, wat
de Episcopaalsche kerk zoowel in het Noorden als in het Zuiden betreft,
deze heeft nooit iets anders gedaan dan toegeven. Zij verschilt hierin
van al de overige, dat zij nooit eenig tegenstandbiedend element had,
met uitzondering nu en dan van een Protestant, zoo als William Jay,
een waardige zoon van hem, die de Verklaring van Onafhankelijkheid
onderteekende.
De slavenmagt is een wel zamenhangend, vast, stevig, onwrikbaar stelsel
geweest, dat van geen schikken of toegeven wist. De wederstand biedende
magt was, vele jaren lang, wankelend, toegeeflijk, met zich zelve in
tegenspraak. Er heeft, wel is waar, eene diepe en steeds toenemende
vijandschap jegens de slavernij, bij eene besliste meerderheid
van leeraars en ledematen in vrije staten bestaan, als individuën
beschouwd. Doch ongelukkigerwijze zijn de opregte tegenstanders
der slavernij onderling verdeeld geweest nopens grondstellingen
en maatregelen, daar de tot uitersten gedrevene grondstellingen en
maatregelen van sommigen eene schadelijke terugwerking bij anderen te
weeg bragten. Daarenboven hebben andere groote plannen van weldadigheid
hun tijd en aandacht gevorderd; en de uitslag is geweest dat zij
alle zich onjuiste begrippen gevormd hebben van de uitgebreidheid
des gevaars, waarmede de zaak van God op aarde door de Amerikaansche
slavernij bedreigd wordt, en van den pligt des Christens onder zulk
eene crisis. Zij hebben hieromtrent nooit zulk eene overtuiging gehad
als die, welke in andere groote aangelegenheden hunne geestkracht
gewekt, aangevuurd en vereenigd heeft. Intusschen hebben groote
organische invloeden in Kerk en Staat, zeer tegen hunnen wensch, hunnen
invloed tegen de slavernij opgewogen--ja somwijlen in haar voordeel
doen werken. De volslagene onwrikbaarheid van het slavernij-systeem,
en zijne volstrekte weigering om eenige beraadslaging er over toe te
laten, hebben alle diegenen, die gemeenschap met slaven-houdende Kerken
wenschen, slechts de keuze gelaten om òf de ondersteuning van het
Zuiden in deze zaak, òf hun protest tegen de slavernij te laten varen.
Dit is eene sterke verzoeking geweest voor menschen die weldadige
en loffelijke zaken behartigden, doch niet genoeg doordrongen waren
van het volle gevaar van het slavensysteem, noch de zedelijke kracht
van het Christelijke protest daartegen wisten te schatten. Wanneer
er zich, dien ten gevolge, gevallen voordeden waarin hun slechts de
keuze bleef tusschen de opoffering van hetgeen zij voor de belangen
eener goede zaak hielden, en tusschen het opgeven van hun regt van
protest, hebben zij algemeen het laatste gekozen. De beslissing had
altoos op deze wijze plaats: De slavenmagt wil niet toegeven,--wij
moeten het. Het Zuiden zegt: "Wij willen geen godsdienstig boek nemen
dat anti-slavernijgezinde grondstellingen bevat." De Vereeniging
der zondagsscholen heeft Mr. Gallaudet's geschiedenis van Joseph
afgewezen. Waarom? Omdat zij de slavernij begunstigt? Volstrekt
niet. Zij verafschuwt de slavernij. Waarom dan? "Het Zuiden wil onze
boeken niet lezen, als wij niet toegeven. Zij willen niet toegeven,
en wij moeten. Wij kunnen meer goed doen door de verspreiding van
Evangelische waarheid, wanneer wij onze Protestantsche magt ongebruikt
laten, dan wanneer wij haar aanwenden." Dit werd, waarschijnlijk, ter
goeder trouw gedacht en gezegd. Het argument laat zich wel hooren,
maar de zaak wordt er niet te minder om toegegeven. De slavenmagt
heeft de overwinning behaald, en heeft ze juist door de beste menschen,
en juist door den invloed van de beste beweegredenen behaald; en zoo
zij slechts de overwinning verkreeg, is het haar om het even hoe zij
ze verkreeg. En al moge het ook gezegd kunnen worden dat hetgeen in
ieder bijzonder geval wordt toegegeven, op zich zelve slechts gering
is, toch zal, wanneer wij alles bij elkander nemen wat van tijd tot
tijd door iedere kerkelijke gezindheid, en door iedere afzonderlijke
weldadige inrigting is afgestaan, het beloop inderdaad verbazend
zijn. En waar zijn wij, ten slotte van dat alles, nu toe gekomen?
Hier zijn wij, in deze crisis,--hier, in deze negentiende eeuw,
terwijl de geheele wereld grondstellingen van algemeene vrijheid om
verre werpt en weder opbouwt,--wij, Amerikanen, die onze Bijbels en
zendelingen uitvaardigen om Mahomedaansche landen tot Christelijke
te maken, wij, al onze magt en invloed aanwendende tot instandhouding
van een stelsel van afgesleten heidendom, dat zelfs door den Bey van
Tunis verworpen wordt!
De zuidelijke Kerk heeft het gedoopt in den naam des Vaders, des
Zoons en des Heiligen Geestes. Dit afgesletene, verouderde, verjaarde
stelsel van Romeinsche slavernij, eenmaal, langzaam maar zeker, door
het Christendom vernietigd, is uit zijn eerloos graf opgedolven;
eenige weinige wetten van buitensporige wreedheid, zoo als Rome ze
nimmer kende, zijn er aan toegevoegd; en thans, door de geheele
zuidelijke Kerk gedoopt en geheiligd, gaat het uit, overwinnende
en om te overwinnen! De eenige magt, die der noordelijke Kerk, is
overgebleven, is de protesterende magt, en zal zij daar gebruik van
maken? Vraag het Traktaatgenootschap of het een traktaat over het
zondige der slavernij wil uitgeven, al zou zulk een traktaat maar
alleen uit de schriften van Jonathan Edwards of Dr. Hopkins worden
zamengesteld! Vraag de Vereeniging der zondagsscholen of zij de feiten
betrekkelijk dit heidendom wil openbaar maken, zoo als zij de feiten
betrekkelijk Burmah en Hindostan geopenbaard heeft! Willen zij? O,
dat zij ja mogten zeggen!
Nu zal het wel niet betwijfeld worden dat al deze treurige uitkomsten
de gevolgen zijn van de voorstellen en beraadslagingen van goede
mannen, die het goede bedoelden; doch men heeft met waarheid gezegd
dat, in gevaarlijke tijden, wanneer één misstap de noodlottigste
gevolgen te weeg brengt, eene goede bedoeling niet genoeg is.
In de crisis eener ziekte het goede te bedoelen en den lijder te doen
sterven; onder het woeden van een storm het goede te bedoelen en het
schip te doen stranden; in een grooten zedelijken strijd het goede
te bedoelen en den strijd te verliezen;--dit zijn betreurenswaardige
zaken. Door onze schuld gaat het schip te gronde--door onze schuld
wordt de strijd verloren. Een weinig meer slapens, een weinig meer
sluimerens, een weinig meer handenvouwens al nederliggende, en wij
zullen in de draaijing van dien maalstroom ontwaken die slechts één
uitgang heeft--naar den afgrond!
Er is nog één ligchaam van Christenen, welks invloed wij niet beschouwd
hebben, en dat wel van een zeer aanzienlijk,--de Congregationalisten
van Nieuw-Engeland en van het Westen namelijk. Uit den aard zelve van
het Congregationalisme kan het geen zoo eenstemmig getuigenis geven
als het Presbyterianisme; maar toch heeft het Congregationalisme zich
tegen de slavernij geuit. Individuëele ligchamen hebben zeer sterk
gesproken, en individuëele geestelijken nog sterker. Zij hebben
vertoogen bij de Algemeene Vergadering ingeleverd, en hebben zeer
sterke anti-slavernijgezinde bladen. Doch, den geheelen staat van het
openbaar gevoelen, den dringenden aard der zaak, en de geweldige kracht
en drang van al de slavernij begunstigende oorzaken in aanmerking
genomen, mag men vragen of de hevigheid en kracht van het getuigenis
van het Congregationalisme, als ligchaam beschouwd, wel gelijk stond
met de vreeselijke dringende noodzaak? Het heeft zeer volledige en
duidelijke getuigenissen opgeteekend over de rampen der slavernij;
doch er is meer noodig dan getuigenissen. De Presbyteriaansche
Kerk bezit een overvloed van opgeteekende getuigenissen, even zoo
goed en even zoo sterk als die het Congregationalisme heeft doen
hooren. De Presbyteriaansche Kerk der "New School" heeft voor het
minst even zoo vele anti-slavernijgezinde mannen, even zoo vele sterk
anti-slavernijgezinde nieuwspapieren gehad als de Congregationale;
en de Presbyteriaansche Kerk heeft eene beproeving voor deze zaak
doorgestaan, waaraan de Congregationale nooit was blootgesteld. Zij
heeft slavenhouders in hare gemeenschap gehad, en van deze proef
is de Congregationale, tot nog toe, zoo goed als vrij gebleven. Had
het Congregationalisme, van dit vrije standpunt, niet een getuigenis
moeten geven dat meer dan gelijk stond? Had het niet meer moeten doen
dan betuigen?--had het niet voor de zaak moeten strijden? Had het,
zoo als de drie honderd dapperen in Thermopylae, alleen gelaten om
Griekenlands vrijheid te verdedigen, toen al de anderen gevloden waren,
niet hart en ziel, ligchaam en geest, voor de goede zaak moeten over
hebben? Heeft het zulks gedaan?
Breng den ijver door het Congregationalisme aan andere vraagstukken
te koste gelegd, eens in vergelijking met den ijver aan deze zaak
besteed. Dr. Taylor leerde dat alle zonde in zondigen bestaat, en
dat er daarom geene zonde kon zijn, tot dat een persoon gezondigd
had; en Dr. Bushnell opperde eenige wijzigingen van het leerstuk der
Drieëenheid, die niemand regt scheen te begrijpen. De "Presbyteries"
van Zuid-Carolina leeren dat God de slavernij goedgekeurd, en door het
voorbeeld van patriarchen en profeten gewettigd heeft. Verondersteld
nu dat dit altemaal ketterijen zijn, welke daarvan is dan wel de
ergste?--Welke daarvan zal de ergste praktikale gevolgen te weeg
brengen? En, zoo het Congregationalisme deze ketterij bestreden had zoo
als sommige zijner leiders Dr. Bushnell en Dr. Taylor bestreden hebben,
zou de strijd dan niet met meer ijver gevoerd zijn? Zijn deze beide
mannen niet als gevaarlijke ketters ten toon gesteld, als leeringen
predikende die tot ongeloof leiden? En, eilieve, waartoe leidt dan die
andere leerstelling? Zoo zeker als er een God in den hemel is, zoo
zeker is het, dat, zoo de Bijbel inderdaad de slavernij verdedigde,
ieder eerlijk en gevoelig mensch al sedert vijftig jaren herwaarts
een ongeloovige zou geweest zijn.
Is derhalve de invloed van het Congregationalisme geëvenredigd geweest
aan den aard en de dringende gewigtigheid der zaak? Maar de laatst
gehoudene bijeenkomst van Congregationalisten te Albany, waarop
leeraars uit Nieuw-Engeland en uit de westelijke Staten verschenen,
drukte zich stelliger en beslissender uit. Zie hier haar besluit:
Is besloten, dat, naar het gevoelen dezer Vergadering, het doel
des Evangelies, waar het in zijne zuiverheid gepredikt wordt,
daarheen strekt om alle maatschappelijke gebreken te verbeteren,
en de zonde in alle hare vormen te dooden; en dat het de pligt der
Zendeling-genootschappen is, de kerken in slaven-houdende Staten
behulpzaam te zijn in de ondersteuning alleen van zulke leeraars,
die het Evangelie alzoo zullen prediken, en de regelen en de
aanwending der Evangelische tucht alzoo zullen inscherpen, dat
zulks, onder den Goddelijken zegen, zijne volle uitwerking hebbe
tot opwekking en leiding van het zedelijk gevoel met betrekking
tot de slavernij, en tot bevordering der spoedige vernietiging
van dat verbazende kwaad; en dat daar, waar het een leeraar niet
geoorloofd is alzoo te prediken, hij, overeenkomstig de vermaning
van Christus, "uit die stad vertrekke."
Dit besluit geeft in vele opzigten stoffe tot hoop en blijdschap. Het
werd door eene zeer groote kerkelijke vergadering genomen, de grootste,
die ooit in dit land bijeen kwam, en die het gansche Congregationalisme
der Vereenigde Staten vertegenwoordigde; terwijl de aanleiding tot
hare bijeenkomst, in zeker opzigt als de aanvang een nieuw tijdperk
in het bestaan dezer gezindheid mogt beschouwd worden.
Het besluit werd met eenparige stemmen genomen. Het is zeer bepaald
in zijne uitdrukking, en beoogt practische werkzaamheid, die juist
behoefte is. Het zegt, dat het geene leeraars in Slavenstaten
ondersteunen wil, wier prediking niet strekt tot vernietiging der
slavernij; en dat, zoo hen geene vrije prediking daartegen vergund
wordt, zij vertrekken moeten.
Dat het alzoo gewonnen terrein krachtdadig zal verdedigd worden,
is af te leiden uit het feit, dat de "Home Missionary Society,"
die het orgaan van dit ligchaam, zoowel als van de "New School" der
Presbyteriaansche Kerk is, in hare instructiën voor de zendelingen in
Slavenstaten, eene bepaalde stelling ten opzigte van dit onderwerp
genomen heeft. In hun verslag van Maart 1853 worden die instructiën
met bekwaamheid op den voorgrond gesteld. Toen zij, in 1850, door een
der Slavenstaten werden aangehaald ten gunste van zendelingen, die de
slavernij wilden daarlaten, werd er, in de beslissendste bewoordingen,
op geantwoord, dat men daar niet in treden konde; dat men, integendeel,
begrijpen moest, dat een voornaam doel in de afvaardiging van
zendelingen naar de Slavenstaten, is, de maatschappij, zoo veel zulks
mogelijk is, van de zonde onder alle gedaanten te bevrijden, en dat,
"zoo men het stilzwijgen over de slavernij naar buiten bewaren wilde,
een der grootste beweegredenen om zendelingen naar de Slavenstaten
af te vaardigen, of ze daarin te houden, zou zijn weggenomen."
Wijders gebood de Maatschappij haren zendelingen om, zoo men hen
in de eene stad of dorp niet over dit onderwerp hooren wilde, naar
eene andere te gaan; terwijl zij hare overtuiging uitdrukte, dat
hare zendelingen er aanvankelijk in geslaagd zijn om de gewetens der
menschen wakker te maken. Zij zegt, dat zij de zaak steeds levendig
houden, dat zij ze niet laten rusten, omdat het een teeder onderwerp
is, maar dat zij hunne conscientiën kwijten, hetzij dan dat hunne
boodschap een goed onthaal vindt, of dat zij hen, zoo als in sommige
gevallen, aan tegenstand, verdrukking of persoonlijk gevaar blootstelt;
en dat, waar men hunne pogingen niet heeft willen toelaten, zij, in
herhaalde gevallen, als eene groote opoffering, hunne stelling verlaten
hebben, en naar andere streken vertrokken zijn. In hun verslag van
dit jaar deelen zij ook brieven mede van leeraars in slaven-houdende
Staten, waaruit blijkt, dat zij, ondanks veel tegenstand, zich het
regt verzekerd hebben, om hunne gevoelens over dit onderwerp openlijk
te prediken en te verbreiden.
Een dier zendelingen, van de slavernij sprekende, zegt: "Wij zijn
vast besloten, om dit groote struikelblok uit onzen weg te ruimen, of
onder de poging te bezwijken. Als Christenen en als vrijmannen willen
wij deze schandvlek op onze godsdienst en wetten niet langer dulden."
Dit is een edel standpunt.
Doch, terwijl wij de protesterende magt beschouwen, mogen wij ook
de Schotsche afgescheidenen en "Covenanters" niet vergeten, die,
met eene standvastigheid en vastbeslotenheid, het kroost der oude
Schotsche belijders waardig, zich van de zonde der slavernij rein
gehouden, en er eenparig tegen geprotesteerd hebben. En laat ons
niet minder opmerken, dat de Kwakers een maatregel volgden, die
hun gansche ligchaam van de zonde der slaven-houding bevrijd hield;
aldus aan al de andere gezindheden toonende, dat wat eenmaal gedaan
werd, weder gedaan kan worden. Alzoo zijn er, onder alle kerkelijke
gezindheden, individuëele leeraars en Christenen, in uren die der
menschen zielen beproefden, met hun getuigenis opgetreden. Albert
Barnes, in Philadelphia, te midden eener groote, rijke gemeente op de
grenzen van een Slavenstaat gevestigd, en onder al de verlokkingen
tot medepligtigheid, die er zoo menigeen tot zwijgen bragten, is in
kalme getrouwheid opgestaan, en heeft den geheelen raad Gods in deze
zaak verkondigd. Ja, nog meer: hij teekende zijn plegtig protest aan,
dat "GEENE INVLOEDEN BUITEN DE KERK DE SLAVERNIJ EEN UUR LANG KONDEN
STAANDE HOUDEN, ZOO ZIJ ZELVE ZE NIET STAANDE HIELD;" en in de laatste
zitting der Algemeene Vergadering, die te Washington bijeen kwam, hield
hij, in spijt van alle staatkundige inblazingen, de Presbyteriaansche
Kerk de sterkte harer laatste verklaringen voor, en verklaarde het haar
pligt, de volkomen vernietiging der slavernij door de geheele wereld te
beproeven. Zoo leide, in het donkerste uur, Dr. Channing te Boston een
edel getuigenis af, dat zijn naam onsterfelijk zal maken. Zoo vormden,
in Illinois, E. P. Lovejoy en Edward Beecher, met hunne vrienden, de
"Illinois Anti-slavery Society" onder zamenrottingen van het gemeen,
en met gevaar van hun leven, terwijl, weinige uren later, Lovejoy, bij
de verdediging der twee malen vernielde drukpers der abolitionisten,
doorschoten werd. In de Presbyteriaansche kerk der "Old School" hebben
William en Robert Breckenridge, de President Young, en anderen, ten
voordeele der emancipatie in Kentucky gepredikt. In de Methodistische
Kerk hield Le Roy Sunderland zijn dagblad onder den ban zijner
superieuren staande, terwijl eene premie van vijftig duizend dollars
op zijn lijf gesteld was. De zachtmoedige, geduldige Torrey stierf in
eene gevangenis, zeggende: "Zoo ik een misdadiger ben, ben ik een groot
misdadiger, want ik heb vier honderd slaven aan de vrijheid geholpen,
die, zonder mij, als slaven zouden gestorven zijn." Dr. Nelson werd
door het gepeupel uit Missouri verdreven, om zijne moedige prediking
der waarheid op slavenbodem. Deze allen behoorden tot de leeraars,
en zij zijn niet de eenige. Jezus Christus heeft ons nog niet geheel
verlaten. Er zijn er, die de vreugde hebben leeren kennen van voor
eene goede zaak schande te lijden en den dood te trotseren.
Er zijn dus ondeelige Christenen geweest, die voor deze heilige zaak
niets te dierbaar geacht hebben. Getuige Richard Dillingham en John
Garette, en eene schare anderen, die met vreugde de berooving hunner
goederen hebben aangezien.
Maar niettegenstaande dit alles blijft het de vreeselijke waarheid, dat
alles, wat tot dusverre door de kerk gedaan is, het kwaad niet merkbaar
heeft doen verminderen. Het groote systeem is sterker dan ooit. Het is,
zoo als algemeen bekend is, de heerschende magt der natie. De geheele
magt van het gouvernement, en de geheele magt van den rijkdom, en de
geheele magt van de fashion, en de practisch-organische werking der
groote kerkelijke ligchamen, zijn alle denzelfden weg opgegaan. De
Kerk wordt gemeenzaam genoemd, als aan de zijde der slavernij te
staan. Staatslieden vóór en tegen het vraagstuk hebben dit als een
bewezen feit vermeld. De ongeloovigen wijzen er met triomferenden blik
op; en Amerika aanschouwt nog eene andere klasse van ongeloovigen--eene
klasse, die alleen onder zulk een invloed ontstaan kon. Mannen, wier
geheele leven slechts ééne studie en praktijk van weldadigheid is,
worden nu onder de ongeloovigen gerangschikt, omdat de gesteldheid der
kerkelijke organisatiën het Christendom valschelijk voorstelt, en zij
zich van de kerk afscheiden. Wij willen geene verdediging inbrengen
voor zoodanige ongeloovigen, die bloot anti-slavernijgezinden ijver
voor hunne Godsdienst houden, en onder dit masker een boosaardigen
haat jegens het ware Christendom verbergen. Maar zulke verdedigingen
van de slavernij uit den Bijbel, als waarmede sommige leden der
Amerikaansche geestelijkheid zijn opgetreden, zijn juist geschikt om
alle eerlijke en regtschapene lieden tot ongeloovigen te maken. De
ongeloovigen uit vroegere tijden waren niet veel te duchten, maar
zulke ongeloovigen als deze, zijn niet te verachten. Wee der kerk,
wanneer het zedelijk allooi van den ongeloovigen beter is, dan dat
van den Christenbelijder! want het eenigste harnas, dat voor het
ongeloof altoos onverwinnelijk was, is het harnas der regtvaardigheid.
Laat ons zien welke practische uitwerking thans door de kerkelijke
organisatiën wordt te weeg gebragt. Waarop vertrouwen Bruin en Hill,
Pulliam en Davis, Bolton, Dickens & Co., en Matthews, Branton & Co., om
hunne slavenfokkerijen en slavenloodsen vol, en hun vertier levendig te
houden? Is het te veronderstellen dat zij geene menschen zijn zoo als
wij? Beven zij niet somtijds bij de geduchte uitwerkselen van vrees,
en wanhoop, en zielsangst, waarvan zij getuige zijn wanneer zij, in
de diepten dier vreeselijke slavengevangenissen, levende harten van
een scheuren? Wat onderdrukt dan de gewetens dier handelaars? Het
is het algemeen gevoelen van de maatschappij waarin zij leven;
en dat algemeen gevoelen wordt door leeraars en ledematen der Kerk
gevormd. De handelaar bespeurt duidelijk genoeg een logisch verband
tusschen de verklaringen der kerk en de praktijk van zijn handel. Hij
ziet duidelijk genoeg dat, zoo de slavernij door God wordt goedgekeurd,
en het regtmatig is haar in een nieuw grondgebied op te rigten, het
ook regtmatig is de middelen te bezigen die daartoe strekken; en,
daar de slaven in Texas niet aan de struiken groeijen, het noodig is
dat er handelaars zijn om er troepen van te vergaderen en ze derwaarts
te brengen; en, daar zij niet altoos geheele familiën kunnen nemen,
het noodig is dat zij ze van elkander scheiden; en, daar de slaven
door geene zedelijke overreding daartoe te krijgen zijn, het noodig
is dat zij er toe gedwongen worden; en, waar zachte dwang niet helpen
wil, zij gegeeseld en gepijnigd moeten worden. Van daar mondproppen,
duimschroeven, ketenen, bloed,--alles als noodzakelijke middelen ter
uitvoering van hetgeen Christenen zeggen dat God goedkeurt.
Ziedaar de eene zijde van de redenering. Bezien wij nu ook de
andere. De "Presbyteries" van Zuid-Carolina en Mississippi houden
gevoelens staande, die, bij wettige gevolgtrekking, den slavenhandelaar
stijven. De Algemeene Vergadering der "Old School" houdt, zonder tucht
of protest, met deze "Presbyteries" gemeenschap. De Vergadering der
"New School" betuigt hare bereidvaardigheid tot hereeniging met de
"Old School," terwijl zij te gelijker tijd het slavernij-systeem
eene verfoeijelijkheid, eene zware schending der heiligste regten,
en zoo voorts noemt. Welnu, dan is de keten zoo juist gesloten, als
hij behoort. Alle schakels zijn er in; ieder vindt er zijne plaats,
en zegt juist wat noodig is, en niets meer. De handelaar verrigt den
stuitenden arbeid, de zuidelijke Kerk verdedigt hem, en de noordelijke
Kerk verdedigt de zuidelijke. Ieder doet zoo veel voor de slavernij
als hij kan, naar mate van de ruimte, waarin hij zich beweegt. Ziedaar
de practische uitkomst van de zaak.
Het treurigste van de zaak is, dat, terwijl een groot ligchaam van
mannen der "New School," en ook vele der "Old School," besliste
anti-slavernijgezinden zijn, deze tot de kerkelijke gezindheid
betrekkelijke stelling hun invloed naar de andere zijde overbrengt. Hun
invloed volgt dien der Algemeene Vergadering. De volgende aandoenlijke
brief werd door dien uitmuntend vromen man, Dr. Nelson, geschreven,
wiens werk over het ongeloof een der krachtigste populaire stemmen is,
die ooit verschenen zijn:
Ik heb meer dan veertig jaren in Noord-Carolina gewoond, ben
met het stelsel gemeenzaam bekend, en kan naauwelijks aan zijne
uitwerkselen denken, zonder tranen te storten. Het veroorzaakt
mij eene grievende smart, aan mijne eigene arme slaven te denken,
voor welke ik reeds jaren lang gepoogd heb een vrij verblijf te
zoeken. Het treft mij met even zoo veel verbazing als afschuw,
te hooren, dat lieden uit het Noorden zoo ligt over de slavernij
denken. Hadden zij er zoo veel van gezien en ondervonden als ik,
zij zouden er zoo niet over spreken, ten ware zij ongevoelig mogten
zijn voor de diepste ellende en vernedering der menschheid, en
dood voor de Godsdienst en menschlievendheid des Evangelies. Doch
vele hunner doen juist wat de onbarmhartigste tirannen van het
Zuiden het meest verlangen. Deze dwingelanden zouden hen volstrekt
niet als advocaten of verdedigers der slavernij begeeren op eene
ongeschikte wijze. Dit zou eene slechte staatkunde met het Noorden
zijn. Het verwondert mij dat Gerrit Smith de slavernij zoo veel
beter verstaan zou, dan de meeste lieden uit het Noorden. Hoe
waar was zijne opmerking bij zekere gelegenheid, dat het Zuiden in
zijne vuist lacht, bij het denkbeeld, welke dupes, met betrekking
tot het ware karakter der slavernij, zij onder de bevolking van
het Noorden maken! Wel maakte Mr. Smith de opmerking, dat het
systeem, in zijn grondbeginsel logisch voortgezet, even zoo goed
den blanken arbeidsman tot slaaf zou maken, als den Afrikaan. Maar,
zoo het niet door het Noorden ondersteund wierd, zou het bloedige
stelsel op eenmaal instorten; en van alle pogingen van openbare
ligchamen in het Noorden om de slavernij staande te houden,
is die van de "Connecticut General Association" de beste. Ik
heb in dat soort nooit iets beters bewerkt gezien, dan hare
besluiten van Junij 1836. Voorzeker zou het Zuiden nooit iets
doelmatigers hebben kunnen wenschen; maar onder alle noordelijke
periodieke bladen, komt aan den New-York Observer de voorkeur
toe, als een krachtige steun der slavernij. Ik twijfel bijna
of dat blad niet meer doet dan al het overige te zamen, om het
verschrikkelijke stelsel in leven te houden; het is juist de hulp,
die het Zuiden verlangt. Zijne mishandeling der abolitionisten
is muziek in zuidelijke ooren, die als een toovermiddel werkt;
maar niets evenaart zijn gerevel over de "Godsdienstige voorregten
en het onderwijs" der slaven in het Zuiden, en niets kon (voor
de zaak van vrijheid en Godsdienst) valscher en honender zijn,
dan de indruk, dien het nopens dat onderwerp maakt. Ik zeg,
wat ik weet, wanneer ik over deze zaak spreek. Ik ben met den
Godsdienstigen toestand der slaven van nabij bekend geweest,
dewijl het mijne vaste gewoonte was, de leerredenen te hooren,
die tot hen gehouden werden; en ik verklaar plegtig, dat ik,
gedurende de veertig jaren van mijn verblijf en opmerking in deze
streken, geene enkele dier leerredenen hoorde, die niet met de
verpligtingen en pligten der slaven jegens hunne meesters was
opgevuld. Inderdaad, nooit hoorde ik eene leerrede tot slaven,
waarin de gehoorzaamheid der slaven aan hunne meesters niet tot de
grond- en hoofdwet van de Godsdienst gemaakt werd. Ieder opregt
en verstandig mensch moge beslissen, of zulk eene prediking, wat
het Godsdienstige betreft, niet erger is, dan in het geheel geene.
Nog eens: het is wonderbaarlijk hoe de ligtgeloovigheid van
het Noorden voor misleiding bloot staat met betrekking tot de
zachte behandeling der slaven. Ik voor mij kan de schijnbare
tegenstrijdigheden ophelderen, bij schrijvers te vinden, die
het Zuiden bezocht of daar vertoefd hebben. De "meerderheid
der slaven-houders, zeggen sommige, "behandelen hunne slaven met
zachtheid." Dit moge in sommige Staten en districten waarheid zijn,
wanneer men alle kwestiën van behandeling, uitgezonderd zulke,
die het ligchaam betreffen, ter zijde stelt. En toch zal, in een
district waar de "meerderheid der slaven-houders" goedaardig is,
de meerderheid der slaven in dat district met wreedheid behandeld
worden. In vele zulke gevallen is dit de waarheid, dat, terwijl
daar dertig menschen kunnen zijn, die ieder maar één slaaf hebben
als huisbediende, één enkel man in hunne buurt honderd slaven,
alle veld-arbeiders, kan hebben, die, slecht gevoed, bovenmatig
werken moeten, en op de wreedste wijze gegeeseld worden. Dit is
het, wat ik dikwijls heb bijgewoond. Om een voorbeeld te geven
van den vreeselijken invloed der slavernij op den meester, zal
ik een Presbyteriaansch ouderling aanhalen, die voor een der
beste menschen in dien omtrek gehouden werd--een zeer goedaardig
meester. Ik werd bij zijn sterfbed geroepen om zijn testament
te schrijven. Hij had eene huis-slavin, waar hij veel werk
van scheen te maken. Nadat al de overige beschikkingen gemaakt
waren, hield de ouderling eene poos op, als in twijfel staande,
wat hij met "Su" doen zoude. Ik was in de aangename verwachting,
dat hij den mond zou openen tot het woord "vrijheid;" maar wie
schetst mijne verbazing, toen ik den meester hoorde uitroepen:
"Wat zal ik met "Su" aanvangen? Ik ben bevreesd, dat zij nooit
onder een meester zal geraken, die streng genoeg voor haar
is." Zal ik zeggen, dat beide, de stervende ouderling en zijne
"Su," ledematen van dezelfde kerk waren, en dat de laatste nog
onlangs de zinnebeelden van de stervende liefde eens Zaligmakers
uit handen van den eersten ontvangen had!
Al dit temporiseren en toegeven heeft verschooning gevonden onder den
dekmantel van broederlijke liefde. Welk eene verschooning voor ons,
noordelijke vrije lieden! Denken wij, dat het slavernij-systeem zulk
eene gelukkige, begeerlijke zaak voor onze broeders en zusters in het
Zuiden is? Kunnen wij op onze algemeene scholen, onze nette, welvarende
steden en dorpen, onze deftige, verstandige, hunne waarde gevoelende
pachters en handwerkslieden, telgen van den vrijen arbeid, den blik
vestigen, en de slavernij als een zegen voor onze zuidelijke broeders
beschouwen? Dat systeem, dat de geheele lagere klasse der blanken
tot bedelaars maakt, dat als een vloek op den grond zelven drukt,
dat, zoo als de kever, de rups en de sprinkhaan, alles verteert,
wat het vóór zich vindt--dat algemeene scholen onmogelijk maakt,
zoo als bijkans ook de prediking des Evangelies--dit systeem zou een
zegen zijn! Zou de broederlijke liefde van ons eischen het Zuiden in
de ondersteuning er van te helpen?
Beschouwen wij eens den invloed der opvoeding, waaronder zulke kinderen
als Eva en Henry daar moeten opgroeijen! Wij spreken van wat menige
zuidelijke moeder gevoelt, van wat het hart van menigen zuidelijken
vader bedroeft. Er is over den invloed der slavernij op de familie
van den slaaf gesproken. Er zijn er, die, zoo zij wilden, van haren
invloed op de familie van den meester zouden kunnen spreken, maar
die daar altoos het stilzwijgen over bewaren. Het doet het harte wee,
geslachten bij geslachten van beminnelijke, edelaardige kinderen aan
zulke invloeden te zien blootgesteld. Welk een land zou het Zuiden
niet zijn, zoo het zich onder dezen vloek ontwikkelen konde! Zoo
het zuidelijk karakter, zelfs onder al deze nadeelen, zooveel edels
behoudt, en zooveel, dat zelfs tot in zijne gebreken schittert,
wat zou het dan niet onder vrije instellingen zijn?
Wie zijn de echte, de trouwe, de edele beminnaars van het Zuiden? Zij,
die het met al deze gebreken en bezwaren liefhebben, of zij,
die de oogen vestigen op het schitterend ideaal van wat het zou
kunnen zijn, en die zeggen, dat deze gebreken het niet van nature
aankleven? Is het ware liefde jegens een vriend, het geraaskal zijner
koortsige ijlhoofdigheid voor een echt staal van zijnen geest aan te
nemen? Is het ware liefde, zijne ziekelijke misvorming een staal van
zijne gezondheid te noemen? Is het geene betere liefde, te zeggen:
"Deze vloek is geen deel van onzen broeder; hij onteert hem; hij
doet hem onregt; hij doet hem voor het oog van alle natiën in een
valsch daglicht verschijnen. Wij beminnen zijn beter deel, en willen
met zijnen verrader geene gemeenschap hebben. Zoo handelt de ware,
regtschapene, Christelijke liefde."
Maar welligt zal men zeggen: "De onderneming der abolitie werd in
een verkeerden geest, door roekelooze, bemoeizieke, onbeschaamde
geestdrijvers begonnen?" Welnu, veronderstelt dat dit zoo ware, hoe
kwam het zoo? Zoo de Kerk van Christus haar op de regte wijze had
aangevangen, dan zouden deze zoogenaamde geestdrijvers haar niet
verkeerd hebben aangevat. Als, onder eene doodelijke pestziekte,
de regte geneesheeren geene artsenijen voorschrijven, dan zal
iedereen--mannen, vrouwen en kinderen--ze voorschrijven, omdat er
iets moet gedaan worden. Zoo de Presbyteriaansche Kerk, in 1818,
den maatregel van de Kwakers gevolgd had, zou er nooit eenige
geestdrijverij hebben plaats gehad. De Kwakers hebben alles door
broederlijke liefde gedaan. Zij hebben de ketenen van den Mammon
in het vuur eener Goddelijke liefde doen smelten. Toen Christus,
na al de krachtige daden, die Hij verrigt had, Jerusalem binnentrok,
hieuw de menigte palmtakken af, en juichte: Hosanna! terwijl al de
zoogenaamde betere klassen onverschillig of vijandig waren. Er was
een alleronwelvoegelijkst geweld. Tot zelfs de kinderen deelden in
de geestdrift, en riepen hunne Hosanna's in den tempel. Dit was in
strijd met alle kerkelijke regelen. Het was een hoogst ongepaste
staat van zaken. De opperpriesters en schriftgeleerden zeiden tot
Jezus: "Meester, bestraf uwe discipelen." Maar zijn zachtmoedig oog
bliksemde, terwijl Hij antwoordde: "Ik zegge u, dat zoo deze zwegen,
de steenen haast roepen zouden."
Neem eens, dat er in de straten van Boston een brand uitbarstte, en
dat zij, aan wie de sleutels der brandspuit-bewaarplaats en het bevel
over de spuitgasten is toevertrouwd, in een afgelegen gedeelte der
stad vergaderd zijn, om over het algemeene welzijn te beraadslagen. De
kreet van "brand!" bereikt hen, maar zij houden dien voor een valsch
alarm. De brand is er daarom niettemin. Hij slaat voort, en woedt,
en knettert, en kraakt, tot dat ieder in de buurt ziet, dat er iets
gedaan moet worden. Eenige weinige stoute aanvoerders breken de deuren
der brandspuithuizen open, halen de spuiten er uit, en beginnen,
geregeld of ongeregeld, in het vuur te spuiten. Maar de brand wint
gestadig veld. Boden vliegen met hijgenden spoed de vergaderzaal
dier beraadslagers binnen, en berispen hen in de weinig uitgezochte
bewoordingen van schrik en angst, over hunne werkeloosheid.
"Mijn hemel!" zegt een deftig lid der Vergadering, "welk eene
afschuwelijke taal durven die menschen gebruiken!"
"Zij verraden een zeer slechten geest," merkt een ander op; "wij
kunnen ons in zulk een staat van zaken onmogelijk met hen vereenigen."
Hier spoeden de ijverigste leden van de Vergadering naar buiten,
om te zien of de zaak inderdaad zoo is; en binnen weinige minuten
komen zij terug, zoo mogelijk nog ernstiger dan de overigen.
"O! er is brand!--een ontzettende, vreeselijke brand! De stad staat in
vlammen,--mannen, vrouwen, kinderen, alles verbrandt en vergaat! Komt
naar buiten, naar buiten! Zoo waarachtig als de Heere leeft, er is
maar ééne schrede tusschen ons en den dood!"
"Ik ga niet naar buiten; ieder die het doet, wordt krankzinnig,"
zegt er een.
"Ik heb opgemerkt," zegt een ander, "dat, zoodra iemand naar buiten
gaat, om te zien, hij even zoo opgewonden geraakt;--ik wil niet
gaan zien."
Maar onder dit spreken is de woedende brand tot in hunne buurt zelve
doorgedrongen. De roode weêrschijn kleurt hunne vensters. En nu,
geheel wakker gemaakt, staan zij op, en beginnen uit te zien.
"Wel, er is brand, dat lijdt geen twijfel," zegt er een.
"Er moet iets gedaan worden," zegt een ander.
"Ja," zegt een derde; "zoo ik mij maar niet onder zulk een
janhageltroep mengen moest, zou ik meê helpen."
"Op mijn woord," zegt een vierde, "er zijn vrouwen onder de menigte,
die emmers water aandragen! Ziedaar, eene vrouw klimt op een ladder,
om die kinderen te redden. Welk eene onwelvoegelijkheid! Zoo zij
fatsoenlijk met de zaak te werk gingen, zouden wij hen bijstaan."
En nu komen uit Charlestown de brandspuiten en bluschcompagniën
aanrukken.
"Welk eene onbeschaamdheid van Charlestown," zeggen deze mannen,
"om die dingen hier naar toe te sturen, even alsof wij onzen eigen
brand niet blusschen konden! Er is ten hunnent even zoo goed brand,
als bij ons."
En nu razen en woeden de vlammen, en slaan van weêrskanten der straat
in elkander. Zij tasten de torens aan, en schitteren met helschen
gloed door de kerkvensters.
"Om 's Heeren wille, DOET IETS!" is de kreet. "Rukt die huizen
omver! Laat dat geheele blok pakhuizen met buskruid in de lucht
vliegen! Iets om te stuiten!"
"Zie nu eens aan, welke ultra-radicale maatregelen zij willen te werk
stellen," zegt iemand van die toeschouwers.
Brave lieden, die in het heetste van den brand gevlogen zijn, komen
er uit, en vallen dood op de straat neder.
"Het zijn onhandelbare enthousiasten. Zij hebben in vermetele
driestheid hun leven weggeworpen," zegt een ander.
Zoo, o Kerk van Christus, brandt dat verschrikkelijke vuur! Altoos
brandt, brandt, brandt het over kerk en altaar; brandt het over
markt en raadhuis; verteert het de vrijheid, verteert het de
Godsdienst! Geene aardsche handen hebben dat vuur ontstoken. Uit zijne
breede vlammen en wolken van zwavelachtigen rook, staart het oog van
dien VIJAND u aan, die een moordenaar was van den beginne. Het is
een vuur, dat BRANDT TOT IN DE ONDERSTE HEL.
Kerk van Christus, er was eens een uur, dat gij dien brand zoudt
hebben kunnen dempen. Nu--staat gij daar als een verslagene sterke;
als een sterke, die niet helpen kan. Maar de hope Israëls is niet
dood. Zijn redder in den nood leeft nog.
Als iedere Kerk in ons land met rouwfloers behangen ware; als ieder
Christen zich in rouwgewaad hulde; als "de priester weenen zoude
tusschen het voorhof en den altaar," en zeggen: "Spaar uw volk,
o Heere, en geef uw erfdeel den Heidenen niet over!"--dan zou dit
alles geen te groote rouw zijn voor zulk een tijd als deze.
O, Kerk van Jezus! laat het u ter harte gaan, wat in uw midden gezegd
is. Welk eene ketterij hebt gij in uwen boezem toegelaten! Uw God de
verdediger der slavernij!--uw God de beschermer der slavenwet! Gij
hebt toegelaten, dat men den naam uws Gods lasterde. Gij hebt valsch
getuigenis toegelaten tegen uwen Verlosser en Heiligmaker. De Heilige
Drieëenheid in den hemel is in uw midden snood gelasterd geworden;
en die God, wiens Troon geducht is in geregtigheid, is tot hoofd en
leidsman der onderdrukking gemaakt.
Dit is eene zonde jegens elken Christen op de gansche aarde.
Waarom beminnen en aanbidden wij boven alle dingen onzen God? Waarom
zeggen wij tot Hem, uit de diepte onzer ziele: "Wien heb ik nevens
U in den hemel; nevens U lust mij ook niets op aarde?" Is dit eene
loondienst?--Is het eene slaafsche en kruipende eerbetooning, omdat
Hij groot en rijk en magtig is, en wij niet anders durven? Zijne
oogen zijn als vuurvlammen; Hij leest in het binnenste der ziel, en
wil zulk eene vereering niet aannemen. Uit den grond onzer harten
aanbidden en beminnen wij Hem, omdat Hij heilig, regtvaardig en
goed is, en den schuldigen niet onschuldig houdt. Wij beminnen Hem,
omdat Hij de Vader der weezen, de Regter der weduwen is; omdat Hij
de gevallenen doet opstaan en de nedergebogenen verheft. Wij beminnen
Jezus Christus, omdat Hij het onbevlekte Lam, de gansch beminnelijke
is. Wij beminnen den Heiligen Trooster, omdat Hij komt om de wereld
te overtuigen van zonde, van geregtigheid en van oordeel. O, heilige
Kerk, algemeen, door alle landen en natiën! O, gij groote wolke van
getuigen, uit alle volkeren, talen en tongen!--in vele leeringen
onderscheiden, maar vereenigd in den jubel: het Lam, dat geslacht is,
is waardig te ontvangen de lof, de eer, de aanbidding, want Hij heeft
ons van alle ongeregtigheid verlost!--ontwaakt!--staat op!--zwijgt
niet! Getuigt tegen deze ketterij der latere tijden, die, zoo het
mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen verleiden zoude. Uw God, uwe eere
is gelasterd. Antwoordt met de stem van vele wateren en van magtige
donderslagen! Antwoordt met de hemelsche schare, die niemand tellen
kan, die dag en nacht uitroept: Heilig, heilig, heilig! regtvaardig
en waarachtig zijn uwe wegen, Gij Koning der heiligen!