BRIEF VAN PATRICK HENRY.

Hannover, 18 Januarij 1773.

Waarde Heer!

Ik neem deze gelegenheid waar, om u de ontvangst van Anthony

Benezet's boek tegen de slavernij te berigten. Ik dank u

daarvoor. Is het niet een weinig te verwonderen, dat belijders

des Christendoms, dat vooral bestemd is om het menschelijk hart

te verzachten en deszelfs fijner gevoel aan te kweeken en te

zuiveren, een gebruik aanmoedigen, zoo volkomen strijdig met

de eerste denkbeelden van regt en onregt? Wat de verwondering

vergroot, is, dat dit gebruik in de meest verlichte eeuwen is

ingevoerd. Tijden, die regt schijnen te hebben, om zich op groote

vorderingen in kunsten en wetenschappen te beroemen, hebben eene

soort van geweld en dwingelandij in gebruik gebragt en met vele

wetten bevestigd, welke onze meer ruwe en barbaarsche, maar

meer eerlijke voorvaderen verfoeiden. Is het niet verbazend,

dat in eenen tijd, nu de regten der menschheid met juistheid

zijn bepaald en begrepen worden, in een land, dat boven alle

andere aan de vrijheid gehecht is--dat wij in zulk eene eeuw en

zulk een land menschen vinden, die de zachtste, menschelijkste,

en edelmoedigste Godsdienst belijden, en toch zulk een beginsel

aannemen, even strijdig met de menschenliefde als onbestaanbaar

met den Bijbel en noodlottig voor de vrijheid? Ieder nadenkend

eerlijk man verwerpt het in bespiegeling. Hoe kan in de praktijk

zijn geweten hem vrijspreken!

Zou iemand gelooven, dat ik meester ben van slaven, die ik zelf

heb gekocht? Ik word medegesleept door het ongemakkelijke van hier

zonder hen te leven. Ik wil, ik kan het niet regtvaardigen. Hoe

misdadig mijn gedrag mag zijn, wil ik toch in zooverre mijne hulde

aan de deugd bewijzen, dat ik hare schoonheid en het regtmatige

harer voorschriften erken, en mijn gebrek aan overeenkomstigheid

daarmede bejammer.

Ik geloof, dat er een tijd zal komen, wanneer zich eene gelegenheid

zal opdoen, om dit jammerlijke kwaad af te schaffen. Alles wat

wij doen kunnen, is daarvan gebruik te maken, indien zij in onzen

tijd voorkomt; zoo niet, laten wij dan aan onze afstammelingen,

tegelijk met onze slaven, medelijden met hun ongelukkig lot en

afschuw van de slavernij doen erven. Indien wij deze gewenschte

hervorming niet ten uitvoer kunnen brengen, laten wij dan de

ongelukkige slagtoffers met zachtheid behandelen. Dit is het

eenige dat wij doen kunnen, om de regtvaardigheid eenigzins

naderbij te komen. Het is eene schuld, die wij aan de zuiverheid

onzer Godsdienst te kwijten hebben, te toonen, dat zij in strijd

is met de wet, welke de slavernij goedkeurt.

Ik weet niet waar op te houden. Ik zou nog veel kunnen zeggen

over het onderwerp, waarvan eene ernstige beschouwing een duister

vooruitzigt in toekomstige tijden geeft.

Hoe treurig is het, dat zulke menschen een roemloos leven leiden,

medegesleept door den algemeenen stroom der maatschappij, terwijl

zij hare herscheppers konden zijn! Heeft God hen voor niet met zulk

eene edele grootheid van ziel, met zulk eene helderheid van oordeel

begaafd? Moesten zij, aan wie verheven vermogens van inzigt en gevoel

gegeven zijn, leven gelijk iedereen leeft?

Zuidelijke mannen uit deze klasse zijn dikwijls opgestaan, om de mannen

uit het Noorden te bestraffen, wanneer deze zich tot eene verdediging

van het stelsel der slavernij lieten verlokken. Zoo gebruikte bij

zekere gelegenheid een afgevaardigde uit een der noordelijke Staten,

iemand, die thans den hoogsten rang als ambtenaar bekleedt, in het

congres de volgende taal:

De groote betrekking der slavernij, in eenen of anderen vorm,

met meer of minder afwijking van de theoretische gelijkheid der

menschen, is onafscheidelijk van onze natuur. Huiselijke slavernij

moet, naar mijn oordeel, geene onzedelijke of ongodsdienstige

betrekking genoemd worden. De slaven van dit land worden beter

gekleed en gevoed, dan de boerenstand in sommigen der meest

welvarende Staten van Europa.

Hij werd door Mr. Mitchell, van Tennessee, met de volgende woorden

beantwoord:

Mijnheer! ik ga niet zoo ver als de heer uit Massachusetts, om te

denken, dat het bestaan der slavernij in dit land bijna een zegen

is. Integendeel, ik ben onwankelbaar in het gevoelen, dat zij een

groote vloek is--een van de grootste, die in ons stelsel konden

zijn ingeweven. Ik, mijnheer de president, ben een van hen, die

deze rampzaligen meesters noemen. Ik werk hen niet af; ik voed en

kleed hen wel; maar toch, helaas! zijn zij slaven, en de slavernij

is een vloek in elke gedaante. Het is ontwijfelbaar de waarheid,

dat er in Europa menschen zijn, veel meer verlaagd dan onze slaven,

slechter gevoed, slechter gekleed, enz.; maar dit, mijnheer! is

nog ver van te bewijzen, dat onze negers slaven behooren te zijn.

De vermaarde John Randolphe, van Roanoke, zeide in het congres bij

zekere gelegenheid:

Mijnheer! ik benijd noch het hart noch het hoofd van den man uit

het Noorden, die hier opstaat, om de slavernij, volgens beginselen,

te verdedigen.

De volgende regelen uit het testament van dezen zonderlingen man,

toonen, dat zijn helder begrip van regt, hetwelk een gaaf van verhevene

karakters is, eindelijk in de praktijk eenige daarmede overeenkomstige

vruchten voorbragt:

Ik geef mijne slaven de vrijheid, waarop mijn geweten mij zegt,

dat zij regtmatig aanspraak hebben. Het is lang eene reden van

het diepste leedwezen voor mij geweest, dat de omstandigheden,

waaronder ik hen erfde, en de belemmeringen, mij door de wetten

des lands in den weg geworpen, mij verhinderd hebben, om hen bij

mijn leven te emanciperen, hetgeen nog mijn vast voornemen is,

in geval ik het volvoeren kan.

De invloed, welke door die soort van godgeleerdheid, welke op de meeste

kansels in het Zuiden heerscht, en die de slavernij regtstreeks uit

den Bijbel regtvaardigt, wordt uitgeoefend, kan niet genoeg beklaagd

worden. Het ergert zulke menschen, dat hunne leeraars minder geweten

hebben dan zij; en indien het gelukt, hen door bewijsplaatsen uit den

Bijbel te verbijsteren, brengt dit eene twijfelzucht, ten aanzien

van den Bijbel zelven te weeg. Professor Stowe verklaart, dat hij,

gedurende zijn verblijf in Ohio, het huis van eenen heer bezocht,

die eens een Virginisch planter was geweest, en gedurende de eerste

jaren van zijn leven een openbaar twijfelaar was. Hij verklaarde, dat

zijn scepticisme alleen aan deze oorzaak was toe te schrijven--dat

zijn predikant een Bijbelsch bewijs ter verdediging der slavernij

had opgesteld, hetwelk hij buiten staat was te beantwoorden, en dat

zijn zedelijk gevoel zoodanig gekwetst werd, door de gedachte, dat de

Bijbel zulk een gruwelijk stelsel verdedigde, dat hij een volslagen

ongeloovige werd, en dit bleef, tot hij onder de bediening van eenen

geestelijken in Ohio kwam, wien het gelukte, hem het ware Bijbelsche

begrip van dit onderwerp voor te stellen. Hij verwierp terstond zijn

scepticisme, en werd lid eener Christelijke kerk.

Wij hooren de "Baltimore Sun," een blad uit een slavenstaat, en

geenszins verdacht van naar het abolitionisme over te hellen, aldus

met verachting over het Bijbelsche bewijs spreken:

De Heeren Burgess, Taylor en Comp., Sun Iron Building, zenden ons

een exemplaar van een werk, dat een indrukwekkend uiterlijk heeft,

een fraai boek van bijna zes honderd bladzijden; uit de pen van

den Eerw. Josiah Priest, en uitgegeven door den Eerw. W. S. Brown,

te Glasgow, in Kentucky, terwijl het voor ons liggende exemplaar

de verzekering geeft, dat het de "vijfde, gestereotypeerde editie"

is. Wij twijfelen er niet aan, of het is zoo; en de vijftigste

editie mag uitgegeven worden, maar dit zal niets uitmaken, want

er is niets in. Het boek bevat de gewoonlijk aangehaalde teksten

aangaande de geschiedenis der slavernij, gelijk die in den bijbel

is opgeteekend, vergezeld met de gevoelens en argumenten van een

ander man, daartoe betrekkelijk. En met die soort van dingen kan

men voortgaan, tot aan het einde van allen tijd. Het kan niets

afdoen op de voortduring der slavernij. Het bock is getiteld:

"Bijbelsche Verdediging der Slavernij; en Oorsprong, Lotgevallen

en Geschiedenis van het Negergeslacht." Bijbelsche verdediging der

slavernij! Er is heden ten dage geene Bijbelsche verdediging der

slavernij meer mogelijk. De slavernij in de Vereenigde Staten is

eene maatschappelijke instelling, gesproten uit de gemakzucht en

begeerlijkheid onzer voorouderen, volgens staatswetten bestaande,

en in zekere mate--tot herneming van slaven-eigendom--door de

constitutie erkend. En niemand zou willen beweren, dat, indien

het ongemakkelijk of onvoordeelig voor eenig persoon of eenigen

staat was om slaven te blijven houden, zij verpligt zouden zijn om

dit te doen, op grond eener "Bijbelsche verdediging" daarvan. De

slavernij wordt in den Bijbel vermeld en goedgekeurd, met vele

vernederende kenmerken. De oorlog wordt in den Bijbel vermeld en

goedgekeurd, met hetgeen ons voorkomt het uiterste van wreedheid

te zijn. Doch moeten slavernij en oorlog altijd voortduren, omdat

wij ze in den Bijbel vinden? Of moeten zij op eens en voor altijd

ophouden, omdat de Bijbel vrede en broederschap leert?

Het boek vóór ons geeft blijk van veel onderzoek, maar is

aan scherpe kritiek onderhevig, uithoofde van de willekeurig

aangenomene stellingen, die het bevat. De schrijver neemt gedurig

dit, en dat en nog meer aan. In een werk van dezen aard kan een

"ongetwijfeld" dit, en een "voorzeker" dat, en een "zoo gelooven

wij" ten aanzien van gewigtige stellingen, niet door den denkenden

lezer worden goedgekeurd. Velen der aangenomene stellingen

zijn bespottelijk; en de verbeelding des schrijvers, die hem de

oud-vaders woorden en gezegden in den mond doet leggen, afgeleid

uit de korte aanteekeningen der schriftuurlijke geschiedenis,

loopt in het overdrevene. De redenering over den vloek van Cham

is het papier niet waard, waarop zij geschreven is. Zij staat

volkomen gelijk met die in "Blackwood's Magazine" welke wij ons

herinneren eenige jaren geleden beoordeeld te hebben, over de

toelating van Rothschild in het Parlement. De schrijver beweerde

de godsdienstige verpligting van het Christelijke publiek om de

politieke onbevoegdheid der Joden te handhaven, omdat het een

verzet tegen den Goddelijken wil zou zijn deze op te heffen,

met het oog op den "vloek", dien gemelde Phariseër begreep tegen

de zonen van Abraham te zijn uitgesproken. Toegevende dat God

beide het Joodsche geslacht en de nakomelingen van Cham vervloekt

heeft, zoo is Hij magtig om zijn oogmerk te volvoeren, hoewel het

"overige van het menschdom" in alle opzigten mogt handelen naar

de menschlievende voorschriften der "Goddelijke wet." De mensch

kan geheel veilig de hoogste beginselen der Christelijke bedeeling

in beoefening brengen, en het aan God overlaten om de vervulling

van zijnen vloek uit te werken.

Volgens hetzelfde boek en dezelfde logica zou, daar het geheele

menschdom onder eenen "vloek" is, niemand van ons eenige verligting

voor ons zelven mogen zoeken, en dus plegen wij eene gruwelijke

zonde door den stoom te gebruiken om handenarbeid te verrigten,

door koren te maaijen met Mac Cormick's diablerie, en den

bliksem op te vangen, om hem onze boodschappen te laten doen,

in plaats van zelven daarmede te loopen, gelijk onze vader Adam

deed. Met een weinig meer gewoon gezond verstand, en veel minder

van de ongewone soort, zouden wij de Schrift beter verstaan, zoo

wel als de instellingen waaronder wij leven, de verschillende

regten onzer medeburgers in al de afdeelingen van ons land,

en de goede, gezonde, practicale maatschappelijke betrekkingen,

welke oneindig meer dan zij tegenwoordig doen tot het geluk der

menschheid behoorden bij te dragen.

Indien de lezer verlangt te weten, welke soort van prediken het is,

die St. Clare bedoelt, wanneer hij zegt, dat hij evenveel goeds van

de Picayune kan leeren, en dat zulke schriftuurlijke uitleggingen

van hunne eigenaardige betrekkingen hem niet zeer stichten,

wordt hij verwezen naar het volgende uittreksel eener leerrede,

te New-Orleans door den Eerw. Theophilus Clapp gehouden. Laat de

lezer zich nu verbeelden dat hij St. Clare in de voorste bank ziet

zitten, en schalkachtig aanteekening houden van de volgende proeven

van zedekunde en menschelijkheid.

Laten alle Christelijke leeraren onze bedienden het gewigt onder

het oog brengen van onderdanigheid, gehoorzaamheid, naarstigheid

en getrouwheid in de belangen hunner meesters. Laten hunne

gemoederen vervuld worden met blijde verwachtingen der eeuwige

rust aan gene zijde des grafs. Laten zij gewend worden om hunnen

blik te rigten op die bekoorlijke en heerlijke toekomst, waar de

zonden, smarten en bezwaren der aarde zullen beschouwd worden als

middelen onmisbaar voor onzen eeuwigdurenden vooruitgang in kennis,

deugd en geluk. Ik zou tot elken slaaf in de Vereenigde Staten

willen zeggen: "Gij moet u voorstellen, dat eene wijze, goede

en genadige Voorzienigheid u voor uwe staat in het leven heeft

bestemd; en dat gij, alle dingen in aanmerking genomen, geen meer

verkieselijken toestand kondt hebben. De last van uwe zorg, arbeid

en verantwoordelijkheid is veel ligter, dan dien God uwen meester

heeft opgelegd. De meest verlichte philanthroop, met onbeperkte

middelen, zou u niet in eenen toestand kunnen plaatsen gunstiger

voor uw tegenwoordig en eeuwig welzijn, dan die, waarin gij u nu

bevindt. Gij hebt uwe bezwaren; die heeft iedereen. Bedenk hoe

vlugtig de vermaken en genoegens des menschelijken levens zijn."

Doch daar Mr. Clapp niet voor een vertegenwoordiger der orthodoxie zal

gehouden worden, dan veronderstelle men, dat St. Clare luistert naar

de volgende verklaringen van den Eerw. James Smylie, een geestelijke

van grooten invloed in de Presbyteriaansche kerk, in een tractaatje

over de slavernij, hetwelk hij verklaart geschreven te zijn, met het

opzettelijk doel om de gemoedsbezwaren van godsdienstige menschen

in Mississippi en Louisiana, ten aanzien van hare geoorloofdheid,

op te heffen.

Indien ik geloofde of van gevoelen was, dat het de wettige

strekking van het Evangelie was, de slavernij af te schaffen,

hoe zou ik dan eenen man naderen, die zoo vele slaven had als

Abraham, en hem zeggen, dat ik zijn verlof wenschte te bekomen

om voor zijne slaven te prediken?

Men veronderstelle dien man onkundig van het Evangelie, dat hij

mij vroeg wat mijn oogmerk was, dan zou ik hem opregtelijk zeggen

(en ieder dienaar van het Evangelie behoort opregt te zijn) dat

ik het Evangelie wenschte te prediken, omdat deszelfs wettige

strekking is, zijne slaven eerlijk en getrouw te doen worden; niet

dienende "met oogendienst, als menschenbehagers, niet stelende,

maar alle goede trouw bewijzende."--"En dit is," zou hij vragen,

"werkelijk de strekking van het Evangelie?" Ik zou antwoorden:

"Ja!" Dan zou ik mogen verwachten, dat een man die duizend slaven

had, indien hij mij geloofde, mij niet alleen veroorloven zou

voor zijne slaven te prediken, maar dat hij meer zou doen. Dat

hij gewillig zou zijn om een huis voor mij te bouwen, mij een

tuin en ruimen voorraad tot onderhoud te bezorgen; omdat hij

besluiten zou, dat voorwaar deze prediker meer voor hem waardig

zou zijn dan twaalf opzigters. Maar onderstel, dat hij mij zeggen

zou vernomen te hebben, dat de strekking van het Evangelie was,

de slavernij af te schaffen, en mij vroeg of dit zoo was. Ha, daar

zit de knoop. Nu heeft hij mij in de klem. Wat zal ik zeggen? Zal

ik als een oneerlijk man, verbloemen en verdraaijen, en mij keeren

en wringen om een antwoord te vermijden? Neen, ik moet als een

Kentuckiër, er plomp voor uitkomen, en hem zeggen dat abolitie,

de strekking van het Evangelie is. Waarop moet ik nu rekenen? Ik

heb den man gezegd, dat de strekking van het Evangelie is, hem

zoo arm te maken, dat hij genoodzaakt zal zijn, zelf te graven en

hout te hakken; dat hij zijn eigen paard moet opvangen, roskammen

en zadelen; dat hij zijne eigene brogans moet poetsen (want hij

zal niet in staat zijn om laarzen te koopen). Zijne vrouw moet

zelve aan de waschtobbe staan, den bezem aanvatten, de potten

wasschen en alles koken wat zij en haar houthakker zullen eten.

Vraag.--Is het te verwachten, dat een meester tot nog toe onkundig

van het Evangelie, zoo smoorlijk daarop verliefd zou raken, door

eene kennis van deszelfs strekking, dat hij het prediken daarvan

onder zijne slaven zou aanmoedigen? Waarlijk, Neen.

Maar onderstel, wanneer hij die laatste vraag naar deszelfs

strekking aan mij doet, dat ik hem, zonder uitvlugt of draaijerij,

duidelijk en opregt, kon en wilde zeggen, dat het eene lastering

van het Evangelie was, te zeggen dat emancipatie of abolitie

deszelfs wettige strekking was. Ik zou hem zeggen dat de geboden

van sommige menschen, en niet de geboden van God, de slavernij

tot zonde maken.--Smylie on Slavery, p. 71.

Men kan zich verbeelden met welk een gezigt St. Clare zulke

uitleggingen van het Evangelie zou ontvangen. Het moet nog opgemerkt

worden, dat dit tractaatje niet slechts het gevoelen van een enkel

man bevat, maar dat het in een aanhangsel eenen brief geeft van twee

kerkelijke ligchamen der Presbyteriaansche kerk, waarin deze gevoelens,

wat de hoofdzaak betreft, worden bekrachtigd.

Kan iemand zich verwonderen dat een man gelijk St. Clare vragen zou

doen als deze:

"Is dat, wat gij daar in de kerk hoort, godsdienst? Is dat wat men zoo

kan buigen en wringen, om in al de kronkelingen van eene eigenlievende,

aardschgezinde maatschappij te passen, godsdienst? Is dat godsdienst,

wat minder billijk, minder edelmoedig, minder regtvaardig, minder

meedoogend voor den mensch is, dan mijn eigen ongodsdienstig,

aardschgezind, verblind gemoed? Neen! Als ik naar godsdienst zoek,

dan moet ik zoeken naar iets dat boven mij is, niet naar iets dat

beneden mij is."

Het karakter van St. Clare werd door de schrijfster met

geestvervoering en met hoop geteekend. Zal deze hoop nimmer

verwezenlijkt worden? Zullen die mannen in het Zuiden, wie God het

vermogen heeft gegeven om het onuitsprekelijke kwaad en onregt der

slavernij in te zien en een hart om het te gevoelen, altijd zwijgend

en werkeloos blijven? Wat edeler eerzucht voor een man in het Zuiden,

dan om zijn land van deze schande te verlossen? Uit het Zuiden moet

de verlosser opstaan. Hoe lang zal hij vertoeven? Er is eene kroon

heerlijker dan eenige aardsche eerzucht ooit gedragen heeft--er is

een lauwerkrans die nooit zal verwelken; hij is gevlochten voor dien

held, die in het Zuiden voor de vrijheid zal opstaan, en dat schoone

land van den druk en de schande der slavernij bevrijden.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 29 / 220 题