WAT IS SLAVERNIJ?

Thans willen wij in eene beschouwing treden van de slavernij, zoo

als de slavenwetten haar leeren kennen.

Wat is zij volgens de bepaling van het wetboek en van hen, die geroepen

zijn dit toe te passen? "Een slaaf," zegt de wet van Louisiana, "is

iemand, die in de magt is van den meester, aan wien hij behoort. De

meester kan hem verkoopen, over zijn persoon, zijne vermogens en

zijn arbeid beschikken; hij kan niets doen, niets bezitten, niets

verkrijgen, dan hetgeen aan zijn meester moet toebehooren (Burg. Wetb.,

art. 35)." Zuid-Carolina zegt: "Slaven zullen behandeld, verkocht,

in bezit genomen, geschat en toegewezen worden volgens de wet, en

roerende eigendommen zijn, in de hand van hunne eigenaars en bezitters

persoonlijk en van hunne executeurs, administrateurs en gevolmagtigden,

in ieder opzigt en beteekenis." De wet in Georgia is gelijkluidend.

Dat de lezer eens nadenke hoe ver zich deze laatste bepaling kan

uitstrekken. De regter Ruffin zeide, bij het uitspreken van een vonnis

in het Hoog-Geregtshof van Noord-Carolina, een slaaf is "iemand,

die zelf en wiens nageslacht veroordeeld is te leven in onkunde,

onmagtig iets zijn eigendom te maken, en om te werken opdat een ander

de vruchten plukke."

Dat is slavernij--dat is slaaf te wezen! De slavenwet dus in de

Zuidelijke Staten strekt om millioenen menschelijke wezens in

den toestand van roerende eigendommen te houden; om hen in een

toestand te houden, dat de eigenaar hen verkoopen, over hun tijd,

persoon en arbeid beschikken kan; waarin zij niets kunnen verrigten,

niets bezitten, niets verkrijgen dan ten voordeele van hun meester;

waarin zij gedoemd zijn, zij en hunne nakomelingen, om te leven in

onkunde en onmagtig iets tot hun eigendom te maken--te werken opdat

een ander oogste. De wetten op de slavernij strekken om dit vraagstuk

op te lossen in verband met de rust der maatschappij en de veiligheid

van dat verhevene ras, dat volhardt in het bedrijven dier gruweldaad.

Uit die eenvoudige opgave der strekking van de slavenwetten--uit de

overweging dat de klasse van menschen, die op deze wijze vernederd en

verdrukt en voortdurend bestolen worden, menschen zijn met dezelfde

hartstogten als wij, menschen, even goed als wij, oorspronkelijk

geschapen naar Gods beeld, menschen, die deelgenooten zijn dierzelfde

menschheid, waarvan Jezus Christus het hoogste ideaal en de uitdrukking

is--wanneer wij in het oog houden, dat de stof, waarmede men op die

wijze omgaat, dat vreeselijk ontvlambare element is, de menschelijke

ziel, die veerkrachtige, onbedwingbare, onsterfelijke ziel, wier vrijen

wil zelfs de goddelijke Almagt niet binnen perken stelt--kunnen wij

ons een denkbeeld vormen dier ontzettende kracht, die vereischt wordt,

om dat magtigste der elementen in dien staat van verdrukking te houden,

die ons de omschrijving van het woord slavernij doet kennen.

Waarlijk, het stelsel dat men volgen moet om zoo iets tot stand

te brengen en van eeuw tot eeuw in wezen te houden, moet wel een

krachtig stelsel zijn; onze lezers zullen dan ook zien dat het krachtig

is. Zij die de wetten maken en zij die ze toepassen, mogen dan hare

schrikkelijke wreedheid en onmenschelijkheid al gevoelen; zoolang

zij de zaak zelve in wezen willen houden, schiet hun niets anders

over dan de wetten te maken en ze getrouw ten uitvoer te brengen,

wanneer zij gemaakt zijn. Zij mogen dan al met den regter Ruffin, uit

Noord-Carolina, zeggen, wanneer zij plegtig van hun zetel het groote

grondbeginsel der slavernij verkondigen dat "de magt van den meester

onbeperkt moet wezen om de onderwerping van den slaaf volkomen te

doen zijn," zij mogen niet hem zeggen: "Ik kom er openhartig vooruit

dat ik dit voorstel wreed vind; ik voel het zoo diep als iemand

het kan voelen; en als beginsel van zedelijk regt moet ieder het

in zijn binnenste afkeuren;"--met hem zullen zij dan ook verpligt

zijn er bij te voegen, "Maar in de gegevene omstandigheden moet het

zoo zijn... Deze maatregel behoort bij de slavernij.... Zij is een

noodzakelijk vereischte bij de betrekking tusschen eigenaar en slaaf."

En even als de regter Ruffin, zijn mannen van eer, beschaafd en

met edele en menschlievende gevoelens, verpligt, om die strenge

wetten met onverbiddelijke gestrengheid te handhaven. Bij die

altoosdurende reactie dier geduchte kracht, de menschelijke hartstogt

en de menschelijke wil, die onophoudelijk in aanraking komt met die

zamendrukkende kracht, de slavernij, bij dien ziedenden en kokenden

nooit geheel bedwongen vloed, wiens vulkanische golven bruisen onder

het gansche zamenstel der maatschappij gelijk zij thans is ingerigt,

en die gereed is zich een weg te banen bij de minste spleet of

scheur, die onbewaakt is,--is er eene blijvende noodzakelijkheid,

die dwingt tot gestrengheid in de wetten en onverbiddelijkheid in de

uitvoering. Zoo zegt dan ook de regter Ruffin: "de regtbanken zijn niet

geroepen om de regtvaardigheid der zaak te onderzoeken. De slaaf moet,

om slaaf te blijven, weten dat hij van zijn meester in geen hooger

beroep kan komen." Overeenkomstig hiermede, vinden wij in de meer

Zuidelijke Staten, waar de slavenbevolking het talrijkst is, en het

houden van slaven het meest noodig en de slaven zelven het meest waard

zijn--en dus ook het besluit, om bij het stelsel te blijven, de diepste

wortels heeft geschoten--de bepalingen het strengste en de toepassing

door de regtbanken het onwrikbaarste [3]. En wanneer de uitspraak der

regterlijke magt een tegenovergesteld karakter begonnen aan te nemen,

zou dit een bewijs schijnen, dat men tot vrijmaking overhelde. Zoo zeer

strijdt de slavenwet met elk gevoel van menschelijkheid, dat juist,

zoodra men in eene maatschappij begint te wankelen in het vasthouden

aan het stelsel van slavernij, de regters terstond het oor beginnen

te leenen aan hunne betere natuur, en door eene gunstigere uitlegging

zijne noodzakelijke gestrengheid verzachten.

Zulke uitleggingen worden door regtsgeleerden niet zeer

bewonderd. Maar onder de werking van het slavenstelsel, wanneer van die

verantwoordelijke magt, die het toekent, gebruik gemaakt wordt door

de grofste wezens, worden er somtijds zaken voor den regter gebragt,

waarbij de consequente toepassing der wet tot gevolgen zou leiden,

zoo afschuwelijk en vreeselijk, dat de regter liever onlogisch dan

onmenschelijk is. Als eene bron te midden der woestijn, zien wij nu

en dan een edel mensch, door de kracht zijner eigene betere natuur,

een vonnis vellen, dat in strijd is met ieder beginsel en antecedent

in de slaven-regtspleging en wij danken God er voor. Wij wenschten

slechts dat er meer van dezen waren, want dan zouden wij de hoop

voeden, dat de dag der verlossing na op handen was.

De lezer volge ons thans in het bewijs van deze stelling: De slavenwet

strekt slechts tot bescherming van den eigenaar en niet tot het

welzijn van den slaaf.

Dit blijkt uit het geheele stelsel van wetgeving en regtspleging,

en het is vaak uitdrukkelijk bewezen met eene juistheid, helderheid

en naauwkeurigheid, die, uit een regtsgeleerd oogpunt, inderdaad

bewonderenswaardig zijn. Zoo zegt onder anderen de regter Ruffin,

na aangetoond te hebben dat er dikwijls beperkingen van de magt des

eigenaars zijn voortgesproten uit eene vergelijking van slavernij

met de betrekking van ouder tot kind, van meester tot leerling of

van voogd tot pupil:

"De regtbank neemt de gevolgtrekkingen, aan zulk eene

gelijkstelling ontleend, niet aan. De twee gevallen staan

volstrekt niet gelijk, zij staan eer tegen over elkander, er

ligt eene onoverkomelijke kloof tusschen hen...... In het eene

geval beoogt men het geluk van den knaap, die eenmaal dezelfde

regten moet hebben als hij, die over hem gesteld is en op wien de

pligt rust het kind zoo nuttig mogelijk te maken voor den rang,

dien hij later onder blanken zal innemen...... Met de slavernij

is het geheel anders gesteld. Het geldt slechts het voordeel van

den meester, zijne zekerheid en de algemeene veiligheid."

En niet alleen wordt dit beginsel in zoo vele woorden bepaaldelijk

verkondigd, het wordt ook met nadruk gehuldigd in een tal van

argumenten en redeneringen, die ten grondslag liggen aan wettelijke

uitspraken. Ja zelfs bij die maatregelen, welke in het belang van den

slaaf schijnen genomen te zijn, heeft men het menigmaal zorgvuldig

doen uitkomen, dat hij slechts beschermd wordt om zijne waarde als

eigendom voor zijn meester, en niet uit eenig mededoogen voor hem

zelven. Zoo is het dan ook uitgemaakt, dat een eigenaar niet vervolgd

kan worden voor het mishandelen of slaan van zijn slaaf, ten zij de

mishandeling zoodanig zij, dat de dienst er door lijdt.

Het is wel waard na te gaan in welken geest deze kwestie besproken

is. Wij willen daarom een voorbeeld bijbrengen, dat Wheeler in zijn

Law of Slavery, p. 289, mededeelt.

Een zekere Dale werd beschuldigd, dat hij den slaaf van Cornfute

mishandeld en geslagen had. De advocaat van Cornfute beweerde, dat het

niet noodzakelijk was schade aan de dienst veroorzaakt te bewijzen,

om daarvoor eene actie in te stellen; dat zelfs die actie kon worden

ingesteld voor het slaan van het paard van den eischer, en dat de

heer het regt had eene actie in te stellen voor het slaan van zijn

lijfeigene; en wel uit dit beginsel dat, daar de lijfeigene zelf niet

vervolgen kan, het vergrijp niet achterhaald zou hunnen worden, tenzij

de heer daartoe de magt had. Van de andere zijde werd aangevoerd dat,

volgens de uitspraak van den Opperregter Raymond, het slaan van een

paard niet kon vervolgd worden, dan wanneer eenig kennelijk nadeel

aan het dier was toegebragt, waardoor zijne waarde verminderde.

De uitspraak van den regter Chase luidde: dat er voor dit geval geen

regt was te krijgen, omdat de waarde van den slaaf niet verminderd was,

en, zonder dat er nadeel of schade aan den eigenaar berokkend was,

kon geene vordering worden ingesteld; die uitspraak grondde hij,

onder anderen, hierop, dat er ook geene reciprociteit bestond: dat

namelijk de meester niet aansprakelijk was voor mishandelingen of

slagen, waaraan de slaaf zich had schuldig gemaakt, en dus ook op

geene vergoeding regt had, wanneer omgekeerd zijn slaaf de lijdende

persoon geweest was.

Wanneer de lezer nu nagaat aan welk eene verregaande wreedheid en

schandelijke behandeling een slaaf, slavin of slavenkind kan worden

blootgesteld, zonder dat zij daardoor voor het oogenblik ongeschikt

worden voor de dienst van hun meester, dan zal hij een volkomen begrip

hebben van de onmenschelijkheid dier uitspraak.

In dienzelfden geest is in Noord-Carolina uitgemaakt, dat patrols

(personen, die des nachts de wacht houden) niet verantwoordelijk zijn

aan den eigenaar voor de straf, die zij slaven opleggen, tenzij uit

hun gedrag duidelijk blijke, dat zij het gedaan hebben met slechte

bedoelingen jegens den eigenaar.

De onbarmhartigheid van eenige dier wettelijke uitspraken komt

vooral uit in twee vonnissen, in Wheelers Law of Slavery, pag. 243,

te vinden. Omtrent de kwestie of het misdaad is den persoon van een

slaaf te mishandelen of te slaan, zijn er in Noord- en in Zuid-Carolina

twee uitspraken gevallen; en men zou moeijelijk kunnen zeggen welke

der twee om hare meêdoogenloosheid den voorrang verdient. Die van

Zuid-Carolina luidt aldus:

De regter O'Neill zeide;

"Volgens de gewone wet, kan er geene misdaad door mishandeling

of slagen op den persoon van den slaaf gepleegd worden. Want

niettegenstaande (om bepaalde redenen) de slaaf door de wet als

persoon beschouwd wordt, is hij in het algemeen slechts een roerend

persoonlijk eigendom, en zijne regten of persoonlijke bescherming

behooren aan zijn meester, die een actie tot schadeloosstelling

voor het slaan van zijn slaaf kan instellen. Daarom wordt er

geen vergrijp tegen den Staat gepleegd door het eenvoudig slaan

van den slaaf zonder dat dit met wreedheid gepaard gaat, of met

het oogmerk om hem te dooden of te vermoorden. De rust van den

Staat wordt daardoor niet verstoord; want het lot van een slaaf

wordt over het algemeen, volgens de wet; niet beschouwd als met

den vrede van den Staat in verband staande. Hij is geen burger,

en heeft dus als zoodanig geene aanspraak op zijne bescherming."

Hoe kan men sierlijker en kouder de volkomene onverschilligheid van

den Staat voor het lot van den slaaf uitdrukken. Maar in Noord-Carolina

schijnt de zaak met nog meer zorg onderzocht.

De Opper-regter Taylor toont aan, dat er toch nog redenen zijn

waarom het mishandelen of het slaan van een slaaf, wel beschouwd,

in eenig algemeen verband staat met het welzijn en de veiligheid der

maatschappij, zoodat het een inbreuk zou kunnen maken op de rust,

en daarom als strafbaar beschouwd moet worden.

"De slaaf moet--en over het algemeen is hij het ook--geheel

onderworpen zijn aan den wil van zijn meester; van dezen moet

hij verdiend of onverdiend, de straf zich laten welgevallen; want

hij kent de uitgestrektheid der heerschappij over hem gegeven, en

hij weet dat de wet de regten van dezen handhaaft. Maar wanneer

een ander dan de eigenaar zich dezelfde magt wil toekennen, dan

is de natuur geneigd hare regten te doen gelden, en den slaaf tot

wederstand aan te zetten, die dikwijls voor het oogenblik hem baat,

maar hem ook somtijds noodlottig is. De maatschappelijke vrede

is dus verbroken, even goed alsof een vrije man geslagen was:

want de partij van den aanvaller is steeds de sterkste, en zulk

een zamentreffen eindigt meestal dat men zich meester maakt van

den slaaf, en hem eene strenge kastijding doet ondergaan, zonder

de aanleiding van den twist in aanmerking te nemen. Er bestaat bij

gevolg even veel reden om zulke handelingen strafbaar te verklaren,

als zij strafbaar zijn wanneer een blanke er het slagtoffer van

is. Eene willekeurige mishandeling aan den slaaf gepleegd is

eene uittarting van den eigenaar, wiens wrevel wordt opgewekt,

en kan dus eene inbreuk op de rust ten gevolge hebben, wanneer

het dezen namelijk tot dadelijke wraak aanzet. Indien die daad in

drift gepleegd wordt, zou waarschijnlijk de moord slechts manslag

zijn, op denzelfden grond, dien Lord Hale aanvoerde, en waarvan

hij als voorbeeld bijbragt het geval dat A. op den weg reed en

B. zijn paard uit het spoor sloeg, waarop A. in drift ontstak en

B. doodde. Die mishandelingen worden ook gewoonlijk gepleegd door

menschen, wier gedrag oorzaak is, dat zij door de maatschappij

veracht worden en die, daar zij van den omgang met welgezinde

burgers zijn uitgesloten, hun toevlugt zoeken tot den kring van

kleurlingen en slaven, die zij door hun voorbeeld bederven, door

hunne gemeenzaamheid stoutmoedig maken, en die zij daarna slaan,

meenende dat een slaaf zich niet tegenover een blanke durft doen

gelden. Indien zulke daden straffeloos kunnen gepleegd worden, zal

de publieke veiligheid niet enkel in groot gevaar worden gebragt,

maar ook de waarde van den eigendom, die uit slaven bestaat,

aanmerkelijk verminderen, daar zij, die de mishandelingen plegen,

zelden eenige schadevergoeding geven kunnen. In geen geval wordt

het ook vereischt dat hij, die eenige beleediging, werkelijk of

denkbeeldig, van een slaaf heeft ondergaan, zich-zelven regt moet

verschaffen; want de wet zorgt in alle opzigten voldoende, dat

de mishandelingen door slaven gepleegd gestraft worden, door hen

voor een regtbank te regt te doen staan, die hen in het openbaar

kan doen geeselen. Deze bepaling maakt het zelf-regt-verschaffen

niet alleen onnoodig maar ook strafbaar volgens de wet, daar deze

alle personen tegen de aanvallen van slaven beveiligt, zelfs ook

dan, wanneer de eigenaar weigerachtig mogt zijn, om na gedane

klagten zijn slaaf te straffen. De wet is dikwijls ingeroepen en

krachtdadig toegepast bij het wreed mishandelen van dieren, voor

noodelooze en baldadige wreedheid door meesters aan hunne slaven

gepleegd, en voor handelingen in strijd met de kieschheid, de

zeden en de gezondheid. Men moet dus door redenering en analogie

tot het besluit komen, dat een menschelijk wezen, hoewel de

bezitting van een ander, in zoo verre moet beschermd worden,

dat hij geen oorzaak kan zijn, dat de algemeene veiligheid door

hem wordt op het spel gezet.

Ten einde, voor ieder geval den slaaf tot de zoo noodige

gehoorzaamheid te dwingen en hem als eigendom nuttig te doen zijn,

waarborgt de wet aan den meester een onbeperkt gezag over hem,

en zij zal niet ligtelijk in die betrekking tusschen heer en slaaf

tusschen beiden komen. Het is inderdaad grootendeels een waarborg

voor zijne regten als eigenaar, dat de slaaf beschermd wordt tegen

baldadige mishandelingen van de zijde van hen, die geen magt over

hem hebben; want het lijdt geen twijfel, dat een slaaf minder

geschikt zal zijn om zijn meester te dienen, wanneer hij zich

door de wet blootgesteld ziet aan de willekeurige mishandelingen

van een ieder.

Wanneer dit niet een angstig streven verraadt om al wat naar

menschelijkheid zweemt uit de uitspraak, voor zoo ver zij den slaaf

betreft, te verwijderen, en eene rondborstige verklaring bevat, dat

hij slechts beschermd wordt met het oog op de algemeene veiligheid,

en zijne waarde als eigendom voor zijn meester, zouden wij niet weten

hoe anders zulk eene verklaring op te stellen. En na die koelbloedige

voorafgaande opmerkingen is het eenigzins vreemd tot de volgende

zeker geheel onverwachte redenering te zien komen, die in de daarop

volgende paragraaph te lezen is:

"Gematigd als de slavernij is door de menschlievendheid onzer

wetten, de beschaving onzer zeden, en de publieke opinie, die

zich verzet tegen elke daad van wreedheid jegens hen, zou het in

strijd zijn met het stelsel ten hunnen aanzien gevolgd, indien

de mishandeling in de aanklagt vervat niet strafbaar ware."

De lezer gelieve wel in aanmerking te nemen, dat deze merkwaardige

verklaring afgelegd is in Noord-Carolina. Wij zullen gelegenheid

hebben om in het vervolg daarop terug te komen, wanneer wij uit het

wetboek van Noord-Carolina eenige proeven dier menschlievende wetten

bijbrengen.

In denzelfden geest is, op wettelijken grond, in Louisiana beslist,

dat, indien iemand den slaaf van een ander zoodanig mishandelt, dat hij

ten eenemale nutteloos wordt, en de eigenaar van dien persoon de volle

waarde van den slaaf ontvangt, deze daardoor, van dat oogenblik af,

het eigendom wordt van den persoon, die hem mishandelde. In Wheelers

Law of Slavery vinden wij een regtsgeding dat daarop betrekking

heeft. Eene vrouw stelde eene actie in voor de mishandeling van haar

slaaf door den slaaf van den gedaagde. De mishandeling was van dien

aard, dat hij ten eenemale onbruikbaar werd, daar zijn eenig oog

hem was uitgestoken. De regtbank in eersten aanleg besliste, dat

haar 1200 dollars zouden worden uitbetaald; dat de gedaagde voorts

zou betalen 25 dollars 's maands van het oogenblik af, dat de daad

gepleegd was, als ook de rekening van den geneesheer en 200 dollars

voor het onderhoud van den slaaf gedurende zijn gansche leven, die

nu voor altijd in het bezit zijner eigenares zou blijven.

De zaak kwam in hooger beroep. De regter vernietigde het vonnis en

wees den slaaf toe aan hem, wiens slaaf de misdaad had bedreven. In

den loop van het geding, merkte de regter op met die koelbloedigheid en

duidelijkheid, waardoor de meeste gedingen van dezen aard merkwaardig

zijn:

"Het menschlievend beginsel, dat ons tot de veronderstelling

zou leiden, dat de meesteres, wie hij lang heeft gediend, haar

ongelukkigen blinden slaaf liefderijker zou behandelen, dan de

beklaagde, aan wien het vonnis de slaaf gehaat moet maken, kan

bij de beslissing in deze niet in aanmerking komen."

Een ander geding, voorkomende in Wheelers Law, p. 198, willen wij hier

slechts in de hoofdtrekken mededeelen. Het is de zaak tusschen Dorothee

en Coquillon. Een jong meisje moest, bij testamentaire beschikking

harer meesteres, op haar een-en-twintigste jaar in vrijheid worden

gesteld; verder was bij dat testament bevolen, dat zij tot dien tijd

zou worden onderwezen, op eene wijze dat zij later, wanneer zij vrij

was, haar eigen brood kon verdienen, terwijl hare diensten tot op

het oogenblik van hare in-vrijheid-stelling vermaakt werden aan de

dochter van den gedaagde. Hare moeder (eene vrije vrouw) diende eene

klagt in, dat er niet gezorgd werd voor de opvoeding van het kind,

en dat zij mishandeld werd. De strekking van hare klagt was, dat het

kind op een-en-twintig jarigen leeftijd in vrijheid zou worden gesteld

en intusschen door den Sheriff zou worden verhuurd. De uitspraak viel

ten nadeele der moeder uit, op grond--dat zij niet handelen mogt voor

hare dochter in een geval, dat de dochter, indien zij meerderjarig was,

niet voor haar zelve zou hebben mogen handelen, daar haar aanklagt

strekte om mishandelingen te doen ophouden gedurende den tijd van

slavernij, waarover een slaaf geene actie kan instellen.

En thans het volgende geding tusschen Jennings en Fundeberg. Het

schijnt dat Jennings eene actie tot schadevergoeding instelde tegen

Fundeberg voor het dooden van zijn slaaf. De toedragt der zaak was

deze: Fundeberg vervolgde, met anderen, weggeloopen negers, verraste

hen in hunne legerplaats, en, zoo als het proces-verbaal zeide,

"schoot zijn geweer op hen af, toen zij vlugtten, om hen tot stilstaan

te dwingen." Een van hen werd in het hoofd getroffen, en was dus tot

stilstaan gedwongen;--en de eigenaar van den knaap stelde eene actie

tot schadeloosstelling in tegen hem, die zijn slaaf gedood had.

De uitspraak der regtbank in eersten aanleg was als volgt:

De regtbank "is van oordeel dat de dood toevallig, en de gedaagde

daarvoor niet verantwoordelijk kan worden gesteld..." wanneer iemand

wettig zich ophoudt met het eigendom van een ander en het zonder

opzet vernietigt, kan hij niet van doodslag beschuldigd, of tot

schadeloosstelling voor de vernietigde waarde aangesproken worden. In

de onderwerpelijke zaak was de gedaagde bezig met eene wettige en

verdienstelijke daad, en, indien hij werkelijk zijn geweer afschoot

op de wijze door hem verklaard, was het eene geoorloofde daad.

Het hof, waarbij men van dit vonnis in appèl kwam, vernietigde

die uitspraak, op grond dat, wanneer men met het eigendom van

een ander omgaat, men aansprakelijk is voor elke schade, die door

eene zekere mate van omzigtigheid had kunnen vermeden worden. "Het

vuurgeven.... geschiedde te spoedig en onvoorzigtig."

Spreekt de geest van geheel dit geding zelf niet reeds genoeg?

Ook het daarop volgende proces, in Wheelers Law, p. 202, van Richardson

tegen Dukes, willen wij hier inlasschen.

Schadeloosstelling voor het dooden van den slaaf des eischers.

Het is gebleken, dat de slaaf aardappelen stal van eene bank

bij het huis des beklaagden. De beklaagde schoot op hem een met

ganzenhagel geladen geweer af en doodde hem. De jury veroordeelde

den beklaagde tot eene boete van één dollar, ten behoeve van den

eischer. Hooger beroep.

Het hof. De regter Nott beweerde, dat de uitspraak vernietigd

moest worden; dat de jury aan den eischer de waarde van den

slaaf moest doen uitbetalen. Dat, zoo de jury van oordeel was,

dat de slaaf een slechten inborst bezat, dit eenige vermindering

in den prijs zou kunnen ten gevolge hebben, maar dat de eischer

in ieder geval regt had op eene schadeloosstelling voor het dooden

van zijn slaaf. Wanneer de eigendom betrokken is, geeft de waarde

van het artikel, die zoo na mogelijk kan bepaald worden, een regt,

dat men geene vrijheid heeft te schenden.

Het schijnt dat de waarde van dit ongelukkig eigendom min of

meer te lijden had door de omstandigheid, dat het aardappelen

stal. Ongetwijfeld had het daarvoor goede redenen; dit althans zouden

wij afleiden uit de volgende opmerking in een der redevoeringen van

den regter Taylor uit Noord-Carolina.

De wet van 1786 erkent in den considerans het feit, dat velen,

door mishandeling van hunne slaven, oorzaak zijn, dat deze

misdaden plegen, waarvoor zij gestraft worden.... De mishandeling,

hier bedoeld, moet bestaan in het onthouden van het vereischte

voedsel en kleeding: en de misdaden, welke daaruit voortspruiten,

moeten geacht worden te strekken tot het aanschaffen van voedsel

en kleeding.

Welligt was het stelen van aardappelen in dit geval een van die

misdaden, waarop gedoeld werd.

Nog vinden wij het volgende geding.

De gedaagden hadden zich, met het oogmerk gevlugte negers te

achterhalen, naar de plantage begeven van den heer Whitsell, in

welks nabuurschap velen dezer zich hadden verscholen, en welke

plantage in een staat van oproer verkeerde. Toen zij het huis

naderden, met geladen geweren, sprong een neger uit, of uit de

nabijheid van het huis te voorschijn en liep naar eene moeras;

maar men gaf vuur en doodde hem.

De regter verklaarde voor de jury, dat er omstandigheden konden

bestaan, door de spanning en oproerigheid der omliggende streek,

waarin het dooden van een neger zonder magtiging der overheid

geoorloofd was.

Deze uitspraak werd vernietigd door het Hoog Geregtshof door de

volgende eindbeslissing.

Volgens de wet van 1740 mag een blanke den slaaf kastijden

en in ligten graad straffen, wanneer hij buiten de plantage

gevonden wordt, waarop hij werkzaam is, en wanneer de slaaf den

blanke aanrandt mag deze hem dooden; maar een slaaf die slechts

wegloopt mag niet gedood worden. De gedaagden zijn ook, volgens

de gewone wet niet strafbaar, indien wij den neger als persoon

beschouwen; want de wet heeft hem de magt niet toegekend, om een

neger als misdadiger te beschouwen, en zonder die magt mogen zij

hem niet dooden.

Indien wij den neger als persoon beschouwen, zegt de regter, en door de

uitspraak in deze zaak, geeft hij blijkbaar te kennen, dat hij allezins

tot die meening overhelt; maar zoovele uitstekende autoriteiten op

het gebied der regtsgeleerdheid hebben het tegendeel beweerd, dat

hij niet dan schroomvallig en in den vorm eener hypothese voor zijn

gevoelen uitkomt. De lezer zal welligt niet weten, dat de kwestie of de

slaaf in eenig opzigt als persoon of menschelijk wezen moet beschouwd

worden, breedvoerig en aan beide zijden door bekwame mannen voor de

geregtshoven is bepleit, en wij achten ons gelukkig, dat de balans der

meening van de regterlijke magt ten gunste van den slaaf overhelt. De

regter Clarke uit Mississippi drukt zich zeer duidelijk uit, en voert

juiste en treffende argumenten aan, ofschoon, zoo als hij zelf erkent,

tegenover zeer achtenswaardige autoriteiten in het regtswezen, dat

de slaaf persoon, dat hij een redelijk wezen is. Zijne redevoering

komt voor in het proces van den Staat Mississippi tegen Jones, en is

ook als letterkundig voortbrengsel de aandacht van den lezer wel waard.

Het schijnt dat de moord op een slaaf gepleegd was uitgemaakt en

bewezen voor den gewonen regter, maar dat men niet in het vonnis had

berust, en zich in appèl had begeven, op grond dat er in dien Staat

geen slavenmoord bestond. De regter Clarke sprak toen aldus:

"De vraag is hier, of het doodslaan van een slaaf moord is. Omdat

er wezens zijn, die door de maatschappij van vele hunner regten

zijn beroofd, volgt daar nog niet uit, dat zij van alle regten

zijn verstoken. In sommige opzigten mogen de slaven als roerende

goederen beschouwd worden, in andere opzigten zijn zij echter

menschen. De wet rekent hen in staat tot het bedrijven van

misdaden. Dit kan slechts zijn op grond dat zij menschen en

redelijke wezens zijn. De raadsman van den gedaagde heeft zich

herhaaldelijk beroepen op de Romeinsche wet. Die wet gold slechts

voor het Romeinsche Rijk, en gaf magt over leven en dood ten

aanzien van krijgsgevangenen, die slaven werden, maar zij geldt

hier evenmin als eene zelfde magt dáár aan de ouders gegeven over

het leven van hunne kinderen. Hij heeft ook met nadruk gewezen op

het proces, in Tylors Reports aangehaald, dat in Noord-Carolina

gevoerd is; maar in die zaak waren twee regters tegen één van

oordeel, dat het dooden van een slaaf moord was. De regter Hall,

die in bovengenoemde zaak, bij dat verschil van meening, het

vonnis sloeg, grondde zijne conclusie op, zoo als wij meenen,

valsche beginselen, door het Romeinsche regt hier van toepassing

te verklaren. Zijne gevolgtrekking dus, dat iemand niet met den

dood kan gestraft worden, omdat zijne zaak tot de competentie

van den burgerlijken regter behoort, wordt noch door het gezond

verstand noch door eenige autoriteit gewettigd, maar schijnt

ons toe met beiden lijnregt in strijd te zijn. Vóór vele jaren

werd in Virginia het regt over leven en dood van de slaven, bij

de wet verleend; maar Tucker merkt op, dat, zoodra deze wet was

ingetrokken, door al de regtbanken werd aangenomen dat het dooden

van een slaaf moord moest zijn. In het proces van den Staat tegen

Dolly Chapman wegens het baldadig dooden van een slaaf, werd het

in Virginia uitgemaakt dat slaven personen zijn. In de constitutie

der Vereenigde Staten worden de slaven uitdrukkelijk als "personen"

aangeduid. In dezen Staat heeft de Wetgevende Magt de slaven als

redelijke en verantwoordelijke wezens beschouwd; en het zou eene

smet zijn op de eer van een Staat, en een blaam op de regterlijke

magt, indien men straffeloos een slaaf het leven mogt ontnemen,

of in koelen bloede mogt vermoorden, zonder dat de schuldige de

grootste straf onderging, die in de criminele regtspleging van zulk

een Staat bekend is. Heeft de slaaf geene regten, omdat hij van

zijne vrijheid is verstoken? Hij is toch een menschelijk wezen, en

bezit al die regten, waarvan hij niet beroofd is door de stellige

bepalingen der wet; maar te vergeefs zouden wij naar eenige wet

zoeken, door eene verlichte en menschlievende wetgeving gemaakt,

die zelfs aan den meester, nog veel minder aan een vreemdeling,

magt over leven en dood van een slaaf gaf. Zulk eene wet zou den

tijd van Draco of Caligula waardig zijn, en zou als uit eenen

mond afgekeurd worden, door al de onderdanen van dezen Staat,

waar zelfs wreedheid jegens slaven, en nog veel meer een moord

op hen gepleegd, aan de algemeene verachting bloot staat. Door

de bepalingen onzer wet kan een slaaf een moord plegen en ter

dood veroordeeld worden: is het dus ook geen moord een slaaf te

dooden? Kan een bloot roerend eigendom een moord begaan en aan

eene straf worden onderworpen...

Het regt van den meester ontstaat niet door de natuurwet of het

volkenregt maar alleen krachtens eene stellige wet van den Staat;

en al geeft deze aan den meester het regt om diensten van zijn

slaaf te eischen, en vergt zij van hem dat hij den slaaf van zijne

geboorte tot zijn dood zal voeden en kleeden, daarom geeft zij den

eigenaar nog de magt niet om zijn slaaf het leven te ontnemen;

en indien zulk eene daad geen moord is, dan is zij ook geene

misdaad, en kan de dader daarvoor niet strafbaar zijn.

Het ontnemen van het leven aan een redelijk schepsel, kwaadwillig

en met voorbedachten rade, is volgens de gewone wet moord. Is

een slaaf geen redelijk schepsel;--is hij geen menschelijk

wezen? Is de beteekenis van dat woord redelijk schepsel eene

andere dan: menschelijk wezen? Het dooden van een krankzinnige,

van een ongeboren kind zelfs is moord even goed als het dooden

van een geleerde; en heeft nu de slaaf niet even veel rede als

een krankzinnige of een ongeboren kind?"

Zoo overtuigend moest het in de negentiende eeuw der Christelijke

jaartelling en in den Staat Mississippi aangetoond worden, dat de

slaaf een redelijk schepsel--een menschelijk wezen is!

Van welken aard was het stelsel, van welken aard de algemeene

zienswijze, die zulke argumenten noodzakelijk maakten?

Laat ons een blik slaan op eenige stellingen, die met betrekking tot

den toestand der slaven in die redenering voorkomen. Volgens den regter

Clarke heeft men menschelijke wezens van vele hunner regten beroofd;

want hij zegt: "Omdat wezens beroofd zijn door de maatschappij van

vele hunner regten, volgt daaruit dat zij verstoken zijn van al hunne

regten?" en verder: "hij is toch een menschelijk wezen, en bezit al

die regten, waarvan hij niet beroofd is door de stellige bepalingen

der wet." Hier neemt hij dus aan, dat de bepalingen der wet den

slaaf van zijne natuurlijke regten berooven. Later zegt hij weder:

"het regt van den eigenaar bestaat niet door de natuurwet of het

volkenregt, maar krachtens eene stellige wet van den Staat." Volgens

de uitspraak van dien regter bestaat dus slavernij krachtens hetzelfde

regt, waardoor iedere soort van diefstal of verdrukking bestaat--het

regt van den sterkste. Eene bende roovers in een Staat heeft regten,

juist van denzelfden aard, op al de naburige eigendommen, waarvan

zij zich kan meester maken.

Met gewetenlooze onverschilligheid huldigt de wet datzelfde stelsel

van geweld en diefstal, dat het beginsel der slavernij is, en bepaalt

zij hoever de eigenaar gaan kan in het zich toeëigenen van een ander

menschelijk wezen.

De kwestie ontstaat: Mag een eigenaar eene vrouw geven aan den een en

hare ongeboren kinderen aan een ander? Zien wij hoe die vraag beslist

wordt, Wheeler, p. 28. De ongelukkige vrouw, die hier aangehaald

wordt, om aan hare zaak dit belangrijke regtspunt te toetsen, komt

voor in het testament van een zekeren Samuel Marksbury, onder den naam

en bijnaam van "mijne ligtekooi, de negerin Pen." Deze Samuel zegt

in zijn uitersten wil, uit genegenheid en liefde voor zijne eigene

kinderen, dat hij die negerin geeft aan zijn zoon Samuel en al hare

nog te verwachten nakomelingen aan zijne dochter Rachel. Toen die

dochter Rachel huwde, eischte haar echtgenoot die nakomelingen--daar

het terstond bewezen was, dat "de ligtekooi verscheidene kinderen

had." Nu ontstaat er een belangrijk proces, dat al de scherpzinnigheid

der regtsgeleerden op de proef stelt. De regtbank in eersten aanleg

beslist, dat Samuel Marksbury de ongeboren kinderen niet had kunnen

vermaken, uit kracht van den regtsregel: "Nemo dat quod non habet",

d. i., "niemand kan geven wat hij niet heeft", dien men zeker klaar

en voldoende zou achten. Nogtans, de zaak komt in hooger beroep;

het Hoog Geregtshof vernietigt de uitspraak; laat ons de redenen

daarvoor hooren.

De regter erkent de kracht van den regtsregel, hierboven

aangehaald,--zegt, zoo als wel te denken was, dat het een zeer juiste

en duidelijke regel is--het eenige bezwaar is, dat hij niet op het

onderwerpelijke geval van toepassing kan zijn. En waarom niet?

"Hij, die de absolute eigenaar is van eene zaak, bezit ook al

de eigenschappen van die zaak om meer waarde te verkrijgen of te

vermeerderen, en hij kan ongetwijfeld over die grootere waarde of

die vermeerdering beschikken zoo goed als over de zaak zelve. Zoo

is het bij voorbeeld een alledaagsche zaak dat men over de renten

of vruchten van eenig bestaand eigendom beschikt, en het is niet

zeldzaam dat een eigenaar van schapen de wol van eene kudde voor

jaren verkoopt."

Men zie ook op de volgende bladzijden Fanny tegen Bryant en Marshall's,

Rep., p. 368. Daar vindt men geheel dezelfde zienswijze, en indien

de lezer verder gaat, zal hij die beginselen ook toegepast vinden

op het huren, verkoopen en verpanden van ongeboren kinderen; en de

onverschilligheid, die in de pleidooijen daaromtrent heerscht, is

slechts te vergelijken met het kerven van het ontleedmes door al de

hartzenuwen van een levend ligchaam, met het doel om de wetten van

de zamentrekking der zenuwen te leeren kennen.

De regter Stroud verklaart in zijne schets van de slavenwetten op

bladz. 99, dat de strafbepalingen in de slaven-Staten veel strenger

zijn voor de slaven dan voor de blanken, en tot staving voert hij de

volgende edele en menschlievende beschouwingen aan:

"Men mag niet veronderstellen, dat een wezen, dat niet eens

lezen kan, dat niet voorgelicht wordt door de godsdienst, en

slechts weinig door goede voorbeelden wordt gevormd, een juist

begrip heeft van den aard en de uitgebreidheid van zedelijke

of maatschappelijke pligten. Deze opmerking geldt, met slechts

eene kleine wijzing, voor de slaven in het algemeen. Men heeft

aangetoond, dat de voordeelen eener goede opvoeding voor hen zeer

luttel zouden zijn, daar de kans dat zij eenig begrip zouden

krijgen van de voorschriften van het evangelie zoo gering is,

dat zij naauwelijks in aanmerking kan komen. Zij mogen dus

ten eenemale onbekwaam geacht worden om de kracht eener wet te

begrijpen; en daarom moeten die wetten, welke bepaaldelijk voor

hen gemaakt zijn, zich aanbevelen door eenvoud en toegevendheid.

"Hun toestand vereischt ook, om eene andere reden, toegevendheid

ten hunnen aanzien. Zij kunnen niet lezen, en hoe kunnen zij, die

weinig of geen omgang hebben met hen, die beter onderwezen zijn,

te weten komen, dat er eene wet voor hen gemaakt is? Gehoorzaamheid

te vergen aan eene wet, die niet is afgekondigd, die den onderdaan

onbekend is, heeft men ten allen tijde onbillijk en tyranniek

geacht. Al had men de regering van Caligula niets anders dan dit

te verwijten, reeds daarom zou zij ten eeuwige dage met afschuw

worden genoemd.

"De wetgevers in de slaven-Staten schijnen bij de zamenstelling

hunner strafwetten geheel die aanspraak van den slaaf op hunne

toegevendheid uit het oog verloren te hebben. De verharde booswicht

maakt hun medelijden gaande, en hem worden althans de wetten bekend

gemaakt vóór men van hem verwacht, dat hij ze op zal volgen; maar

voor den onwetenden slaaf geldt eene gansche reeks van wreede

bepalingen, waarvan hij waarschijnlijk nimmer zal gehoord hebben.

"Vele dier bepalingen hebben alleen betrekking op den slaaf,

en voor elk vergrijp daartegen moet hij zwaar boeten; terwijl

wat betreft misdrijven, waaraan zoowel blanken als slaven zich

kunnen schuldig maken, veel strenger straffen worden opgelegd

aan de laatsten dan aan de eersten."

Deze heftige aanval van den regter Stroud staaft hij door twintig

bladzijden met bewijzen, waarin hij de schandelijke verhouding aantoont

tusschen het aantal misdrijven, waarvoor een slaaf, en die, waarvoor

een blanke wordt ter dood veroordeeld. Betreffende dit punt vinden

wij de volgende onbarmhartige opmerking in Wheelers Law of Slavery

in de noot op bladz. 222.

"Veel is er gezegd over het gebrek aan verhouding tusschen de

straffen voor de blanke bevolking en voor de slaven en negers in

denzelfden Staat; dat namelijk slaven met veel meer gestrengheid

worden gestraft dan blanken, voor het plegen van dezelfde

misdaden. Die beschuldiging is voorzeker in zeer vele opzigten

waar. Maar men moet in het oog houden, dat de hoofdstrekking

der strafwetten oorspronkelijk was: de bescherming en veiligheid

van hen, die ze maakten. De slaaf werkt daaraan niet mede. Hij

is slechts een van de oorzaken van het kwaad, dat de andere

klasse van menschen vreest, en waarin men verwacht, dat die

wetten zullen voorzien. Dat hij verantwoordelijk wordt gesteld

voor eene inbreuk op die wetten, die de andere klasse tot hare

beveiliging heeft daargesteld, is het natuurlijk gevolg van den

toestand waarin hij geplaatst is. De gestrengheid dier wetten,

is dan ook altijd een uitvloeisel van de vrees voor dat gevaar,

werkelijk of denkbeeldig, die de andere klasse koestert."

"Het is altijd zoo geweest bij alle volken, en het zal altijd

zoo blijven, omdat er verschil bestaat tusschen vrije en onvrije

menschen."

Een treffend voorbeeld van eene wettelijke uitspraak, waaruit die

ongelijkheid blijkt, vinden wij in hetzelfde werk op bladz. 224. De

zaak komt hoofdzakelijk hierop neder:

De gedaagde, Mann, had voor een jaar eene slavin gehuurd. De slavin

pleegt, in dien tijd, een misdrijf van weinig belang, waarvoor de

gedaagde haar strafte. Terwijl hij dit doet, loopt de slavin weg; hij

schiet op haar en treft haar doodelijk. De regter bij de regtbank in

eersten aanleg gaf aan de jury zijn gevoelen te kennen dat, indien zij

de straf wreed en te gestreng achtte en onevenredig aan de misdaad,

de gedaagde volgens de wet schuldig was, daar de slavin slechts in

zeker opzigt zijn eigendom was. De jury had reden om aan te nemen, dat

de straf te wreed, ongeoorloofd en onevenredig aan het misdrijf was

geweest, en veroordeelde den gedaagde. Maar op welken grond?--omdat,

krachtens de wetten van Noord-Carolina, het wreed, ongeoorloofd en

onevenredig aan het misdrijf straffen van een slaaf door zijn meester

eene strafbare daad is? Neen. Zij veroordeelde den gedaagde, niet

omdat de straf wreed en ongeoorloofd was, maar omdat hij de persoon

niet was, die haar mogt opleggen, "daar de slavin slechts in zeker

opzigt zijn eigendom was."

De gedaagde kwam in hooger beroep; de uitspraak werd vernietigd,

op grond, dat de huurder, voor den tijd der huur, in het bezit

was van al de regten des eigenaars. De opmerkingen van den regter

Ruffin zijn zoo karakteristiek en drukken met zoo veel kracht den

strijd uit tusschen het menschelijk gevoel van den regter en de

volstrekte noodzakelijkheid eener juiste toepassing der slaven-wet,

dat wij haar voor het grootste gedeelte willen overnemen. Men kan

zich slechts over de onverstoorbare kalmte verwonderen, waarmede een

man, die blijkbaar bezield is met edele en menschelijke gevoelens,

over de verschrikkelijkste gevolgtrekkingen en conclusies heenstapt,

uit gehoorzaamheid aan de gestelde wetten.

"Een regter," zegt hij, "kan het slechts betreuren, dat geschillen,

als het tegenwoordige, aan hem onderworpen worden. Het is niet

mogelijk de oorzaken te toetsen, waaruit zij voortspruiten,

maar waar instellingen als de onze bestaan, kan men ze wel

doorgronden. Ook de strijd in des regters eigen binnenste tusschen

zijn gevoel als mensch en zijn pligt als overheidspersoon is

heftig, en brengt hem in eene zware verzoeking, om, indien hij het

mogt, die kwesties onaangeroerd te laten. Maar het is noodeloos

te klagen over pligten, die het noodzakelijk uitvloeisel zijn

van onzen staatkundigen toestand; en het is eene regtbank niet

geoorloofd eene verantwoordelijkheid van zich te werpen, die

de wet haar oplegt. Met hoeveel tegenzin zij er zich dan ook

aan leent, de regtbank is gedwongen een oordeel te vellen over

de uitgestrektheid der heerschappij van den meester over zijn

slaaf in Noord-Carolina. De aanklagt betreft het slaan van Lydia,

den slaaf van Elizabeth Jones.... Het geldt hier de vraag, of het

wreed, onredelijk slaan van een slaaf door een huurder strafbaar

is. De jury, die in deze zaak reeds uitspraak heeft gedaan, heeft

haar in dien zin beslist. Zij schijnt dit te hebben gedaan op

grond, dat de gedaagde slechts in zeker opzigt eigendom was. Onze

wetten beschouwen den eigenaar of ieder ander, in wiens bezit en

onder wiens bevel de slaaf is, als bekleed met dezelfde magt. Het

betreft altijd eene zelfde zaak: de diensten van den slaaf, en

dezelfde magt moet dus verleend worden. In een crimineel proces

en in ieder ander opzigt is de huurder en bezitter van een slaaf,

met betrekking tot regten en pligten beiden, voor een bepaalden

tijd eigenaar.... Maar omtrent de vraag in het algemeen, of de

eigenaar in criminali verantwoordelijk is voor het slaan van zijn

eigen slaaf of het uitoefenen van eenig ander gezag of geweld,

niet verboden bij de wet, koestert de regtbank naauwelijks eenigen

twijfel. Dat hij daarvoor in regten kan betrokken worden is nimmer

bij regterlijke uitspraak beslist, en, zoo ver mij bekend is,

tot hiertoe nimmer beweerd. Er is nimmer eenige actie van dien

aard ingesteld. Uit de bestaande gewoonte en het algemeen gebruik,

daaromtrent hier te lande gevolgd, blijkt genoeg hoe ver de magt

strekt, die de maatschappij noodig acht tot bescherming van het

eigendom eens meesters. Indien wij anders dachten, zouden wij

toch ons oordeel niet kunnen stellen tegenover het oordeel van

ieder ander, en zeggen dat deze of gene autoriteit gerustelijk

kan ter zijde gesteld worden.

Men heeft de betrekking van meester tot slaaf gelijk gesteld

met andere maatschappelijke betrekkingen; en ons argumenten

tegengeworpen, ontleend uit de wetsbepalingen, die de magt regelen

van den ouder over het kind, den voogd over den pupil, den meester

over den leerling; maar de regtbank kan de beginsels, waarop

die bepalingen berusten, hier niet van toepassing verklaren. De

gevallen staan niet gelijk; zij zijn met elkander in strijd en

tusschen hen ligt een onoverkomelijke kloof. Het verschil is dat,

hetwelk tusschen vrijheid en slavernij bestaat en grooter verschil

kan men zich niet denken. Bij het een heeft men ten doel het

geluk van het kind, geboren om dezelfde regten te genieten, welke

hij bezit, op wien de pligt rust het kind zoo nuttig mogelijk

te maken voor de plaats die het later onder de vrijgeborenen

zal innemen. Voor dat doel en voor zulk een toekomstig lid der

maatschappij, schijnen redelijke en verstandelijke ontwikkeling de

natuurlijkste middelen, en deze zijn ook in den regel voldoende

bevonden. Een gematigde magt is slechts den voogd of ouder

toegekend om zijn gezag krachtdadig te maken. Indien die magt te

kort schiet, dan is het beter de betrokken personen aan hun eigen

hartstogten en de straf, waarmede de wet hen bedreigt, over te

laten, dan toe te staan dat zij onbeperkt worde uitgeoefend door

eenig bijzonder persoon. Met de slavernij is het geheel anders

gesteld. Daarbij beoogt men het voordeel van den meester, zijne

zekerheid en de publieke veiligheid; hij, wien het geldt, is een

persoon, veroordeeld, hij zoowel als zijne nakomelingen, om in

onkunde te leven, onmagtig om iets tot zijn eigendom te maken,

gedoemd te arbeiden opdat een ander de vruchten plukke. Door

welke redeneringen kan men zulk een wezen overtuigen van iets

dat zelfs den domste als ten eenemale onwaar moet voorkomen,

dat hij namelijk tot dien arbeid veroordeeld is op grond eener

zedelijke verpligting of ter wille van zijn eigen geluk. Zulke

diensten kunnen slechts gevergd worden van iemand, die geen eigen

wil heeft; die zijn wil onvoorwaardelijk ondergeschikt maakt aan

dien van een ander. Zulk eene ondergeschiktheid is alleen denkbaar

bij eene onbeperkte magt over zijn ligchaam. Niets anders is in

staat zulk een invloed uit te oefenen. De magt van den meester

moet absoluut wezen, om de onderwerping van den slaaf volkomen

te doen zijn. Ik kom er openhartig voor uit, dat die uitspraak

wreed is. Ik voel het zoo diep als iemand het voelen kan; en

als beginsel van zedelijk regt, zal ieder in zijn binnenste het

afkeuren; maar in den tegenwoordigen stand van zaken, moet het

zoo zijn; er is geen geneesmiddel. Dit beginsel behoort bij de

slavernij. Het kan er niet aan ontnomen worden, zonder op eens

al de regten aan den meester te ontnemen en den slaaf van zijne

onderwerping te ontheffen. Het is de vloek der slavernij, zoowel

voor de vrijen als voor de slaven in onze maatschappij, maar het is

het noodzakelijk vereischte bij de betrekking van den eigenaar tot

den slaaf. Dat er bijzondere feiten kunnen plaats hebben, die zoo

wreed en barbaarsch zijn, dat de wet verpligt is tusschen beiden

te treden, is zeer waarschijnlijk. De moeijelijkheid is slechts

waar eene regtbank tusschen beiden mag komen. In het afgetrokkene

zou men slechts behoeven te vragen, welke magts-uitoefening van

den meester binnen de perken van regt is, en het antwoord zou

waarschijnlijk alle moeijelijkheden wegruimen: maar wij mogen de

zaak niet uit dat oogpunt beschouwen. Het is ons niet geoorloofd

in algemeene beschouwingen omtrent de zaak zelve te treden. Wij

mogen de regten van den meester niet bij eene regtbank ter toetse

brengen. De slaaf moet, zal hij slaaf blijven, weten dat hij van

zijn meester niet in hooger beroep kan komen; dat deze zijne magt

in geen geval zich aangematigd heeft, maar dat zij hem is toegekend

door de wetten der menschen althans, zoo niet door God. Waarlijk

er zou groot gevaar te duchten zijn, indien de regtbanken geroepen

moesten worden om de straf te wijzigen naar iedere soort en de

mate van ieder verzuim van pligten der dienstbaren."

"Niemand kan de vele en tergende uittartingen van den meester

voorzien, waartoe de slaaf door zijne eigene hartstogten of door

anderen wordt aangezet; noch den toorn van den meester, die zich

misschien eensklaps en bloedig op hem zal wreken; eene wraak die

gewoonlijk straffeloos gepleegd wordt, omdat zij in het geheim

plaats heeft. Het Hof doet dus gaarne afstand van die magt om

de verhouding, waarin deze twee elementen onzer maatschappij tot

elkander staan, te veranderen.......

"Ik herhaal het: gaarne zou ik mij aan de beslissing in deze

zaak onttrekken, maar, daartoe geroepen, is het Hof gedwongen

tot de verklaring, dat, daar de slavernij bij ons bestaat, in

den tegenwoordigen stand van zaken en zoolang de Wetgevende Magt

het niet noodig zal geoordeeld hebben stellig het tegendeel te

bepalen, het gebiedend de pligt is des regters om de onbeperkte

magt van den eigenaar over zijn slaaf te erkennen, behalve in

die gevallen waarin zij door de wet verboden is.

En die verklaring leggen wij af op grond dat die magt noodzakelijk

is voor het instandhouden der waarde van slaven, tot bescherming

van den eigenaar en voor de algemeene rust, die in hooge mate

van hunne onderwerping afhankelijk is; en eindelijk, omdat

zij krachtdadig medewerkt tot de veiligheid en het welzijn der

slaven zelven. De eerste uitspraak wordt derhalve verworpen en

de gedaagde vrijgesproken."

Men kan die beslissing, zoo helder en duidelijk in hare uitdrukkingen,

zoo waardig en plegtig door haren ernst en zoo treurig in hare

conclusie niet lezen, zonder te gelijk diepen eerbied voor den man en

afschuw voor het stelsel te gevoelen. Die man, te oordeelen naar deze

enkele proeve, en dit is al wat de schrijfster van hem weet, bezit

dat uitnemend gezond verstand, dat door geen omhaal van woorden of

drogredenen zich laat medeslepen, maar dat een diepen en doordringenden

blik werpt in alles, waarmede het in aanraking komt. Hij toont ook een

edelen afkeer van die huichelarij, om standvastig eene slechte zaak

met een goeden naam te noemen, zelfs wanneer zij algemeen erkend en

wettig is. O, wij zouden dit zoo gaarne meer zien in onze noordelijke,

zoowel als in onze zuidelijke Staten.

Ééne zaak betreuren wij slechts, dat zulk een man, met zulke

geestvermogens begaafd, slechts geroepen is, om de wet uit te leggen,

niet om haar te hervormen.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 56 / 220 题