Miss Ophelia is de vertegenwoordigster eener talrijke klasse der besten
onder de bevolking van het Noorden; tot welke misschien onze Heer,
indien Hij weder eenen brief aan zijne kerken mogt rigten, gelijk
hij aan die van den ouden tijd deed, dezelfde woorden als toen zou
bezigen: "Ik weet uwe werken en uwen arbeid, en uwe lijdzaamheid, en
dat gij de kwaden niet kunt dragen; en dat gij beproefd hebt degenen,
die uitgeven dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze
leugenaars bevonden; en gij hebt verdragen, en hebt geduld; en gij
hebt om mijns naams wil gearbeid en zijt niet moede geworden. Maar
ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten."
Er bestaat in deze klasse van menschen werkzaamheid, ijver,
onverzettelijke trouw aan hun geweten, heldere onderscheiding tusschen
waarheid en dwaling, groote juistheid van redenering en zuiverheid
van leer; maar er is gebrek aan dien geest der liefde, zonder welken
in de oogen van Christus het volmaaktste karakter even gebrekkig is
als eene van was gemaakte bloem--die geen leven en geene geur heeft.
Evenwel is dit gezegende beginsel niet dood in hunne harten, maar
het slaapt slechts; en zoo groot is de wezenlijke en echte goedheid,
dat wanneer de ware magneet der goddelijke liefde wordt aangewend,
zij altijd aan zijne kracht gehoor zal geven.
Wanneer dus de zachtaardige Eva, die eene voorstelling der liefde
van Christus in kinderlijke gedaante is, door een gezegend instinct
terstond het vraagstuk oplost, hetwelk Ophelia in langen tijd en met
de grootste moeite en inspanning niet heeft kunnen oplossen, bemerkt
en erkent zij met haar goed en opregt hart dadelijk haren misslag en
is zij gewillig om zelfs van een klein kind te leeren.
Miss Ophelia vertegenwoordigt wederom eene groote zonde, waaraan
Amerikaansche Christenen, zonder het te weten, zich hebben laten
schuldig worden. Zonder het te weten moet het zijn, want nergens
heerscht het geweten zoo zeer als onder deze klasse, en nergens
wordt opregter gestreefd om elke gedachte onder de gehoorzaamheid
van Christus te brengen.
Eene der eerste en meest openlijk verklaarde bedoelingen van het
evangelie is geweest, al die onredelijke scheidsmuren en vooroordeelen
neer te werpen, welke de menschelijke broederschap in afgezonderde en
oorlogende stammen verdeelen. Paulus zegt: "in Christus is niet Jood
en Griek, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije." De Joden waren
in dien tijd door eenen onoverkomelijken muur van vooroordeelen van
de Heidenen gescheiden. Zij konden niet te zamen eten en drinken,
niet te zamen bidden. Doch de apostelen arbeidden zeer ernstig om
hen het zondige van dit vooroordeel te doen inzien. Paulus zegt
tot de Ephesiërs, van deze vroegere verdeeldheid sprekende: "Hij is
onze vrede, die deze beiden één gemaakt heeft, en den middelmuur des
afscheidsels tusschen ons gebroken heeft."
Het is zeer gemakkelijk te zien dat, hoewel de slavernij in de Staten
van Nieuw-Engeland is afgeschaft, zij echter de noodlottigste
eigenschap van het stelsel heeft nagelaten--datgene wat de
Amerikaansche erger dan de Romeinsche slavernij maakt--het vooroordeel
van caste en kleur. In de Staten van Nieuw-Engeland wordt de Neger
behandeld alsof hij tot een lager geslacht van wezens behoorde;
genoodzaakt om op de plaats van godsvereering afzonderlijk te zitten;
zijne kinderen van de scholen uitgesloten; hij zelf uitgesloten van
den spoorwagen en den omnibus; en de eigenaardigheden van zijnen stam
worden tot voorwerpen van bittere verachting en spotternij gemaakt.
Men heeft deze handelwijs geregtvaardigd door te zeggen, dat zij
een verlaagd geslacht zijn. Maar hoe kwamen zij verlaagd? Neem welke
klasse van menschen gij wilt, en ontzeg hun de middelen van opvoeding,
ontneem hun hoop en gevoel van eigenwaarde, sluit voor hen alle paden
van regtmatige eerzucht, en gij zult hen tot juist zulk een geslacht
maken als de Negers onder ons geweest zijn.
Zoo zonderling en zoo treurig is de heerschappij van het vooroordeel
over het menschelijk gemoed, dat belijders des Christendoms in onze
Nieuw-Engelsche Staten dikwijls, met zeer gewigtige opoffering en
zelfverloochening, het Evangelie gezonden hebben tot heidenen even
donker van kleur als de Afrikanen, terwijl in hunne nabijheid personen
van donkere kleur waren, aan welke om die kleur verboden was hunne
kinderen ter school te zenden, terwijl zij zelven werden afgeschrikt
om de kerken binnen te treden. Het gevolg daarvan is geweest, dat
het geslacht verlaagd werd en verbasterde; en toen heeft men juist
deze verlaging en verbastering als eene reden aangevoerd om in deze
handelwijs te volharden.
Niet lang geleden bezocht de schrijfster eene menschlievende dame,
en kwam bij dit bezoek het gesprek op de omstandigheden van eenen
brand, die den vorigen nacht in de nabijheid had plaats gehad. Een
ledig staand huis was tot aan den grond toe afgebrand. De dame zeide,
dat men vermoedde dat het in brand was gestoken. "Welke reden kon
iemand hebben, om het in brand te steken?" zeide de schrijfster.
"Wel," antwoordde de dame, "men meende dat eene familie van kleurlingen
het stond te betrekken, en men dacht dat de buurt dit niet wilde
toelaten. En dus vermoedde men dat dit de reden was."
Dit werd met alle eenvoudigheid en zeer onverschillig gezegd.