Hannover, 18 Januarij 1773.
Waarde Heer!
Ik neem deze gelegenheid waar, om u de ontvangst van Anthony
Benezet's boek tegen de slavernij te berigten. Ik dank u
daarvoor. Is het niet een weinig te verwonderen, dat belijders
des Christendoms, dat vooral bestemd is om het menschelijk hart
te verzachten en deszelfs fijner gevoel aan te kweeken en te
zuiveren, een gebruik aanmoedigen, zoo volkomen strijdig met
de eerste denkbeelden van regt en onregt? Wat de verwondering
vergroot, is, dat dit gebruik in de meest verlichte eeuwen is
ingevoerd. Tijden, die regt schijnen te hebben, om zich op groote
vorderingen in kunsten en wetenschappen te beroemen, hebben eene
soort van geweld en dwingelandij in gebruik gebragt en met vele
wetten bevestigd, welke onze meer ruwe en barbaarsche, maar
meer eerlijke voorvaderen verfoeiden. Is het niet verbazend,
dat in eenen tijd, nu de regten der menschheid met juistheid
zijn bepaald en begrepen worden, in een land, dat boven alle
andere aan de vrijheid gehecht is--dat wij in zulk eene eeuw en
zulk een land menschen vinden, die de zachtste, menschelijkste,
en edelmoedigste Godsdienst belijden, en toch zulk een beginsel
aannemen, even strijdig met de menschenliefde als onbestaanbaar
met den Bijbel en noodlottig voor de vrijheid? Ieder nadenkend
eerlijk man verwerpt het in bespiegeling. Hoe kan in de praktijk
zijn geweten hem vrijspreken!
Zou iemand gelooven, dat ik meester ben van slaven, die ik zelf
heb gekocht? Ik word medegesleept door het ongemakkelijke van hier
zonder hen te leven. Ik wil, ik kan het niet regtvaardigen. Hoe
misdadig mijn gedrag mag zijn, wil ik toch in zooverre mijne hulde
aan de deugd bewijzen, dat ik hare schoonheid en het regtmatige
harer voorschriften erken, en mijn gebrek aan overeenkomstigheid
daarmede bejammer.
Ik geloof, dat er een tijd zal komen, wanneer zich eene gelegenheid
zal opdoen, om dit jammerlijke kwaad af te schaffen. Alles wat
wij doen kunnen, is daarvan gebruik te maken, indien zij in onzen
tijd voorkomt; zoo niet, laten wij dan aan onze afstammelingen,
tegelijk met onze slaven, medelijden met hun ongelukkig lot en
afschuw van de slavernij doen erven. Indien wij deze gewenschte
hervorming niet ten uitvoer kunnen brengen, laten wij dan de
ongelukkige slagtoffers met zachtheid behandelen. Dit is het
eenige dat wij doen kunnen, om de regtvaardigheid eenigzins
naderbij te komen. Het is eene schuld, die wij aan de zuiverheid
onzer Godsdienst te kwijten hebben, te toonen, dat zij in strijd
is met de wet, welke de slavernij goedkeurt.
Ik weet niet waar op te houden. Ik zou nog veel kunnen zeggen
over het onderwerp, waarvan eene ernstige beschouwing een duister
vooruitzigt in toekomstige tijden geeft.
Hoe treurig is het, dat zulke menschen een roemloos leven leiden,
medegesleept door den algemeenen stroom der maatschappij, terwijl
zij hare herscheppers konden zijn! Heeft God hen voor niet met zulk
eene edele grootheid van ziel, met zulk eene helderheid van oordeel
begaafd? Moesten zij, aan wie verheven vermogens van inzigt en gevoel
gegeven zijn, leven gelijk iedereen leeft?
Zuidelijke mannen uit deze klasse zijn dikwijls opgestaan, om de mannen
uit het Noorden te bestraffen, wanneer deze zich tot eene verdediging
van het stelsel der slavernij lieten verlokken. Zoo gebruikte bij
zekere gelegenheid een afgevaardigde uit een der noordelijke Staten,
iemand, die thans den hoogsten rang als ambtenaar bekleedt, in het
congres de volgende taal:
De groote betrekking der slavernij, in eenen of anderen vorm,
met meer of minder afwijking van de theoretische gelijkheid der
menschen, is onafscheidelijk van onze natuur. Huiselijke slavernij
moet, naar mijn oordeel, geene onzedelijke of ongodsdienstige
betrekking genoemd worden. De slaven van dit land worden beter
gekleed en gevoed, dan de boerenstand in sommigen der meest
welvarende Staten van Europa.
Hij werd door Mr. Mitchell, van Tennessee, met de volgende woorden
beantwoord:
Mijnheer! ik ga niet zoo ver als de heer uit Massachusetts, om te
denken, dat het bestaan der slavernij in dit land bijna een zegen
is. Integendeel, ik ben onwankelbaar in het gevoelen, dat zij een
groote vloek is--een van de grootste, die in ons stelsel konden
zijn ingeweven. Ik, mijnheer de president, ben een van hen, die
deze rampzaligen meesters noemen. Ik werk hen niet af; ik voed en
kleed hen wel; maar toch, helaas! zijn zij slaven, en de slavernij
is een vloek in elke gedaante. Het is ontwijfelbaar de waarheid,
dat er in Europa menschen zijn, veel meer verlaagd dan onze slaven,
slechter gevoed, slechter gekleed, enz.; maar dit, mijnheer! is
nog ver van te bewijzen, dat onze negers slaven behooren te zijn.
De vermaarde John Randolphe, van Roanoke, zeide in het congres bij
zekere gelegenheid:
Mijnheer! ik benijd noch het hart noch het hoofd van den man uit
het Noorden, die hier opstaat, om de slavernij, volgens beginselen,
te verdedigen.
De volgende regelen uit het testament van dezen zonderlingen man,
toonen, dat zijn helder begrip van regt, hetwelk een gaaf van verhevene
karakters is, eindelijk in de praktijk eenige daarmede overeenkomstige
vruchten voorbragt:
Ik geef mijne slaven de vrijheid, waarop mijn geweten mij zegt,
dat zij regtmatig aanspraak hebben. Het is lang eene reden van
het diepste leedwezen voor mij geweest, dat de omstandigheden,
waaronder ik hen erfde, en de belemmeringen, mij door de wetten
des lands in den weg geworpen, mij verhinderd hebben, om hen bij
mijn leven te emanciperen, hetgeen nog mijn vast voornemen is,
in geval ik het volvoeren kan.
De invloed, welke door die soort van godgeleerdheid, welke op de meeste
kansels in het Zuiden heerscht, en die de slavernij regtstreeks uit
den Bijbel regtvaardigt, wordt uitgeoefend, kan niet genoeg beklaagd
worden. Het ergert zulke menschen, dat hunne leeraars minder geweten
hebben dan zij; en indien het gelukt, hen door bewijsplaatsen uit den
Bijbel te verbijsteren, brengt dit eene twijfelzucht, ten aanzien
van den Bijbel zelven te weeg. Professor Stowe verklaart, dat hij,
gedurende zijn verblijf in Ohio, het huis van eenen heer bezocht,
die eens een Virginisch planter was geweest, en gedurende de eerste
jaren van zijn leven een openbaar twijfelaar was. Hij verklaarde, dat
zijn scepticisme alleen aan deze oorzaak was toe te schrijven--dat
zijn predikant een Bijbelsch bewijs ter verdediging der slavernij
had opgesteld, hetwelk hij buiten staat was te beantwoorden, en dat
zijn zedelijk gevoel zoodanig gekwetst werd, door de gedachte, dat de
Bijbel zulk een gruwelijk stelsel verdedigde, dat hij een volslagen
ongeloovige werd, en dit bleef, tot hij onder de bediening van eenen
geestelijken in Ohio kwam, wien het gelukte, hem het ware Bijbelsche
begrip van dit onderwerp voor te stellen. Hij verwierp terstond zijn
scepticisme, en werd lid eener Christelijke kerk.
Wij hooren de "Baltimore Sun," een blad uit een slavenstaat, en
geenszins verdacht van naar het abolitionisme over te hellen, aldus
met verachting over het Bijbelsche bewijs spreken:
De Heeren Burgess, Taylor en Comp., Sun Iron Building, zenden ons
een exemplaar van een werk, dat een indrukwekkend uiterlijk heeft,
een fraai boek van bijna zes honderd bladzijden; uit de pen van
den Eerw. Josiah Priest, en uitgegeven door den Eerw. W. S. Brown,
te Glasgow, in Kentucky, terwijl het voor ons liggende exemplaar
de verzekering geeft, dat het de "vijfde, gestereotypeerde editie"
is. Wij twijfelen er niet aan, of het is zoo; en de vijftigste
editie mag uitgegeven worden, maar dit zal niets uitmaken, want
er is niets in. Het boek bevat de gewoonlijk aangehaalde teksten
aangaande de geschiedenis der slavernij, gelijk die in den bijbel
is opgeteekend, vergezeld met de gevoelens en argumenten van een
ander man, daartoe betrekkelijk. En met die soort van dingen kan
men voortgaan, tot aan het einde van allen tijd. Het kan niets
afdoen op de voortduring der slavernij. Het bock is getiteld:
"Bijbelsche Verdediging der Slavernij; en Oorsprong, Lotgevallen
en Geschiedenis van het Negergeslacht." Bijbelsche verdediging der
slavernij! Er is heden ten dage geene Bijbelsche verdediging der
slavernij meer mogelijk. De slavernij in de Vereenigde Staten is
eene maatschappelijke instelling, gesproten uit de gemakzucht en
begeerlijkheid onzer voorouderen, volgens staatswetten bestaande,
en in zekere mate--tot herneming van slaven-eigendom--door de
constitutie erkend. En niemand zou willen beweren, dat, indien
het ongemakkelijk of onvoordeelig voor eenig persoon of eenigen
staat was om slaven te blijven houden, zij verpligt zouden zijn om
dit te doen, op grond eener "Bijbelsche verdediging" daarvan. De
slavernij wordt in den Bijbel vermeld en goedgekeurd, met vele
vernederende kenmerken. De oorlog wordt in den Bijbel vermeld en
goedgekeurd, met hetgeen ons voorkomt het uiterste van wreedheid
te zijn. Doch moeten slavernij en oorlog altijd voortduren, omdat
wij ze in den Bijbel vinden? Of moeten zij op eens en voor altijd
ophouden, omdat de Bijbel vrede en broederschap leert?
Het boek vóór ons geeft blijk van veel onderzoek, maar is
aan scherpe kritiek onderhevig, uithoofde van de willekeurig
aangenomene stellingen, die het bevat. De schrijver neemt gedurig
dit, en dat en nog meer aan. In een werk van dezen aard kan een
"ongetwijfeld" dit, en een "voorzeker" dat, en een "zoo gelooven
wij" ten aanzien van gewigtige stellingen, niet door den denkenden
lezer worden goedgekeurd. Velen der aangenomene stellingen
zijn bespottelijk; en de verbeelding des schrijvers, die hem de
oud-vaders woorden en gezegden in den mond doet leggen, afgeleid
uit de korte aanteekeningen der schriftuurlijke geschiedenis,
loopt in het overdrevene. De redenering over den vloek van Cham
is het papier niet waard, waarop zij geschreven is. Zij staat
volkomen gelijk met die in "Blackwood's Magazine" welke wij ons
herinneren eenige jaren geleden beoordeeld te hebben, over de
toelating van Rothschild in het Parlement. De schrijver beweerde
de godsdienstige verpligting van het Christelijke publiek om de
politieke onbevoegdheid der Joden te handhaven, omdat het een
verzet tegen den Goddelijken wil zou zijn deze op te heffen,
met het oog op den "vloek", dien gemelde Phariseër begreep tegen
de zonen van Abraham te zijn uitgesproken. Toegevende dat God
beide het Joodsche geslacht en de nakomelingen van Cham vervloekt
heeft, zoo is Hij magtig om zijn oogmerk te volvoeren, hoewel het
"overige van het menschdom" in alle opzigten mogt handelen naar
de menschlievende voorschriften der "Goddelijke wet." De mensch
kan geheel veilig de hoogste beginselen der Christelijke bedeeling
in beoefening brengen, en het aan God overlaten om de vervulling
van zijnen vloek uit te werken.
Volgens hetzelfde boek en dezelfde logica zou, daar het geheele
menschdom onder eenen "vloek" is, niemand van ons eenige verligting
voor ons zelven mogen zoeken, en dus plegen wij eene gruwelijke
zonde door den stoom te gebruiken om handenarbeid te verrigten,
door koren te maaijen met Mac Cormick's diablerie, en den
bliksem op te vangen, om hem onze boodschappen te laten doen,
in plaats van zelven daarmede te loopen, gelijk onze vader Adam
deed. Met een weinig meer gewoon gezond verstand, en veel minder
van de ongewone soort, zouden wij de Schrift beter verstaan, zoo
wel als de instellingen waaronder wij leven, de verschillende
regten onzer medeburgers in al de afdeelingen van ons land,
en de goede, gezonde, practicale maatschappelijke betrekkingen,
welke oneindig meer dan zij tegenwoordig doen tot het geluk der
menschheid behoorden bij te dragen.
Indien de lezer verlangt te weten, welke soort van prediken het is,
die St. Clare bedoelt, wanneer hij zegt, dat hij evenveel goeds van
de Picayune kan leeren, en dat zulke schriftuurlijke uitleggingen
van hunne eigenaardige betrekkingen hem niet zeer stichten,
wordt hij verwezen naar het volgende uittreksel eener leerrede,
te New-Orleans door den Eerw. Theophilus Clapp gehouden. Laat de
lezer zich nu verbeelden dat hij St. Clare in de voorste bank ziet
zitten, en schalkachtig aanteekening houden van de volgende proeven
van zedekunde en menschelijkheid.
Laten alle Christelijke leeraren onze bedienden het gewigt onder
het oog brengen van onderdanigheid, gehoorzaamheid, naarstigheid
en getrouwheid in de belangen hunner meesters. Laten hunne
gemoederen vervuld worden met blijde verwachtingen der eeuwige
rust aan gene zijde des grafs. Laten zij gewend worden om hunnen
blik te rigten op die bekoorlijke en heerlijke toekomst, waar de
zonden, smarten en bezwaren der aarde zullen beschouwd worden als
middelen onmisbaar voor onzen eeuwigdurenden vooruitgang in kennis,
deugd en geluk. Ik zou tot elken slaaf in de Vereenigde Staten
willen zeggen: "Gij moet u voorstellen, dat eene wijze, goede
en genadige Voorzienigheid u voor uwe staat in het leven heeft
bestemd; en dat gij, alle dingen in aanmerking genomen, geen meer
verkieselijken toestand kondt hebben. De last van uwe zorg, arbeid
en verantwoordelijkheid is veel ligter, dan dien God uwen meester
heeft opgelegd. De meest verlichte philanthroop, met onbeperkte
middelen, zou u niet in eenen toestand kunnen plaatsen gunstiger
voor uw tegenwoordig en eeuwig welzijn, dan die, waarin gij u nu
bevindt. Gij hebt uwe bezwaren; die heeft iedereen. Bedenk hoe
vlugtig de vermaken en genoegens des menschelijken levens zijn."
Doch daar Mr. Clapp niet voor een vertegenwoordiger der orthodoxie zal
gehouden worden, dan veronderstelle men, dat St. Clare luistert naar
de volgende verklaringen van den Eerw. James Smylie, een geestelijke
van grooten invloed in de Presbyteriaansche kerk, in een tractaatje
over de slavernij, hetwelk hij verklaart geschreven te zijn, met het
opzettelijk doel om de gemoedsbezwaren van godsdienstige menschen
in Mississippi en Louisiana, ten aanzien van hare geoorloofdheid,
op te heffen.
Indien ik geloofde of van gevoelen was, dat het de wettige
strekking van het Evangelie was, de slavernij af te schaffen,
hoe zou ik dan eenen man naderen, die zoo vele slaven had als
Abraham, en hem zeggen, dat ik zijn verlof wenschte te bekomen
om voor zijne slaven te prediken?
Men veronderstelle dien man onkundig van het Evangelie, dat hij
mij vroeg wat mijn oogmerk was, dan zou ik hem opregtelijk zeggen
(en ieder dienaar van het Evangelie behoort opregt te zijn) dat
ik het Evangelie wenschte te prediken, omdat deszelfs wettige
strekking is, zijne slaven eerlijk en getrouw te doen worden; niet
dienende "met oogendienst, als menschenbehagers, niet stelende,
maar alle goede trouw bewijzende."--"En dit is," zou hij vragen,
"werkelijk de strekking van het Evangelie?" Ik zou antwoorden:
"Ja!" Dan zou ik mogen verwachten, dat een man die duizend slaven
had, indien hij mij geloofde, mij niet alleen veroorloven zou
voor zijne slaven te prediken, maar dat hij meer zou doen. Dat
hij gewillig zou zijn om een huis voor mij te bouwen, mij een
tuin en ruimen voorraad tot onderhoud te bezorgen; omdat hij
besluiten zou, dat voorwaar deze prediker meer voor hem waardig
zou zijn dan twaalf opzigters. Maar onderstel, dat hij mij zeggen
zou vernomen te hebben, dat de strekking van het Evangelie was,
de slavernij af te schaffen, en mij vroeg of dit zoo was. Ha, daar
zit de knoop. Nu heeft hij mij in de klem. Wat zal ik zeggen? Zal
ik als een oneerlijk man, verbloemen en verdraaijen, en mij keeren
en wringen om een antwoord te vermijden? Neen, ik moet als een
Kentuckiër, er plomp voor uitkomen, en hem zeggen dat abolitie,
de strekking van het Evangelie is. Waarop moet ik nu rekenen? Ik
heb den man gezegd, dat de strekking van het Evangelie is, hem
zoo arm te maken, dat hij genoodzaakt zal zijn, zelf te graven en
hout te hakken; dat hij zijn eigen paard moet opvangen, roskammen
en zadelen; dat hij zijne eigene brogans moet poetsen (want hij
zal niet in staat zijn om laarzen te koopen). Zijne vrouw moet
zelve aan de waschtobbe staan, den bezem aanvatten, de potten
wasschen en alles koken wat zij en haar houthakker zullen eten.
Vraag.--Is het te verwachten, dat een meester tot nog toe onkundig
van het Evangelie, zoo smoorlijk daarop verliefd zou raken, door
eene kennis van deszelfs strekking, dat hij het prediken daarvan
onder zijne slaven zou aanmoedigen? Waarlijk, Neen.
Maar onderstel, wanneer hij die laatste vraag naar deszelfs
strekking aan mij doet, dat ik hem, zonder uitvlugt of draaijerij,
duidelijk en opregt, kon en wilde zeggen, dat het eene lastering
van het Evangelie was, te zeggen dat emancipatie of abolitie
deszelfs wettige strekking was. Ik zou hem zeggen dat de geboden
van sommige menschen, en niet de geboden van God, de slavernij
tot zonde maken.--Smylie on Slavery, p. 71.
Men kan zich verbeelden met welk een gezigt St. Clare zulke
uitleggingen van het Evangelie zou ontvangen. Het moet nog opgemerkt
worden, dat dit tractaatje niet slechts het gevoelen van een enkel
man bevat, maar dat het in een aanhangsel eenen brief geeft van twee
kerkelijke ligchamen der Presbyteriaansche kerk, waarin deze gevoelens,
wat de hoofdzaak betreft, worden bekrachtigd.
Kan iemand zich verwonderen dat een man gelijk St. Clare vragen zou
doen als deze:
"Is dat, wat gij daar in de kerk hoort, godsdienst? Is dat wat men zoo
kan buigen en wringen, om in al de kronkelingen van eene eigenlievende,
aardschgezinde maatschappij te passen, godsdienst? Is dat godsdienst,
wat minder billijk, minder edelmoedig, minder regtvaardig, minder
meedoogend voor den mensch is, dan mijn eigen ongodsdienstig,
aardschgezind, verblind gemoed? Neen! Als ik naar godsdienst zoek,
dan moet ik zoeken naar iets dat boven mij is, niet naar iets dat
beneden mij is."
Het karakter van St. Clare werd door de schrijfster met
geestvervoering en met hoop geteekend. Zal deze hoop nimmer
verwezenlijkt worden? Zullen die mannen in het Zuiden, wie God het
vermogen heeft gegeven om het onuitsprekelijke kwaad en onregt der
slavernij in te zien en een hart om het te gevoelen, altijd zwijgend
en werkeloos blijven? Wat edeler eerzucht voor een man in het Zuiden,
dan om zijn land van deze schande te verlossen? Uit het Zuiden moet
de verlosser opstaan. Hoe lang zal hij vertoeven? Er is eene kroon
heerlijker dan eenige aardsche eerzucht ooit gedragen heeft--er is
een lauwerkrans die nooit zal verwelken; hij is gevlochten voor dien
held, die in het Zuiden voor de vrijheid zal opstaan, en dat schoone
land van den druk en de schande der slavernij bevrijden.