HOOFDSTUK III.

SOUTHER TEGEN DE REPUBLIEK--HET NON PLUS ULTRA VAN MENSCHLIEVENDHEID

IN DE WET.

"En toch ondanks zulke wetten en uitspraken doet mevrouw Stowe

enz.--Courier and Enquirer."

Het proces van Souther tegen de Republiek is door den Courier and

Enquirer aangehaald als een zeer gunstig staaltje der wettelijke

beslissingen onder de vigerende slavenwetten, met de volgende

opmerking:

"En toch, ondanks zulke wetten en uitspraken, doet mevrouw

Stowe eene lange reeks van mishandelingen jegens de zwarten

veronderstellen, door haar voorbeeldeloozen held Tom, in Louisiana,

letterlijk te laten doodgeeselen door zijn meester Legree; en zulke

feiten, die de wet als misdadig erkent en als zoodanig straft,

beschrijft zij gedurig met de meest afschrikwekkende kleuren,

om de instelling der slavernij te doen kennen!"

Door die woorden werd schrijfster dezes in den waan gebragt, dat dit

proces op eene wijze was gevoerd geworden, die zoo veel eer deed aan

het menschelijk gevoel, dat men de regtspleging omtrent de slaven

van een gunstiger standpunt zou gaan beschouwen. Daarom deed zij de

moeite zich het verslag van dat proces te verschaffen, met het oogmerk

het openbaar te maken als tegenstelling van de vele wreedheden, die

men bij de studie van dit gedeelte van het onderwerp ontmoet. Een

regterlijk ambtenaar heeft het gecopieerd uit Grattan's Reports,

en zij laat het hier volgen. Indien het den lezer verbaast, het kan

bij hem niet meer verbazing opwekken dan bij de schrijfster zelve.

"Souther tegen de Republiek, 7 Grattan 673, 1851.

"Het dooden van een slaaf door zijn meester en eigenaar,

ten gevolge van zweepslagen op diens last en met overdreven

gestrengheid gegeven, is moord, al mogt ook het oogmerk van den

meester en eigenaar niet geweest zijn den slaaf te dooden."

"Simeon Souther werd in de zitting van October 1850 bij den

omgaanden regter in Hanover county aangeklaagd wegens moord op

zijn eigen slaaf gepleegd. De acte van beschuldiging bevatte 15

punten, waarin de verschillende wijzen van kastijding en pijniging,

waardoor de moord zou gepleegd zijn, op zich zelf of gepaard

gaande waren aangegeven. Het vijftiende punt omvatte ze allen:

en, daar de regtbank verklaarde dat die beschuldiging bewezen was,

zal men uit de opgave der feiten in dat punt vervat, kunnen zien

wat den beschuldigde werd ten laste gelegd, en waardoor het bewijs

geleverd werd.

In dat vijftiende punt van beschuldiging werd gezegd, dat op

den 1sten September 1849, de beschuldigde zijn slaaf Sam met

koorden om zijne polsen, hals, midden, beenen en enkels aan een

boom bond. Dat de beschuldigde den aldus gebonden slaaf eerst

met roeden geeselde. Dat hij hem daarna met een lat slagen en

stooten toebragt, en twee van zijne slaven, een man en eene

vrouw, beval den verslagene met de lat te slaan. Dat, terwijl de

verslagene aldus aan een boom gebonden was, de beschuldigde hem

sloeg, stompte, schopte en trapte op verschillende plaatsen van

zijn hoofd, aangezigt en ligchaam; dat hij zijn ligchaam brandde

.... dat hij hem toen waschte met warm water, waarin Cayene peper

was afgetrokken; en dat hij zijne twee slaven voornoemd dwong hem

met hetzelfde mengsel van water en Cayene peper te wasschen. Dat,

na het knevelen, geeselen, beuken, slaan, stooten, stompen,

schoppen, trappen, verwonden, kneuzen, verminken, branden, wasschen

en pijnigen, vermeld, de beschuldigde den verslagene losmaakte van

den boom, zoodanig, dat hij met kracht op den grond viel; dat hij

hem intusschen sloeg, stompte en trapte op zijn hoofd, slapen en

verschillende deelen van zijn ligchaam. Dat de beschuldigde toen

den verslagene naar eene werkplaats in zijn huis deed brengen,

waar hij een zijner slaven beval om, in zijn bijzijn, de voeten

van den verslagene in de stokken te sluiten, zijne beenen aan

een stuk hout vast te maken, en een touw om zijn hals te slaan,

waarmede hij aan de post van de deur werd vastgemaakt, en op

die wijze den verslagene te worgen en te doen stikken. En dat,

terwijl de verslagene dus op deze wijze was vastgemaakt, de

beschuldigde hem sloeg, stompte, trapte en beukte op zijn hoofd,

zijn aangezigt, borst, buik, zijden, rug en verdere deelen van

het ligchaam; en dat hij nogmaals zijn slaven beval het ligchaam

van den verslagene te branden. In dit punt der aanklagt wordt ook

de beschuldiging neergelegd dat onder en door deze verschillende

straffen en pijnigingen de slaaf Sam gestorven is. Het bleek dat

de beschuldigde met het straffen van den verslagene des morgens

aanving, en dat het den ganschen dag duurde; en dat de verslagene

stierf in het bijzijn van den beschuldigde, een van zijne slaven en

een der getuigen, terwijl de marteling nog steeds werd voortgezet.

Het vonnis van het hof werd bij monde van den regter Field

uitgesproken.

Souther werd beschuldigd en schuldigverklaard aan moord zonder

voorbedachten rade, door de omgaande regtbank van Hanover county,

in hare zitting van April jl., en werd veroordeeld tot vijf

jaren confinement, welk tijdvak door de jury was vastgesteld. De

moord bestond in het dooden van een negerslaaf, genaamd Sam, het

eigendom van den beschuldigde, door wreed en overdreven geeselen

en pijnigen, hem aangedaan door Souther, bijgestaan door twee

zijner slaven op den eersten September 1851. De beschuldigde

verzocht herziening van zijn vonnis, op grond, dat de misdaad

indien zij aanwezig was, niet meer was dan manslag. Het verzoek

om de zaak op nieuw in behandeling te brengen werd afgewezen,

en de redenen, welke geacht werden een nieuw onderzoek noodig

te maken, onvoldoende bevonden. Die redenen waren: Dat de

slaaf Sam, die in de acte van beschuldiging genoemd wordt,

de slaaf en het eigendom van den beschuldigde was. Dat met het

doel den slaaf te straffen voor dronkenschap en den omgang dien

hij erkende, met Henry en Stone, twee der getuigen ten laste,

hij hem vastbond en kastijdde in tegenwoordigheid van gezegde

getuigen; dat hij hem eerst slechts luttel geslagen had met

takken van perzik- of appelboomen, maar daarna op de wijze in de

acte omschreven, nadat hij gezegde getuigen had doen roepen, die

de strafoefening bijwoonden even als verscheidene andere slaven

van den beschuldigde; en dat de slaaf in kwestie stierf onder de

uitoefening van gezegde straf, in tegenwoordigheid van een zijner

slaven en van een der getuigen ten laste. Maar er was geen bewijs

dat het oogmerk van den beschuldigde was den slaaf te dooden,

tenzij dit oogmerk moest worden afgeleid uit de wijze en den duur

der strafoefening. Integendeel was het bewezen, dat de beschuldigde

herhaaldelijk verklaard had, terwijl de slaaf de straf onderging,

te gelooven dat deze slechts voorgaf te lijden maar inderdaad niet

leed. De regter verklaarde daarop dat de slaaf gestraft werd op

de wijze als in de acte van beschuldiging werd vermeld. Die acte

van beschuldiging bevat vijftien punten en loopt over eene zeer

wreede en baldadige geeseling en marteling. [4]

Men mag aannemen dat in de jaarboeken der criminele regtspleging

geene afschuwelijke en verregaande wreede daad vermeld wordt

als die, waarvan in het proces van Souther gesproken wordt; en

toch is met ernst en nadruk door zijn advocaat beweerd, dat hier

slechts sprake kon zijn van manslag.

Die advokaat heeft verder aangevoerd, dat iemand niet aangeklaagd

en vervolgd kan worden wegens hardvochtige geeseling van zijn

eigen slaaf. Dat de wet den meester veroorlooft zijn slaaf te

kastijden, en dat, indien deze kastijding den dood ten gevolge

heeft, dit gelijk te stellen is met den moord door iemand in

het volvoeren eener wettige daad gepleegd, en slechts manslag

kan geacht worden. Door dit Hof is, in het proces tegen Turner,

beslist, dat de eigenaar van een slaaf voor het baldadig, wreed

en hardvochtig slaan van zijn eigen slaaf, niet aangeklaagd kan

worden; maar daaruit volgt in geenen deele, dat, wanneer zulk

baldadig, wreed en hardvochtig slaan den dood ten gevolge heeft,

hoewel dit niet werd beoogd, die mishandelingen als geoorloofd

door de wet moeten beschouwd worden, en de misdaad als manslag

moeten doen qualificeren, wanneer de slagen alleen zijn toegebragt

met het doel den slaaf te kastijden. Het is wel de strekking

der wet, met het oog op de betrekking tusschen heer en slaaf,

en om tegenstand en ongehoorzaamheid bij dezen te voorkomen,

den meester te vrijwaren tegen alle vervolging voor zulk eene

daad, al is dan ook het geeselen en de straf baldadig, wreed en

hardvochtig; maar bij zulk eene overdrevene strafoefening, alleen

om te straffen, handelt de eigenaar van den slaaf voor zijn eigen

risico; en indien de dood het gevolg is van zulk eene kastijding,

kan de betrekking van den meester tot den slaaf geen grond tot

verschooning of eene verzachtende omstandigheid geacht worden. De

beginselen van het gemeene regt, die ten aanzien van den moord

gelden, zijn hier zonder wijziging of uitzondering van toepassing;

en op grond van die beginselen is de daad van den beschuldigde,

in de onderwerpelijke zaak, moord.... De daad van den beschuldigde

is geen manslag maar moord met voorbedachten rade.

Wij voelen ons gedrongen eenige opmerkingen omtrent dat proces hier

te laten volgen.

Die marteling duurde, naar het schijnt, twaalf uren. Zij had plaats

in de county Hanover van den staat Virginia. Twee blanken waren van

nabij van de geheele toedragt getuigen, en deden, voor zoover ons

blijkt, geene poging om de lieden uit den omtrek er bij te roepen en

die gruweldaad te doen ophouden. Welk eene opvoeding, welke zienswijze

doet dit in deze menschen onderstellen!

De zaak werd voor den regter gebragt. Ons gevoel wordt hevig geschokt

bij het lezen der acte van beschuldiging, die men niet gaarne ten

tweeden male zou doorloopen. Men zou ligtelijk meenen, dat zij aller

gemoederen in beweging bragt, dat de bewoners der county allen als

één man zouden zijn opgestaan, om den wreedaard uit te werpen even

als Paulus den adder afschudde. Het blijkt integendeel, dat niemand

partij vatte; dat de regters met eene koelbloedigheid de feiten

onderzochten, en weder onderzochten zoo als men slechts in de annalen

der inquisitie aantreft; dat met nadruk en ernst door beschaafde en

kundige Amerikanen werd beweerd, dat die reeks van gruwelen niet het

feit van moord daarstelden! en, in de koude en duidelijke taal, in de

regtspleging gebruikelijk, dat "de misdaad, indien zij aanwezig was,

slechts manslag was," en dat eene Amerikaansche jury het "moord zonder

voorbedachten rade" noemde. Bij ieder, die de acte van beschuldiging

leest, zal gewis de wensch opkomen, dat, indien men in Virginia dit

"doodslag zonder voorbedachten rade" noemt, een moord met voorbedachten

rade de voorkeur verdient. Had Souther plotseling zijn slaaf een kogel

door het hoofd gejaagd, in tegenwoordigheid van blanke getuigen, dan

zou dit moord met voorbedachten rade geweest zijn; maar nu hij hem

liever twaalf uur lang doodmartelt, onder voorgeven hem te kastijden,

nu, zegt de beschuldiging, dat er slechts doodslag zonder voorbedachten

rade gepleegd is; "omdat," zoo als het verzoek om op nieuw de zaak

in behandeling te nemen, met bewonderenswaardige ongevoeligheid zegt:

"het niet is bewezen, dat het oogmerk was van den gevangene den slaaf

te dooden, tenzij dit oogmerk mogt worden afgeleid uit de wijze en

den duur der strafoefening."

In het vonnis is eene overhelling merkbaar tot het denkbeeld dat twaalf

uren doorgebragt met het slaan, trappen, stompen, branden en verminken

van een menschelijk wezen, wel eenigzins moet beschouwd worden als eene

overschrijding van de grenzen eener geoorloofde kastijding. Maar die

gewaagde meening wordt met omzigtigheid uitgedrukt en met eene zekere

aarzeling, en wordt opgewogen door de omstandigheid, die eveneens in

die merkwaardige acte wordt aangevoerd, dat de beschuldigde, gedurende

de strafoefening, herhaaldelijk verklaarde te gelooven dat de slaaf

slechts voorgaf te lijden, maar inderdaad niet leed. Het schijnt

dat deze omstandigheid door de regters werd aangemerkt als een zeer

aannemelijk bewijs voor de zuiverheid van Southers oogmerken, en het

zeer waarschijnlijk maakte, dat hij slechts eene kastijding op het

oog had.

Ook schijnt het dat Souther, wel verre van de publieke opinie tegen

zich te hebben, er velen vond, die, met hem van oordeel waren, dat

vijf jaren confinement eene onbillijke en te strenge straf was voor

zijn misdaad; van daar zijn verzoek om op nieuw de zaak te doen

behandelen en het appel bij het Hoog Geregtshof; van daar ook de

vorm van het proces: "Souther tegen den Staat." Souther achtte zich

blijkbaar verongelijkt, en het is als zoodanig, dat hij voor het Hoog

Geregtshof verscheen.

Tot dusverre levert het proces geene reden op om van de

menschlievendheid der regtspleging te gewagen. De wijze, waarop

tot hiertoe de zaak behandeld is, herinnert min of meer aan de

regtsgedingen, die men in de geschiedenis der inquisitie vindt,

over het geoorloofde om kinderen beneden de dertien jaren vuur aan

de voeten te leggen, ten einde hun eene bekentenis, die tot bewijs

vereischt wordt, te ontlokken.

Beschouwen wij thans de uitspraak van het Hoog Geregtshof, die de

schrijver van het artikel in den Courier and Enquirer zoo bijzonder

zacht en menschlievend noemt. De regter Field is van oordeel, dat het

eene zeer wreede daad geldt, en in zooverre schijnt hij van zienswijze

te verschillen met den regter, de jury en den advokaat, door wie de

zaak in eerste instantie is behandeld. Verder twijfelt hij, of in

de jaarboeken der regtspleging wel eene tweede zoo barbaarsche daad

voorkomt, welke twijfel misschien zeer gegrond is; en hij neemt aan,

dat het dooden van een slaaf door marteling, onder voorwendsel van

kastijding, moord is met voorbedachten rade; ook hierin zal iedereen

hem moeten gelijk geven; het eenige, waarover men zich verwonderen

moet is, dat het ooit noodig was dat iemand in regten zulk eene

stelling moest opperen. Maar, even onbetwistbaar als de regter Ruffin,

neemt hij het treurige beginsel in de slavenwetgeving aan, dat de wet

niet tusschen beiden kan treden, wanneer de meester zijn slaaf eene

marteling doet ondergaan, die den dood niet ten gevolge heeft. Zoo

het vonnis iets uitmaakt, dan is het dit beginsel. De conclusie der

regtspraak toch luidt:

"Het hof heeft beslist, in het proces tegen Turner, dat de eigenaar

van een slaaf, voor het baldadig, wreed en hardvochtig slaan van

zijn eigen slaaf, niet kan vervolgd worden ....

"Het is de strekking der wet, met het oog op de betrekking tusschen

heer en slaaf en om tegenstand en ongehoorzaamheid bij dezen te

voorkomen, den meester te vrijwaren tegen alle vervolging voor

zulk eene daad, al is dan ook het geeselen en de straf wreed en

hardvochtig ...."

De zeer natuurlijke gevolgtrekking, uit die conclusie af te leiden,

is deze: Wanneer het slagtoffer van die marteling, die twaalf uren

duurde, slechts een weinig sterker gestel hadde bezeten, en er niet

onder bezweken ware, zou er geen wet in Virginia zijn, krachtens

welke Souther kon veroordeeld worden.

Indien dit niet het overtuigendste bewijs is voor de waarheid van

St. Clare's woorden, dat hij, die het verste gaat en het ergste doet,

nog maar de magt gebruikt die de wet hem geeft, "dan weten wij niet

waardoor anders die te staven. Wat is het ergste?" een onmiddellijke

dood of eene langdurige marteling? Die uitspraak geeft in zoo vele

woorden elken meester het regt om eene marteling zoo lang hij wil

voort te zetten, maar ontneemt hem slechts de magt om haar door den

dood, die dan eene weldaad zou zijn, te doen ophouden. En dit is

nu de regterlijke uitspraak die de Courier and Enquirer als eene

overtuigende proeve van de menschlievendheid der regtspleging aanvoert.

Het is te hopen voor den uitgever, dat hij nooit dat proces

in zijn geheel heeft gelezen; indien hij dat gedaan hadde, zou

hij het niet hebben aangehaald. Ieder die het knekelhuis binnen

treedt dier regtspleging, met de hoop een bewijs op te doen voor de

menschlievendheid van het slaven-stelsel--wij zeggen het den Joodschen

dichter na--

Hij weet niet dat de dood daar heerscht,

En dat zijne gasten zijn in de diepten der hel.

De uitslag van dit regtsgeding was, dat aan Souther eenvoudig de

meening van het Geregtshof werd medegedeeld, dat hij in plaats

van vijf jaren gevangenisstraf, verdiende gehangen te worden; maar

de zaak mogt niet ten tweede male in behandeling genomen worden,

en daar wij uit alles mogen opmaken, dat Souther niet zeer fijn van

gevoel was, is het niet waarschijnlijk, dat hij om die meening zich

zwaar bekommerde. Hij zal wel begrepen hebben, dat hem niets anders

overschoot, dan zijne vijfjarige gevangenis zoo goed mogelijk door

te brengen. En wanneer hij weder in vrijheid komt, is er geene wet in

Virginia die hem verbiedt zooveel negers te koopen als hij goedvindt,

en met elk hunner hetzelfde te doen, wat hij met Sam gedaan heeft,

indien hij zich slechts de wetenschap ten nutte maakt, die hij uit

zijn proces heeft kunnen opdoen, en zorgt met de marteling op te

houden vóór de dood er een einde aan maakt, iets waarvoor men zich,

zoo als uit de geschiedenis der inquisitie blijkt, met tamelijk

veel zekerheid kan hoeden. Waarschijnlijk zal hij ook in het vervolg

zoo dwaas niet zijn de tegenwoordigheid van twee blanke getuigen te

verlangen, al waren zij dan ook zoo belangstellend en beleefd om den

ganschen dag de gruweldaad aan te zien zonder eenige poging te doen

om haar te beletten.

De slavernij, zoo als zij volgens de Amerikaansche wetten bestaat,

is evenmin vatbaar om door beginsels van menschlievendheid geregeld te

worden, als het stelsel van marteling bij de inquisitie. Elke daad van

menschlievendheid van eenigen eigenaar is eene onlogische afwijking

van het stelsel der wet, en de rede waarom de Amerikaansche slavenwet

veel hardvochtiger is dan eenige andere, die ooit op de wereld bestaan

heeft, is daarin gelegen dat de Anglo-Saksische volksstam beredeneerder

en koelbloediger is, en een hardnekkiger moed bezit om de gevolgen

te trotseren van elk beginsel, dat hij heeft aangenomen, om een

onregtvaardig beginsel toe te passen met mathematische naauwgezetheid,

tot in zijne meest onregtvaardige uitvloeisels. De regtspraken, in

Amerika gewezen, bewijzen niets zoo zeer als die strenge en onwrikbare

naauwgezetheid in het logisch toepassen van eene wetsbepaling. En niet

zelden leest men vonnissen, die--niet omdat de regters onbarmhartig

of partijdig, maar omdat zij logisch en getrouw zijn--met ijskoude

koelbloedigheid zijn uitgesproken, en die men zou meenen, dat de

aarde zouden doen sidderen en de zon verduisteren.

Het karakter der Franschen en Spanjaarden is meer levendig,

hartstogtelijk en poëtisch dan logisch; van daar dat, ofschoon er meer

gevallen zich mogen voordoen van barbaarschheid van een enkel persoon,

zoo als men verwachten kan bij een vurig en hartstogtelijk volk, in

hunne slavenwet meer gevoel van menschelijkheid heerscht. De wet van

Louisiana bevat meerdere waarlijk menschlievende bepalingen, indien

er slechts maatregelen waren genomen om haar kracht bij te zetten,

dan eenige andere wet in eenigen Staat der Unie.

Er is, gelooven wij, geene slavenwet ter wereld, die zulk eene

volledige verzameling aanbiedt van kristallisaties van elken traan en

elken droppel bloed, die aan de menschheid kan worden afgeperst, en

die met zoo veel zorg, met zoo veel smaak en kennis is gerangschikt,

als de slavenwet van Noord-Amerika. Zij is een kabinet van heelkundige

instrumenten, om het hart van den mensch levend te ontleden;--elk

werktuig is van het beste metaal met zorg vervaardigd en gepolijst,

en voorzien met den naam der zenuwen of aderen of spieren, waarvoor

het bestemd is. De werktuigen van den ontleedkundige zijn van

vergankelijk staal en hout en strekken slechts voor vergankelijke en

aan bederf onderhevige stoffen; maar dit zijn werktuigen van beter

gehalte, bestemd voor eene zedelijke ontleding en strekken om op de

naauwkeurigste en kunstigste wijze de onsterfelijke ziel te verminken,

en den mensch zorgvuldig en trapsgewijze van zijn verheven standpunt,

waarop zijn vrije wil hem plaatst, als maatschappelijk, godsdienstig,

voor zijne daden verantwoordelijk wezen, af te werpen en hem tot

redeloos of bloot stoffelijk voorwerp te maken.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 57 / 220 题