"Emily is dood."
De arme moeder sloeg de handen in een en het oog ten hemel en zeide:
"God zij geloofd! Hij heeft ten laatste mijne gebeden verhoord!"
En zal men nu zeggen, dat dit een bijzonder geval is, en het eens
van de duizend keeren gebeurt? Ofschoon wij weten dat dit de grofste
onwaarheid is, en het verhaalde slechts tot eene proeve strekt van
hetgeen iederen dag in Amerika gebeurt, willen wij echter ter wille
van het argument, ditmaal eens aannemen dat dit waar is. Maar indien
slechts eens onder onze natie en onder de bescherming der wet een
Christenmeisje van het altaar en de tafel des Heeren weggerukt en voor
de diepste schande verkocht was, zou dat voor eene ligte zonde worden
gehouden? Zegt Christus niet: "Voor zoo ver gij dit aan den minste van
deze broederen gedaan hebt, zoo hebt gij het Mij gedaan." O woorden
des jammers voor u, Amerika!--woorden des jammers voor u, Kerk van
Christus! Hebt gij hen zoo lang met den voet getreden en vertrapt in
het stof, dat Christus hen vergeven heeft? In den dag des oordeels,
zal ieder dezer woorden levend en brandend voor u opstaan, als een
beschuldigende engel, om tegen u te getuigen. Kerk van Christus, bidt
gij dagelijks: "Uw koningrijk kome!" Durft gij bidden: "Kom, Heere
Jezus! kom haastelijk"? O, wat zou het zijn als Hij kwam? Wat, indien
de Heer, dien gij zoekt, haastelijk in Zijn tempel kwam? Indien Zijne
ziel in Hem bewogen werd toen Hij in den tempel van God de zoodanigen
aantrof, die geld wisselden en schapen, ossen en duiven verkochten,
wat zal Hij dan nu zeggen, als Hij er vindt, die ligchaam, bloed
en beenderen van Zijn eigen volk verkoopen? En is de Christelijke
kerk, die aan dit vreeselijke stelsel hare goedkeuring hecht,--die
den heiligen naam van haar Verlosser gebezigd heeft in het koopen,
verkoopen en handeldrijven met de zielen van menschen--is die kerk
de bruid van Christus? Is zij een met Christus, zoo als Christus een
is met den Vader? O bittere spotternij! Gelooft deze kerk dat ieder
ligchaam eens Christens, een tempel is van den Heiligen Geest? Of
gelooft zij, dat deze plegtige woorden slechts een ijdele klank
zijn, wanneer duizend malen van iedere dag en week, in haar midden
deze tempel wordt opgezet en te koop geboden, om door een of ander
goddeloos en godslasterend man verkocht te worden, die maar geld
heeft om haar te betalen!
Wat de arme Daniel Bell en zijne familie betreft, wiens betwiste
zucht naar vrijheid de oorzaak van al deze ellende was, enkele
lieden er van werden vrijgekocht en de overige vervielen tot den
laagsten trap van slavernij. Het scheen alsof dit voorval, even
als het zinken van een schip, in zijn maalstroom het lot van ieder
ongelukkig schepsel, dat in zijne nabijheid was, medesleepte. Een
arme, eerlijke, hardwerkende slaaf, Thomas Ducket genaamd, had
eene vrouw, die aan boord was van de Paarl. Men veronderstelde,
dat Tom de lieden kende, die de onderneming hadden op touw gezet,
en daarom besloot zijn meester hem te verkoopen. Met dit doel bragt
hij hem naar Washington. Deze en gene in Washington betwijfelde het,
of hij wel regt had om een slaaf van Maryland derwaarts te brengen,
met het doel om hem te verkoopen, en deden hem daarover een geregeld
proces aan. Toen het proces nog hangende was, verhaalde de advokaat
van den meester aan diegenen welke een actie tegen zijn cliënt hadden
ingesteld, dat Tom verlangde verkocht te worden; dat hij liever aan
den man verkocht wilde worden, die zijne vrouw en kinderen gekocht
had, dan zijne vrijheid verkrijgen. Men wist dat Tom, niet van zijne
familie en de vrienden die hij hier had, wenschte gescheiden te worden,
en vertrouwende op de voorstellen die men hem gedaan had, stemde hij
er in toe, dat men het proces zou staken.
Eenigen tijd daarop ontvingen zij brieven van den armen Tom Ducket,
negentien mijlen boven New Orleans geschreven, waarin hij vreeselijk
over zijn toestand klaagde, en hun dringend verzocht, hem toch het
een of ander van zijne vrouw en kinderen te berigten. Toen er naar
gevraagd werd, kon men niets van hen te weten komen. Zij waren verkocht
en vertrokken, niemand wist aan wie en waarheen, en tot straf voor Tom,
dat hij hardnekkig in zijne weigering volhardde om den man te noemen,
die den togt van de Paarl ontworpen had, werd hem het voorregt ontzegd
om een voet buiten de plantage te zetten, en het hem niet vergund,
met de andere bedienden te spreken, daar zijn meester voor eene
zamenzwering beducht was. In een zijner brieven schrijft hij: "ik
heb hier in één dag meer ellende gezien, dan ik nog in mijn geheele
leven gezien heb." In een ander: "Het zou mij pleizier doen iets van
haar (zijns vrouw) te vernemen, maar ik zou nog veel blijder zijn,
als ik hoorde dat zij dood was, dan dat zij hier heen zou komen."
In zijne ellende schreef Tom een brief aan Mr. Bigelow te
Washington. Menschen, die niet in de gelegenheid zijn om zulke
documenten te ontvangen hebben er geen denkbeeld van. Wij voegen hier
een facsimile bij van Toms schrijven, juist zoo als hij gesteld is, als
een bewijs van zijne diepe onwetendheid, verlatenheid en ellende. [20]
Mr. Bigelow. Waarde Mijnheer!