In dit hoofdstuk van "Uncle Tom's Cabin" werden eenigen der ijselijkste
en aandoenlijkste tooneelen van den slavenhandel beschreven. Het zal
dienstig zijn voor eenigen daarvan bewijzen aan te voeren.
Een van de eerste schetsen is het verhaal der scheiding eener
oude, zwakkelijke negerin van haren jongen zoon bij eene openbare
verkooping. Het is de schrijfster leed te moeten zeggen dat hare
verbeelding, wat dit tooneel betreft, geene de minste eer toekomt. Zij
vond deze beschrijving, bijna juist gelijk zij daar staat, in het
uitgegeven dagboek van een jongen Zuidlander, verhaald als een tooneel,
waarvan hij ooggetuige was. De eenige omstandigheid, welke zij in haar
verhaal heeft overgeslagen, was eene bijkomende onmenschelijkheid,
die door hem was aangeteekend. Hij zegt dat de knaap door eenen
planter gekocht werd, die zijne handen kluisterde en hem een touw
om den hals deed, dat hij om den hals van zijn paard bond, aldus het
kind dwingende om naast hem te draven. Deze bijzonderheid alleen werd
door de schrijfster verzwegen.
Een ander tooneel van bedrog en wreedheid wordt in hetzelfde hoofdstuk
beschreven als het bedrijf van een slavenmeester in Kentucky, die
eene vrouw aan eenen handelaar verkoopt en haar beweegt om met hem te
gaan door de bedriegelijke verzekering, dat zij een kort eind ver de
rivier afgebragt zal worden, om met haar man in hetzelfde hôtel te
gaan werken. Dit was een voorval, hetwelk door de schrijfster zelve
werd bijgewoond, toen zij eenige jaren geleden de Ohio afvoer. De
vrouw was zeer fatsoenlijk van uitzigt en kleeding. De schrijfster
brengt zich haar nog duidelijk voor den geest, zeer net gekleed met
een wit jasje, hare kleederen en haren met blijkbare zorgvuldigheid
geschikt, en met een aardig gekleed knaapje van omtrent zeven jaren bij
haar. Zij had ook ene koffer met kleeren, die bewees dat zij zorgvuldig
en fatsoenlijk opgebragt was. Men zal zien, dat dit voorval eenigzins
gewijzigd is, overeenkomstig de strekking van het verhaal, dewijl de
vrouw daar wordt gezegd een nog zeer jong kind bij zich te hebben.
De gewoonte van zonder eenige omstandigheden het kind van de moeder te
scheiden, wanneer de laatste van eene noordelijke naar eene zuidelijke
markt zal gebragt worden, is eene dagelijksche, algemeen bekende
zaak in den handel. Het wordt niet nu en dan en somtijds gedaan,
maar altijd wanneer daartoe aanleiding is; en de smart der moeder
wordt evenmin ontzien, als die eener koe, wanneer haar kalf van haar
gescheiden wordt.
De reden hiervan is, dat het verzorgen en opbrengen van kinderen geen
gedeelte van het oogmerk eener zuidelijke plantaadje uitmaakt. Zij zijn
tot last; zij verminderen de waarde der moeder als veldarbeidster,
en het komt duurder uit ze op te brengen, dan ze opgebragt te
koopen; zij worden dus achtergelaten als er een troep voor de markt
bijeengebragt wordt. Niet langer geleden dan verleden jaar zomer,
sprak de schrijfster met Thomas Strother, een slaaf, bedienaar
van het Evangelie te St. Louis, voor wiens emancipatie zij moeite
deed. Toevallig maakte hij tegen haar melding van een tooneel, dat hij
kort geleden had bijgewoond, hoe namelijk eene jonge vrouw van zijne
kennis bijna in eenen toestand van waanzinnigheid bij hem kwam en hem
zeide, dat zij verkocht was om met een handelaar naar het Zuiden te
gaan en haren zuigeling moest achterlaten.
In het verhaal van Lewis Clark vermeldt hij, dat een meester in
zijne streek eene vrouw met haar kind aan eenen handelaar verkocht,
met beding dat hij het kind niet van de moeder mogt verkoopen. Deze
man verhandelde echter het kind reeds in de naaste stad, ter betaling
zijner herbergrekening.
De volgende getuigenis is van eenen heer, die uit New-Orleans aan de
National Era schrijft.
Deze schrijver zegt:
Terwijl ik te Robinson of Tyree Springs was, twintig mijlen van
Nashville, op de grenzen van Kentucky en Tennessee, zeide mijne
waardin eens tot mij: "Daar komt een geketende troep slaven
aan." Ik ging naar den weg en bezigtigde hen. Om hen beter te
kunnen waarnemen, hield ik den blanke vooraan tegen, die op
zijn gemak in een wagen met een paard zat, en vroeg hem of die
slaven te koop waren. Ik telde hen en lette tegelijk op hunne
gesteldheid. Zij waren door drie wagens met een paard verdeeld,
in elk waarvan een koopmansknecht zat, zoo overlegd, dat zij
den geheelen troep konden regeren. Sommigen waren ongeketend;
zestig waren in twee afdeelingen geketend, dertig in ieder,
de regterhand van den een aan de linkerhand van een ander, dus
vijftien aan elke zijde van een grooten ossenketting, waaraan alle
handen waren vastgemaakt en die zij zoo genoodzaakt waren op te
houden--mannen en vrouwen onder elkander en omtrent in gelijke
evenredigheid--allen jonge lieden. Geene kinderen er bij, behalve
eenige weinigen in een wagen achter aan, welke de eenige kinderen
waren bij de vier troepen. Ik zeide tot eene fatsoenlijke mulattin
in het huis: "Is het waar dat de negerhandelaars de moeders van
hare zuigelingen nemen?"--"Massa, het is waar, want verleden
week werd hier die meid (haar noemende) die omtrent een mijl van
hier woonde, na den eten weggebragt--zij wist er des morgens
niets van--verkocht, in den troep gestoken en haar kindje aan
een buurvrouw gegeven. Zij was eene sterke jonge vrouw en bragt
een goeden prijs op."
Men behoeft geen acht te slaan op de jammerlijke logen, die zegt,
dat deze ongelukkige vaders en moeders, echtgenooten en vrouwen het
niet voelen, wanneer de heiligste banden aldus losgerukt worden. Elken
dag en ieder uur draagt levende getuigenis van het valsche van dezen
laster, des te valscher omdat zij verspreid wordt van een geslacht
dat bijzonder vatbaar voor genegenheid, en sterk, levendig en heftig
van aandoeningen is.
Het door de schrijfster onderstelde geval van de vrouw, die zich over
boord wierp, is in geenen deele iets zonderlings. Getuige daarvan
het volgende onlangs gebeurde voorval, waarvan berigt werd gegeven
onder het opschrift van: