"Neen, niet bijzonder, zoo ver ik weet," antwoordde de dame. "Maar
het zijn Negers, weet ge!"
Nu is deze dame eene zeer godvreezende vrouw. Waarschijnlijk zou
zij zichzelve verloocheningen willen opleggen, om het Evangelie
aan de heidenen te zenden; en indien zij er ooit aan gedacht had om
deze familie als eene heidensche te beschouwen, zou zij de grootste
belangstelling voor hun welzijn hebben gevoeld, omdat zij wat haren
pligt jegens de heidenen betrof dikwijls onderrigt van den predikstoel
had ontvangen, en haar geweten en godsdienstig gevoel in dit opzigt
wakker waren. Waarschijnlijk had zij nooit eene preek gehoord, waarin
de groote waarheid verkondigd werd: "dat in Christus geen Jood of
Griek, barbaar, Scyth, dienstknecht of vrije is."
Indien onze Heer nog op aarde was, gelijk Hij eens geweest is, hoe
zou Hij dan waarschijnlijk handelen, ten opzigte van dit onchristelijk
vooroordeel van kleur?
Er was eene klasse van menschen in die dagen, evenzeer veracht bij de
Joden als de Negers bij ons; en tegen Christus werd de klagt ingebragt,
dat Hij een vriend van tollenaren en zondaren was. En indien Christus
bij eene avondmaalsbediening eene plaats van godsvereering binnentrad,
en den kleurling achteraf alleen zag zitten, zou het dan niet juist
in zijnen geest wezen om daar bij hem te gaan zitten, liever dan eene
plaats onder zijne rijkere en meer welvarende broederen te nemen?
Het is echter niet meer dan billijk van onze noordelijke Christenen
te zeggen, dat zij de zonde in onkunde en ongeloof begaan hebben,
en dat sedert eenige jaren teekenen van eenen veel beteren geest zich
beginnen te vertoonen. In sommige plaatsen zijn onlangs de deuren der
schoolhuizen voor de kinderen geopend, en menige goede Miss Ophelia
heeft de oogen verbaasd opgeslagen, toen zij vernam, dat er, terwijl
zij getrouw de Missionary Herald las, en zich boter op haar brood
en suiker in hare thee ontzeide om het Evangelie naar de Sandwichs
Eilanden te helpen zenden, te huis in hare eigene buurt eene zeer
bloeijende kolonie van heidenen bestond; en getrouw aan eigen goed
en opregt hart, heeft zij besloten om hare gebeden en pogingen voor
de heidenen buiten 's lands niet te staken, maar daarbij nog haren
arbeid te voegen voor de heidenen te huis.
Onze veiligheid en hoop in dit opzigt bestaan hierin, dat er in al
onze kerken zeer velen zijn, die waarlijk en opregtelijk Christus
liefhebben, en die, zoodra een weinig nadenken hen hunnen pligt te
dezen aanzien zal hebben doen kennen, dien met allen ernst zullen
vervullen.
Het is waar dat zij, indien zij dit doen, misschien Abolitionisten
zullen genoemd worden; maar de echte Miss Ophelia is niet bang voor
eenen leelijken naam in eene goede zaak en heeft veeleer geleerd,
"de smaadheid van Christus eenen grooteren schat te achten dan de
rijkdommen van Egypte."
Dat er reeds veel door Christenen kan gedaan worden, om het zedelijke
gevoel der maatschappij in dit opzigt wakker te maken, zal blijken
wanneer men bedenkt, dat zulk een wel opgevoed en fatsoenlijk man
als Frederick Douglass onlangs, terwijl hij in zwakke gezondheid
verkeerde, genoodzaakt was om den nacht op het dek eener stoomboot
door te brengen, omdat dit onzinnige vooroordeel hem van eene plaats
in de kajuit beroofde; en dat een zeer werkzaam en nuttig geestelijke,
Dr. Pennington van New-York, in den laatsten tijd zijne gezondheid
dikwijls aan ernstig gevaar heeft moeten blootstellen door onder eene
brandende zon te voet door zijn zeer uitgebreid kerspel te moeten
rondgaan, om zijn herderlijk werk te verrigten, omdat hem het gewone
gemak van den omnibus niet kon toegestaan worden, die alle klassen
van blanken, van de beschaafdsten tot de laagsten en walgelijksten,
vervoert.
Laten wij nu bedenken hoe groot het aantal belijders der godsdienst
van Christus te New-York is, en ook bedenken, dat zij, door hunne
belijdenis zelve, Dr. Pennington voor den broeder van hunnen Heer, en
even als elk hunner voor een lid van het ligchaam van Christus houden.
Nu zijn deze Christenen aanzienlijk, rijk en magtig; zij kunnen de
publieke meening dwingen in ieder opzigt dat zij van bijzonder belang
achten, en zij belijden, volgens hunne godsdienst, "dat indien een
lid lijdt, al de leden medelijden."
Het is eene ernstige vraag, of zulk eene in het oog vallende smaadheid,
Christus en zijne prediking, in den persoon van eenen gekleurden
broeder, zonder eenige tegenspraak van hunne zijde aangedaan, niet
tot een algemeen gevoelen zal leiden, dat al wat de Bijbel over
de vereeniging der Christenen zegt slechts een ijdele klank is en
niets beteekent.
Zij die verlangend zijn om regtstreeks iets te doen ten einde den
toestand der slaven te verbeteren, kunnen dit op geene andere wijs
beter doen, dan door den staat der vrije kleurlingen om hen heen te
verheffen, en alle moeite te doen om hun gelijke regten en privilegiën
te verschaffen.
Dit onchristelijke vooroordeel heeft ongetwijfeld de emancipatie van
honderden van slaven verhinderd. De slavenhouder, die het kwaad der
slavernij gevoelt en erkent, is naar het Noorden gekomen, en heeft
de blijken dezer liefdelooze en onchristelijke gezindheid jegens den
slaaf gezien, en bij zichzelven aldus geredeneerd:
"Indien ik mijnen slaaf in het Zuiden houd, is hij, wel is waar,
onder de heerschappij eener zeer gestrenge wet; maar hij geniet toch
ook de voordeelen van mijne vriendschap en hulp, en krijgt door zijne
betrekking tot mij en mijne familie, zekere soort van positie in de
maatschappij. Als mijn bediende wordt hem eene plaats in den spoorwagen
en aan de tafel toegestaan. Maar als ik hem emancipeer en naar het
Noorden zond, zal hij wat het wezen der zaak betreft al de nadeelen
der slavernij ondervinden, zonder meester om hem te beschermen."
Deze wijs van redeneren heeft menigeen tot verschooning gediend om
zijne slaven in eenen toestand te houden, dien hij bekennen moet,
dat slecht is; en men zal wel terstond begrijpen dat, indien de
toestand van den Neger in onze noordelijke Staten in het oogloopend
veranderd werd, zulks van grooten invloed zou zijn op het emanciperen
van slaven. Zij die dit vooroordeel in stand houden, kunnen dus in
zekeren zin gezegd worden slavenhouders te zijn.
Hiermede wordt niet bedoeld, dat alle onderscheidingen in de
maatschappij moesten afgeschaft worden, en dat men verpligt zou wezen,
zijnen vertrouwelijken omgang te kiezen uit eene klasse, door opvoeding
en gewoonte daartoe ongeschikt.
De Neger moest niet boven zijnen kring verheven worden, omdat hij een
Neger is; maar hij moest in zijnen kring met Christelijke beleefdheid
behandeld worden. In den spoorwagen, in den omnibus en op de stoomboot,
plaatsen alle rangen en klassen van blanken zich met onbelemmerde
vrijheid naast elkander; en de Christelijkheid eischt den Neger
hetzelfde voorregt te geven.
Dat de morsigste en onbeschaafdste vreemdeling of Amerikaan, met
een adem die naar jenever ruikt, met vuile en havelooze kleeren, een
onbetwijfeld regt zou hebben om in den spoorwagen en op de stoomboot
naast iedereen plaats te nemen, en dat de fatsoenlijke, beschaafde,
welgekleede Neger hiervan uitgesloten zou zijn, alleen omdat hij een
Neger is, kan niet anders dan voor iets onredelijks en onchristelijks
gehouden worden; en ieder Christen, die zoo iets in zijn bijzijn
zonder tegenspraak en het aanwenden van zijnen Christelijken invloed,
laat geschieden, zal zeker zijne dwaling diep gevoelen, wanneer hij
eindelijk tot een persoonlijk onderhoud met zijnen Heer komt.
Er is in dit opzigt niets te hopen, indien de liefde van Christus niet
krachtig genoeg is, en indien het niet ten aanzien der twee stammen
kan gezegd worden: Hij is onze vrede, die beiden één gemaakt heeft,
en den middelmuur des afscheidsels tusschen ons verbroken heeft.
De tijd nadert snel, wanneer de hoogste klassen der maatschappij
moeten leeren, dat hunne opvoeding, rijkdom en beschaving niet
hun uitsluitend eigendom zijn; dat zij geen regt hebben om die tot
hun eigen baatzuchtig voordeel te gebruiken; maar dat zij die veel
eer, gelijk Fenelon het uitdrukt, een "ministerie" moeten achten,
een rentmeesterschap, dat hun ten behoeve hunner armere broederen
is toevertrouwd.
In sommigen der hoogste kringen van Engeland en Amerika, beginnen wij
schitterende voorbeelden te zien van het begin van zulk eenen staat
van zaken.
Een der vorstelijke kooplieden van Boston, wiens lijkplegtigheid
onlangs in onze stad gevierd is, gaf in zijn leven een schoon voorbeeld
van deze waarheid. Zijn rijkdom was de rijkdom van duizenden. Hij was
de rentmeester van weduw en wees. Zijn kapitaal was eene spaarbank,
waarin de hulpbronnen der armen bewaard werden; en de rouwdragers bij
zijne begrafenis waren de leerlingen der scholen die hij gesticht had,
de beambten der letterkundige instellingen, die zijne mildheid had
begiftigd, de weezen en weduwen, die hij raad en hulp had verleend,
en de mannen, van allen rang en stand, die hij door zijne weldadigheid
had doen gevoelen dat zijn rijkdom hun rijkdom was. Moge God vele
mannen in Boston verwekken om in den geest en den arbeid van Amos
Lawrence te treden!
Dit is het ware socialisme, dat uit den geest van Christus spruit,
en zonder de bestaande rangen der maatschappij om te werpen, door
liefde het eigendom en de bezittingen der hoogere klasse tot het
eigendom der lagere maakt.
De menschen zoeken altijd hunne hervormingen met het uitwendige en
stoffelijke te beginnen. Christus begint zijne hervormingen in het
hart. De menschen zouden alle rangen der maatschappij willen afbreken,
en alle eigendom in een algemeenen voorraad werpen; maar Christus wil
de hoogere klasse met dien Goddelijken Geest vervullen, door welke
alle rijkdommen, middelen en voordeelen van hunnen stand ten nutte
van de lagere gebruikt worden.
Wij zien ook in de hoogste aristocratie van Engeland voorbeelden van
dezelfde rigting.
Onder den oudsten adel van dat land beginnen verhandelaars voor
handwerkslieden en voorstanders van havelooze scholen op te staan;
en men zegt dat zelfs op den troon van Engeland eene vrouw is, die
wekelijks hare klasse van zondagscholieren, uit de kinderen in den
omtrek van haar landverblijf, onderwijst.
Op deze wijze, en niet door eene uitwendige, stoffelijke verdeeling
van eigendom zal men alle dingen gemeen hebben. En wanneer de blanke
stam zijne meerderheid boven den gekleurde alleen als een talent zal
beschouwen, hem ten behoeve van zijnen zwakkeren broeder toevertrouwd,
dan zal het vooroordeel van caste in het licht des Christendoms
verdwijnen.