Onder deze ongelukkigen, die maar al te zeer verzot waren op de liefde
voor de vrijheid, bevond zich eene jonge quadrone, Emily Russell
geheeten, wier moeder tegenwoordig in New York woont. De schrijfster
heeft haar gezien en met haar gesproken. Zij is eene vrome vrouw,
die zeer geacht en gezien is, en lidmaat eener Christelijke kerk.
Zij had zich-zelve vrijgekocht met hetgeen zij door eigen arbeid
had opgegaard en ook op die wijze een paar van hare kinderen uit de
slavernij verlost. Emily was een inwoonster van Washington, eene plaats
die tot geen enkelen Staat, maar tot de Vereenigde Staten behoort; en
daar, onder de wetten der Vereenigde Staten, leefde zij als slavin. Zij
was van een teeder gestel en zacht van aard; vroegtijdig had men haar
gevoel voor de Godsdienst ingeboezemd, en zij was juist op het punt
om belijdenis van haar geloof af te leggen; maar haar hart verlangde
vurig naar hare moeder, die eene weduwe was en smachtte niet minder
naar vrijheid, en dus voegde dit kind zich op dien noodlottigen avond
bij de arme slagtoffers, die aan boord van de Paarl hun heil zochten.
Hoe zij achterhaald werden hebben wij reeds medegedeeld. De zonde
van dit meisje was onverzoenbaar. Omdat zij naar hare moeder en naar
de vrijheid had verlangd, kon zij geene vergiffenis erlangen. Voor
zulk eene zonde kon men niet anders doen, dan haar overgeven in de
handen van een handelaar. Zij werd dus eveneens in het kerkerhol
van Bruin en Hill, in Alexandria, geworpen. Hare arme moeder in New
York ontving van haar het volgende schrijven. Christelijke moeder,
lees dit, en stel u voor, dat uwe dochter het u geschreven had!--
Alexandria, 22 Januarij 1850.
Lieve, beste Moeder!
Ik neem deze gelegenheid waar om u een paar regels te schrijven en
u te berigten, dat ik in Bruin's gevangenis ben, en tante Sally
en al hare kinderen, en tante Hagar en al hare kinderen, en dat
grootmoeder bijna krankzinnig is. Lieve, beste moeder, wilt gij zoo
goed zijn, en zoo spoedig gij kunt herwaarts komen? Ik verwacht
dat ik heel spoedig elders heen zal gaan. Och, moeder, lieve,
beste moeder! kom om nog eenmaal uwe ongelukkige en van hartzeer
vergaande dochter te zien. Moeder, lieve, beste moeder! Verlaat mij
niet, want ik ben zoo mistroostig en voel mij zoo verlaten! Och,
kom toch spoedig.
Uwe dochter,
Emily Russell.
Aan Ms. Nancy Cartwright, New York.
P.S. Als gij niet zoo ver als Alexandria komen kunt, kom dan naar
Washington en doe wat gij kunt.
Met dezen brief, die alom de sporen droeg van tranen, ging deze
arme waschvrouw naar eenige Christelijke vriendinnen in New York,
aan wie zij dien liet lezen. "Wat denkt gij wel, dat zij voor haar
eischen zouden?" was hare vraag. Alles wat zij bezat,--haar huisje,
hare weinige meubelen, haar geringe opgespaarde verdienste--dit alles
was Nancy bereid op te offeren; maar dit alles was slechts een druppel
in den emmer.
Het eerste dat er dus gedaan moest worden was, zekerheid te hebben,
voor hoeveel Emily te koop was; en daar het eene belangrijke bijdrage
oplevert tot den Amerikaanschen slavenhandel, laten wij hier het
antwoord der handelaars in zijn geheel volgen.
Alexandria, 31 Januarij 1850.
Geachte Heer,
Toen ik uw brief ontving, waren de negers, waarvan gij spraakt,
nog niet verkocht, maar sedert dien tijd heb ik ze aan een ander
overgedaan. Het eenige wat ik u omtrent de zaak kan zeggen, is,
dat wij grof geld voor de negers betaald hebben, en ik dit meisje
Emily niet minder kan geven dan achttien honderd dollars. Dit zal u
een hooge prijs toeschijnen, maar, daar de katoen zeer geldig is,
zijn bij gevolg de slaven ook hoog in prijs. Wij hebben van twee
of drie boeren uit het Zuiden, een bod op Emily ontvangen. Zij
wordt voor de mooiste vrouw van dit land gehouden. Wat Hagar en
hare zeven kinderen betreft, wij vragen voor haar twee duizend
vijf honderd dollars. Sally en hare vier kinderen, zijn voor
twee duizend acht honderd dollars te koop. Het zal u misschien
een weinig verwonderen, dat de prijzen zoo uit elkander loopen,
maar het verschil dat er tusschen de negers bestaat, brengt ook
het verschil in den prijs te weeg.
Wij zijn voornemens den 8sten Februarij met de negers naar het
Zuiden te vertrekken, en als gij van plan zijt iets te doen,
is het beter dat gij het hoe eer hoe liever bewerkstelligt.
Met alle achting,
Bruin & Hill.
Deze brief kwam te New York aan, eer de zaak der Edmondsons de
algemeene aandacht op dit onderwerp gevestigd had. De verschrikkelijk
hooge prijs maakte, dat men moedeloos werd om veel moeite aan te
wenden, en eer er nog iets van belang verrigt was, vernam men dat de
troep, en daarbij Emily, naar het Zuiden was verzonden.
Hoort gij hemelen, en gij aarde, verneem het! Laat het bekend worden
onder alle hemelstreken, dat de prijs van een schoon Christenmeisje in
Amerika, wanneer zij bestemd is om verkocht te worden voor een leven
van schande, tusschen de achttien honderd en twee duizend dollars
bedraagt; en echter hebben wetgevers in de kerk van Christus, in
een algemeene vergadering verklaard, dat de Amerikaansche slavernij,
zoo als zij is, geen kwaad is! [19]
Uit de kerk en van de nachtmaalstafel des Heeren werd dus dat meisje
geweerd, omdat hare schoonheid op de slavenmarkt te New Orleans een
gewild en winstgevend artikel was.
Misschien zal de een of andere apologist in het Noorden zeggen, dat zij
hier zacht behandeld werd--niet met een keten was vastgeregen aan de
andere, terwijl men haar geen handboeijen aangedaan had, en zij niet
genoodzaakt was om te loopen, zoo als artikelen van minder waarde,
dat men voor haar een wagen had laten komen en dat zij reed; dat haar
genoegzaam voedsel werd gegeven, dat zij warm en naar behooren gekleed
was, en dus geen ongemak leed. Wij hebben het herhaaldelijk hooren
beweren, dat er in slavernij niets kwaads is, als men maar warm genoeg
gekleed en goed gevoed wordt en het overigens welletjes heeft. Maar
waar is het, dat de slavin niets heeft om zich te beschermen tegen
de grootste vernedering en de diepste beleediging, die eener vrouw
kan worden aangedaan,--hetzij door de wet, of in het Evangelie; maar
zoo lang zij genoeg heeft om te eten en zich te kleeden, zeggen onze
Christelijke vaders en moeders, dat zij het niet zoo kwaad heeft!
Zoo dacht de arme Emily niet. Er was niemand die medelijden met haar
had, niemand die haar bijstand verleende. Het voedsel dat zij in haar
jammervollen toestand ontving, voedde haar niet; de warmste kleeding
kon haar voor de koude niet beveiligen, die de slavernij haar om het
hart sloeg. Ziek, mistroostig en gebroken van harte, legde het kind
zich halverwege de reis, die zij over land deed, neder en stierf. Bij
die eenzame peluw stond geene moeder, maar er was een Vriend bij,
Wiens liefde nimmer verkoelt, en die hartelijker liefheeft dan een
broeder. Indien het mogelijk ware, dat onze oogen konden aangeraakt
worden met het zegel des geloofs, zouden wij, waar anderen slechts de
eenzame wildernis en het stervende meisje zien, er misschien een zien,
bekleed met hemelsche schoonheid, wachtende tot dat de korte doodstrijd
gestreden zou zijn, dat Hij haar van alle ongeregtigheid verlossen
en haar vlekkeloos brengen zou, vol onuitsprekelijke blijdschap,
in de tegenwoordigheid van den God der Genade!
Zelfs de hardvochtige slavenhandelaar was geroerd door haar droevig
lot, en men heeft ons voor zeker verhaald, dat hij gezegd heeft,
dat het hem zeer speet haar genomen te hebben.
Bruin en Hill schreven naar New York, dat het meisje Emily dood was. De
kwaker William Harned begaf zich met den brief naar hare moeder,
om haar het noodlottige nieuws mede te deelen. Sedert zij alle hoop
had opgegeven, om hare dochter te verlossen van het vreeselijke lot
waarvoor zij bestemd was, had de rampspoedige moeder gekwijnd als
iemand, wier krachten vervlogen zijn. Zij kon bijna niet meer met
opgeheven hoofd daarheen gaan, en het was haar of het leven haar niet
het minste belang meer inboezemde.
Toen Mr. Harned bij haar kwam, vroeg zij met ongeduld:
"Hebt gij iets van mijne dochter gehoord?"
"Ja, ik heb tijding," antwoordde hij, "Bruin en Hill hebben een
brief geschreven."
"En wat schrijven zij?"