Uit hetzelfde blad van 18 November 1852.
Uit de hand te koop, een knap man, bootroeijer en goede loods;
is wel bekend met al de inhammen tusschen hier en Savannah en
George-Town.
Wat de voorvallen in het leven van George Harris betreft, willen wij,
opdat men zijn geval niet voor eene buitengewone uitzondering houde,
eenige dergelijke omstandigheden mededeelen uit het leven van slaven
onder onze persoonlijke bekenden.
Lewis Clark is een bekende der schrijfster. Kort nadat hij de
slavernij was ontvlugt, werd hij in de familie eener schoonzuster
der schrijfster opgenomen en daar opgevoed. Zijn gedrag gedurende
dien tijd was zoodanig, dat hij daardoor buitengemeene achting en
genegenheid won, en de schrijfster heeft dikwijls door allen die hem
kenden met den hoogsten lof van hem hooren spreken.
De heer, in wiens familie hij zoo lang geweest is, zegt van hem
onlangs in eenen brief aan de schrijfster: "Ik zou hem, gelijk men
zegt, ongeteld goud vertrouwen."
Lewis is een quadron, van een zeer goed voorkomen, met Europesche
trekken, ligt golvend haar en wiens gezigt eene schrandere, innemende
uitdrukking heeft.
Zijne moeder was eene fraaije quadrone, de dochter van haren meester
en door hem ten huwelijk gegeven aan eenen vrijen blanke, een Schot,
met uitdrukkelijke afspraak, dat zij en hare kinderen vrij zouden
zijn. Deze verbindtenis, zoo die al ooit opregt was, werd nooit
vervuld. Zijne moeder kreeg negen kinderen, en na den dood van haren
man, kwam zij, met al deze kinderen als slaven, weder bij haren vader
in huis.
Eene getrouwde dochter der familie, die door de heftigheid van haar
karakter de schrik van het geheele gezin was, had bij haar huwelijk
een jong meisje uit het huis medegenomen. Door hare geweldige
mishandelingen bragt zij dit kind spoedig tot eenen toestand van
wezenlooze krankzinnigheid, en kwam toen verstoord naar haren vader
terug, zeggende dat het kind tot niets deugde en zij een ander wilde
hebben; en het ongeluk van den armen Lewis wilde, dat zij het oog op
hem liet vallen.
Om eene harer vreeselijke uitbarstingen van drift te vermijden, gaf
de familie den knaap als een zoenoffer aan haar over. Dit voorval
wordt door Lewis in een door den druk openbaar gemaakt verhaal,
aldus beschreven:
Alle knapen werden geroepen, om voor deze heks voorbij te gaan,
opdat zij een slagtoffer voor hare boosaardigheid zon kunnen
uitzoeken, waarop zij jaren lang de phiolen harer gramschap kon
uitstorten. Ik was die ongelukkige. Mr. Campbell, mijn grootvader,
verzette zich hiertegen, omdat dit eene familie zou verdeelen,
en bood haar Mozes aan;--maar tegenwerpingen en bedenkingen van
allerlei soort werden door de woeste oploopendheid en de schelle
stem van Mrs. B. weggevaagd. Mij wilde zij hebben en niemand
anders. Mr. Campbell ging uit om te jagen en kwade gedachten te
verdrijven; de oude dame hield zich stil, want zij was zeker,
dat er geen bloed van haar in mijne aderen stroomde, en indien
er van haren man in was, zoo was het hare schuld niet. Vrouwen
van slavenhouders zijn altijd wraakzuchtig op slavenkinderen,
die bloed van haren man in de aderen hebben. Ik was te jong--nog
maar zeven jaren--om te begrijpen wat er voorviel; maar mijne
arme, liefderijke moeder begreep en gevoelde alles. Toen zij de
keuken van het heerenhuis verliet, waar zij als keukenmeid werd
gebezigd, en te huis kwam in haar eigen hutje, had zij tranen van
zielangst in de oogen en stond de droefheid op al de trekken van
haar gelaat geteekend. Zij kende de vrouwelijke Nero, wier roede nu
over mij zou zijn. Dien nacht ontweek de slaap hare oogen. Met het
jongste kind vast aan hare borst gedrukt, sleet zij den nacht met
heen en weder wandelen, telkens komende om het dek op te ligten
en naar mij en mijn armen broeder te zien, terwijl wij lagen te
slapen. Te slapen, zeg ik. Mijn broeder sliep, maar ik niet. Ik
zag mijne moeder, toen zij voor het eerst bij mij kwam en kon niet
slapen. Het tooneel van dien nacht--de diepe, onuitwischbare indruk
daarvan--is mij nog voor den geest met al de duidelijkheid van
gisteren. Des morgens werd ik bij Mrs. B. en hare kinderen in het
rijtuig gezet, en begon mijn vermoeijenden pelgrimstogt van lijden.
Mrs. Banton is een karakter, dat alleen kan bestaan, waar de wetten des
lands de grofste, onredelijkste en oploopendste menschen, evenzeer als
de edelmoedigste en menschlievendste, met onbeperkte magt bekleeden.
Wanneer magt zonder verantwoordelijkheid eene beproeving is voor de
deugd der waakzaamsten en zorgvuldigsten, hoe snel moet zij dan de
wreedheid ontwikkelen bij hen die van nature oploopend en barbaarsch
zijn.
Deze vrouw was met een dronken man van even woesten aard
vereenigd. Een verhaal van de ligchamelijke martelingen, welke
dit paar het ongelukkige kind wist aan te doen, en waarvan sommige
onuitwischbare teekenen op zijn ligchaam hebben gelaten, zou het voor
menschelijk gevoel al te pijnlijk zijn, en wij werpen gaarne eenen
sluijer daarover.
Eenige voorvallen worden echter in de volgende uittreksels medegedeeld:
Een zeer gering vergrijp was voldoende om bij deze vrouw met
ontembare hartstogten eene groote uitbarsting van verontwaardiging
uit te lokken. In mijne eenvoudigheid zette ik eens mijne lippen
aan denzelfden kop, waaruit een van hare kinderen gewoon was te
drinken, en dronk er uit. Zij gaf haar afgrijzen over zulk een
bedrijf te kennen door mijn hoofd met geweld achterover te duwen en
mij twee scheppen water in het gezigt te werpen. Deze besprenkeling
met water, werd door eene zwaardere besprenkeling met schoppen
gevolgd; maar de bittere, snijdende woorden, die daarop volgden,
waren als een hagelstorm op mijn jeugdig hart. "Zij zou mij wel
betere manieren leeren; zij zou mij laten voelen wat het was naar
hare hand gezet te worden; zij wilde één slaaf, die zijne plaats
kende; als ik water wilde hebben, moest ik naar de bron gaan en
niet daar in huis drinken." Het was een nieuwe tijd voor mij:
eenige dagen lang was ik geheel versuft van smart.
Indien er iemand is, die zoo geheel alle gevoel verloren heeft,
dat hij zeggen kan, dat slaven er niet onder lijden, wanneer
familiën gescheiden worden, laat zoo iemand naar de gescheurde
deken gaan, die mijn bed en peluw was, en daar nacht op nacht,
door de lange slepende uren heen, de bittere tranen zien stroomen
over het gezigt van dat meer dan wees geworden kind, dat met half
gesmoorde zuchten en snikken om zijne afwezige moeder roept.
Hij werd tot laat in den nacht bezig gehouden met vlas te spinnen
en het kleinste kind te wiegen, en des morgens zeer vroeg geroepen;
en indien hij niet met het eerste roepen opsprong, volgde er zeker
eene wreede kastijding. Hij zegt:
Zulk een angst bleef mij bij, dat ik den eersten schellen roep
niet hooren zou, dat ik mij dikwijls in mijne droomen verbeeldde,
die onwelkome stem te hooren, en uit mijn bed sprong en het huis
door en naar buiten ging, eer ik wakker werd. Ik heb in mijn slaap
de andere slaven gaan roepen en hun gevraagd of zij meester niet
hadden hooren roepen. Nooit, zoo lang ik leef, zal de herinnering
dier lange bittere nachten van angst uit mijn gemoed verdwijnen.
Hij voegt bij deze woorden, die wel overwogen mogen worden door hen
die hunne ziel troosten met den streelenden balsem, dat de onderdrukten
het verscheuren van familie-banden niet voelen:
Maar al mijn zware arbeid, en de bittere en wreede straffen,
gedurende de tien jaren mijner gevangenschap bij deze erger
dan Arabische familie, dit alles was als niets bij het leed,
dat ik daarover ondervond, dat ik van mijne moeder broeders en
zusters gescheiden was; dezelfde dingen, met hen bij mij, om
mij te beklagen, om mijne verhalen van smart te hooren, zouden
vergelijkender wijze dragelijk zijn geweest.
Zij waren slechts ongeveer dertig mijlen van mij af, en toch was
het mij in de tien lange eenzame jaren mijner kindschheid slechts
driemaal vergund hen te zien.
Mijne moeder vond nu en dan gelegenheid om mij een teeken van
herinnering en genegenheid te zenden, een suikeramandel of een
appel; maar bijna nooit at ik ze; zij werden bewaard, betast en
beschreid, tot zij in mijne hand versleten.
Mijne gedachten over dag en mijne droomen des nachts waren altijd
van mijne moeder en te huis; en de ontzetting, waarmede ik des
morgens ontwaakte en bevond dat het maar een droom was, is boven
het vermogen der taal om te beschrijven.
Lewis had eene schoone zuster, Delia geheeten, die na den dood van
haren grootvader, met al de kinderen harer moeder ter verdeeling van
het vermogen werd verkocht. Zij was een godvreezend meisje, lid van
de Baptistenkerk. Zij viel in de handen van een woesten dronkaard,
die haar tot zijne bijzit wilde maken. Milton Clark, een broeder
van Lewis, beschrijft in het verhaal van zijn leven het tooneel,
waar hij met zijne moeder aan de deur stond, terwijl dit meisje
daarvoor barbaarsch werd gegeeseld, omdat zij aan de beginselen harer
Christelijke belijdenis wilde getrouw blijven. Daar haar besluit
onverzettelijk was, werd zij in eenen troep gestoken en naar de markt
van Nieuw-Orleans gezonden. Hier werd zij aan een Franschman verkocht,
Coval geheeten; hij nam haar mede naar Mexico, verklaarde haar vrij
en trouwde haar. Nadat zij eenigen tijd met hem in Frankrijk en de
West-Indiën had gewoond, stierf hij, haar een vermogen van twintig
of dertig duizend dollars nalatende. Bij haren dood poogde zij dit
geld te vermaken om de vrijheid harer broeders te koopen; maar daar
een slaaf geen vermogen in bezit kan nemen, en het zelfs niet voor
hem kan vastgemaakt worden, hebben zij nooit iets daarvan ontvangen.
De omstandigheden, onder welke Lewis zijne vrijheid herkreeg, worden
aldus verhaald:
Ik had lang aan vrijheid gedacht en er van gedroomd; ik had nu
besloten eene poging te doen om haar te winnen. Geene tong kan den
twijfel, de ongerustheid en den angst uitspreken, die een slaaf
gevoelt, wanneer hij in dit opzigt een besluit wil nemen. Indien
hij eene poging doet en deze niet gelukt, wordt hij door zijne
makkers uitgelagchen, door zijnen meester onbarmhartig geslagen,
en dan al zijn leven daarvoor scherper bewaakt en harder behandeld.
En dan, wanneer hij weg komt, wie, wat zal hij vinden? Hij
is onbekend met de wereld. Het geheele blanke gedeelte van het
menschdom, dat hij ooit gezien heeft, zijn vijanden van hem en van
geheel zijn geslacht. Hoe kan hij zich wagen, waar geene andere
dan blanke gezigten hem zullen groeten? Zijn meester zegt hem,
dat de abolitionisten slaven naar de vrije staten lokken, om
hen op te vangen en naar Louisiana of Mississippi te verkoopen;
en dat als hij naar Canada komt, de Engelschen hem beide oogen
zullen uitsteken en hem voor zijn leven in eene mijn onder den
grond zetten. Hoe weet hij wat of wien hij gelooven moet? Een
angst van groote duisternis overvalt hem, als hij bedenkt wat hem
overkomen kan. Lang, zeer lang dacht ik er aan om te ontsnappen,
eer ik eene poging deed.
Eindelijk hoorde ik bij geruchte, dat ik naar Louisiana zou
verkocht worden. Toen dacht ik was het tijd om te handelen. Mijn
besluit was genomen.
Wat ik gevoelde, toen ik de vrije kust bereikte, kan men zich
beter verbeelden dan het beschrijven. Ik beefde overal van diepe
aandoening, ik kon mijne haren te berge voelen rijzen. Ik was op
wat men vrijen grond noemde, onder een volk, dat geene slaven
had. Ik zag blanke mannen aan het werk, en geen slaaf onder de
zweep krimpende. Alles was inderdaad nieuw en wonderbaar. Niet
wetende waar een vriend te vinden, onkundig van het land en
ongenegen om te vragen, uit vrees van mijne onkunde te verraden,
duurde het eene geheele week eer ik Cincinnati bereikte. Op eene
plaats, waar ik vertoefde, werden mij veel meer vragen gedaan,
dan ik wenschte te beantwoorden. Op eene andere plaats werd ik zeer
in verlegenheid gebragt door de gedienstigheid van den kastelein,
die er zijn werk van maakte om elken gast met nieuwsbladen te
voorzien. Ik nam het blad, dat hij mij gaf, en sloeg het op eene
eenigzins onhandige manier om, naar ik denk. Hij kwam naar mij
toe om mij een veto of eenig ander gewigtig nieuws te wijzen. Ik
achtte het best voor zijne hulp te bedanken, en gaf het blad terug,
zeggende, dat mijne oogen niet in een staat waren om veel te lezen.
Op eene andere plaats kwamen de buren, vernemende dat er een
Kentuckiër in de herberg was, met grooten ernst onderzoeken
wat ik daar te doen had. Kentuckiërs kwamen somtijds daar
om menschenroof te plegen. Zij waren gewoon scherp op hen te
letten. Eindelijk voldeed ik hen door hen te verzekeren, dat ik
geheel geen slavenhouder was en mijn vader ook niet; maar opdat
hunne vermoedens geene tegenovergestelde rigting zouden nemen,
voegde ik er bij, dat mijn grootvader een slavenhouder was.
Met het daglicht waren wij in Canada. Toen ik hier aan land
stapte, zeide ik: Nu zeker ben ik vrij! Goede Hemel! welk eene
gewaarwording, wanneer zij voor het eerst de borst van een
volwassen man bezoekt; van iemand tot slavernij geboren; van
iemand, die van zijne vroegste kindschheid af geleerd heeft, dat
deze levenslang zijn onvermijdelijk lot was! Niet voor toen durfde
ik voor een oogenblik het gevoel koesteren, dat een der leden van
mijn ligchaam mijn eigen was. De slaven zeggen dikwijls, wanneer
zij in hand of voet gehakt worden: "De pest op die oude hand,"
of "dien ouden voet! Hij is van meester! Laat hij er op passen;
neger kan het niet schelen of hij ooit weêr beter wordt." Mijne
handen en voeten waren nu mijne eigene.
Men zal zich herinneren, dat George, met Eliza sprekende, haar verhaalt
hoe hij door het zoontje van zijn meester ongenadig geslagen werd. Deze
bijzonderheid werd in de pen gegeven door den volgenden brief van
John M. Nelson aan Mr. Theodore Weld, medegedeeld in "De slavernij
gelijk zij is."
Mr. Nelson verhuisde vele jaren geleden uit Virginië naar Highland
County, Ohio, waar hij algemeen bekend en geacht is. Zijn brief is
gedagteekend 3 Januarij 1839.
Ik werd in Augusta County, Virginië, geboren en groot gebragt. Mijn
vader was ouderling in de Presbyteriaansche kerk en eigenaar
van ongeveer twintig slaven; hij was wat men gewoonlijk een
goed meester noemt. Zijne slaven waren doorgaans tamelijk wel
gevoed en gekleed en moesten niet al te zwaar werken. Somtijds
werd hun vergund naar de kerk te gaan, of werden zij bij de
huiselijke godsdienstoefening geroepen; weinigen evenwel maakten
van die voorregten gebruik. Bij sommige gelegenheden heb ik hen
gestrengelijk door hem zien geeselen, inzonderheid voor de misdaad
van te beproeven om hunne vrijheid te bekomen, of voor hetgeen
"wegloopen" genoemd werd. Hiervoor werden zij strenger gegeeseld
dan voor iets anders. Nadat zij weder gevat waren, heb ik hen
naakt zien uitkleeden en bij de handen ophangen, somtijds aan
een boom, somtijds aan een paal, zoodat hunne voeten maar even
den grond konden raken, en dan met een lederen riem slaan, tot
het bloed hun van den rug droop. Een jongen, Jack genoemd, heb ik
inzonderheid meer dan eens op deze manier zien afstraffen. Toen
ik nog geheel een kind was, herinner ik mij, dat het mij zeer
speet er een te zien "opbinden" om gegeeseld te worden, en ik
plagt met tranen voor hen te spreken en mijn geschreeuw met
het hunne te vereenigen, bijna gewillig om een gedeelte der
straf op mij te nemen. Ik werd door mijn vader zeer gestreng
over deze soort van medelijden doorgehaald. Doch van zulk eenen
verhardenden aard zijn deze tooneelen, dat ik van deze soort van
barmhartigheid voor den lijdenden slaaf tot zulk eene verstomping
kwam, dat ik niet alleen hunne slagen met bedaardheid kon aanzien,
maar ze hun zelf toebrengen, en dat zonder knaging. Naar één
geval heb ik dikwijls met smart en berouw teruggezien, vooral
sedert ik tot de overtuiging ben gekomen, "dat Negers menschen
zijn." Toen ik misschien veertien of vijftien jaren oud was, wilde
ik een jongen kerel, Ned geheeten, voor een of ander vermeend
misdrijf straffen--ik geloof, dat het was, dat hij een toom van
de bepaalde plaats had gelaten; en daar hij grooter en sterker
was dan ik, hield hij mijne armen vast, om mij te verhinderen van
hem te slaan. Dit hield ik voor het toppunt van onbeschaamdheid,
en riep om hulp, waarop mijn vader en mijne moeder beiden tot
mijn ontzet kwamen toeloopen. Mijn vader ontkleedde en bond hem,
bragt hem naar den boomgaard, waar teentjes in overvloed lagen,
en beval mij hem te geeselen; wanneer het eene teentje versleet,
gaf hij mij anderen aan. Nadat ik hem een poos had gegeeseld,
viel hij op zijne knieën om vergiffenis te smeeken, en ik schopte
hem in zijn gezigt. Mijn vader zeide: "Schop hem niet, maar geesel
hem;" en dit deed ik tot zijn rug letterlijk met striemen bedekt
was. Ik weet, dat ik berouw gehad heb, en ik vertrouw, dat ik
voor deze dingen vergiffenis heb ontvangen.
Mijn vader was eigenaar van eene vrouw (wij plagten haar Tante
Grace te noemen), die in Oud-Virginië was gekocht. Zij zeide mij,
dat haar oude meester haar in zijn testament hare vrijheid had
gegeven, maar bij zijn dood zijne zonen haar toch aan mijn vader
verkocht hadden. Toen hij haar kocht, liet zij eenigen onwil
blijken om met hem mede te gaan; waarop zij in boeijen werd gezet
en met geweld medegenomen. Dit was vóór dat ik geboren werd,
maar ik herinner mij de boeijen gezien te hebben, en dat mij
gezegd werd waarvoor zij gebruikt waren. Tante Grace leeft nog,
en moet tusschen de zeventig en tachtig jaren oud zijn; zij is de
laatste veertig jaren eene voorbeeldige Christinne geweest. Toen
ik een jongeling was, gaf ik mij eenige moeite om haar te leeren
lezen; dit is nu een groote troost voor haar. Sedert ouderdom
en zwakheid haar van weinig waarde voor hare eigenaars hebben
gemaakt, wordt haar toegelaten zooveel te lezen als zij verkiest;
dit kan zij, met hulp van een bril, in den ouden huisbijbel doen,
die bijna het eenige boek is, dat zij ooit heeft ingezien. Dit,
met eenig verstelwerk voor de zwarte kinderen, is al wat zij
doet; zij wordt nog als slavin gehouden. Ik herinner mij nog wel,
welk een hartverscheurend tooneel het in de familie was, toen
mijn vader haar man verkocht; dit was, naar ik meen, vijfendertig
jaren geleden. En toch werd mijn vader voor een der beste meesters
gehouden. Ik weet van weinigen, die beter waren, maar van velen,
die erger waren.
Wat de geestvermogens van George betreft en dat hij zichzelven
leerde lezen en schrijven, vindt men een zeer belangrijk en roerend
voorbeeld van een daarmede overeenstemmend geval in het "Leven van
Frederick Douglass," een boek, dat iedereen kan worden aanbevolen,
die nieuwsgierig is om te zien hoe een krachtige en werkzame geest
zich door al de ellende, vernedering en verdrukking der slavernij
heenworstelt. Eenige weinige omstandigheden moeten vooraf vermeld
worden.
Even als Clark, was Douglass de zoon van eenen blanke. Hij was een
plantaadje-slaaf in eene oude trotsche familie; zijn toestand kan
waarschijnlijk voor een gewonen gehouden worden; hij leefde namelijk
in morsigheid, vernedering en onder ongemakken van verschillenden
aard, hem door dagelijksche gewoonte tamelijk dragelijk geworden,
en bij vergelijking met het lot van hen, die ergere mishandelingen
lijden, voor benijdenswaardig gehouden. Eene omstandigheid, welke
Douglass van zijne moeder verhaalt, is zeer treffend. Hij zegt, dat
het gebruikelijk is de moeders vroeg van hare kinderen te scheiden,
om aldus haar natuurlijk gevoel te verstompen en uit te dooven. Toen
hij drie jaren oud was, werd zijne moeder naar eene plantaadje op acht
of tien (Eng.) mijlen afstands gezonden om te werken, en daarna zag
hij haar nooit behalve des nachts. Na het einde van haar dagwerk kwam
zij nu en dan naar haar kind, legde zich daarmede in hare armen neer,
suste het aan hare borst in slaap, en stond dan weder op om terug te
gaan en bij den dageraad voor het veldwerk gereed te zijn. Nu vragen
wij de voornaamste dame in Engeland of Amerika, die moeder is, of dit
niet bewijst, dat deze arme veldarbeidster, onder hare vuile lompen,
een echt moederhart in de borst had?
De laatste en bitterste vernedering, welke men over het hoofd der
ongelukkige slaven heeft uitgestort, is, dat men hun die heilige
aandoeningen ontzegt, welke God aan alle menschen eveneens gegeven
heeft. Wij hooren door kwijnende modedames, met fraaije woorden zeggen:
"het is niet te veronderstellen, dat die schepselen hetzelfde gevoel
hebben als wij," terwijl de spreekster niet het tiende deel der
vermoeijenis en pijn zou kunnen verduren, welke eene slavinnen-moeder
dikwijls voor haar kind verdraagt. Elke moeder, die een moederhart in
de borst heeft, moet weten dat dit eene lastering is tegen de natuur,
en tusschen de wieg van haar levend en het grafje van haar dood kind
staande, zulk een laster van alle moederschap met verontwaardiging
verwerpen.
Douglass verhaalt aldus, hoe hij, toen hij verplaatst en huisbediende
te Baltimore geworden was, heeft leeren lezen.
Het schijnt dat zijne meesteres, pas getrouwd en ongewoon aan het
beheer van slaven, zeer goed voor hem was; onder andere bewijzen van
goedheid behoorde ook, dat zij begon hem te leeren lezen. Toen zijn
meester ontdekte wat er voorviel, zegt hij:
Terstond verbood mijn meester Mrs. Auld om mij verder te
onderrigten, haar onder anderen zeggende, dat het ongeoorloofd
zoowel als onvoorzigtig was eenen slaaf te leeren lezen. Om
verder zijne eigene woorden te gebruiken--hij zeide: "als gij een
Neger een duim geeft, zal hij eene el nemen. Een Neger behoeft
niets te weten dan zijnen meester te gehoorzamen--te doen wat
hem gezegd wordt. Geleerdheid zou den besten Neger van de wereld
bederven. Als gij dien Neger," zeide hij van mijzelven sprekende,
"leert lezen, zou hij niet meer te houden zijn. Het zou hem
voor altijd ongeschikt maken om slaaf te wezen. Hij zou terstond
onhandelbaar worden en van geene waarde voor zijnen meester. Wat
hemzelven aangaat, het zou hem geen goed kunnen doen, maar wel
veel kwaad. Het zou hem onvergenoegd en ongelukkig maken." Deze
woorden zonken mij diep in het hart, wekten aandoeningen op,
die nog lagen te sluimeren en voerden mij tot eene reeks van
geheel nieuwe gedachten. Het was eene nieuwe gewigtige openbaring,
die mij de donkere en geheimzinnige dingen verklaarde, waarmede
mijn jeugdig verstand vruchteloos geworsteld had. Ik begreep nu
wat voor mij een verbijsterend raadsel was geweest--namelijk het
vermogen van den blanke om den zwarte tot slaaf te maken. Het
was eene groote ontdekking, waarop ik hoogen prijs stelde. Van
dat oogenblik af kende ik den weg van de slavernij tot de vrijheid.
Daarna was zijne meesteres even waakzaam om te beletten, dat
hij leerde lezen, als zij voorheen ijverig was geweest om hem te
onderwijzen. Zijne latere vorderingen beschrijft hij aldus:
Van dien tijd af werd ik zeer streng in het oog gehouden. Als ik
eenigen tijd in eene kamer alleen was, vermoedde men zeker, dat ik
een boek had en moest ik rekenschap geven wat ik deed. Dit alles
was echter te laat--de eerste stap was gedaan. Mijne meesteres
had mij, door mij de letters te leeren, den duim gegeven, en
geene voorzorg kon mij beletten de el te nemen.
Het plan dat ik ontwierp en mij zeer wel gelukte, was vriendschap
te maken met al de kleine blanke jongens, die ik op straat
ontmoette. Van dezen maakte ik er zoo velen als ik kon tot
leermeesters. Met hunne vriendelijke hulp, die ik op verschillende
tijden en plaatsen verkreeg, gelukte het mij eindelijk te leeren
lezen. Als ik om boodschappen werd gezonden, nam ik altijd mijn
boek mede, en door een gedeelte van den weg hard te loopen, vond
ik tijd om nog eene les te nemen eer ik weder naar huis ging. Ik
plagt ook brood mede te nemen, waarvan altijd genoeg in huis was
en dat ik altijd kon krijgen, want in dit opzigt had ik het veel
beter dan vele blanke kinderen in onze buurt. Dit brood plagt ik
aan kleine hongerige jongens te schenken, die mij dan daarvoor
het veel kostbaarder brood der kennis gaven. Ik ben in groote
verzoeking om de namen van twee of drie dezer kleine jongens
te noemen, als een blijk van de dankbaarheid en genegenheid,
die ik voor hen koester, maar voorzigtigheid verbiedt mij dit;
niet dat het mij zou benadeelen, maar het zou hen in verlegenheid
kunnen brengen, want het is in dit Christelijke land een bijna
onvergeeflijk misdrijf slaven te leeren lezen. Het is van die goede
kleine jongens genoeg gezegd, dat zij in Philpotstreet woonden,
zeer digt bij de scheepstimmerwerf van Durgin en Bailey. Ik plagt
met hen over de slavernij te spreken. Zoo zeide ik wel eens tot
hen, dat ik wenschte zoo vrij te kunnen zijn, als zij zouden wezen
als zij volwassen waren. "Gij zult vrij zijn, zoodra gij een en
twintig wordt, maar ik ben levenslang een slaaf. Heb ik niet even
veel regt om vrij te zijn, als gij?" Deze woorden plagten hen
te verontrusten; zij gaven mij dan hun hartelijk medelijden te
kennen en troostten mij met de hoop, dat er iets zou voorvallen,
waardoor ik vrij zou worden.
Ik was nu ongeveer twaalf jaren oud, en de gedachte van levenslang
slaaf te zijn begon mij zwaar op het hart te drukken. Juist in
dien tijd kreeg ik een boek in handen getiteld: "The Columbian
Orator." Ik maakte van elke gelegenheid, die ik vinden kon,
gebruik om dit boek te lezen. Onder andere belangwekkende
stukken, vond ik daarin eene zamenspraak tusschen een meester
en zijnen slaaf. De slaaf werd gezegd driemaal van zijnen
meester te zijn weggeloopen. De zamenspraak moest het gesprek
voorstellen, dat tusschen hen plaats had, toen de slaaf voor
de derde maal weder gevat was. In deze zamenspraak werden alle
redenen vóór de slavernij door den meester aangevoerd en door
den slaaf wederlegd. Men liet den slaaf ter beantwoording van
zijnen meester verscheidene zeer vernuftige zoo wel als treffende
dingen zeggen--dingen die het verlangde, hoewel onverwachte gevolg
hadden; want het gesprek eindigde daarmede dat de meester den
slaaf vrijwillig emancipeerde.
In hetzelfde boek vond ik een van Sheridan's krachtige
redevoeringen ter gunste van de emancipatie der Katholieken. Dit
waren uitgelezene stukken voor mij. Ik las en herlas ze met
onverflaauwde belangstelling. Zij gaven eene taal aan de vurigste
gedachten mijner eigene ziel, die mij dikwijls voor den geest
hadden gezweefd, maar uit gebrek aan vermogen om ze te uiten,
weder weggestorven waren. De moraal welke ik uit de zamenspraak
trok, was het vermogen der waarheid over het geweten zelfs
van eenen slavenhouder. Wat ik van Sheridan kreeg, was eene
stoute aanklagt der slavernij en eene krachtige verdediging der
menschen regten. Het lezen dezer stukken stelde mij in staat
om mijne gedachten te uiten en de redeneringen te wederleggen,
die vóór de slavernij worden aangevoerd; doch terwijl zij mij
van één bezwaar onthieven, bragten zij mij in een ander, bijna
nog pijnlijker dan dat waarvan ik ontheven was. Hoe meer ik las,
des te meer leerde ik hen, die mij tot een slaaf gemaakt hadden,
verfoeijen en haten. Ik kon hen in geen ander licht beschouwen,
dan als eene bende gelukkige roovers, die naar Afrika waren gegaan,
en ons uit ons vaderland hadden gestolen en in een vreemd land tot
slavernij gebragt. Ik walgde van hen als de laagsten zoowel als de
slechtsten der menschen. Terwijl ik las en de zaak overwoog, zie,
daar was die onvergenoegheid, welke meester Hugh had voorspeld,
dat op mijne geleerdheid zou volgen, reeds gekomen, en pijnigde
mijne ziel onuitsprekelijk. Terwijl ik onder die marteling kromp,
kwam het mij dikwijls voor, dat mijne kennis veeleer een vloek
dan een zegen was. Zij had mij een inzigt in mijn rampzaligen
toestand gegeven, zonder redmiddel. Zij opende mijne oogen voor den
afgrijselijken kuil, maar voor geene ladder om er uit te komen. In
oogenblikken van zielesmart benijdde ik mijne medeslaven hunne
domheid. Dikwijls heb ik gewenscht, dat ik maar een beest was. Ik
stelde den toestand van het laagste kruipende gedierte boven mijn
eigenen; alles had ik willen zijn, om maar niet te denken. Het was
dat eeuwigdurende denken aan mijnen toestand, dat mij martelde;
daarvan kon ik niet ontslagen raken. Het werd mij door alles wat
ik zag en hoorde, door alle bezielde en onbezielde voorwerpen
opgedrongen. De zilveren bazuin der vrijheid had mijne ziel
tot een eeuwig waken opgewekt. De vrijheid verscheen mij nu,
om nooit weder te verdwijnen. Ik hoorde haar in elken klank,
ik zag haar in alle dingen. Zij was altijd tegenwoordig, om mij
met een gevoel van mijnen rampzaligen toestand te martelen. Ik
zag niets zonder haar te zien, ik hoorde niets zonder haar te
hooren, en voelde niets zonder haar te voelen. Zij zag mij aan
uit elke ster, zij lachte mij toe in elke kalmte, zij ademde in
ieder windje, zij zweefde in elken storm.
Dikwijls beklaagde ik mijn eigen aanzijn en wenschte ik dat ik
dood was; en zonder de hoop om vrij te worden, twijfel ik niet of
ik zou mijzelven gedood hebben, of iets gedaan hebben, waarvoor ik
moest gedood worden. Terwijl ik in deze gemoedsstemming verkeerde,
was ik gretig om over de slavernij te hooren spreken. Ik was
altijd gereed om te luisteren. Telkens hoorde ik iets van de
abolitionisten. Het duurde eenigen tijd eer ik ontdekte, wat dit
woord beteekende. Het werd altijd in zulk een verband gebruikt,
dat het voor mij een belangwekkend woord moest wezen. Als er een
slaaf wegliep en het hem gelukte te ontkomen, of als een slaaf
zijn meester doodde, of eene schuur in brand stak, of iets deed,
dat in de oogen van een slavenhouder erg kwaad was, werd het
een gevolg der abolition genoemd. Dit woord dikwijls in zulk een
verband hoorende, begon ik te onderzoeken wat het beteekende. De
dictionnaire gaf mij weinig of geene hulp. Ik vond het was "the
act of abolishing" (de daad van afschaffen), maar nu wist ik nog
niet, wat er afgeschaft moest worden. Hier stond ik verlegen. Ik
durfde niemand naar de beteekenis van het woord vragen, want
ik begreep wel, dat het iets was, waarvan men niet verlangde,
dat ik iets weten zou. Na lang geduldig gewacht te hebben,
kreeg ik een dagblad in handen, waarin verslag werd gegeven van
een aantal verzoekschriften uit het Noorden, aandringende op de
afschaffing der slavernij in het district van Columbia en van den
slavenhandel tusschen de Staten. Van dien tijd af, verstond ik
de woorden abolition en abolitionist, en kwam altijd digter bij
wanneer zij werden uitgesproken, in de hoop van iets van belang
voor mij zelven en mijne medeslaven te hooren. Langzamerhand
kreeg ik meer licht. Ik ging eens naar de werf van Mr. Waters,
en toen ik twee Ieren steenen zag uitladen, ging ik ongevraagd
naar hen toe en hielp hen. Toen wij gedaan hadden, vroeg mij
een van hen of ik een slaaf was. Ik antwoordde, ja. Hij vroeg:
"Moet gij uw leven lang slaaf blijven?" Ik antwoordde wederom,
ja. De goede Ier scheen daardoor diep getroffen. Hij zeide tegen
den ander, dat het jammer was, dat zulk een knappe jongen als
ik voor geheel zijn leven een slaaf zou zijn. Hij zeide dat het
schande was mij zoo te houden. Zij raadden mij beiden om weg
te loopen naar het Noorden; dat ik daar vrienden zou vinden en
vrij zou zijn. Ik veinsde geen belang te stellen in hetgeen zij
zeiden, en deed alsof ik hen niet verstond, want ik vreesde, dat
zij verraders mogten zijn. Het is bekend, dat blanken somtijds
slaven aanmoedigen om te vlugten, en hen dan, om de belooning
te krijgen, opvangen en naar hunne meesters terugbrengen. Ik
was bevreesd, dat deze schijnbaar goede lieden mij zoo mogten
behandelen; maar ik onthield toch hunnen raad, en van dien tijd
af besloot ik weg te loopen. Ik verlangde naar den tijd, dat ik
veilig zou kunnen vlugten. Ik was te jong om er aan te kunnen
denken dit terstond te doen; bovendien wenschte ik te kunnen
schrijven, daar het misschien noodig zou zijn mijn eigen pas
te schrijven. Ik troostte mij met de hoop, dat ik eens wel eene
goede kans zou vinden. Ondertusschen wilde ik leeren schrijven.
Het denkbeeld van eene manier om te leeren schrijven werd bij
mij opgewekt door dikwijls op de scheepstimmerwerf aan Durgin en
Bailey te zien, hoe de timmerlieden, wanneer zij een stuk hout
gereed gemaakt hadden, daarop schreven voor welk gedeelte van
het schip het bestemd was. Als een stuk hout voor de larboard
(bakboord) zijde was bestemd, werd het gemerkt--L. Als een stuk
hout voor de starboard (stuurboord) zijde was bestemd, werd het
gemerkt--S. Een stuk voor de bakboord zijde naar voren (forward)
werd gemerkt--L. F. Een stuk voor de bakboord zijde naar achteren
(aft) werd gemerkt--L. A. Voor de stuurboord zijde naar voren
werd het gemerkt--S. F. en naar achteren--S. A. Spoedig leerde
ik de namen van die letters, en waartoe zij dienen moesten, als
zij op een stuk hout op de werf werden gezet. Ik begon terstond
ze na te schrijven, en binnen kort was ik in staat om de vier
genoemde letters te maken. Wanneer ik daarna een jongen ontmoette,
van wien ik wist dat hij schrijven kon, zeide ik hem dat ik even
goed schrijven kon als hij. Het antwoord was dan: "dat geloof
ik niet. Laat ik het u zien proberen." Dan maakte ik de letters,
die ik zoo gelukkig was geweest van te leeren en daagde hem uit
om dat te verbeteren. Op deze manier kreeg ik een goed aantal
schrijflessen, die het wel mogelijk is dat ik nooit op eene andere
manier zou gekregen hebben. Gedurende dien tijd waren de schutting,
de muur en het straatplaveisel mijne schrijfboeken, en was een stuk
krijt mijne pen. Daarmede leerde ik voornamelijk schrijven. Toen
begon ik de cursief-letters in Webster's spelboek na te schrijven
en ging daarmede voort, tot ik ze allen kon maken zonder naar
het boek te zien. Tegen dien tijd was mijn kleine meester Thomas
naar school gegaan en leerde schrijven; en hij had een aantal
schrijfboeken volgeschreven. Deze werden te huis gebragt, aan
eenigen van onze naaste buren vertoond en dan weggelegd. Mijne
meesteres plagt elken maandag namiddag naar de "class-meeting"
in het meeting-house in Wilk-street te gaan, en liet mij dan op
het huis passen. Als ik zoo alleen gelaten was, plagt ik mijn tijd
te besteden met in de witte tusschenruimten der schrijfboeken van
den jongen heer Thomas te schrijven, volgende wat hij geschreven
had. Dit bleef ik doen, tot ik eene hand schrijven kon, welke zeer
veel op die van den jongen heer Thomas geleek. Aldus gelukte het
mij, na eene jaren lange inspanning, eindelijk te leeren schrijven.
De aangehaalde bijzonderheden zullen bewijzen, dat het voorbeeld van
George Harris lang niet zoo buitengewoon is als men zou kunnen denken.
Laat de lezer nog eens het verhaal doorzien, dat George Harris
van het verkoopen zijner moeder met hare kinderen geeft, en dan het
volgende berigt lezen, medegedeeld door den Eerw. Heer Josiah Henson,
tegenwoordig leeraar der zendelings-vestiging te Dawn in Canada.
Na den dood van zijnen meester, zegt hij, werden de slaven der
plantaadje allen bij opbod verkocht.
Mijne broeders en zusters werden allen een voor een toegeslagen,
terwijl mijne moeder, mij bij de hand houdende, stond toe te zien
met eene zielesmart, waarvan ik de reden in het eerst maar flaauw
begreep, maar die mij toen de verkooping voortging met vreeselijke
duidelijkheid voor den geest kwam. Mijne moeder werd toen van mij
gescheiden en op hare beurt opgezet. Zij werd gekocht door een man,
Isaac R. geheeten, in Montgomery County (Maryland) woonachtig,
en toen werd ik geveild. Mijne moeder, half waanzinnig van smart
over deze scheiding van al hare kinderen, drong door de menigte,
terwijl er op mij geboden werd, naar de plaats waar R. stond. Zij
viel voor zijne voeten, omklemde zijne knieën, en smeekte hem, op
eenen toon gelijk eene moeder alleen kan, om ook haar "kleinste"
te koopen en haar ten minste een van hare kinderen te laten. Zal
men, kàn men het gelooven, dat deze man, aldus gebeden, in staat
was, niet alleen om voor haar smeeken de ooren te sluiten, maar
om zich met zulke geweldige stompen en schoppen van haar los te
maken, dat hij haar noodzaakte om buiten zijn bereik te kruipen,
en een gekerm van ligchamelijke pijn met de snikken van een
brekend hart te vermengen?
Nu zijn al de hier opgegevene omstandigheden werkelijk omstandigheden
der slavernij, verhaald door hen die weten wat de slavernij is, door
de beste van alle proeven--de ondervinding; en zij zijn medegedeeld
door mannen, die in vrijheid eenen naam hebben verworven, welke hun
woord even geloofwaardig maakt als het woord van iemand op de wereld.
Het geval van Lewis Clark zou harder kunnen genoemd worden dan
gewoonlijk. Het geval van Douglass is waarschijnlijk een onpartijdig
voorbeeld van den gewonen toestand.
De schrijfster heeft voorheen met een groot aantal bevrijde
slaven gesproken, waaronder velen verklaarden dat hun eigen lot bij
vergelijking zacht was geweest; maar zij heeft nooit met iemand van hen
gesproken, die niet nu of dan melding maakte van een of ander voorval,
dat hij had bijgewoond, van een of ander tooneel, waarvan hij getuige
was geweest, en dat een of ander gruwelijk misbruik van het stelsel
deed blijken; en wat het treffendste daarvan was, de verhaler zelf
beschouwde dit dikwijls blijkbaar zoo zeer als eene gewone zaak,
dat hij er slechts toevallig en zonder eenige buitengewone aandoening
melding van maakte.
Velen veronderstellen, dat het groote geschreeuw van hen, die
vijanden der slavernij zijn, ontstaat uit het lezen van ongewaarborgde
berigten in de abolitie-bladen opgemaakt, enz. Dit denkbeeld is zeer
verkeerd. De berigten, die het slavenstelsel moeten doen veroordeelen,
zijn ontleend uit de aanhoudende levende getuigenis der arme slaven
zelven, dikwijls uit die van de vlugtelingen uit slavernij, die
gedurig door onze noordelijke steden komen.
Als een voorbeeld van sommige der aldus aan het licht gebragte
voorvallen, wordt de volgende onlangs gebeurde geschiedenis
medegedeeld, aan de schrijfster door eene dame te Boston verhaald. Deze
dame, die veel gewoon was de armen te bezoeken, werd eenige maanden
geleden verzocht om naar eene mulattin te komen zien, die pas in een
kosthuis voor kleurlingen was gekomen, en ten uiterste neêrslagtig
scheen te zijn. Na een kort gesprek bleek het dat zij eene vlugtelinge
was. Hare geschiedenis was de volgende. Zij en haar broeder waren,
gelijk dikwijls het geval is, beide kinderen en slaven van hunnen
meester. Bij zijnen dood werden zij aan zijne dochter gelaten,
bleven als bedienden bij haar, en werden met zooveel toegeeflijkheid
behandeld, als men verwachten kon dat eene zeer gewone soort van
menschen diegenen zou bewijzen, die geheel en in alle opzigten onder
hunne magt waren.
De vrouw van haren broeder liep weg en ontkwam naar Canada; en dewijl
er van gesproken werd dat zij en haar kind, ten gevolge van geldelijke
ongelegenheden, verkocht zouden worden, besloot haar broeder, een
schrander en moedig jongman, haar insgelijks naar een vrij land te
helpen vlugten. Hij verborg haar eenigen tijd in het achtergedeelte
eener geringe woning in de stad, tot hij gelegenheid kon vinden om
haar weg te zenden. Terwijl zij zich in deze schuilplaats bevond, was
hij onvermoeid in zijne oplettendheid voor haar, bragt haar dikwijls
vruchten en bloemen, en deed al wat hij kon om het vervelende harer
gevangenschap te verzachten.
Eindelijk bood de hofmeester van een schip, aan wien hij diensten
had bewezen, hem aan om hem aan boord van het schip te verbergen
en aldus gelegenheid te geven om te ontkomen. De edelaardige man,
hoewel uitgelokt door een aanbod, dat hem in staat zou stellen om
terstond zijne vrouw te hervinden, aan welke hij teeder gehecht was,
wilde deze gelegenheid liever voor zijne zuster overlaten, en bij
afwezigheid van den kapitein van het schip, werden zij en haar kind
aan boord gebragt en verborgen.
Toen de kapitein terugkwam en vernam wat men gedaan had, was hij zeer
verstoord, daar de zaak, indien zij ontdekt werd, hem in ernstige
moeijelijkheden kon wikkelen. Hij zeide eerst dat hij de vrouw naar
de gevangenis in de stad wilde zenden; maar door haar smeeken en den
aandrang des hofmeesters liet hij zich bewegen om tot des avonds te
wachten, en haren broeder eene boodschap te zenden om haar terug te
komen halen. Na den donker kwam de broeder aan boord, en in plaats van
zijne zuster mede te nemen, deed hij in de aandoenlijkste bewoordingen
een beroep op de menschlievendheid des kapiteins. Hij verhaalde de
geschiedenis zijner zuster en zijne eigene, en pleitte welsprekend
voor hare vrijheid. De kapitein had zich voorgenomen om verhard te
blijven, maar, helaas! hij was slechts een mensch. Misschien had
hij zelf vrouw en kind--misschien gevoelde hij, dat hij, indien hij
in het geval van dien jongman was, voor zijne zuster hetzelfde zou
doen. Dit zij gelijk het wil, hij werd eindelijk vermurwd. Hij zeide
tot den jongman: "ik moet u van mijn schip wegzenden. Ik zal de boot
uitzetten, en u er in zien gaan, en gij moet wegroeijen en mij nooit
weêr uwe gezigten laten zien; en als gij dan toch mogt terugkomen en
aan boord blijven, zal het uwe schuld zijn en niet de mijne."
Zoo werden dan in regen en duisternis, de jongman, zijne zuster en
haar kind over het boord afgelaten en roeiden zij heen. Na eene poos
ligtte het schip het anker, maar eer het Boston bereikte, ontdekte
men dat de vrouw en het kind toch aan boord waren.
De dame, aan wie deze geschiedenis werd verhaald, werd verzocht om in
zekere bewoordingen eenen brief te schrijven aan iemand in de stad,
waaruit de vlugtelinge gekomen was, om haren broeder hare behoudene
aankomst te doen weten.
De vlugtelinge werd van werk voorzien, waardoor zij zichzelve en
haar kind kon onderhouden, en eenige weken lang zorgde de dame voor
hare behoeften.
Op eenen ochtend kwam zij met ontroering binnen, uitroepende: "O,
mevrouw, hij is gekomen! George is gekomen!" En kort daarop kwam de
jongman zelf.
De dame, die dit verhaalde, behoort tot de aanzienlijkste kringen
van Boston; en zij zegt dat nooit de manieren van een "gentleman"
gunstiger indruk op haar maakten, dan die van den broeder der
vlugtelinge. Zoo zeer had hij het voorkomen van een "gentleman,"
dat het voor haar gevoel onmogelijk was hem met die gemeenzaamheid,
waarmede men personen van zijnen stand gewoonlijk aanspreekt, naar
de omstandigheden zijner vlugt te vragen; en niet voor dat hij haar
verzocht om een brief voor hem te schrijven, daar hij zelf niet
schrijven kon, was zij in staat om zich te verbeelden, dat deze
beschaafde man al zijn leven een slaaf geweest was.
Het overige dezer geschiedenis is niet minder romanesk. De dame had
een vriend te Montreal, waarheen de vrouw van George zich begeven had;
en na hem met geld voor hunne reiskosten voorzien te hebben, gaf zij
hem eenen brief aan dezen heer, waarin hij verzocht werd den jongman te
helpen om zijne vrouw te vinden. Toen zij te Montreal aankwamen, trad
George aan land en toonde zijnen brief aan den eersten persoon dien
hij zag, vragende of hij dengenen kende, aan wien hij geadresseerd
was. Deze heer bleek juist de bedoelde persoon zelf te wezen. Hij
kende George's vrouw, en bragt hem zonder vertoef bij haar, zoodat
de dame met den teruggaanden post het genoegen had den gelukkigen
afloop van het avontuur te vernemen.
Dit is slechts een voorbeeld van de geschiedenissen, die men gedurig
hoort; zoodat diegenen, die over de slavernij spreken kunnen zeggen:
"wij spreken wat wij weten, en getuigen wat wij gezien hebben."
Doch men zal zeggen dat al de slaven een logenachtig geslacht zijn,
en dat het logens zijn, die zij ons vertellen. Er zijn echter sommige
dingen aan die slaven, die niet kunnen liegen. Die diepe trekken
van geduldige smart op het gezigt, die houding van kruipend nederige
onderdanigheid; die treurige, blijvende uitdrukking van vertraagde
hoop in de oogen, zouden hunne geschiedenis verhalen, al zou de slaaf
nooit spreken.
Het is niet lang geleden dat de schrijfster gezigten heeft gezien,
die iemand weken lang in zijn droom konden verontrusten.
Men verbeelde zich eene arme, afgeleefde moeder, oud, zwak en
ziekelijk--met handen, tot op het gebeente versleten door harden,
onbeloonden arbeid--wier negen kinderen aan den slavenhandelaar
verkocht zijn, en wier tiende spoedig zal verkocht worden, indien
zij niet door haren arbeid als waschvrouw negenhonderd dollars kan
bijeenbrengen! Zulke gevallen komen iemand gedurig ter kennis; zulke
getuigen zijn het die ons niet willen laten slapen.
Men heeft het betwijfeld of zoo iets als eene advertentie voor een man
"dood of levend" gelijk de advertentie voor George Harris, ooit in de
zuidelijke Staten gepubliceerd was. De gebeurtenissen van het verhaal,
waarin dit voorkomt, worden verondersteld eenige jaren geleden te zijn,
in den tijd, toen de "zwarte wetten" van Ohio werden afgekondigd. Dat
in dien tijd zulke advertentiën in de nieuwsbladen gewoon waren,
kan overvloedig bewezen worden. Dat zij thans minder gewoon zijn,
is iets dat men hopen en waarover men zich verblijden mag.
In het jaar 1839 heeft Mr. Theodore D. Weld eene poging gedaan om
de statistiek der slavernij te verzamelen en te rangschikken. Een
massa van statistieke opgaven, welker echtheid met de grootste
naauwkeurigheid onderzocht was, werd bijeengebragt. Sommigen van
de "duizend getuigen," die hij laat spreken, waren geestelijken,
regtsgeleerden, kooplieden en menschen van verschillende andere
beroepen, die of in de slavenstaten geboren waren, of vele jaren daar
hadden gewoond. Velen van hen waren slavenhouders. Anderen van de
getuigen waren slavendrijvers of officieren van kustvaartuigen tot
den slavenhandel gebezigd, of waren dit geweest.
Een ander gedeelte zijner bewijzen werd verzameld uit openbare
redevoeringen in het Congres, in wetgevende vergaderingen van Staten
en elders: maar het meeste werd uit nieuwspapieren van den jongsten
tijd ontleend.
De papieren, waaruit deze feiten waren afgeschreven, werden bewaard en
op eene openbare plaats ter lezing gelegd, waar zij eenige jaren lang
zijn gebleven en door belangstellenden konden nagezien worden. Nadat
het werk van Mr. Weld voltooid was, werd een exemplaar daarvan,
met den post aan ieder uitgever gezonden, uit wiens blad zulke
advertentiën genomen waren, en aan ieder persoon van wien eenige
opgaven waren medegedeeld, terwijl de plaatsen welke hen betroffen,
in die exemplaren gemerkt waren.
Het is zeer wel mogelijk dat dit eenigen invloed mag gehad hebben om
zulke advertentiën minder gewoon te doen worden. Menschen van verstand
doen dikwijls iets, dat zeer ongerijmd, of zelfs onmenschelijk is,
alleen omdat men het vóór hen altijd gedaan heeft, en zij volgen
zonder veel nadenken het algemeene gebruik. Wanneer echter hunne
aandacht daarop gevestigd wordt door een vreemdeling, die de zaak
uit een ander oogpunt beziet, gevoelen zij terstond het onvoegzame
van zulk een gebruik en zien zij daarvan af. De lezer zal echter met
smart moeten opmerken, wanneer hij aan dat gedeelte van dit werk komt,
hetwelk de wettelijke verordeningen behandelt, dat in het jaar 1850,
zelfs in de grootste steden onzer slavenstaten, deze barbaarschheid
nog niet geheel in onbruik was gekomen.
De lijst van advertentiën in het boek van Mr. Weld wordt hier
ingevoegd, niet om den lezer met de pijnlijke bijzonderheden daarvan
te vermoeijen, maar opdat hij, door het oog over de dagteekeningen
der aangehaalde bladen en de plaatsen der uitgaaf te laten gaan,
eene juiste schatting zou kunnen vormen van de veelvuldigheid,
waarmede deze barbaarschheid openlijk gepleegd werd.
De Wilmington Advertiser (Noord Carolina) van 13 Julij 1838 bevat de
volgende advertentiën:
Honderd dollars zullen betaald worden aan ieder die zal vatten
en veilig in eenige gevangenis van dezen Staat opsluiten, zekeren
Neger, genoemd Alfred. En dezelfde belooning zal betaald worden,
indien voldoend bewijs wordt gegeven, dat hij gedood is. Hij
heeft een of meer lidteekens aan een van zijne handen, daardoor
veroorzaakt dat er op hem geschoten is.
De burgers van Onslow.
Richlands, Onslow Co. 18 Mei 1838.
In dezelfde kolom en vlak onder het bovenstaande, is het volgende:
Weggeloopen mijn negerknecht Richard. Eene belooning van
25 dollars zal gegeven worden voor zijn aanhouden, dood of
levend. Voldoend bewijs zal gevorderd worden, dat hij gedood
is. Hij heeft waarschijnlijk zijne vrouw, Eliza, bij zich, die
weggeloopen is van kol. Thompson, thans woonachtig in Alabama,
tegen den tijd dat hij zijne reis naar dien Staat aanvaardde.
Durant H. Rhodes.
In de Macon Telegraph (Georgia) van 28 Mei staat het volgende:
Omstreeks den 1sten Maart heeft de Neger Ransom mij verlaten
zonder de minste aanleiding hoegenaamd; ik zal eene belooning van
twintig dollars geven voor dezen Neger, indien hij gevat wordt,
dood of levend--en als hij in eenigen misdadigen aanslag gedood
wordt, zal er eene verhooging van vijf dollars betaald worden.
Bryant Johnson.
Crawford Co. Georgia.
Zie de Newbern Spectator (Noord Carolina) van 5 Januarij 1838, voor
het volgende.
Weggeloopen van den ondergeteekende een Neger, genaamd
Sampson. Vijftig dollars zal gegeven worden voor de overlevering
van hem aan mij, of zijne verzekering in eenige gevangenis, zoodat
ik hem krijg; en indien hij tegenstand mogt bieden, zoodat er
geweld noodig is om hem te vatten, zal ik niemand aansprakelijk
houden voor schadevergoeding, indien de slaaf mogt gedood worden.
Enoch Foy.
Jones, Co. N. C.
Uit den Charleston Courier (Zuid Carolina) 20 Febr. 1836.
300 dollars belooning.--Weggeloopen van den ondergeteekende,
in November laatstleden, zijne twee negerslaven, genaamd Billy
en Pompey.
Billy is 25 jaren oud, en is sedert vele jaren bekend als patroon
van mijne boot; naar alle waarschijnlijkheid zal hij tegenstand
bieden; in dat geval zullen 50 dollars betaald worden voor
zijn hoofd.