De volgende is woordelijk overgenomen uit The Dadeville (Alabama)
Banner van 10 November 1852. De Dadeville Banner is een blad, gewijd
aan staatkunde, letterkunde, opvoeding, landbouw, enz.
Let wel.
De ondergeteekende heeft een uitnemenden troep Honden voor het
zoeken en vangen van weggeloopen slaven. Hij berigt het Publiek,
dat de prijzen voor het gebruik maken zijner hulp voortaan
zullen zijn:
Dollars.
Voor elken dag met het jagen en opsporen doorgebragt 2.50
Voor het vangen van elken slaaf 10.00
Voor het afleggen van een afstand van meer dan tien
mijlen om een slaaf te vangen 20.00
De betaling is contant. De ondergeteekende woont anderhalve mijl
van Dadeville.
Dadeville, 1 September 1852. B. Black.
XII. De weggeloopen slaaf werd, wanneer hij gevangen was, streng
gestraft op bevel van zijn meester of, wanneer deze het verlangde,
op last van den regter; somtijds door kruisiging, het afzetten van
een voet, of door hem naar het worstelperk te zenden om met wilde
dieren te vechten; maar gewoonlijk door hem boven de wenkbraauw
te brandmerken met letters die zijn misdaad uitdrukten.
Ieder zal uit de onbeperkte magt van den meester afleiden, dat die
strenge straf iederen weggeloopen slaaf ten deel viel. Dat zij in
menig geval werd toegepast is ligt te bewijzen, maar dat bewijs is
overbodig. De bijzondere wijzen van strafoefening, die hierboven
vermeld staan, zijn nu buiten gebruik, maar de volgende aankondiging
van den advokaat Micajah Ricks in de Raleigh (Noord-Carolina) Standard,
van den 18den Julij 1838, bewijst, dat nog iets van dien klassieken
smaak in het pijnigen ook in onze verbasterde dagen heerscht.
Weggeloopen eene negerin met twee kinderen. Weinige dagen voor
zij wegliep, brandde ik haar met een gloeijend ijzer op de linker
wang. Ik trachtte de letter M te maken.
Hij is waarlijk opmerkingswaardig, die naïve trots van den heer Ricks
over zijne poging om eene letter te schrijven. Hij wilde niet, dat
men die letter M voor een staaltje zou aanzien van zijn bedrevenheid
in de schrijfkunst. De ongelukkige zou misschien niet stilstaan,
en hij vreesde, dat de M onleesbaar zou wezen.
Maar het slechts eene uit de lange lijst van aankondigingen over
verminkte, gesneden en gebrande negers in het werk van den heer Weld,
getiteld: De slavernij in Amerika, zoo als zij is.
XIII. Wreede meesters huurden soms menschen, die martelaars
waren van beroep; of hadden zulke personen in hun dienst om hen
in straffen van slaven bij te staan. De neuzen, ooren en tanden
van een slaaf waren dikwijls niet veilig tegen een vertoornden
eigenaar; en wanneer het misdrijf zeer groot was, werden somtijds
zijne oogen uitgestoken. Kruisiging was zeer dikwijls het lot
van een ongelukkigen slaaf, voor een klein wanbedrijf of somtijds
zelfs uit loutere willekeur.
Ter regtvaardiging van zulke daden, beroepen wij ons alweder op die
schrikkelijke lijst van verminkte en gekneusde menschen, door de
slavenhouders zelf beschreven, die wij in Weld's "De slavernij in
Amerika, zoo als zij is" aantreffen. Wij herinneren ook den lezer aan
hetgeen wij hierboven van den gruwelijken Caphart verhaalden. Wat de
kruisiging aangaat, wij veronderstellen, dat er wezens zijn, die om
redenen van godsdienstigen aard weerhouden worden, om van zulk een
middel van marteling gebruik te maken, maar die niet zouden terug
deinzen voor even groote pijnigingen door andere middelen; even als de
Grieksche zeeroover, die in de vasten een gewetensbezwaar voelt een
droppel bloed te vergieten. Meent men, dat wij slechts eene gissing
uiten? Men herleze, indien men er lust toe gevoelt, de schrikkelijke
bijzonderheden van die urenlange pijniging, die Souther zijn slaaf
aandeed, en men zegge hoeveel menschelijker de Amerikaansche slavernij
is dan de Romeinsche.
De laatste aanhaling, die wij nog in Blairs werk over de slavernij
bij de Romeinen aantreffen, is de volgende:
XIV. Volgens een senatus consultus werd, wanneer een slaveneigenaar
vermoord was en zijne slaven hem welligt hadden kunnen beschermen,
geheel zijn huishouden, dat binnen bereik viel, als medepligtig
beschouwd en ter dood veroordeeld. Tacitus verhaalt ons, dat bij
zulk eene gelegenheid eens vierhonderd slaven ter dood werden
gebragt.
Van alle wreedheden in het heidensche Rome op slaven gepleegd missen
wij alleen deze in Noord-Amerika.
Maar in andere opzigten heeft de Noord-Amerikaansche wetgeving hooger
trap van verfijnde wreedheid bereikt, dan de wreedaards in die dagen
zich ooit konden voorstellen. Gibbon zegt daaromtrent het volgende:
De hoop, de beste troost in onzen onvolmaakten toestand, werd aan
een Romeinschen slaaf niet ontnomen; en indien hij mogelijkheid
zag om zich nuttig of aangenaam te maken, mogt hij hopen dat zijn
ijver en getrouwheid, gedurende weinige jaren, beloond zouden
worden met het onschatbare geschenk der vrijheid....
Zonder dat daarom het verschil in stand werd weggenomen, beidde
eene toekomst, waarin hij vrij zou zijn en regten genieten, ook
hem, wien trots en vooroordeel meestal te gering achtten om hem
als menschelijk wezen te beschouwen [12].
De jongelingen van veelbelovenden aanleg werden in de kunsten
en wetenschappen opgeleid en hunne belooning hing af van de
mate hunner bekwaamheid en talenten. Bijna iedere kunst, vrije
zoowel als mechanische, werd beoefend onder de dienstbaren van
een aanzienlijk lid van den Senaat [13].
Het volgende hoofdstuk zal doen zien hoe "die beste troost," dien
Gibbon in den menschelijken tegenspoed kent, aan den slaaf in Amerika
ontnomen is; hoe hij verstoken is van de voorregten der opvoeding en
zedelijke beschaving, die een ieder bijna ten deel vallen, en hoe de
gansche strekking van dat rampzalige stelsel, dat hem tot lijfeigene
maakt, is hem zelfs den troost der godsdienst te ontnemen, en hem uit
te werpen uit het menschdom en de broederschap met den Zoon van God.