AANGENOMEN BEGINSELS.--DE STAAT TEGEN LEGREE; EEN GEVAL DAT NIET IN
DE WETBOEKEN VOORKOMT.
Uit een overzigt van al de gedingen, die wij tot dusver mededeelden,
en van de beginsels die in de regterlijke uitspraken doorstralen,
moet de lezer de volgende feiten afleiden:
Vooreerst, dat de meesters nu en dan hunne slaven doodmartelen.
Ten tweede, dat het dooden op die wijze van een slaaf op zich zelf,
door de slaven-regtspleging, niet als moord wordt aangenomen.
Ten derde, dat de slaaf, wanneer hij zijn meester weerstand biedt,
altijd mag gedood worden.
Uit dit alles volgt, dat, wanneer de omstandigheden bij Toms dood
volkomen waren bewezen door het getuigenis van twee blanken, Legree,
bij eene consequente toepassing der slavenwet, nog niet als moordenaar
zou beschouwd worden, want Tom bood weerstand aan den wil van zijn
meester. Zijn meester had hem iets bevolen in tegenwoordigheid
van andere slaven. De meester begon met eene kastijding om hem tot
gehoorzaamheid te dwingen. En bij den eersten oogopslag moet iedereen
inzien, dat, wanneer de wet hem geen magt geeft, om, in zulk een geval,
tot gehoorzaamheid te dwingen, alle magt over de slaven denkbeeldig
is. Geene regtbank in het Zuiden zou durven staande houden, dat Legree
onregt had om de kastijding te doen aanhouden, zoo lang Tom in zijne
ongehoorzaamheid volhardde. Legree stond gedurende al dien tijd bij
hem, maande hem aan om zich te onderwerpen, en beloofde hem, zoodra hij
zich onderwierp, hem vrij te laten. Toms verzet was oproerigheid. Het
was een voorbeeld, dat op geene plantage in het Zuiden mogt geduld
worden. Volgens de uitdrukkelijke bewoordingen der grondwet van
Georgia en volgens de gewone uitlegging en toepassing der slavenwet,
berust, in buitengewone gevallen als dit, het regt over leven en dood
in de handen van den meester. Het geldt hier geene daad als die van
Souther in zijn proces tegen den Staat. Het slagtoffer van Souther
maakte zich aan geen verzet of oproer schuldig. De straf was in dat
geval niet meer dan eene wraakoefening over eene gepleegde misdaad,
en geene poging om den dader tot gehoorzaamheid te brengen.
Er is geen enkel beginsel in de slaven-regtspleging, volgens hetwelk
een man, die, in den toestand van Legree als deze handelende, voor
moord zou kunnen vervolgd worden. Iedereen moet erkennen, dat, wanneer
dit het geval mogt wezen, de grondslag van het gansche slavenstelsel
in duigen moet vallen. Wel is waar, Tom verzette zich ter wille van
zijn geweten. Maar de wet erkent niet en kan niet erkennen, dat de
neger een van zijn meester onafhankelijk geweten bezit. Wanneer men
aannam dat de neger gehoorzaamheid kon weigeren aan zijn meester,
in geval hij diens bevel in strijd met zijn geweten mogt achten,
zou er eene algemeene anarchie ontstaan. Zoo het Tom in dit geval
veroorloofd werd zijn meester ongehoorzaam te zijn, omdat zijn
geweten hem dat beval, zou Sambo morgen en Quimbo overmorgen, om eene
gewetenszaak, gehoorzaamheid weigeren. Velen hunner mogen dan teregt
gedacht hebben, dat het zonde was te handelen zoo als zij deden. De
mulattin moge gevoeld hebben, dat het in strijd was met Gods bevel
dat zij een anderen echtgenoot nam. Moeders mogen begrepen hebben,
dat het meer haar pligt was om te huis te blijven en te zorgen voor
hare jonge en zwakke kinderen, dan in het veld te gaan werken voor
Legree. De schade zou niet te voorzien zijn, die aan katoenplantages
zou worden berokkend, wanneer den neger het regt werd toegekend naar
de inspraak van zijn geweten te luisteren. Indien het slavenstelsel
een regtvaardig stelsel is en gehandhaafd moet worden, mag men het
gedrag van Simon Legree in deze niet laken; want hij deed niet meer dan
volstrekt noodig was om het stelsel te handhaven, en Tom stierf ten
gevolge eener dweepzieke en dwaze volharding in zijn verzet tegen de
magt die bestond, die gesteld was door God. Hij volgde de ziekelijke
inspraak van zijn onverbeterlijk verdorven hart, en verzuimde die
"wijze lessen van het geschreven woord," die, zoo als wij hebben doen
zien, zoo schoon zijn voorgekomen aan voortreffelijke regtsgeleerden.