4. De daaruit voortvloeijende scheiding der familiën.

Wij zullen de bewijzen aanvoeren dat elk dezer punten, òf als

grondstelling verdedigd, òf zonder afkeuring erkend is geworden,

het zij door beslissingen van kerkelijke vergaderingen, het zij

door schriften van invloedrijke geestelijken, zonder dat, door de

ligchamen waartoe zij behooren, eenige afkeurende uitdrukking nopens

hunne gevoelens is gebezigd geworden.

In de eerste plaats, de uitsluiting van het getuigenis der kleurlingen

in kerkelijke zaken. In 1810 werd door de Algemeene Conferentie van de

Methodistische Episcopale kerk, het volgende besluit genomen:--"Dat het

voor elken predikant onvoegzaam en onverdedigbaar is, aan kleurlingen

het geven van getuigenis tegen blanken te vergunnen, in eenigen Staat

waar hen dat voorregt door de wet ontzegd is."

Dit geschiedde alvorens de Methodistische kerk, zoo als zij later deed,

zich ten gevolge der slavernij-kwestie, in Noordelijke en Zuidelijke

Conferentiën gescheiden had. Zoowel Noordelijke als Zuidelijke leden

stemden vóór het besluit.

Nadat zulks was voorgevallen, ontwaakte het geweten van vele

noordelijke predikanten, en verlangden zij eene nadere overweging. De

zuidelijke leden daarentegen eischten op gebiedenden toon dat het

besluit vast en onveranderd zou blijven. De geest der discussie moge

uit het volgende uittreksel blijken.

Mr. Peck, uit New-York, die de nadere overweging van het besluit had

voorgesteld, drukte zich aldus uit:

Dat besluit (zeide hij) was onder eigenaardige omstandigheden,

in een tijdstip van opgewekte hartstogten, genomen, en hij had

er vóór gestemd als een vrede-offer jegens het Zuiden, zonder de

kracht der gebezigde bewoordingen naauwkeurig genoeg te overwegen;

maar, na een weinig nadenkens was hij droevig geworden; en hij

was maar eenmaal droevig geweest, en dat was den geheelen tijd;

hij was overtuigd dat, zoo dat besluit in het register bleef,

het voor de geheele noordelijke Kerk noodlottig zou worden.

De Eerwaarde Dr. J. A. Few, van Georgia, de voorsteller van het

oorspronkelijke besluit, stond nu op. Wat ik thans laat volgen,

zijn uittreksels uit zijne rede. De onderhalingen zijn van mij.

Ziet wat gij doet! Wat verklaart gij ons daar, zoo gij dezen

weg op wilt! Wel, eenvoudig, zoo veel als: "wij kunnen u niet

handhaven in den toestand dien gij niet vermijden kunt!" Wij

kunnen u niet handhaven in de noodzakelijke voorwaarden van het

slavenbezit; één dier noodzakelijke voorwaarden de verwerping

van het getuigenis der kleurlingen zijnde! Zoo het niet zondig

is slaven te houden, onder alle omstandigheden, dan is het

ook niet zondig, ze onder de eenigste voorwaarde en onder de

eenigste omstandigheden te houden, waaronder het mogelijk is

ze te houden. De verwerping van het getuigenis der kleurlingen

is een der noodzakelijke voorwaarden waaronder het slavenbezit

bestaan kan; zoo als het dan ook, inderdaad, volstrekt onmogelijk

is, dat het zonder dezelve besta; weshalve het niet zondig is,

slaven te houden onder de voorwaarden en omstandigheden waaronder

zij in het Zuiden gehouden worden, in zooverre zij onder geene

andere omstandigheden kunnen gehouden worden. *** Zoo gij gelooft

dat het slavenbezit noodzakelijk zondig is, dan gelooft gij ook

noodwendig dat wij zondaars zijn; en, is dit zoo, verklaar het dan

rond en openlijk, en laten wij van u scheiden. *** Wij behooren

duidelijk, naauwkeurig en rondborstig de stelling te weten die

gij nemen zult. Wij kunnen ons niet langer aan uwe bemoeizucht

onderwerpen. Wij hebben er genoeg van gekregen. Uwe ziekelijke

sympathieën vervelen ons. *** Zoo gij niet gekant zijt tegen de

grondbeginselen die er in liggen opgesloten, vereenigt u dan

met ons, als eerlijke lieden, en gaat huiswaarts, en ziet de

gevolgen onbeschroomd onder de oogen. Wij zeggen het nogmaals,

gij zijt voor dezen staat van zaken verantwoordelijk; want gij

zijt het die ons tot het verontrustende punt gedreven hebt, waar

wij ons bevinden. *** Gij hebt dat besluit volstrekt noodzakelijk

gemaakt voor de rust van het Zuiden! Maar thans herroept gij dat

besluit! En gij trekt den Rubicon over! Laat ik niet misverstaan

worden. Ik zeg, gij trekt den Rubicon over! Zoo gij herroept, dan

herroept gij ook het grondbeginsel dat het besluit medebrengt,

en gij stelt het geheele Zuiden tegen u in slagorde, en wij

moeten scheiden! *** Zoo gij de beginselen toestemt, die het in

zich sluit, en noodwendig in de zaak liggen opgesloten, houdt ze

dan ook vast, "al zouden de hemelen vergaan!" Maar, zoo gij op

herziening blijft aandringen, dan vraag ik, in welk een daglicht

uwe handelwijze in het Zuiden zal beschouwd worden? Welk besluit

zal men er ginds uit trekken? Wel, dat gij ons niet dulden kunt,

zoo lang als wij slaven houden! Voor het aangezigt der zon zal

het besluit verklaren: "wij kunnen u niet dulden, mijne heeren,

dewijl gij uwe slaven behoudt!" Uw verzet tegen het besluit is

gegrond op uw verzet tegen de slavernij; gij kunt, derhalve,

uwe stelling niet bewaren, tenzij gij u onder de abolitionisten

schaart, en ons eenmaal en voor altoos veroordeelt, of tenzij

gij de herziening van het besluit weigert.

Het besluit bleef derhalve in kracht, met een ander besluit als

aanhangsel, hetwelk de onverminderde belangstelling der Algemeene

Conferentie voor de bevolking der kleurlingen uitdrukte.

Het is allerduidelijkst dat zij onverminderd was, om de beste

der redenen. Dat de bevolking der kleurlingen juist niet zeer van

dankbaarheid over deze inschikkelijkheid doordrongen was, blijkt uit

de daadzaak dat "the official members of the Sharpstreet and Ashby

Coloured Methodist Church in Baltimore," tegen de motie protesteerden

en petitioneerden. Het navolgende is een uittreksel uit hun adres:

De aanneming van zulk een besluit door onze hoogste kerkelijke

regtbank--eene regtbank, zamengesteld uit de wijste en ervarenste

broederen in de kerk, de uitverkoren bloem van acht en twintig

Conferentiën,--heeft, zoo wij vreezen, eene onherstelbare schade

gedaan aan 80,000 zielen waarvoor Christus gestorven is;--zielen

die, door deze daad uwer vergadering, van de waardigheid van

Christenen beroofd, op den trap der menschheid vernederd, en als

misdadigers behandeld zijn geworden, om geene andere reden dan de

kleur hunner huid! Uw besluit heeft, naar ons nederig gevoelen,

krachtig verklaard, dat eene bloot natuurkundige eigenaardigheid,

het handenwerk van onzen alwijzen en weldadigen Schepper, op

het eerste aanzien een blijk oplevert van onbekwaamheid om de

waarheid te spreken, of een onfeilbaar teeken is van onwaardigheid

om getuigenis tegen een medeschepsel te geven, welks huid wit

genoemd wordt. ***

Broeders, uit den overvloed van ons hart hebben wij gesproken. Onze

kwelling is voor u! Zoo gij eenig belang stelt in de verlossing van

de 80,000 onsterfelijke zielen, die aan uwe zorg zijn toevertrouwd;

zoo gij vijf en twintig honderd zielen in deze stad, met den

wil bezield om de Kerk die hen gekoesterd en opgevoed heeft,

nooit te verlaten, niet buiten die Kerk wilt stooten; zoo gij

ons als kinderen van éénen en denzelfden Vader beschouwt, en,

na rijpe overweging, met ons als leden van het ligchaam van

Christus sympathiseren kunt;--zoo gij de vreeselijke, de geduchte

verantwoordelijkheid niet op u laden wilt van niet slechts één,

maar vele duizenden dezer "kleinen" te ergeren,--zoo smeeken wij

u om het hatelijke besluit dat ons volk verwoest, uit het register

uwer handelingen weg te schrappen.

"Een Baltimoorsch kleurling", aan den uitgever van den Wachter Sions

schrijvende, zegt:

Dit adres werd aan een der secretarissen, een afgezondene van de

Baltimoorsche Conferentie, overhandigd, en gevolgelijk door hem

aan de bisschoppen ter hand gesteld. Hoe velen der leden van de

Conferentie het gezien hebben, weet ik niet. Eén ding is zeker:

het werd niet aan de Conferentie voorgelezen.

Met betrekking tot het tweede punt--de verdediging der wetten, die

den slaaf verbieden lezen en schrijven te leeren--hebben wij het

volgende voorbeeld:--

In den jare 1835 rigtte de "Chillicothe Presbytery, Ohio," een

Christelijk vertoogschrift aan de Presbytery van Mississippi, waarin

uitdrukkelijk de oogpunten vermeld worden, waaruit zij de slavernij

als onchristelijk beschouwt. Het achtste dier punten luidde als volgt:

Dat eenig lid onzer kerk, die ten voordeele zal spreken of

pleiten van zoodanige reeds bestaande of nog in te voeren wetten,

die ten doel hebben de slaven in onwetendheid te houden, en hen

te beletten het woord Gods te leeren lezen, zich schuldig maakt

aan eene zware zonde, en daarvoor, als voor andere schandelijke

misdaden, behoort gestraft te worden.

Dit vertoogschrift werd door den eerw. James Smylie, gevestigd

geestelijke van de Mississippi Presbytery, en later van de Amity

Presbytery van Louisiana, in een vlugschrift van zeven en tachtig

bladzijden beantwoord, waarin hij de slavernij in het algemeen en

in het bijzonder verdedigt, op dezelfde wijze waarop alle andere

misbruiken altoos zijn verdedigd geworden--met het woord van God. De

tiende afdeeling van dit vlugschrift is aan de verdediging dezer

wet gewijd. Hij wijdt zeven klein gedrukte bladzijden aan dit

onderwerp. Hij zegt (pag. 63):

In de beide Staten, Mississippi en Louisiana, bestaan er wetten,

met zware strafbedreigingen vergezeld, die verbieden de slaven te

leeren lezen, en die de goedkeuring wegdragen van het Godsdienstige

gedeelte der denkende ledematen.

Iets verder voegt hij er bij:

De wetten die den slaven verbieden te leeren lezen, zijn eene

vruchtbare bron van veel onwetendheid en onzedelijkheid onder

de slaven. Het drukken, uitgeven en verspreiden van abolitie-

en emancipatie- ademende grondbeginselen in deze Staten, was de

oorzaak van het doorgaan dier wetten.

Nu gaat hij verder, en zegt dat de onwetendheid en zedeloosheid die

het gevolg dier wetten zijn, eigenlijk niet ten laste komen van hen

die de wetten gemaakt hebben, maar van hen wier leerstellingen van

emancipatie ze noodzakelijk gemaakt hebben. Over deze gevolgen van

onwetendheid en ondeugd sprekende, zegt hij:

Op wien komen zij neder? Zoo gij mij vergunnen wilt deze vraag

te beantwoorden, dan beantwoord ik haar aldus: Op zulke groote en

goede mannen als John Wesley, Jonathan Edwards, Bisschop Porteus,

Paley, Horsley, Scott, Clark, Wilberforce, Sharpe, Clarkson,

Fox, Johnson, Burke, en andere groote en goede mannen, die,

zonder het woord Gods te onderzoeken, besloten hebben dat het

een ware grondregel is, dat de slavernij in zich-zelve zondig is.

Voorts heldert hij de noodzakelijkheid dier wetten door de volgende

vergelijking op. Hij veronderstelt dat de leer verkondigd was

geworden, dat het ouderlijke gezag eene onregtvaardige inbreuk was,

die de maatschappij in banden sloeg; dat er genootschappen gevormd

waren ter emancipatie van kinderen uit het gezag hunner ouders; dat

alle boeken van dat beginsel doordrongen waren; en dat onder al deze

invloeden, de kinderen onrustig en wederspannig geworden waren. Hij

veronderstelt dat, onder deze omstandigheden, de ouders de zaak voor

de wetgevers bragten, en aan dezen ter beoordeeling lieten. En nu

beschrijft hij aldus het dilemma van de wetgevers:

Deze vatten de zaak aan, en nemen het onderwerp ernstig en plegtig

in overweging. Aan de eene zijde begrijpen zij, dat, zoo hunne

kinderen den toegang hadden tot deze leerstellingen, zij voor

altoos ongelukkig zouden zijn. Hun dien toegang te laten, was

nogtans onvermijdelijk, zoo zij hen leerden lezen. Hun het leeren

lezen te beletten, was wreed, en zou hun beletten die kennis der

Goddelijke wetten te verkrijgen, waarin zij zich anders zouden

mogen verblijden. Bij deze treurige keuze tusschen twee kwaden

als wetgevers nederzittende, moesten zij van die twee kwaden

het minste kiezen. Met gevoelens van verontwaardiging jegens

dezen bezield, die, onder den invloed van "verleidende geesten,"

"leeringen der duivelen" onder hen gezonden hadden, en nog zonden,

maar met bloedende harten over hunne kinderen, besloten zij dat

hunne kinderen geen onderwijs in het lezen zouden ontvangen, tot

dat de storm zou zijn overgewaaid; hopende dat de satan slechts

voor een korten tijd zou zijn losgelaten. En gedurende dien tijd

zullen zij hen mondeling onderwijzen, en daardoor verhinderen

dat zij met die booze leerstellingen besmet worden.

Zoo veel wat die wet betreft.

Gaan wij thans over tot den binnenlandschen slavenhandel. Deze handel

bestaat in het koopen en verkoopen van menschelijke wezens, alleen

met oogmerk om winst te doen.

Een meester die slaven verkrijgt, of een meester die slaven koopt met

oogmerk om ze op zijne plantaadje of in zijne familie te houden, kan

verondersteld worden nog eenig ander doel te hebben dan alleenlijk

winst te doen. In zekere gevallen mag hij verondersteld worden

eenig belang te stellen in het geluk of welzijn van den slaaf. De

slavenhandelaar koopt en verkoopt slechts met het eenige doel om

winst te bejagen.

Met betrekking tot dit misbruik, heeft de Chillicothe Presbytery in

het door ons aangehaalde document, het volgend besluit genomen:

Is besloten, dat het koopen, verkoopen of houden van een slaaf,

om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, waarvan

de kerkelijke regtbanken behooren kennis te nemen.

In het antwoord waaruit wij reeds eenige zinsneden aanhaalden, zegt

de heer Smylie (pag. 13):

Als het koopen, verkoopen of houden van een slaaf, om winstbejag,

eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, zoo als gij beweert, dan,

inderdaad, zijn drie-vierden van alle Episcopalen, Methodisten,

Baptisten en Presbyterianen in de elf Staten der Unie, uit

den duivel.

En verder:

Te vragen of slavenhouders of slavenkoopers uit den duivel zijn,

schijnt mij toe zoo veel te zijn als te vragen of God al dan

niet een waarachtige getuige is; dat is, voor zoo veel het Gods

getuigenis, en niet enkel het getuigenis van de Chillicothe

Presbytery is, dat het koopen, verkoopen en houden van slaven

"eene afschuwelijke zonde en aanstoot is."

En wederom (pag. 21):

Als de taal slechts in staat is om duidelijke en bepaalde

begrippen te geven, dan weet ik niet hoe zij duidelijker en

ondubbelzinniger eenige gedachte of denkbeeld aan den geest

zou kunnen voorstellen, dan het vijf en twintigste hoofdstuk

van Leviticus duidelijk en ondubbelzinnig het feit daarstelt,

dat de slavernij door God-zelven werd goedgekeurd, en dat het

koopen, verkoopen, houden en schenken van slaven, als eigendom,

handelingen zijn, door Hem-zelven geregeld.

****

Welke taal kan uitdrukkelijker aantoonen, niet dat God de slavernij

slechts oogluikende toeliet, maar dat Hij, om het minste te zeggen,

een geschreven verlof aan de Hebreën, destijds het beste volk

in de wereld, gaf, om tot voortdurende dienstbaarheid, mannen

en vrouwen te koopen, te houden en te geven? Wat wordt er nu van

de bewering der Chillicothe Presbytery? *** Is het wezenlijk een

feit, dat God eenmaal eene geschrevene toelating aan zijn eigen

dierbaar volk gaf ("gij zult koopen") om datgene te doen wat in

zichzelve zondig is? Ja om datgene te doen wat de Chillicothe

Presbytery zegt eene "afschuwelijke zonde en aanstoot" te zijn?

God besluit dat zijne eigene kinderen mogen, of liever

"zullen," "koopen, bezitten en houden" slaven en slavinnen, in

dienstbaarheid, voor altoos. Maar de Chillicothe Presbytery besluit

dat "het koopen, verkoopen of houden van slaven, om winstbejag,

eene afschuwelijke zonde en aanstoot is."

Het is onze meening niet, te zeggen dat Mr. Smylie, onder het schrijven

van deze uitspraken, den binnenlandschen slavenhandel bepaaldelijk

voor den geest had; maar wij zeggen dat geen slavenhandelaar eene

duidelijker en meer regtstreeksche verdediging van zijnen handel zou

kunnen verlangen, dan deze.

Ten opzigte, eindelijk, van de ontbinding der huwelijksbetrekking,

die het noodzakelijk gevolg is van dit soort van koophandel, zijn door

regterlijke overheden van de kerk de volgende beslissingen genomen.

In 1835 gaf de "Savannah River (Baptist) Association" op de vraag:

Of, in een geval van onvrijwillige scheiding van zulk eenen aard

dat alle vooruitzigt op hereeniging in het vervolg daardoor zou

worden uitgesloten, aan de partijen kan vergund worden andermaal

te huwen?

het volgende antwoord:

Dat zulk eene scheiding, tusschen personen in den toestand als

waarin onze slaven verkeeren, burgerlijk eene scheiding door den

dood is, en zij gelooven dat zulks, in Gods oog, mede aldus zou

beschouwd worden. Tweede huwelijken, in zoodanige gevallen, te

verbieden, zou zijn de partijen niet slechts aan harderen dwang

en sterkere verzoeking, maar ook aan de kerkelijke censuur bloot

te stellen, wegens de daad van aan hunne meesters te hebben

gehoorzaamd, wier toestemming niet te verwachten is in een

maatregel, strijdig met de regtvaardigheid jegens de slaven,

en met den geest van dat gebod, hetwelk het huwelijk onder de

Christenen regelt. De slaven hebben geene vrijheid van daad, en

eene ontbinding door den dood ligt niet meer ten eenemale buiten

hunne toestemming en medewerking, dan eene ontbinding door zulk

eene scheiding.

Aan de "Shiloh Baptist Association," die, eenige jaren geleden,

te Gourdvine vergaderde, werd, volgens den Religious Herald, door

"Hedman Church" de volgende vraag voorgesteld:

Mag aan een' dienstbare, wiens echtgenoot of vrouw door zijnen of

haren meester verkocht is geworden, een tweede huwelijk vergund

worden?

Het vraagstuk werd aan eene commissie in handen gesteld, die het

volgende antwoord gaf, dat, na beraadslaging, werd aangenomen:

Dat, de omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder in dit land

de dienstbaren zich bevinden, de commissie eenstemmig van gevoelen

is, dat het beter is, den dienstbaren onder zulke omstandigheden

te vergunnen een anderen man of vrouw te nemen.

De Eerwaarde Charles C. Jones, die ernstig en onvermoeid voor het

welzijn der slaven arbeidde, iemand van wien het redelijkerwijze te

vermoeden is, dat hij, zoo iemand, dit onderwerp zeer ter harte neemt,

maakt, bij zijne schatting van den zedelijken toestand der negers,

eenvoudig de opmerking, dat, nademaal echtgenoot en vrouw aan al de

wisselvalligheden van het eigendomsregt onderworpen zijn, en door

verdeeling van bezittingen, verrekening van schulden, en dergelijke,

gescheiden kunnen worden, de huwelijksbetrekking natuurlijkerwijze

veel van hare heiligheid verliest, en zegt wijders:

Het is een contract van welvoegelijkheid, voordeel of genoegen, dat

naar den wil van partijen kan aangegaan of ontbonden worden, en dat

zonder afschuwelijke zonde, of benadeeling der eigendomsbelangen

van iemand ter wereld.

In deze uitspraak drukt hij, naar wij veronderstellen, het algemeene

denkbeeld van slaven en meesters over den aard dezer instelling

uit, en niet zijn eigen. Wij leiden zulks af uit het feit dat hij,

in zijnen catechismus, den slaaf de heiligheid en voortdurendheid

der betrekking poogt in te prenten. Maar, wanneer de vroomste en

godsvruchtigste mannen die het Zuiden bezit, en die hun leven wijden

aan de bevordering van het welzijn der slaven, zoo kalm, en zonder

eenige afkeuring, dezen staat van zaken beschouwen als een staat

waarmede het Christendom hen de roeping niet oplegt zich te bemoeijen,

wat is er dan van de wereld in het algemeen te verwachten?

Ten aanzien der in het vlugschrift van Mr. Smylie uitgedrukte

gevoelens, moet worden opgemerkt dat zij, in het aanhangsel, door

een document in naam van twee Presbyteries ondersteund worden,

welk document, hoewel het minder tot kleine bijzonderheden afdaalt,

zich op hetzelfde grondgebied plaatst als Mr. Smylie. Deze Eerwaarde

James Smylie was een dergenen, aan wien, in vereeniging met den

Eerwaarden John L. Montgomery, door de synode van Mississippi, in

1839, de last werd opgedragen om een catechismus tot onderwijs der

negers te schrijven of te compileren.

Mr. Jones zegt, in zijne "Geschiedenis van het Godsdienstig Onderwijs

der negers," (pag. 83). "De Eerwaarde James Smylie en de Eerwaarde

C. Blair houden zich met dit goede werk (het onderwijs der negers)

systematisch en op den duur in Mississippi bezig." De eerstgenoemde

geestelijke wordt gekenschetst als een "bejaarden en onvermoeiden

vader." In het onderwijs der negers is hij uitnemend geslaagd. Een

groot gedeelte der negers in zijne oude gemeente kan zoowel den

catechismus van Williston als den Westminsterschen, zeer juist

opzeggen." Gaarne wenschte de Schrijfster, wijdloopige uittreksels

van Mr. Smylie's vlugschrift te kunnen mededeelen. Er zou veel

uit te leeren zijn met betrekking tot de wijze waarop zulk een

onderrigt op de rigting van geest, de hebbelijkheid van denken,

en de beschouwingswijze van geestelijke zaken, werken moet. De

man is ontwijfelbaar en hartelijk opregt in zijne gevoelens, en

schijnt die met de overvloedigste en triomferendste blijdschap, als

de allerlaatste verbetering der theologische wetenschap, te willen

volhouden. Wij kunnen aan de verzoeking geen weêrstand bieden om een

gedeelte zijner Inleiding af te schrijven, al ware het enkel om het

daardoor geworpene licht op de denkwijze, die aan onze Zuidwestelijke

wateren wordt aangetroffen.

Het volgende overzigt onder het oog des publieks brengende, arbeidde de

schrijver niet geheel, of voor een goed gedeelte, onder den invloed

eener hoop of begeerte om de inzigten der Chillicothe Presbytery

te verbeteren. Hij hoopte met de uitgave eene wezenlijke dienst te

bewijzen aan anderen, zoowel als aan de Presbytery.

Door zijn verkeer met godsdienstige genootschappen van allerlei

benamingen, was het hem duidelijk geworden dat het beginsel der

abolitionisten, namelijk, dat de slavernij in zich zelve zondig is,

veld had gewonnen, en zich met de godsdienstige en gewetensbezwaren van

velen in de gemeente zoo zeer had ineen geweven, dat zij er zich niet

slechts ongelukkig door gevoelden, maar dat zelfs hunne aandacht van

de groote en gewigtige pligten eens huisvaders jegens zijn huisgezin

werd afgetrokken. Het oog des geestes, op de slavernij zelve gevestigd

als op eene verdorvene bron, waaruit, noodwendig, geene andere dan

verdorvene wateren konden vloeijen, werd onophoudelijk ingespannen

met het opzoeken van eenig plan, door hetwelk, in den een of anderen

toekomstigen tijd, de bron ten eenemale kon worden opgedroogd;

terwijl men nooit overwoog, of zelfs maar droomde, dat de slavernij,

op zich zelve beschouwd, eene onschadelijke betrekking was, en dat

de gansche dwaling berustte in het verzuim der pligten, welke die

betrekking met zich brengt.

Zoo er eene bewustheid van schuld op het gemoed blijft rusten, dan is

het, wat de uitwerking betreft, volmaakt hetzelfde of het geweten al

dan niet in dwaling verkeert. Al behoort Gods woord alléén de gids van

het geweten te zijn, is zulks echter niet altoos het geval. Van daar,

dat er somtijds gewetensbezwaren bestaan over het nalaten van datgene,

wat door Gods woord veroordeeld wordt.

De wilde van het eiland Borneo, die nalaat zijn vader te dooden,

en hem met zijne dadels op te eten, wanneer hij oud geworden is,

wordt jammerlijk door de wroegingen van een beschuldigend geweten

gefolterd, wanneer zijne kinderlijke teederheid en medelijden het

overwigt bekomen hebben op zijn gewaanden pligt van zijn vader te

dooden. Op dezelfde wijze lijdt menig slavenhouder, wiens geweten niet

door het woord van God, maar door de leeringen van menschen geleid

wordt, de geeselslagen van een schuldig geweten, zelfs wanneer hij,

overeenkomstig de Schrift, met zijnen slaaf "regtvaardiglijk handelt,"

eenvoudig omdat hij zijn slaaf niet emancipeert, zonder betrekking

tot het goede of kwade dat zulk eene daad ten gevolge zou hebben.

"Hoe liefelijk op de bergen" zouden--naar de schatting van den

schrijver--"de voetstappen van hem zijn, die"--aan den wilde van

Borneo--"de blijde boodschap verkondigde" dat zijn gedrag, in het

sparen van het leven zijns teederen en geliefden vaders, geene zonde

was! *** Even zoo liefelijk en behagelijk, vertrouwt de schrijver, zal

het voor een eerlijken, schroomvalligen en naauwgezetten slavenhouder

zijn, uit het woord van God de blijde boodschap te vernemen dat de

slavernij zelve niet zondig is. Thans van eene nachtmerrie ontheven

die zijne krachten tot volvoering van zijnen pligt jegens zijne slaven

verlamde, gaat hij opgeruimd tot krachtige handeling over. Het is

thans niet meer zoo als vroeger, toen hij de slavernij als zondig in

haar zelve beschouwde. Thans kan hij, met de hoop van verhoord te

worden, bidden dat God zijne pogingen zegene om zijne slaven op te

kweeken in de tucht en in de vreeze des Heeren; terwijl hij voorheen

werd terug gehouden door de bedenking--"zoo ik onregtvaardigheid in

mijn harte overleg, de Heere zal mij niet hooren." In plaats van,

zoo als vroeger, druilende en mijmerende over zijnen toestand, het

hoofd te laten hangen, heft hij thans het hoofd op, en volgt vrolijk

het gebaande pad zijner pligten.

Hij wordt niet meer in verzoeking gebragt om Gods woord van ter zijde

in te zien, en te zeggen: "Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand,"

gekomen om mij mijne slaven te ontrooven, en mij arm te maken, zonder

hen te verrijken? In plaats van, zoo als vroeger, het woord van God

te beschouwen als met geesels en scorpioenen gewapend om hem in den

hemel te zweepen, gevoelt hij dat "zijne wegen wegen van vrolijkheid,

en zijne paden vrede zijn." Thans onderscheidende tusschen het

wezenlijke woord van God, en datgene wat blootelijk de leeringen

en geboden van menschen zijn, is het raadsel opgelost dat voorheen

onoplosbaar geschenen had, namelijk: "De wet des Heeren is volmaakt,

bekeerende de ziele." [22]

Zoo gij het ondernemen wildet zulk een man te beantwoorden door te

zeggen dat zijn argument te veel bewijst; dat noch Christus, noch

zijne Apostelen eenig uitdrukkelijk verbod hebben uitgesproken tegen

de worstelingen der zwaardvechters, of de spelen in de renbanen, en

het, derhalve, regtmatig zijn zou, ze in Amerika in te voeren;--het

is zeer waarschijnlijk dat hij er van harte zijne toestemming aan

geven zou, en van oordeel zijn dat het eene goede speculatie zou

opleveren. Als een verder staaltje van de ongegeneerde opgeruimdheid

die een hoofdtrek van dit voortbrengsel schijnt, zie men op pag. 58,

waar het Latijnsche motto: Facilis descensus Averni, sed revocare,

etc., de volgende zeer vrije en echt Westersche vertaling erlangt, die,

zoo als hij goedhartig zegt, ten dienste dergenen gegeven wordt die

geen Latijn verstaan:--"Het is gemakkelijk naar den duivel te gaan,

maar het heeft van den duivel in om weêr terug te komen."

Sommige liefdelooze menschen zullen misschien hierop zeggen, dat de

predikers van zulke leerstellingen al den schijn hebben van op dit

punt eene op ondervinding gegronde kennis te bezitten. Het denkbeeld

van dezen jovialen ouden vader, eene klasse van zwarte "Sams" en

jonge "Topsys" in de geheimenissen van den Assembly's Catechismus

onderwijzende, is inderdaad schilderachtig!

Dat Mr. Smylie's gevoelens ten opzigte der slavernij, door voorname

geestelijken van alle godsdienstige benamingen ruimschoots ondersteund

en uitgebreid zijn geworden, zouden wij met boekdeelen vol aanhalingen

kunnen bewijzen.

Er blijft, echter, nog een tweede hoofdpunt, met betrekking tot den

invloed der zuidelijke Kerk en geestelijkheid, ter beschouwing over.

Het is welbekend, dat de zuidelijke staatkundige vereeniging op

haar gekozen standpunt van de stelling uitgaat, dat de instelling

der slavernij geen onderwerp van beraadslaging mag uitmaken. In de

meeste der slaven-staten bestaan er gestrenge wetten, die aan een

ieder die zich verstouten mogt iets over het onderwerp te spreken

of te schrijven, tenzij in zijn voordeel, met boete, gevangenis,

ja met den dood bedreigen. Dit heeft niet enkel jegens burgers van

slaven-staten plaats gehad, maar men heeft de sterkste neiging aan den

dag gelegd om met de burgers van vrije Staten eveneens te handelen;

en waar deze discussiën niet door regelmatige wetten konden verhinderd

worden, heeft men het bezigen van onwettige middelen aangemoedigd. In

de uitgegevene brieven en redevoeringen van Horace Mann, worden er

de volgende voorbeelden van aangetroffen (pag. 467). In 1831 loofde

het Wetgevend Ligchaam van Georgië vijf duizend dollars uit aan een

iegelijk, die zekeren burger van Massachusetts, met name William

Lloyd Garrison, in Georgië gevangen nemen, en geregtelijk overtuigen

zoude. Deze wet werd door den Gouverneur, W. Lumpkin, den 26sten

December 1831, bekrachtigd. Bij eene "meeting" van slavenhouders

te Sterling, in denzelfden Staat, den 4den September 1835 gehouden,

werd den Gouverneur vormelijk aanbevolen, om bij openbare aankondiging

vijf duizend dollars belooning te bieden voor de gevangenneming van

den een' of anderen uit tien personen, alle, op één na, burgers van

New-York en Massachusetts, wier namen werden opgegeven. Het dagblad

Milledgeville Federal Union van den 1sten Februarij 1836, behelsde eene

uitloving van tien duizend dollars voor het vangen of rooven van den

Eerwaarden A. A. Phelps, van New-York. Het Committé van Waakzaamheid

der parochie van East-Feliciana bood, in het Louisville Journal van

den 15den October 1835, vijftig duizend dollars aan een ieder die

Arthur Tappan, van New-York, in zijne handen zou leveren. Op eene

openbare bijeenkomst, te Mount Meigs, in den Staat Alabama, den 13den

Augustus 1836 onder voorzitting van Mr. Bedford Ginress gehouden,

werd eene belooning van vijftig duizend dollars uitgeloofd voor de

gevangenneming van denzelfden Arthur Tappan, of van Le Roy Sunderland,

een Methodistisch geestelijke van New-York. Bijgevolg--dewijl niemand

dier personen kon gegrepen worden dan met schending der wetten van

den Staat welks burgers zij waren--was dit een openbaar aanbod van

belooning voor een schelmstuk. In al de Zuidelijke Staten werden

vereenigingen, onder den naam van Committés van Waakzaamheid, gevormd,

het nemen van maatregelen tot onderdrukking van abolitionistische

gevoelens, en het doen straffen van verdachte personen door de

Lynch-wet beoogende. Te Charleston, in Zuid-Carolina, drong een

troep van deze lieden gewelddadig in het postkantoor, en hield, naar

genoegen, eene algemeene inspectie der aanwezige brieven; en van

alles wat door hen beschouwd werd als eene gevaarlijke en tegen de

slavernij gekante strekking te hebben, werd een openlijk vreugdevuur

op de straat gemaakt. Eenige dagen later werd eene groote openbare

bijeenkomst gehouden, tot voltooijing der voorloopige maatregelen

om de verspreiding van anti-slavernijgezinde grondbeginselen te

beletten, en tot aanduiding van personen die men van abolitionismus

verdacht hield, ten einde zij onder het bereik der Lynch-wet mogten

geraken. Gelijksoortige volksbijeenkomsten werden in al de Zuidelijke

en Westelijke Staten gehouden. Op een van deze, in 1835 te Clinton,

Staat Mississippi, gehouden, werden de volgende besluiten genomen:

Is besloten, dat, in het Zuiden en Westen, de slavernij niet als

een zedelijk of staatkundig kwaad beschouwd, maar, in betrekking

tot den werkelijken, en niet dezen of genen Utopischen toestand der

slaven, als een zegen, beide voor meester en slaaf, gehouden wordt.

Is besloten, dat het ons bepaald gevoelen is, dat iedereen, die,

met oogmerk om de bedoelingen der abolitionisten te verwezenlijken,

zich verstouten durft om eenige der opruijende tractaten of

nieuwspapieren te verspreiden, die men thans in dit land poogt

in te voeren, in het oog van God en menschen de doodstraf

regtvaardiglijk verdiend heeft; en dat wij niet twijfelen dat

deze ook de straf zijn zoude van zulk een misdadiger, in welk

gedeelte van den Staat Mississippi hij ook gevonden mogt worden.

Is besloten, dat aan de geestelijkheid van den Staat Mississippi

zal worden aanbevolen om zich ten aanzien van dit onderwerp

openlijk te verklaren; en dat haar verder stilzwijgen met

betrekking tot hetzelve, in dezen tijd van crisis, naar ons

gevoelen, eene ernstige censuur waardig zijn zoude.

De behandeling waaraan personen waren blootgesteld, die, als van

anti-slavernijgezinde gevoelens verdacht, het ongeluk hadden van

een dier Committés van Waakzaamheid in handen te vallen, kan uit het

volgende verhaal worden opgemaakt. Schrijfster dezes kan er zich al

de omstandigheden nog duidelijk van te binnen brengen, dewijl het

slagtoffer dezer onregtvaardigheid een lid van het seminarium was,

hetwelk destijds onder het opzigt van haren vader stond.

Amos Dresser, thans zendeling in Jamaïca, was theologisch student

aan het seminarium te Lane, nabij Cincinnati. In de vacantie

(Augustus 1835) ondernam hij in den Staat Tennessee bijbels

te verkoopen, met oogmerk om middelen bijeen te brengen tot

voortzetting zijner studiën. Zich aldaar bevindende, viel hij

onder verdenking van een abolitionist te zijn; werd, onder het

bijwonen eener godsdienstige zamenkomst in de nabuurschap van

Nashville, de hoofdstad van den Staat, door het Committé van

Waakzaamheid gearresteerd, en, na een inquisitoriaal onderzoek,

dat een ganschen namiddag en avond duurde, veroordeeld om twintig

zweepslagen op het naakte ligchaam te ontvangen, tusschen elf en

twaalf uren op Zaturdag avond werd het vonnis, in tegenwoordigheid

der meeste leden van het Committé, en van een woedend en vloekend

gepeupel, aan hem voltrokken. Het Committé van Waakzaamheid (eene

onwettige vereeniging) bestond uit zestig personen. Onder deze

bevonden zich zeven-en-twintig kerkelijken; één hunner was een

catechiseermeester; een ander, de ouderling, die, slechts weinige

dagen te voren, in de Presbyteriaansche kerk, aan Mr. Dresser

het brood en den wijn van 's Heeren Avondmaal had uitgereikt.

Het valt spoedig in het oog dat het grondbeginsel, in behandelingen

als deze opgesloten, meer omvat dan de slavernijkwestie. Het vraagstuk

was inderdaad dit: of het van zoo veel belang is, Afrikaansche slaven

te houden, dat het, ter handhaving daarvan, regtmatig zij, vrije

Amerikanen van de vrijheid van geweten, de vrijheid van spreken, en de

vrijheid der drukpers te berooven? Het is ligtelijk te ontwaren, dat

de toelating van dit grondbeginsel zeer ernstige veranderingen in het

bestuur van een land zou na zich slepen; omdat het zeer duidelijk is,

dat, wanneer al deze beginselen van onze vrije regering voor de eene

zaak mogen worden opgegeven, zij het ook voor de andere mogen worden;

en dat dit noodwendig de strekking zou hebben tot vernietiging dier

vrijheid van gevoelens en denkbeelden, die als het uitmuntendste der

Amerikaansche instellingen beschouwd wordt.

De vraag is thans deze: heeft de kerk zich met de wereld vereenigd in

het gevoelen dat de instelling der slavernij zoo gewigtig en begeerlijk

is, dat zulks eene goedkeurende beschouwing der Lynch-wet en de

opoffering der regten van een vrij onderzoek zou kunnen wettigen? Wij

antwoorden den lezer met de volgende daadzaken en aanhalingen:

Bij gelegenheid der boven beschrevene groote bijeenkomst te Charleston

in Zuid Carolina, berigt ons de Charleston Courier "dat de in één

ligchaam vereenigde geestelijkheid van alle godsdienstige benamingen

de handeling bijwoonde, er hare goedkeuring aan schonk, en door hare

tegenwoordigheid het indrukwekkende van het tooneel aanmerkelijk

verhoogde." Er valt wel niet aan te twijfelen dat de tegenwoordigheid

der in één ligchaam vereenigde geestelijkheid van alle godsdienstige

benamingen, bij eene vergadering tot zulk een doel gehouden, waarlijk

een indrukwekkend tooneel was!

Op deze bijeenkomst werd besloten:

Dat de vergadering haren dank verschuldigd is aan de eerwaarde

heeren der geestelijkheid in deze stad, die zoo vaardig en

doelmatig aan het algemeene gevoelen hebben beantwoord, door het

sluiten hunner scholen, waarin de bevolking der vrije kleurlingen

onderwezen werd; en dat deze vergadering zulks beschouwt als eene

vaderlandlievende daad, allen roem waardig, en wier navolging

door andere onderwijzers van soortgelijke scholen in den Staat,

wenschelijk ware.

Hier doet zich de vraag op, of hun Heer, ten dage des oordeels,

er zich op dezelfde wijze over uiten zal.

De ongerustheid der slavenhouders in Virginië was niet gering; terwijl

de geestelijkheid in de stad Richmond, de hoofdplaats, niet minder

vaardig was dan die van Charleston om "aan het algemeen gevoelen"

te beantwoorden. Dienvolgens vergaderden hare leden den 29sten Julij,

en besloten, eenstemmig:

Dat wij de ongeroepene en hoogst ongepaste bemoeijing des volks

van eenigen anderen Staat met de huiselijke betrekkingen tusschen

meester en slaaf, ten ernstigste afkeuren.

Dat het door onzen Heer Jezus Christus en zijne Apostelen gegeven

voorbeeld, door zich in de slavernij-kwestie niet te mengen, maar

eenparig de betrekkingen van meester en dienstknecht te erkennen,

en aan beiden een volledig en liefderijk onderwijs te schenken,

de navolging van alle dienaren des Evangelies waardig is.

Dat wij geenerlei vlugschrift of nieuwspapier van abolitionistische

genootschappen beschermen of ontvangen willen, en dat wij den

omloop van alle zoodanige papieren onder de gemeente zullen

tegengaan.

De Eerwaarde J. C. Postell, een Methodistisch leeraar in Zuid-Carolina,

besloot den volgenden zeer hevigen brief aan den uitgever van Zion's

Watchman, een te New-York uitgegeven Methodistisch anti-slavernij

gezind nieuwsblad, op de navolgende wijze: (De lezer zal zien dat

de daarin vervatte beschimping eene toespeling is op den prijs van

vijftig duizend dollars, dien men in het Zuiden op zijn lijf gesteld

had, zoo als wij straks verhaald hebben.)

Maar, als gij verlangt de slaven op te voeden, dan zal ik u zeggen

hoe gij het geld er voor krijgen kunt, zonder Zion's Watchman

uit te geven. Kom gij met den ouden Arthur Tappan dezen winter

naar het Zuiden, en men zal er honderd-duizend dollars voor u

ligten. New-Orleans zelve zal er voor verpand worden. Geene

verdere kennis met u begeerende, en nooit verwachtende u in

tijd of eeuwigheid meer dan eenmaal te zien, dat is ten dage des

oordeels, onderschrijf ik mij, de vriend des Bijbels en de vijand

der abolitionisten,

J. C. Postell.

Orangeburgh, 21 Julij 1836.

De Eerwaarde Thomas S. Witherspoon, een lid der Presbyteriaansche kerk,

zegt, aan den uitgever van den Emancipator schrijvende:

Ik bewijs mijne bevoegdheid om den slaaf in dienstbaarheid te

houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het

beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God

erkend. *** Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is

om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden

het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen; en inderdaad,

ik acht dit een der krachtigste en heilzaamste geneesmiddelen

voor de ziekte van het noordelijk fanatismus, dat er kan bedacht

worden, terwijl ik niet twijfel of mijn vriend de uitgever van

den Emancipator and Human Rights zou er de uitwerking zeer goed

van ondervinden, zoo het hem slechts door een zuidelijken doctor

werd toegediend. In alle zedelijke aangelegenheden beroep ik mij

op den Bijbel. *** Laten uwe zendelingen het eens durven wagen

om Potomac te doorkruisen, en ik kan u niet beloven dat hun een

beter lot zal te beurt vallen dan Haman. Wacht u derhalve wel van

een gehoond doch grootmoedig volk tot daden van wanhoop te drijven!

De Eerwaarde Robert N. Anderson, insgelijks een lid der

Presbyteriaansche kerk, zegt, in een brief aan de zittingen der

Presbyteriaansche vereenigingen binnen de grenzen van de "West-Hanover

Presbytery."

Bij de naderende vastgestelde bijeenkomst, ben ik voornemens eene

voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp

van het gebruik van wijn bij 's Heeren Avondmaal aan te bieden;

als ook eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het

onderwerp der verraderlijke en afschuwelijk slechte bemoeijenis

der noordelijke en oostelijke geestdrijvers met onze staatkundige

en burgerlijke regten, ons eigendom en onze huiselijke zaken. Het

is u bekend dat onze geestelijkheid, te regt of ten onregte, meer

dan de geestelijkheid van andere benamingen door het publiek

wordt verdacht gehouden. Nu, waarde Christen broeders, druk

ik nederig mijn ernstigen wensch uit, dat gij u kwijten moogt

als mannen. Zoo er het een of ander afgedwaald schaap van een

leeraar onder u wezen mogt, besmet met de bloedhonds-beginselen

van het abolitionisme, laat hij uitgedreven, den mond gestopt,

geëxcommuniceerd, en aan het publiek overgeleverd worden, om op

andere wijze met hem te werk te gaan.

Uw toegenegene broeder in den Heere,

Robert N. Anderson.

De eerwaarde William S. Plummer, Theol. Dr. van Richmond, een lid

van de "Old School" der Presbyteriaansche kerk, levert een ander

voorbeeld van dezelfde soort op. Hij was van Richmond afwezig, toen

de geestelijkheid dier stad zich gemeenschappelijk zuiverde van de

beschuldiging dat zij jegens de abolitie gunstig gezind was. Bij zijne

terugkomst liet hij geen tijd verloren gaan om aan den voorzitter van

het committé van briefwisseling zijne overeenkomst van gevoelens met

zijne ambtsbroeders kenbaar te maken. De aangehaalde zinsneden zijn

uit zijnen brief aan den Voorzitter getrokken.

Ik heb deze aangelegenheid, van haren eersten aanvang af,

zorgvuldig gadegeslagen, en alles wat ik, zoowel van hare

voorstanders als van hare vijanden, nopens haren aard gezien of

gehoord heb, heeft mij onberouwelijk in de overtuiging bevestigd,

dat, laat het karakter der abolitionisten in het oog van den

Regter der gansche aarde wezen wat het wille, dit de bemoeiziekste,

onbeschaamdste, roekeloosste, wreedste en slechtste opruijing is,

die ik immer gezien heb.

Als de abolitionisten het gansche land in gloed willen zetten,

dan is niets billijker dan dat zij de eerste warmte van het

vuur krijgen.

Ten slotte. De abolitionisten zijn, even als de ongeloovigen, ten

eenemale onbekwaam tot het martelaarschap om hunne gevoelens. Laten

zij slechts weten dat zij gegrepen (lynched) zullen worden,

zoo zij zich onder ons begeven, en zij zullen wel zorg dragen

om ons uit den weg te blijven. Er is geen enkele onder hen,

die meer voornemens is om voor deze zaak zijn bloed te storten,

dan om oorlog met den grooten Turk te beginnen.

In de vergadering der gemeente van de "New School" zeide de Eerwaarde

Dr. Hill, uit Virginië:

De abolitionisten hebben de dienstbaarheid van den slaaf

harder gemaakt. Zoo ik u eenige der vuile streken, door deze

abolitionisten bedreven, verhalen konde, zoudt gij u niet

verwonderen. Eenigen hunner zijn gegrepen (lynched) geworden,

en het was goed aan hen besteed.

Dit alles toont genoegzaam hoe de betrekkelijke waarde van slavernij

en van het regt van vrije nasporing, door de zuidelijke kerk en

geestelijkheid opgevat en uitgedrukt wordt. Het toont insgelijks,

dat zij de slavernij als zoo gewigtig beschouwen, dat zij daden

van onwettig geweld kunnen toelaten en aanmoedigen, en zich om

harentwille aan al de gevaren van het aanmoedigen eener janhagel

regering blootstellen. Deze aanhalingen en beschouwingen toonen

op voldoende wijze het standpunt, waarop de zuidelijke kerk, met

betrekking tot het behandelde onderwerp, zich geplaatst heeft.

Voor velen dezer gevoelens, hoe stuitend zij ook mogen voorkomen,

zou eenige verdediging kunnen gevonden worden in die verblindende

kracht der gewoonte, en in alle die met de opvoeding ingezogene,

onderdrukkend werkende invloeden, die altoos het gevolg zijn van

het slavernijstelsel, en die noodwendig eene zekere verstomping van

het zedelijk gevoel in de ziel van zulk eenen moet te weeg brengen,

die van de kindschheid af aan onder die invloeden werd opgekweekt.

Er ligt dan ook in de hebbelijkheden van den geest, onder een stelsel

gevormd hetwelk door eene aanhoudende toevlugtneming tot kracht en

geweld ondersteund wordt, eene noodzakelijke neiging tot dooding

des gevoels, met opzigt tot het misdadige van kracht en geweld, op

den medemensch toegepast. De geheele manier van beschaving, onder

zulk eene instelling gevormd, is door een populairen schrijver, niet

onaardig, "de dolkmes-manier" genoemd geworden; en het behoeft ons

niet te verwonderen dat godsdienstig karakter en denkbeelden er een

eigenaardigen, strijdzuchtigen tint door aannemen, zeer ver van den

geest des Evangelies. Een godsdienstig man, in het Zuiden geboren en

opgevoed, heeft met al deze moeijelijkheden te kampen, wanneer hij

zich tot den waren geest des Evangelies zoekt te verheffen.

Zeker schrijver heeft gezegd, dat, na de Hervorming, de beste

mannen, als opgevoed onder een stelsel van magt en despotismus, en

van kindsbeen af gewoon geraakt om door kracht, en niet door rede,

te zien bewijzen, al ligtelijk de vraag: of men ketters verbranden

moest, deden overgaan in de vraag: wie van hunne tegenstanders er

verbrand moesten worden.

Het slavernij-systeem is een eenvoudige teruggang der maatschappij tot

de ergste misbruiken der middeleeuwen. Wij moeten er ons, derhalve,

niet over verwonderen, de gevoelens en daden der middeleeuwen nopens

burgerlijke en godsdienstige verdraagzaamheid te zien heerschen.

Hoe sterk wij de hier aangevoerde onwaardige beschouwingen van God

en godsdienst, in zulke verklaringen als wij hebben aangehaald, ook

verfoeijen en betreuren mogen; hoe godslasterlijk en ongerijmd zij

ons ook mogen toeschijnen; toch is het blijkbaar dat zij door hare

auteuren met opregtheid geuit werden; en ziedaar juist het treurigste

van de zaak. Zij zijn even zoo opregt als Paulus toen hij dreiging

en moord blies, en bij zichzelven overtuigd was dat hij tegen den

naam van Jezus vele wederpartijdige dingen doen moest. Zij zijn even

zoo opregt als de Bramin en Hindoe, die gewetenshalve een bloed-

en wreedheidademende godsdienst ondersteunt. Zij zijn evenzoo opregt

als vele verlichte, geleerde en Christelijke mannen in Europa, die,

onder stelsels van burgerlijk en godsdienstig despotismus geboren en

opgevoed, waarmede al hunne dierbaarste huiselijke en burgerlijke

verbindtenissen ten naauwste verknocht zijn, en wier invloed al

hunne gewoonten en denkbeelden beheerscht, die stelsels, uit opregte

gemoedelijkheid, ten sterkste verdedigen.

In de gemoedelijke overtuiging, zelfs wanneer zij de ergste soort van

gevoelens betreft, ligt iets waaraan men eene zekere mate van eerbied

niet weigeren kan. Dat de godsdienst, in de door ons aangehaalde

verklaringen uitgedrukt, zoo echt Antichristisch is als de godsdienst

der Roomsche kerk, zal wel door geen enkel gevoelig mensch die

zich buiten het bereik van Amerikaanschen invloed bevindt, ontkend

worden. Dat er onder dit godsdienststelsel, met al zijne valsche

grondbeginselen en schadelijke invloeden, zeer opregte Christenen

zijn kunnen, zal een onbevangen oordeel moeten toestemmen. De

kerk van Rome heeft haren Fénélon, haren Thomas à Kempis gehad;

en de zuidelijke kerk, die deze grondbeginselen heeft aangenomen,

heeft ook mannen opgeleverd die zich boven het peil van hun systema

hebben weten te verheffen. Ten tijde der hervorming, zoowel als thans,

telde de Roomsche kerk duizenden van biddende, godvruchtige, nederige

Christenen in haren schoot, die, gelijk bloemen in de rotskloven,

alleen door Gods oog geteld konden worden. En zoo hopen wij dat te

midden der rotsen en ijsbergen van deze afschuwelijke geestelijke

en tijdelijke dwingelandij, ook paradijsbloemen van geduldige,

biddende en zelfverloochenende Christenen bloeijen; terwijl het,

onder eenen aanval op het verschrikkelijke systeem waaronder zij zijn

geboren en opgevoed, de diepste smart veroorzaakt, dat daarbij ook

hunne geliefkoosde gevoelens en verbindtenissen geweld moet worden

aangedaan. In eene andere en betere wereld zullen zij misschien de

beweegredenen van hen die zulks deden, weten te schatten.

Doch nu doet zich eene andere beschouwing aan den geest voor. Deze

zuidelijke Christenen zijn in kerkelijke betrekkingen met Christenen

uit de noordelijke en vrije Staten verbonden geweest, waarmede

zij, door hunne afgevaardigden, in hunne verschillende kerkelijke

vergaderingen, jaarlijksche bijeenkomsten hielden. Ingeval van zulk

eene vereeniging, mogt men hopen dat die verlagende beschouwingen van

het Christendom, en die levenloosheid van het openbare gevoelen, die de

onvermijdelijke gevolgen eener opvoeding onder het slavenstelsel zijn,

door aanraking met Christenen in de vrije Staten gewijzigd zouden

worden, van welken het toch, als onder vrije instellingen opgevoed,

natuurlijkerwijze te veronderstellen was dat zij met den sterksten

afschuw van zulke gevoelens vervuld zouden zijn. Men zou gemeend

hebben dat de kerk en de geestelijkheid der vrije Staten natuurlijk

de krachtigste pogingen zouden hebben aangewend, om, door alle

middelen die onder hun bereik waren, hunne broeders van dwalingen

te overtuigen, zoo onteerende voor het Christendom, en tot zulke

vreeselijke practische gevolgen leidende. Men zou ook gedacht hebben

dat, zoo zij er al niet in slagen mogten hunne broederen te overtuigen,

zij het als pligt jegens het Christendom beschouwd zouden hebben,

zich-zelven, door de ernstigste, plegtigste, en onophoudelijkste

protesten, van alle medepligtigheid met deze gevoelens te zuiveren.

Laat ons thans onderzoeken wat, in wezenlijkheid, door de noordelijke

kerk te dezen aanzien verrigt is.

Alvorens tot dat onderzoek over te gaan, zullen wij de door de

zuidelijke kerk gedane verklaringen overzien, en beschouwen welke

beginselen door haar zijn gehuldigd. Het zijn, namelijk, deze:

1. Dat de slavernij eene onschuldige en wettige betrekking is,

evenzeer als die van ouder en kind, echtgenoot en vrouw, of eenige

andere wettige maatschappelijke betrekking. ("Harmony Presbytery"

van Zuid-Carolina).

2. Dat zij bestaanbaar is met de broederlijkste beschouwing van het

welzijn der slaven. ("Charleston Union Presbytery.")

3. Dat meesters niet gecensureerd behooren te worden voor het verkoopen

van slaven zonder hunne toestemming. (New School, Presbyteriaansche

kerk in Petersburg).

4. Dat het regt om, uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen,

en in slavernij te houden, door Gods uitdrukkelijke toelating gegeven

is. (James Smylie en zijne "Presbyteries.")

5. Dat de wetten, die de opvoeding van den slaaf verbieden, regtmatig

zijn, en door het denkende gedeelte der Christelijke gemeenschap

worden goedgekeurd. (Dezelfden).

6. Dat de zaak der slavernij in het geheel geen zedelijk, maar slechts

een zuiver staathuishoudkundig vraagstuk is. (Baptisten-Vereeniging

te Charleston).

7. Dat het regt der meesters om over den tijd hunner slaven te

beschikken, door den Schepper aller dingen uitdrukkelijk erkend

is. (Dezelfde).

8. Dat de slavernij, zoo als zij in de Vereenigde Staten aanwezig is,

geen zedelijk kwaad is. (Conferentie van Georgië, Methodisten).

9. Dat, zonder eene nieuwe openbaring uit den hemel, niemand bevoegd

is de slavernij onregt te noemen.

10. Dat de scheiding der slaven door verkoop, moet beschouwd worden

als eene scheiding door den dood, en het aan de partijen vergund

mag worden te hertrouwen. ("Shiloh Baptist Association" en "Savannah

River Association.")

11. Dat het getuigenis van kleurlingen onder de gemeenteleden tegen

eenen blanke, niet zal worden aangenomen. (Kerk der Methodisten).

Ten slotte is het, door de uitgedrukte grondbeginselen en handelingen

van Christenen uit verschillende benamingen, duidelijk erkend, dat

zij het als regtmatig en billijk beschouwen, alle onderzoek nopens

dit onderwerp door de Lynch-wet te smoren.

Men zou gemeend hebben dat deze beginselen, als van belijders des

Christendoms afkomstig, vreemd genoeg waren om bij hunne noordelijke

broeders zeer veel aandacht te wekken. Ook valt het in het oog

dat zij, als beginselen, beginselen zijn van eene zeer uitgebreide

toepassing, die op de ondermijning van alle godsdienstige en zedelijke

grondslagen uitloopt. Behelzen zij geene waarheid, dan zijn zij

voorzeker ketterijen die een gewonen maatstaf verre te buiten gaan,

en gevolgen insluiten die niet minder buitengewoon zijn. Keeren wij

thans tot ons onderzoek, naar de handelwijze der noordelijke kerk

met betrekking tot die beginselen terug.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 197 / 220 题