De corresponderende redacteur van de Oneida Telegraph (N. Y.) van
eene stoomboot op de Mississippi schrijvende, geeft het volgende
treurige verhaal:
Te Louisville nam een heer plaats, die eene familie van zwarten bij
zich had--man, vrouw en kinderen. De meester wilde naar Memphis,
Tennessee, waar hij voornemens was allen, behalve den man, aan land
te zetten. De laatste was gekluisterd, en hoewel de meester niets
van zijn voornemen zeide, hield de Neger, uit den schijn van alles,
zoo wel als uit de aanmerkingen om hen heen, zich overtuigd dat
hij voor de zuidelijke markt bestemd was. Wij kwamen in den nacht
te Memphis, en terwijl wij in het gezigt van de stad waren, juist
voor het landen, liet de Neger zijne vrouw hun goed verdeelen,
alsof hij in de beslotene scheiding berustte, en toen een oogenblik
waarnemende, dat zijn meester hem den rug toekeerde, liep hij
naar voren en sprong in de rivier. Natuurlijk zonk hij, en zijn
meester was verscheidene honderd dollars armer dan een oogenblik
te voren. Dat was alles; ten minste bijna niemand sprak er den
volgenden morgen van. Ik was verpligt van de arbeiders op het dek
inlichtingen te bekomen, en hoorde in de kajuit geene aanmerking
er over. Om den meester regt te doen, moet ik zeggen, dat hij
na het gebeurde alle voornemen ontkende, om hen te scheiden. De
schijn evenwel was geheel tegen hem, als ik wel onderrigt ben. Deze
treurige zaak heeft geene toelichtingen noodig. Zij is echter een
argument, dat ik van daag met eenigen indruk had kunnen aanwenden,
toen ik met een zeer kundig Zuidlander over het kwaad der slavernij
sprak. Hij had Uncle Tom's Cabin gelezen, en sprak er van als een
roman, die gelijk andere romans wel berekend was, om het gevoel
op te wekken, door het verhaal van hartroerende gebeurtenissen,
die nooit bestaan hadden, behalve in de verbeelding des schrijvers.
Er zijn voorbeelden van moeders, die, toen hare kinderen van haar
verkocht zouden worden, in hare wanhoop haar eigen kroost hebben
vermoord, om hen te bewaren voor eene scheiding, waardoor zij erger dan
weezen werden. Een geval van dezen aard is onlangs in de Vereenigde
Staten voor de regtbank gekomen, en werd een paar weken geleden door
Mr. Giddings, in zijne rede in het congres, aangehaald.
Een Amerikaan in Italië, klagende over den indruk van "Uncle Tom's
Cabin" op het gemoed der Italianen, zegt dat vaders, die van hunne
huisgezinnen worden weggesleept, om in slavernij verkocht te worden,
zuigelingen, die van de borst der schreijende moeders worden gerukt,
in de gedachten des volks tooneelen zijn, die in Amerika dagelijks
voorkomen. De schrijfster kan niet anders dan met droefheid zeggen,
dat het alleen de waarheid is, die men zich aldus voorstelt.
Deze dingen zijn dagelijks een bestanddeel van een der voordeeligste
soorten van handel, die in Amerika worden gedreven. Het eenige verschil
tusschen ons en vreemde volken is, dat wij er aan gewoon zijn geworden
en zij niet. De zaak is, dag aan dag en jaar op jaar, gedaan en weder
gedaan, en is op allerlei manieren ten toon gesteld en bejammerd,
maar zij gaat op den dag van heden nog voort, met meer levendigheid
dan ooit te voren, en zulke tooneelen als wij beschreven hebben,
komen veelvuldiger voor, gelijk de schrijfster bewijzen zal, wanneer
zij aan het hoofdstuk van den binnenlandschen slavenhandel komt.
De anecdote in hetzelfde hoofdstuk, welke het tooneel beschrijft,
waar de vrouw van het ongelukkige stuk koopwaar, op de lijst gezet
als "John oud 30," de boot komt opstuiven, en jammerende en kermende
hare armen om hem heen slaat, is eene ware anecdote. De heer, die dit
voorval verhaalde, werd door het gezigt daarvan zoodanig geroerd en in
vuur gebragt, dat hij den handelaar dezelfde woorden toevoegde, welke
de schrijfster in haar verhaal den jongen geestelijke in den mond legt:
"Mijn vriend! hoe kunt gij, hoe durft gij zulk een beroep
drijven? Zie die arme schepselen aan! Hier ben ik, mij verheugende
in mijn hart, dat ik naar huis ga, naar mijne vrouw en mijn
kind; en dezelfde klok, die het teeken geeft om mij naar hen
toe te brengen, zal dezen armen man en zijne vrouw voor altijd
scheiden. Wees er zeker van, God zal u daarvoor in het oordeel
brengen."
Indien deze heer het werk heeft gelezen--gelijk hij misschien
reeds gedaan heeft--zal hij waarschijnlijk zijne eigene woorden
herkend hebben. Eene treffende omstandigheid in het verhaal, gelijk
zij werkelijk is voorgevallen, moet nog vermeld worden. De vrouw
jammerde hartstogtelijk over het lot van haren man, die voor altijd
zou gescheiden worden van al wat hem dierbaar was, om tot het harde
lot op eene zuidelijke plantaadje verkocht te worden. De man bezigde
tot antwoord de zeer eenvoudige, maar verhevene uitdrukking, welke
de schrijfster in dergelijke omstandigheden aan Oom Tom in den mond
heeft gelegd: "Daar zal dezelfde God wezen, die hier is."
Eene andere anecdote in "Uncle Tom's Cabin" vermeld, kan misschien
even goed hier als op eene andere plaats gestaafd worden.
Het geval der oude Prue werd door een broeder en eene zuster der
schrijfster verhaald, als volgt:--Zij was de vrouw, die beschuitjes en
dergelijke dingen bragt in het huis, waar zij logeerde. Haar voorkomen,
karakter en manieren waren juist gelijk beschreven is. Eens kwam eene
andere slavin in hare plaats, om de beschuitjes te brengen. De zuster
der schrijfster vroeg waar Prue gebleven was. Zij scheen eene poos
niet te willen antwoorden, maar zeide eindelijk, dat men haar in den
kelder gebragt en geslagen had, en dat de vliegen bij haar gekomen
waren en dat zij dood was.
Het is wel bekend, dat er geene eigenlijk gezegde kelders in
New-Orleans zijn, daar de aard van den grond het graven verhindert. De
slavin, die het woord gebruikte, was waarschijnlijk uit een Staat
gekomen, waar kelders in gebruik waren, en paste dit woord toe op de
plaats, die voor de gewone einden van eenen kelder werd gebezigd. Eene
keukenmeid, die in de familie der schrijfster gewoond heeft, en het
grootste gedeelte van haar leven op eene plantaadje had doorgebragt,
gebruikte de bewoordingen, die men op eene plantaadje bezigt, om de
zeer bekrompene afdeelingen en de huishouding van een zeer eenvoudig
huis met een stukje gronds aan te duiden.
Diezelfde dame werd, terwijl zij op dezelfde plaats woonde, dikwijls
tot medelijden bewogen, door het geschrei te hooren van een ziekelijk
klein kind in het naaste huis, en gelijktijdig het schelden en
uitvaren van een kwaadaardig man-wijf tegen de moeder. Eens kreeg zij
gelegenheid om de moeder te spreken, die zeer treurig en neerslagtig
scheen, en vroeg toen wat het kind scheelde. Haar antwoord was, dat zij
de koorts had gehad en hare melk opgedroogd was, en dat hare meesteres
een hekel aan haar kind had en er geene melk voor wilde koopen. Zij
had beproefd het met haar eigen groven kost te voeden, maar het
verkwijnde en schreide gedurig; en ten getuige hiervan bragt zij haar
het kind. Het was tot een geraamte vermagerd. De dame bragt de kleine
bij eene vriendin van haar in huis, die kort geleden bevallen was en
geplaagd werd door een te grooten overvloed van melk, en verzocht haar
het te zogen. Het jammerlijke gezigt van het verhongerde, uitgeteerde
wichtje roerde de moeder zoodanig, dat zij alle andere bedenkingen
smoorde en het aan hare borst legde, waarop het scheen te herleven en
voedsel tot zich nam met eene gretigheid, die bewees hoeveel honger
het geleden had. Doch het kind was zoo vervallen, dat dit slechts eene
kortstondige verligting bleek te zijn. Daarna was het bijna onmogelijk
de vrouw te zien te krijgen, en het heftige karakter harer meesteres
maakte het moeijelijk in de zaak tusschenbeiden te komen. De dame
verschafte haar heimelijk zoo veel hulp als zij kon, hoewel, gelijk
zij bekent, met zekere angstvalligheid, dat het eene wreedheid was den
kleinen lijder uit de schuilplaats des grafs terug te houden; en het
was eene verligting voor haar, toen het geschrei eindelijk ophield,
en het arme wicht daarheen ging, waar de vermoeiden rust hebben. Dit
is een van die gevallen, welke bewijzen dat het belang des eigenaars
den slaaf niet altijd eene menschelijke behandeling waarborgt.
Er is nog eene anecdote, welke de schrijfster heeft ingevlochten in
de geschiedenis der mulattin, welke door Legree voor zijne plantaadje
werd gekocht. De lezer zal zich herinneren dat zij hare geschiedenis
aan Emmeline verhalende, zegt:
"Mijn meester was Mr. Ellis, en wij woonden in de
hoofdstraat. Misschien hebt gij het huis wel gezien."
"Was hij goed voor u?"
"Meestal, totdat hij ziek werd. Hij is langer dan zes maanden af
en toe ziek geweest, en schrikkelijk onrustig. Het scheen dat hij
niemand nacht of dag rust wilde laten, en hij werd zoo wonderlijk,
dat niemand iets naar zijn zin kon doen. Hij werd met elken
dag ongemakkelijker: hield mij 's nachts op, tot ik niet langer
wakker kon blijven: en omdat ik eens op een nacht in slaap viel,
o Heere! sprak hij zoo schrikkelijk tegen mij. Hij zeide, dat hij
mij verkoopen zou aan den hardsten meester, dien hij vinden kon,
en dan beloofde hij mij weêr mijne vrijheid, als hij stierf."
Een voorval van dezen aard werd de schrijfster op de volgende wijs
bekend. Eene slavenfamilie van quadronen, door het testament des
meesters vrij gemaakt, vestigde zich op Walnut Hills, bij hare
woonplaats, en de kinderen werden in hare familieschool toegelaten
en in haar huis onderwezen. In deze familie was een kleine jongen,
een quadron, van vier of vijf jaren, van een treurig, neerslagtig
uitzigt, die hare belangstelling opwekte.
De geschiedenis van dit kind, door zijne vrienden verhaald, was
eenvoudig deze. Zijne moeder was de onvermoeide oppaster van haren
meester geweest, gedurende eene pijnlijke, slepende ziekte, waaraan hij
eindelijk stierf. Zij had al het vermoeijende dier oppassing, zoowel
bij nacht als over dag, gedragen, ondersteund door de belofte, dat zij
daarvoor bij zijnen dood met hare vrijheid zou beloond worden. Door
afmatting overweldigd, viel zij op eenen nacht in slaap, en was hij
niet in staat om haar te wekken. Den volgenden dag veranderde hij, na
haar de heftigste verwijten te hebben gedaan, de bepalingen van zijn
testament, en verkocht haar aan eenen man, die in den geheelen omtrek
als een wreed meester bekend was, welke verkoop terstond na zijnen
dood, die kort daarop plaats had, gevolg had. De eenige verzachting
van haar vonnis was, dat haar kind niet met haar in dat geduchte
lot behoefde te deelen, maar aan deze quadronenfamilie werd gegeven,
om het naar een vrijen Staat te brengen.
De schrijfster herinnert zich zeer wel, dat zij deze geschiedenis onder
eene groep vrijgelatene Negers hoorde verhalen, en hunne aanmerkingen
daarover. Een bijzondere vorm van ernstige ironie kenteekent dikwijls
de gezegden dezer klasse. Het is eene gewoonte, uit de slavernij
ontstaan, om over bedrijven van dezen aard te spreken in eene taal,
schijnbaar eerbiedig voor hen, die ze gepleegd hebben, en welke men
alleen door zekere eigenaardigheid van uitdrukking, die moeijelijk
te beschrijven is, voor ironie kan herkennen. Toen na het verhaal
dezer geschiedenis de schrijfster in geene gematigde bewoordingen
hare verontwaardiging te kennen gaf, merkte een der oudsten van den
zwarten kring ernstig aan:
"Hij was een magtig groot Christen, evenwel."
Toen de schrijfster dit begrip met warmte tegensprak, voegde een
ander van den kring er bij:
"Ging toch zeker naar de heerlijkheid."
En een derde vervolgde:
"Hij had een heel goeden tijd, toen hij lag te sterven; hij zeide
dat hij regt naar den hemel ging."
En toen de schrijfster zeide, dat vele menschen zoo dachten, die er
nooit kwamen, ging er een sombere glimlach van goedkeuring in den
kring rond, maar er werden geene verdere aanmerkingen gemaakt. Dit
voorval is de schrijfster dikwijls voor den geest gekomen als een
bewijs, hoe gevaarlijk het bezit van volstrekte magt voor de ziel des
meesters is. Iemand, die in gezondheid regtvaardig en menschelijk is,
komt in ziekte dikwijls in verzoeking om onregtvaardig, onbillijk
en onredelijk te worden. Wanneer hij onder zulke omstandigheden door
afhangelingen is omringd, aan welke de wet en de publieke opinie alle
gewone menschenregten hebben ontnomen, hoezeer wordt hij dan verzocht,
om zijne meest despotieke hartstogten bot te vieren, en gelijk deze
ongelukkige de wereld te verlaten met de zwaarte dezer geduchte
woorden op zijn hoofd: "Maar indien gij den menschen hunne misdaden
niet vergeeft, zoo zal ook uw Vader uwe misdaden niet vergeven."