6 November 1845. William Gambel.

De volgende is woordelijk overgenomen uit The Dadeville (Alabama)

Banner van 10 November 1852. De Dadeville Banner is een blad, gewijd

aan staatkunde, letterkunde, opvoeding, landbouw, enz.

Let wel.

De ondergeteekende heeft een uitnemenden troep Honden voor het

zoeken en vangen van weggeloopen slaven. Hij berigt het Publiek,

dat de prijzen voor het gebruik maken zijner hulp voortaan

zullen zijn:

Dollars.

Voor elken dag met het jagen en opsporen doorgebragt 2.50

Voor het vangen van elken slaaf 10.00

Voor het afleggen van een afstand van meer dan tien

mijlen om een slaaf te vangen 20.00

De betaling is contant. De ondergeteekende woont anderhalve mijl

van Dadeville.

Dadeville, 1 September 1852. B. Black.

XII. De weggeloopen slaaf werd, wanneer hij gevangen was, streng

gestraft op bevel van zijn meester of, wanneer deze het verlangde,

op last van den regter; somtijds door kruisiging, het afzetten van

een voet, of door hem naar het worstelperk te zenden om met wilde

dieren te vechten; maar gewoonlijk door hem boven de wenkbraauw

te brandmerken met letters die zijn misdaad uitdrukten.

Ieder zal uit de onbeperkte magt van den meester afleiden, dat die

strenge straf iederen weggeloopen slaaf ten deel viel. Dat zij in

menig geval werd toegepast is ligt te bewijzen, maar dat bewijs is

overbodig. De bijzondere wijzen van strafoefening, die hierboven

vermeld staan, zijn nu buiten gebruik, maar de volgende aankondiging

van den advokaat Micajah Ricks in de Raleigh (Noord-Carolina) Standard,

van den 18den Julij 1838, bewijst, dat nog iets van dien klassieken

smaak in het pijnigen ook in onze verbasterde dagen heerscht.

Weggeloopen eene negerin met twee kinderen. Weinige dagen voor

zij wegliep, brandde ik haar met een gloeijend ijzer op de linker

wang. Ik trachtte de letter M te maken.

Hij is waarlijk opmerkingswaardig, die naïve trots van den heer Ricks

over zijne poging om eene letter te schrijven. Hij wilde niet, dat

men die letter M voor een staaltje zou aanzien van zijn bedrevenheid

in de schrijfkunst. De ongelukkige zou misschien niet stilstaan,

en hij vreesde, dat de M onleesbaar zou wezen.

Maar het slechts eene uit de lange lijst van aankondigingen over

verminkte, gesneden en gebrande negers in het werk van den heer Weld,

getiteld: De slavernij in Amerika, zoo als zij is.

XIII. Wreede meesters huurden soms menschen, die martelaars

waren van beroep; of hadden zulke personen in hun dienst om hen

in straffen van slaven bij te staan. De neuzen, ooren en tanden

van een slaaf waren dikwijls niet veilig tegen een vertoornden

eigenaar; en wanneer het misdrijf zeer groot was, werden somtijds

zijne oogen uitgestoken. Kruisiging was zeer dikwijls het lot

van een ongelukkigen slaaf, voor een klein wanbedrijf of somtijds

zelfs uit loutere willekeur.

Ter regtvaardiging van zulke daden, beroepen wij ons alweder op die

schrikkelijke lijst van verminkte en gekneusde menschen, door de

slavenhouders zelf beschreven, die wij in Weld's "De slavernij in

Amerika, zoo als zij is" aantreffen. Wij herinneren ook den lezer aan

hetgeen wij hierboven van den gruwelijken Caphart verhaalden. Wat de

kruisiging aangaat, wij veronderstellen, dat er wezens zijn, die om

redenen van godsdienstigen aard weerhouden worden, om van zulk een

middel van marteling gebruik te maken, maar die niet zouden terug

deinzen voor even groote pijnigingen door andere middelen; even als de

Grieksche zeeroover, die in de vasten een gewetensbezwaar voelt een

droppel bloed te vergieten. Meent men, dat wij slechts eene gissing

uiten? Men herleze, indien men er lust toe gevoelt, de schrikkelijke

bijzonderheden van die urenlange pijniging, die Souther zijn slaaf

aandeed, en men zegge hoeveel menschelijker de Amerikaansche slavernij

is dan de Romeinsche.

De laatste aanhaling, die wij nog in Blairs werk over de slavernij

bij de Romeinen aantreffen, is de volgende:

XIV. Volgens een senatus consultus werd, wanneer een slaveneigenaar

vermoord was en zijne slaven hem welligt hadden kunnen beschermen,

geheel zijn huishouden, dat binnen bereik viel, als medepligtig

beschouwd en ter dood veroordeeld. Tacitus verhaalt ons, dat bij

zulk eene gelegenheid eens vierhonderd slaven ter dood werden

gebragt.

Van alle wreedheden in het heidensche Rome op slaven gepleegd missen

wij alleen deze in Noord-Amerika.

Maar in andere opzigten heeft de Noord-Amerikaansche wetgeving hooger

trap van verfijnde wreedheid bereikt, dan de wreedaards in die dagen

zich ooit konden voorstellen. Gibbon zegt daaromtrent het volgende:

De hoop, de beste troost in onzen onvolmaakten toestand, werd aan

een Romeinschen slaaf niet ontnomen; en indien hij mogelijkheid

zag om zich nuttig of aangenaam te maken, mogt hij hopen dat zijn

ijver en getrouwheid, gedurende weinige jaren, beloond zouden

worden met het onschatbare geschenk der vrijheid....

Zonder dat daarom het verschil in stand werd weggenomen, beidde

eene toekomst, waarin hij vrij zou zijn en regten genieten, ook

hem, wien trots en vooroordeel meestal te gering achtten om hem

als menschelijk wezen te beschouwen [12].

De jongelingen van veelbelovenden aanleg werden in de kunsten

en wetenschappen opgeleid en hunne belooning hing af van de

mate hunner bekwaamheid en talenten. Bijna iedere kunst, vrije

zoowel als mechanische, werd beoefend onder de dienstbaren van

een aanzienlijk lid van den Senaat [13].

Het volgende hoofdstuk zal doen zien hoe "die beste troost," dien

Gibbon in den menschelijken tegenspoed kent, aan den slaaf in Amerika

ontnomen is; hoe hij verstoken is van de voorregten der opvoeding en

zedelijke beschaving, die een ieder bijna ten deel vallen, en hoe de

gansche strekking van dat rampzalige stelsel, dat hem tot lijfeigene

maakt, is hem zelfs den troost der godsdienst te ontnemen, en hem uit

te werpen uit het menschdom en de broederschap met den Zoon van God.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 78 / 220 题