De schrijfster heeft als hare meening te kennen gegeven dat de
Amerikaansche slavenwet, over het algemeen, strenger bepalingen
bevat dan die van eenig ander volk, uit den ouden of nieuwen tijd,
met uitzondering welligt van die der Spartanen. Zij is niet in de
gelegenheid om met die wet de Fransche en Spaansche te vergelijken;
maar, daar men algemeen van oordeel is, dat de slavernij bij de
Romeinen zwaarder was dan zij ooit in Amerika geweest is, willen wij
deze beide slavenstelsels tegen elkander beschouwen. Te dien einde
laten wij hier een overzigt volgen der romeinsche slavenwet, getrokken
door William Jay uit de "Nasporing naar den aard der slavernij bij
de Romeinen" van Blair, met de verwijzing naar de bepalingen in de
Amerikaansche slavenwetten, om den lezer in staat te stellen, zelf
de vergelijking te maken en de gevolgtrekkingen af te leiden.
I. De slaaf werd niet beschermd tegen gierigheid, woede of de
lusten van den meester, wiens gezag gegrond was op algeheelen
eigendom; en de lijfeigene werd minder beschouwd als een
menschelijk wezen, aan eene willekeurige heerschappij onderworpen,
dan wel als een dier van lageren rang, geheel afhankelijk van
den wil van zijn eigenaar.
Vergelijk over de wet van Zuid-Carolina Stroud's "Schets der
Slavenwetten," p. 23, waar wij lezen:
Slaven zullen behandeld, verkocht, in bezit genomen, geschat en
toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn
in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van
de executeurs, administrateurs en gevolmagtigden van deze, in
ieder opzigt en beteekenis.
Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester aan wien
hij behoort.
Zulk eene gehoorzaamheid is alleen het gevolg eener onbeperkte magt
over het ligchaam. Niets anders kan dien invloed uitoefenen. De
magt van den meester moet absoluut zijn, om de onderwerping van
den slaaf volkomen te doen wezen.
II. In de eerste plaats bezat de meester het oppermagtige regt
over leven en dood.
In vroeger tijden werd in Virginia het regt over leven en dood der
slaven bij de wet verleend.
III. Hij mogt zijne slaven dooden, verminken, pijnigen voor
ieder vergrijp of zonder dat er een vergrijp had plaats gehad;
hij kon hen dwingen worstelaars of publieke vrouwen te worden.
Het regt om een slaaf te dooden is nu eenigzins gefnuikt; wat
verminking en pijniging aangaat, men zie het proces van Souther tegen
den Staat, in Hoofdstuk III aangehaald, en het proces tegen Mann,
in hetzelfde hoofdstuk te vinden.
IV. Tijdelijke verbindtenissen van slaven en slavinnen werden
op zijn bevel aangegaan en verbroken; huisgezinnen en vrienden
werden gescheiden wanneer het hem goeddacht.
Men zie de uitspraak van den regter Mathews in de zaak van Girod
tegen Lewis, p. 199.
Het staat vast, dat de slaven geene wettige magt bezitten om
eenige verbindtenis aan te gaan. Onder toestemming van hun meester
mogen zij trouwen, en hunne morele magt om eene verbindtenis of
overeenkomst, als zulk een huwelijk, goed te vinden, kan niet in
twijfel worden getrokken; maar in den toestand van slavernij kan
het in burgerregterlijken zin, geen gevolgen hebben, omdat slaven
van alle burgerregten zijn verstoken.
Men zie ook later over de scheiding van huisgezinnen en de aanhaling
uit een nieuwsblad uit het Zuiden.
V. De wetten erkenden de vepligting niet van den meester om zijn
slaven voedsel en kleeding te geven of voor hen, in geval van
ziekte, te zorgen.
Op welk eene wijze de Amerikaansche wet die verpligting oplegt, hebben
wij reeds vroeger gezien bij de behandeling der beschermende wetten
[11],
VI. Slaven konden geen eigendom bezitten, dan met goedkeuring
van hun meester, van wien zij alles kregen, en met wien zij geene
overeenkomsten konden sluiten, die voor hem verbindend waren.
Het volgende hoofdstuk zal doen zien, hoever in dit opzigt de
Amerikaansche wetgeving de Romeinsche vooruit is: zij houdt het zelfs
voor een beboetbaar misdrijf van de zijde van den meester den slaaf
het bezit van eenig eigendom te veroorloven, en voor eene misdaad
in den slaaf, dat hem dit veroorloofd wordt. Wij bepalen ons thans
slechts bij een uittreksel uit het Burgerlijk Wetboek van Louisiana,
zoo als de regter Stroud het mededeelt:
Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester, aan wien
hij behoort. De meester mag hem verkoopen, over zijn persoon,
zijne vermogens, zijn arbeid beschikken; hij kan niets doen, niets
bezitten, niets verkrijgen, dan hetgeen aan zijn meester toekomt.
Volgens den regter Ruffin, is een slaaf "iemand, wiens persoon en
nakomelingschap gedoemd is te leven in onkunde, onmagtig iets tot
zijn eigen te maken, en veroordeeld tot arbeid, op dat een ander de
vruchten plukke."
Met betrekking tot de verbindende kracht van overeenkomsten tusschen
meester en slaaf halen wij uit de regterlijke uitspraken in de
Vereenigde Staten gevallen, de volgende aan:
Al wat de slaaf verkrijgt is het eigendom van zijn meester,
ondanks de belofte van den meester, dat de slaaf er een gedeelte
van erlangen zal.
Een slaaf stelde aan B. geld ter hand, dat hij boven zijn loon
verdiend had, om daarvoor zijne kinderen te koopen. B. kocht die
kinderen voor dat geld. De meester van dien slaaf had het regt
om van B. het geld terug te eischen.
VII. De meester kon zijne regten verkoopen of wegschenken of ze
bij testament vermaken.
Slaven zullen behandeld, verkocht in bezit genomen, geschat en
toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn
in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van de
executeurs, administrateurs en gevolmagtigden van deze, in ieder
opzigt en beteekenis.
VIII. Een meester, die zijn slaaf verkocht, wegschonk of vermaakte,
stelde somtijds de voorwaarde, dat hij nimmer buiten 's lands
zou gevoerd worden, of dat hij op een bepaalden tijd zou in
vrijheid worden gesteld; of dat hij, integendeel, nimmer zou
worden vrijgelaten of levenslang in ketenen zou blijven geklonken.
Wij gelooven niet dat de voorwaarde, dat een slaaf nimmer in vrijheid
zal worden gesteld, of dat hij levenslang in ketenen zal blijven
geklonken, ooit gesteld werd. Maar de voorwaarde dat een slaaf niet
buiten 's lands zou worden gevoerd, of verkocht, of dat hij bij eene
zekere gebeurtenis, vrij gelaten zou worden, is ook bij ons geenszins
zonder voorbeeld.
Het overige van Blairs overzigt der slavernij bij de Romeinen is
meer gewijd aan hetgeen de meesters deden dan aan de wet zelve. De
schrijfster acht zich niet geroepen tot het geven eener vergelijking
tusschen hetgeen, in de negentiende eeuw, in de beschaafde en
Christelijke Staten van Noord-Amerika voorvalt, en de wreedheden in
het heidensche Rome gepleegd onder den scepter der onmenschelijke
Keizers, toen het worstelperk de geliefkoosde uitspanning was der
aanzienlijkste burgers en de "school" voor de menigte. Eenige weinige
aanhalingen zullen reeds toonen, zoo ver wij dit noodig achten, met
hoeveel meer gerustheid men thans den eenen mensch eene onbeperkte
magt kan geven over den ander, dan toen.
IX. Wanneer de slaven den handmolen draaiden, waren zij gewoonlijk
geboeid, en droegen zij eene breede houten plank om den hals,
om hun te beletten van het graan te eten. Onder Furca, dat later
galg beteekende, verstond men in de oudste tijden een houten
vork of kraag, die gemaakt was om door hen op de schouders of om
den hals te worden gedragen, als een schandteeken of om hun een
zwaren last op te leggen.
De lezer heeft reeds in Hoofdstuk V gezien, dat dit vernederend
voorwerp ook in onzen tijd in zwang is in sommige slavenhoudende
Staten, en dat het in bescherming genomen is door de Wetgevende
Magt; hoewel de stof verschillend is en de vorm door den tijd eenige
verandering heeft ondergaan.
X. Boeijen en ketenen werden dikwijls gebruikt als straf en in
sommige gevallen levenslang door de slaven gedragen, op louter
gezag van den meester. Portiers aan de deuren der woningen van
aanzienlijken waren gewoonlijk geketend. Zij, die veldarbeid
verrigtten, werkten, in later tijden, meestendeels geboeid.
De wetgeving van Zuid-Carolina wettigt bijna al dezelfde gebruiken,
door ze onder de beschermende bepalingen op te nemen, waarbij eene
boete van slechts honderd pond wordt opgelegd aan hem, die opzettelijk
een slaaf de tong uitsnijdt enz., of eenige andere straf uitoefent dan
geeselen, of slaan met eene rijzweep, riemen, takken of dunne stokken,
of door den slaaf in boeijen te klinken of hem op te sluiten.
XI. Sommige personen maakten er hun bestaan van weggeloopen slaven
op te sporen.
Dat zulk een middel van bestaan, door de hoogste Wetgevende Magt
ingesteld, en achtenswaardig gemaakt door de uitdrukkelijke of
ingewikkelde aanbeveling van Staatsmannen en geestelijken, en van
staatkundige en godsdienstige nieuwsbladen, onder ons bestaat, vooral
in de vrije Staten, is een feit, dat elken dag blijkt en waarvoor wij
dus geen getuigenis behoeven in te roepen. In Alabama schijnt echter
die zaak op eene meer opene en officiële wijze behandeld te worden
dan ergens elders. De heer Jay neemt de volgende aankondiging uit de
Sampter County over:
Negerhonden.
De ondergeteekende berigt dat hij eene groote menigte negerhonden
heeft aangekocht, en beveelt zich aan tot het opsporen van
weggeloopen negers. De kosten zijn drie dollars voor een dag jagen,
en vijftien dollars voor het terug brengen van een neger. Hij
woont drie en eene halve mijl ten noorden van Livingston, nabij
den Jones' Bluff-weg.