»Haat, verachting, vloek, niets anders hadt gij over voor de vrouw die

u het leven gaf.

»Laat dezen brief verzegeld blijven totdat gij geleerd zult hebben een

zachter oordeel te vellen over het ongeluk dat u onbekend is.—Uwe

moeder wil niet, dat gij met een blik van toorn of verwijt hare woorden

lezen zult.”

Dat opschrift beviel hem,—hij vond het curieus en, met een minachtend

lachje nam hij zijn mes en sneed hij de enveloppe open.

»Geen vergeving, maar sympathie, maar medelijden eisch ik, eer gij

verder zult lezen.”

Dat stond buiten op den brief, die nogmaals verzegeld was.

Wat had zij hem goed gekend! Zij had het dus geweten dat hij bij hare

eerste woorden niet stil gestaan zou hebben! Dat hij ze gelezen zou

hebben met de oogen slechts, en dat hij verder zou gegaan zijn zonder

zelfs aan gehoorzamen te denken.

Een oogenblik hield hij den brief geduldig tusschen zijne vingers,

bezag het opschrift dat hem aantrok, de kleine magere letters die hij

kinderachtig vond, het groote zegel dat hem nijdig maakte. Toen greep

hij weer zijn mes en opende ook den tweeden omslag.

»Nu, ja, ik vergeef je!” mompelde hij half tusschen de tanden. »Ik

vergeef je, want ik wil zien wat je daar geschreven heb... En al vergaf

ik je ook niet, dan toch opende ik je brief; het is in allen geval mij

dat het geldt, en geen ander.”

»Dus haat gij uw moeder niet meer?—veracht gij de vrouw niet meer die

gij nimmer gekend hebt? vervloekt gij niet meer het ongelukkige

schepsel dat uw vloek gedood heeft? Heb dank, George, voor dat eerste

blijk van rechtvaardigheid.”

»Rechtvaardigheid!” Hij hield een oogenblik op met lezen, herlas dien

volzin nog eens.—»Ja, rechtvaardigheid,—dat staat er!” Hij las verder.

»De wet had schuldig gezegd.

»En de wereld heeft gelachen, gespot, veracht, gejuicht en aangeklaagd,

vervloekt!

»De zoon had moeten zwijgen en vergeven, of liefhebben en troosten.

»Maar de wet had ook den zoon aangeklaagd, en de menschen hebben het

kind verstooten, om de schuld der wereld.”

»Wat—is—dat?” riep George, zich op eens in een geheel andere atmosfeer

bevindende dan die waarin hij gewoon was zich met zijne

academievrienden te bewegen. »Om de schuld der wereld? Der moeder, wil

ze zeggen!” Hij vervolgde.

»De wereld, wier recht in kracht bestaat, en wier kracht op berekening

gegrond is, heeft hare geleerdheid in een wetboek uitgestort, en dat

wetboek als een eeuwig werkende guillotine in Gods volmaakte natuur

geplaatst, om te vermoorden al wat oorspronkelijk goed of groot zou

zijn.”

»Hei! hei!” riep de jonge advocaat, opspringende. Toch was het een

andere lach dan die van zoo even, die zijn welgevormde lippen opende.

Hij las weer verder.

»Ziel,” had de godheid gezegd.

»Masker” het wetboek geantwoord.

»Vrijheid.”

»Neen, slavernij.”

»Waarheid.”

»Neen, bedrog.”

»Leven.”

»Neen, dood.”

»En dood is het geweest, eeuwen en eeuwen lang! Dood volgens de wet,

zoo als het dood volgens de wereld was.

»Dood voor de ziel, dat heette plicht.—Dat werd later in beschaving en

distinctie veranderd.—Valschheid was de rechte naam!

»Dood voor het lichaam, dat werd glorie genoemd, martelaarschap en

heldenmoed.—Slavernij was de verborgen naam!

»Dood voor het hart, dat heette deugd en reinheid, onschuld,

heiligheid.—Huichelarij had het moeten heeten, of onwetendheid, of

zielloosheid!

»Dood voor het verstand, dat werd geleerdheid genoemd, of godsdienst,

braafheid, eenvoud. Goddeloosheid had het moeten zijn. Maar dood bleef

het altijd!

»Dood,” hadden de menschen met bloedige letters op de eerste bladzijde

van hun wetboek moeten schrijven, dan hadden zij op de laatste

»waarheid” kunnen zetten met donkere letters van rouw!

»Maar zij hebben »bescherming” tot hun opschrift gekozen en »kracht”

tot hun rechter, en nu wordt onderwerping deugd genoemd, terwijl de

misdaad wettig kan zijn en de sluwheid met succès wordt bekroond.

»Natuur is buiten de wet en bij gevolg »schuldig.””

George lachte niet meer, hij staarde op den brief zijner moeder met

eene belangstelling die aan bewondering grensde. Het speet hem dat hij

die vrouw niet gekend had, zij had hem mogelijk van nut kunnen zijn.

»Eene vrouw!”

Daar kwam dat hatelijke lachje weder, waarvoor Emma hem niet uit kon

staan.

Hij sloeg het blaadje om en wilde verder lezen—er was niet meer.

»Wat is dat? Niets meer?...”

Teleurgesteld las hij den ganschen brief nog eens over.

En geen woord voor hem?—Geen woord van liefde?—Geen woord om hem

vergeving te vragen voor het leed dat zij hem berokkend had? Voor de

levenslange schande, die door hare schuld zou rusten op het kind zonder

naam?—Welk eene vrouw! Het was niet zóo dat August hem zijne moeder

beschreven had. »Zacht, en goed, en lief, edelmoedig en

zelfopofferend... Neen, eene soort van bas-bleu moest zij geweest

zijn!...” Het speet hem toch dat hij haar niet gekend had... In het

geheel geen doetje, zoo als hij zich had voorgesteld.

Wat gaf die brief te denken! Maar ook niets meer dan dat. Gevoel zat er

niet in, liefde voor geen cent—een geest van opstand,—opstand tegen de

noodzakelijkheid. Dat was haar gansche leven immers ook geweest! Arm

mensch!

George stond op om den brief in zijn secretaire te sluiten, op het

zelfde oogenblik werd de deur geopend en trad August binnen.

»Zóo, ben jij ’t! Ga zitten, hier is een brief van mijn moeder, wil je

lezen?”

August zette groote oogen op, hij wist niet wat hij hoorde, zonder te

antwoorden nam hij den brief aan en las.

George plaatste zich voor zijne schrijftafel en deed als of hij

schreef, eigenlijk hield hij zijn vriend in het oog.

Toen August den brief gelezen had, vouwde hij hem zorgvuldig dicht en

gaf hij hem aan George terug zonder een enkel woord te zeggen.

»Nu?”

»Wat?” vroeg August met zulk een gebroken stem, dat George er hem op

aanzag. »Huil je?”

»Die vrouw was een engel, heb ik je altijd gezegd!...”

»Een mooi soort van engel!” riep George met een gemaakten lach.

August greep zijn hoed en verdween.

Daar stond hij weer alleen in het midden van zijn kamer met den

geopenden brief zijner moeder vóor zich.

»August is gek!” dacht hij bij zich zelven. »Ik begrijp de verblindheid

van dien jongen niet! Mijne moeder is een engel, dat was ze en dat moet

ze eeuwig blijven... hij heeft dat zoo gedecreteerd en zóo is het dus.”

Hij lachte en greep den brief om hem in de secretaire te werpen.

»Wat?—Twee?” riep hij op eens. »Wat is dat voor een brief?”

»Om aan mijn zoon George te overhandigen, wanneer hij mijn eersten

brief gelezen zal hebben.

»Ook van mijne moeder! En verzegeld!—Dien heeft August zeker

gebracht!—Met koortsachtige zenuwachtigheid opende hij den tweeden

brief.

»Innig, innig geliefde George! Gedurende ruim vierentwintig jaar zijt

gij de oogappel uwer moeder geweest, het doel van haar leven, de hoop

harer toekomst. Ongezien, onbemind, ongekend heeft zij over haar kind

gewaakt, dat zij beschermd heeft, verzorgd en geraden van verre, en

door vreemden...

»Grootheid zag zij in dat kind,—kracht, geleerdheid en fortuin.—Liefde

had zij in hem willen vinden.

»Bewondering voor wat boven hem is.

»Bescherming voor wat hij beneden zich acht.

»Hulp voor zwakken.

»Vergeving voor verdoolden.

»En troost voor ongelukkigen.

»Sympathie voor al wat leeft en dus bestemd tot lijden is.

»Want grootheid zonder liefde is tirannie.

»Kracht zonder liefde is wreedheid.

»Geleerdheid zonder liefde is onverstand.

»En fortuin zonder liefde leidt tot gierigheid of tot verspilzucht.”

George liet den brief op tafel vallen en staarde vóor zich, zonder te

weten waaraan hij dacht.

»Dat is waar...” mompelde hij eindelijk, »waarom heb ik die vrouw niet

gekend?”

»Omdat gij geene liefde hadt...” las hij verder; hij las dat schijnbare

antwoord op zijne vraag nog eens.

»Omdat gij geene liefde hadt, hebt gij verstooten wat eenvoudig goed

was, en toch dat alleen is waar en groot.

»Omdat gij geene liefde hadt, hebt gij de eenige vrouw veracht wier

liefde belangeloos was, wier raadgevingen heilig voor u hadden moeten

zijn.

»Uwe moeder, de eenige persoon op aarde, aan wie de natuur zelve u

toevertrouwd had, hebt gij geweigerd te kennen.

»Zoek geen verontschuldiging in de opinie der wereld—voor elke andere

vrouw zoudt gij kracht gehad hebben die opinie te trotseeren.

»Zoek haar ook niet in onwetendheid.

»Gij wist dat uw moeder leefde, dat zij u lief had en dat zij leed

onder uwe miskenning, die haar dooden moest.

»Gij wist het, niet waar?

»Welnu, uw weten heeft haar gedood.

»Gingen uw haat, uw wraak, uw berekening zóo ver?

»Uw moeder vergeeft u alles, kind!

»Ik ken geen haat en geen wraak, ik ken niets meer dan medelijden.

»Liefde was de schoonste schat die de godheid mij bij mijne geboorte

gaf. Liefde had mijn gansch bestaan moeten zijn.

»Liefde voor de leidslieden die de natuur over mijne kindschheid

gesteld had. Liefde voor den man wiens ziel de zusterziel der mijne

was. Liefde voor het kind dat recht op mijne toekomst had. En liefde

voor de menschheid wier rampen mij lijden deden.

»Liefde!

»Niemand begreep mijne liefde... ik begreep haar zelve niet.

»Liefde is een droom,” hadden mijne ouders mij geleerd. »Eene

gewoonte,” had de man der fortuin mij gezegd. »Een plicht of een

zonde!” riep de wereld mij toe, met haar wetboek in de hand en den

zegen der kerk tot staving harer onfeilbaarheid!

»Toch was liefde het bevel der natuur. En worstelend, ongelukkig,

rampzalig, krankzinnig zelfs, heb ik lief gehad, om miskend te worden,

gefolterd, versmaad, bespot, veracht en eindelijk gedood.

»Was het daarvoor dat God liefde schiep en medelijden?

»Uw moeder vergeeft u, George. Gij zijt aan haar gelijk, mijn zoon,

want ook zij had het leven niet begrepen. Ook zij heeft gehaat en

veracht, en gelachen in spijt der liefde die haar ziel verteerde. Zij

had niet leeren strijden, dus moest zij wel bezwijken. Maar de dood

kwam nader, en eenzaam, verstooten en verlaten heeft zij het leven

begrepen dat ten einde spoedde, en haren Schepper gedankt voor het

eenige geschenk dat der volmaaktheid nadert: Liefde.

»Leef gelukkig, mijn kind, uwe moeder zegent u en smeekt u, lief te

hebben.

»Wees niet hard voor de menschheid die lijdt, want haar lijden is

onwetendheid.

»Beschuldig niet, maar troost en help, en bescherm en stel uw eer in de

kracht van vergeven en van rechtvaardig goed te wezen. Die zwakheid

alleen is grootheid, is wijsheid, is geluk.

»Vaarwel, mijn kind, mijn innig geliefde George! God schenke u liefde:

dit is de laatste zegen dien mijn stervende lippen Hem smeeken over u

uit te storten.

»Vaarwel!

»Uwe moeder.”

George zag de laatste woorden niet meer, zijn tranen verblindden hem.

Dit waren de eerste tranen van medelijden sedert de jaren zijner

kindschheid.

»August heeft gelijk!” sprak hij afgebroken. »Mijne moeder was een

engel... Waarom heb ik die ongelukkige vrouw miskend!

»De menschen hebben haar krankzinnig genoemd, omdat zij veel begreep en

weinig wist.”

AANTEEKENINGEN

[1] Siedin, ga eens zien of er geen brief op de piano ligt.

[2] Indië, twintig jaar geleden.

[3] Chineesche marschkramer.

[4] Lastdrager.

[5] Een klein dak van bladeren op vier bamboezen stijltjes.

[6] Gekookte rijst; ongekookte noemt men bras, en in de halmen heet zij

paddie.

[7] Snoeperijen, gebak.

[8] Groote en-cas van bladeren of geolied papier.

[9] Matje.

[10] Juffrouw.

[11] Jonge mijnheer.

[12] Een langwerpig, vierkant rijtuig, aan alle kanten van glazen

raampjes en jalousiën voorzien.

[13] Banana, vrucht.

[14] Grillen, kuren.

[15] Men lette er op dat wij hier het Java van een twintig jaren

geleden bedoelen, niet het eenvoudige, gastvrije »tempo doloe” noch

het, oppervlakkig schitterende, tegenwoordige. Wij bedoelen die rijke,

bloeiende, gemakkelijke Europeesche maatschappij op Java, die thans

worstelend bezwijkt onder de vergulde kroon der weelde en den ijzeren

schepter der welvoegelijkheid.

[16] De vrouw die naar de markt gaat om inkoopen te doen.

[17] De »daagsche pot” bestaat uit rijst (de hoofdschotel), kerrie,

sajor (gekookte groenten), drie tot zeven vleeschsoorten en

sambal-sambal.

[18] Een Indische dame noemt haar japon nooit anders dan »mijn kleed”,

ook al is dat kleed van grof nanking of katoen.

[19] Een groot vierkant dak, met atap (een lange grassoort) gedekt, op

houten of bamboezen stijlen.

[20] Waaien, met groote grove waaiers van gevlochten matwerk,

opzettelijk tot dit einde vervaardigd en in alle keukens te vinden.

[21] Jongen staat gelijk met het fransch »garçon”. Al is de man ook

honderd jaar oud, zoolang hij bediende is, blijft hij een jongen, zelfs

voor het kleinste kind.

[22] Verguld zonnescherm; onderscheidingsteeken voor residenten.

[23] Vergeving!

[24] Jocelyn, par de Lamartine.

[25] Aarden waterkruik.

[26] Aap!

[27] Woordelijk vertaald: »Winst, mijnheer de resident is uit.”

[28] Ongelukkig, rampzalig.

[29] Medelijden.

[30] Aarden waterkruik.

[31] Indische rok.

[32] Doe veel bloemen in mijn haar.

[33] Leg mijn fraaiste kleed gereed.

[34] Mevrouw, de jongeheer Willem is ziek.

[35] Wezenlijk.

[36] Dispens: provisie-kamer.

[37] Mati: dood,

[38] Waar is mevrouw?

[39] Domoor, luiaard!

[40] Waar is mevrouw heen gegaan?

[41] Ik weet het niet mijnheer.

[42] Loop naar den duivel!

[43] Bloem.

Een huwelijk in Indië · 第 20 / 20 段