wezen. Brieven ontving zij niet en niemand kende haar. Ook zij kende
niemand en vermeed elke gelegenheid om kennissen te maken. Zij was in
het zwart gekleed, altijd, doch niet in den rouw, en had iets sombers,
iets droefgeestigs over zich, dat geheel in overeenstemming was met
hare zware donkere kleeding. Men had haar mooi gevonden en
onverdragelijk, coquette, stijf, trotsch, excentrique. Zij was
ongelukkig, dat was al. Zij was daar met een doel, naar het scheen,
want dagelijks vroeg zij naar de vreemdelingen die er gekomen waren,
en, wanneer zij de namen vernomen had, liep zij met een
onverschilligheid heen, die veel van teleurstelling had.
Drie weken was zij er reeds geweest en nog altijd bleef zij als den
eersten dag zwijgend, koud, teruggetrokken, beleefd jegens allen,
vriendelijk tegen niemand, haar tijd doorbrengende met lezen, of met
het maken van handwerken, of somwijlen ook met half droomend naar het
schoone landschap te staren, dat zich in volle zomerpracht voor haar
ontrolde.
Hare menschenschuwheid, die slecht overeenkwam met hare gemakkelijke
hoffelijke manieren, deed haar terstond in het oog vallen, en trok al
spoedig de algemeene aandacht zoo zeer, dat zij het onderwerp der
meeste gesprekken werd en men schier het onmogelijke deed om met haar
in kennis te komen, of het een of ander betreffende haar verleden uit
te vorschen.
Eens op een avond toen zij, als naar gewoonte, alleen zat thee te
drinken op het terras, kwamen er nieuwe logés, die zij met ongewone
belangstelling gadesloeg. Het waren drie personen, een oude grijze heer
met een rood gezicht, zijn echtgenoote, een zware vrouw met zwart haar
en kleine, schitterende oogjes, en hun zoon, een jong mensch van een
jaar of achttien, negentien. Zij scheen die menschen te kennen,
ofschoon de nieuwaangekomenen beweerden haar nooit gezien te hebben.
Drie dagen lang hield zij de vreemdelingen in het oog met een geduld en
een oplettendheid welke niemand begreep, en toen eindelijk den derden
dag, tegen het vallen van den avond, de oude lui uitgegaan waren en de
zoon alleen onder de verandah zijn cigaartje zat te rooken, naderde zij
langzaam zijn tafeltje en zeide met eenige aarzeling:
»Vergeef mij mijnheer, maar indien ik mij niet vergis, moet gij August
Stevens van Langendijk zijn, zoon van den oud-raad van Indië Van
Langendijk—student aan de academie te Leiden...”
»Dat ben ik, mevrouw,” antwoordde de jongeling opspringende, »mag ik u
vragen... kent gij mij?”
»Ik heb u gekend—en ik zou u gaarne weer willen kennen... Kan ik u niet
een oogenblik alleen spreken, ergens waar niemand ons zien kan, niemand
ons hooren kan vooral?”
»Boven, in onze kamers,” antwoordde August goedig.
»Ik volg u.”
Zij gingen.
Van Langendijk bood zijne vreemde bezoekster heel beleefd een stoel aan
en bleef tegenover haar staan, ongeduldig wachtende op hetgeen er
volgen zou.
Zij haalde een pakje brieven uit haar zak en lei het vóor zich op
tafel.
»Hier heb ik schrift, dat gij mogelijk herkennen zult,” sprak zij
zacht, en een oud papier uitzoekende, dat geel zag en beschreven was
met groote onregelmatige letters, bood zij het August aan met de
woorden: »Kent gij die kinderhand?”
Hij bezag het aandachtig.
»Het is van mij,” zei hij lachend. Maar plotseling verdween de lach van
zijn gelaat en op zijn beurt de vreemdelinge uitvorschend aanziende,
reikte hij haar op eens beide handen met de woorden:
»Zijt gij die vrouw?—Mijne moeder?”
Louise wierp zich zwijgend in de armen van haar stiefkind, haar tranen
beletten haar te antwoorden.
»Wat heb ik dikwijls aan u gedacht, over u gesproken, naar u gevraagd!”
riep August. »Gij die over mij gewaakt hebt en mij beschermd hebt door
alle omstandigheden heen. O mijne moeder, wat ben ik gelukkig u
eindelijk weer te vinden!... ’t Is waar, ik had u niet herkend; ik was
ook zoo jong toen ik u verliet... ik herinnerde mij niet meer hoe gij
er uit zaagt, maar ik weet hoe goed gij voor mij geweest zijt en dat
vergeet ik nooit.”
»Dank je kind...”
Beide zwegen eenige oogenblikken, toen hernam Louise zachter, zich uit
zijn armen loswikkelende:
»Luister August, gij zijt nu geen kind meer, en ik wil dus met u
spreken als met een man, een vriend. Ik kan uw vader niet weder zien,
hij heeft mij gelukkig niet herkend, maar ook, al had hij mij herkend,
dan nog zou ik niet van hier vertrokken zijn vóor u gesproken te
hebben... Ik wist dat gij elken zomer met uwe ouders hier kwaamt,
daarom ben ik ook gekomen...” Zij wachtte even en hernam toen nog
zachter: »Mijn verleden is u bekend, niet waar?—Gij weet dat ik een
kind heb?”
»George.—Ik ken hem.”
»Ik weet het.—Maar George kent zijne moeder niet en wil haar niet
kennen. Hij heeft haar vervloekt!”
»Niet mogelijk!... Maar dan...”
»O, beschuldig hem niet! Ik heb hem vergeven. Maar ik had voor hem
willen zorgen, over hem willen waken, zelve zijne opvoeding willen
bestieren... Hij veracht mij, hij heeft mij verstooten; en machteloos
moet ik mijn kind aan vreemden overlaten, die mogelijk liefdeloos zijn,
hardvochtig en wreed, onverstandig, baatzuchtig, onverschillig. O
August, beloof mij dat gij over mijn arm kind zult waken!—Tracht zijn
vertrouwen te winnen, en help hem, steun hem, troost hem waar gij
kunt... Zeg mij wat hij noodig zal hebben, en geef het hem voor mij,
maar laat hem nooit weten dat het van zijn moeder komt, want hij zou te
trotsch wezen om het van haar aan te nemen. Bovendien, zijn moeder is
dood, dat hebben de menschen hem gezegd, laat haar dood voor hem
blijven.”
Ook August’s oogen schoten vol tranen. Wat verstond zijn eerlijk hart
die droeve woorden goed, ofschoon ze niet op hem sloegen.
»Ik beloof het u,” sprak hij vastberaden, haar de hand reikende, »wat
ik voor hem doen kan, zal ik voor hem doen. Ik beloof u dat ik voor hem
zorgen zal als voor mijn eigen broeder.—Toch kan ik nooit zóo veel voor
hem doen als gij voor mij hebt gedaan!”
»Gij kunt meer, veel meer; want wat gij voor hem doet, dat doet gij ook
voor mij.”
Zij drukte een kus op het voorhoofd van den jongeling, gaf hem haar
adres op in den Haag, en verzocht hem dringend, niets van het
voorgevallene aan wie ook mee te deelen.
Den volgenden morgen verliet zij Arnhem.
DRIEENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
OUDE KENNISSEN
Eenige jaren later
Eene vrouw van meer dan middelbaren leeftijd, ligt half droomend op een
rood fluweelen sofa uitgestrekt. De zon werpt haar gouden licht
vroolijk door de ramen met bloemen versierd, en doet de weelde van het
vorstelijk gemeubeld vertrek uitkomen. Wij bevinden ons in een van die
groote statige ouderwetsche huizen op den Vijverberg in den Haag, die
hun roem bij eeuwen tellen en niet voornemens schijnen om in deze eeuw
nog afstand van hun voorrang te doen.
In de vrouw die dit huis bewoont vinden wij Ella Salvita, mevrouw Van
Wageningen, weder.
Zij is nog schoon, ja, meer dan schoon zouden wij bijna zeggen, zij is
aantrekkelijk, bekoorlijk. Niet dat zij krachtig, vroolijk, levendig is
zoo als zij vroeger was, met een lachend oog en een hart vol
geestdrift, maar ze is kalm, zacht, vastberaden, liefdevol, groot en
edel met zelfbewustheid. Zij heeft veel verdriet gehad in haar leven;
zij heeft geworsteld tegen domheid en bijgeloof, gestreden tegen
gewoonte en vooroordeel; zij heeft armoede en ontbering gekend,
medelijden en verachting, spot, haat, miskenning, smaad. Zij heeft
alles vergeven, en nu zij rijk en onafhankelijk is, ofschoon niet
gelukkig, tracht zij anderen de moeielijkheden te besparen die haar het
meest gegriefd en gefolterd hebben.
Zij schijnt iemand te wachten, want bij elk geritsel dat zij hoort,
ziet zij naar de deur alsof daar buiten iemand wezen moest met wien
haar geheele ziel vervuld was.
Eindelijk werd er zacht geklopt en een oogenblik later trad een jong
mensch binnen. Slank, welgevormd, fijngemanierd, bruin van tint met
donkere oogen en gitzwart haar had hij veel van een Italiaan of een
Spanjaard; hij reikte Ella de net geganteerde hand en schoof een
tabouret aan, waarop hij naast de sofa plaats nam.
»Hoe gaat het mevrouw?” vraagt hij met teedere belangstelling, »is de
koorts wat minder van daag?”
»Dank je August, ik ben veel beter. Als het zóo voort gaat, hoop ik
over eenige dagen sterk genoeg te zijn om weder uit te gaan en met u
een bezoek aan uw moeder te brengen.”
»Denkt gij?” vroeg de jongman twijfelend, ofschoon de glans zijner
oogen zeide: »Ik hoop het!”
»O zeker, ik ben niet ziek meer, ik ben alleen zwak, en zwakte is een
kinderkwaal, die men spoedig genoeg ontgroeit.”
August drukte hare hand en zag haar treurig aan, zonder een woord te
uiten.
Na eenige minuten zwijgens brak mevrouw Van Wageningen de stilte weder
af met de vraag:
»Wanneer hebt gij haar het laatst gezien?”
»Een maand geleden.”
»En uw vader?”
»Van daag. Hij was zeer zwak, bijna stervende en hij weet dat hij niet
genezen kan; toch wil hij van geen vergeven hooren—hij zegt zelfs dat
hij mij voor de helft onterven zal, indien ik weer een voet bij haar in
huis zet. En hij is stervende, mevrouw! ’t Is vreeselijk!”
Weer zwegen beiden geruimen tijd.
»En hoe maakt George het aan de akademie?”
»O! het gaat met George heel goed, ’t is een knappe jongen—maar
verschrikkelijk trotsch! Hij gaat gebukt onder het geheim zijner
geboorte; de gansche wereld ziet er hem op aan, beweert hij, en zijn
moeder is hem een afschuw, ofschoon hij zich de arme vrouw volstrekt
niet meer herinnert.”
»Weet hij dat gij haar kent?”
»Neen mevrouw, ik heb haar beloofd dat ik het hem nooit zou zeggen.”
»Arme vrouw!”
»En ze is zoo goed voor hem, zoo onuitputtelijk goed! Ik begrijp niet
hoe zij ’t vol kan houden... En nu ze weet dat hij ’s Zaterdags in den
Haag komt en tot Maandag blijft, staat zij uren lang door de jalousieën
te turen in de hoop van hem even in het voorbijgaan te zien, zonder
zelve gezien te worden.—Ik kan het niet helpen, mevrouw, en het is
zeker slecht van mij, maar er zijn oogenblikken waarin ik dien jongen
niet uit kan staan, om zijn onverdragelijken kinderachtigen trots dien
hij zelf »grootheid van ziel” durft noemen!—Ik vind meer grootheid van
ziel in zijne moeder dan in hem. Wat de menschen er ook van zeggen
mogen, voor mij is die vrouw een Engel op aarde! Een schier
bovenmenschelijk wezen, al heeft zij dan ook een misstap gedaan,
waarvoor de menschen denken dat zij haar, haar leven lang verachten
mogen!”
»En dat een misstap dien zij gedaan heeft, toen zij krankzinnig was van
verontwaardiging en droefheid! Och! de wereld is zoo onrechtvaardig en
wreed!”
»Ten opzichte van haar vooral. Niemand kent haar hier, zij gaat om zoo
te zeggen nooit uit, ze is niemand tot last en doet goed waar ze kan,
en toch is iedereen gereed haar te bespotten of te verachten! ’t Maakt
mij tusschenbeide razend als ik de menschen over haar hoor spreken!
Oude, uitgedroogde tooverheksen, tusschen een breikous en een
statenbijbel, en jonge gelukkig gehuwde vrouwen met een half dozijn
gezonde, bloeiende kinderen om zich heen! Zij moesten zich schamen de
godvruchtige créaturen om een medemensch zoo te vonnissen! Ik heb
eergisteren nog een uitval gedaan... Mevrouwtje lief ik kon het niet
helpen, zie er mij s.v.p. niet zoo verwijtend om aan!... Het was bij de
familie B. in Leiden. Er waren een tiental getrouwde vrouwen en
oude-jonge-jufvrouwen bij elkaar en het gesprek liep, half fluisterend,
over een jong kindermeisje dat zich in de gracht verdronken had, omdat
zij op het punt was van moeder te worden... Zonder een enkel woord van
medelijden of sympathie, werd het arme schepsel door die volmaakte
kerkeleden gevonnist en zeer liefdevol rechtstreeks naar de hel
gezonden. Eene van de oude vrijsters wierp een blik op mij, die blik
deed mij koken en zonder mij een oogenblik te bedenken, liet ik mij
ontvallen: »Menigeen veroordeelt, die nooit in zulke verleiding geweest
is, en die den moed niet zou hebben er zooals dit meisje voor te boeten
met haar leven!” Er volgde een doodsche stilte eerst veel later
verbroken door een fluisterend gesprek der vrome dames, waar het mij,
God dank, vergund was buiten te blijven.”
»Dat zullen die dames u niet licht vergeven!”
»Dat hoop ik! Dan zullen zij ten minste zorg dragen in mijn bijzijn wat
meer égards voor ongelukkigen te hebben.”
»Och, August! Dáar moet gij u zóo boos niet over maken; geloof mij,
onwetendheid alleen is hard—verstand is goedig. Domheid is haat,
afgunst, wreedheid, en kennis medelijden, liefde, vergeving.”
»En gij hebt recht van spreken mevrouw! Was de wereld u gelijk dan
zouden wij geen reden van klagen hebben!”
Een oud man, grijs en gebogen, met een goedigen lach, opende de deur en
vroeg zacht:
»Wie is daar bij je, Ella?”
»August van Langendijk,” antwoordde de jongman dadelijk opspringende,
en den grijsaard te gemoet snellende, om hem naar een fauteuil te
geleiden.
Ritmeester van Wageningen was blind...
VIERENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
IN HET HAAGSCHE BOSCH
Woensdag avond. Alles stroomt naar het haagsche bosch. De muziek der
grenadiers doet hare mélodieuse tonen over den vijver golven, en vult
de lange donkere lanen met haar schoone volle harmoniën. Met stilte
luistert het publiek naar een fantaisie op de Juive, alles ademt rust
en genot, men gevoelt het, hier zijn alleen diegenen gekomen die
gelukkig zijn, of slechts vermoeid, of die hunne zorgen te huis konden
laten.
Aan een tafeltje rechts van de tent zit een dikke oost-indische kolonel
met zijne vrouw en kinderen. Zij zijn pas in het land gekomen schijnt
het, want die geheele familie, vader, moeder en vijf kinderen, ziet er
nog zoo vreemd uit, met die verbrande gezichten en eenigszins
zonderlinge kleeding. Niet dat ze anders gekleed zijn dan het overige
publiek, of dat ze er ouderwetsch of arm uitzien, neen, maar onhandig.
Die mooie, gezonde vrouw schijnt niet geschapen voor een hoed met
keelbanden; die groote strik onder haar kin hindert haar, zij maakt
haar los en werpt de linten naar achteren, maar die linten hooren dáar
niet, en eer zij er aan denkt vliegen zij haar weer om den hals. Ook
die kinderen tobben vreeselijk met hun hoeden, het jongste meisje
vooral: dat schepseltje ziet geregeld scheel ter eere van haar mooie
witte veer! En de handschoenen dan. Die kleine handjes zijn gemaakt om
vrij te zijn, die vlugge vingertjes voelen zich niet op hunne plaats in
de mooie, nieuwe glacé handschoentjes die knijpen en trekken en
gevoelloos maken... Wacht maar kinderen! Eenige jaartjes nog, en uw
geheel bestaan zal zóo gepakt worden in een handschoentje dat knijpt en
trekt en gevoelloos maakt!
Maar dat was het niet waaraan zij dachten met hare ronde gezichtjes en
vriendelijk lachende oogen. Zij hadden oude kennissen gezien, een jong
mensch met golvende, blonde lokken en een ander met zwarte goedige
oogen. Emma, de oudste, had gebloosd voor dien zwarte, en de kleintjes
lachten haar uit, omdat ze meer van den blonde hielden, die
tusschenbeide krijgertje met haar speelde.
»George!” riep de kleine Lieze, maar George hoorde haar niet en liep
haar voorbij om naar de familie Wagner te zoeken, die vóor hem zat.
»Wat is hij mooi!” riep Anna, die even twaalf telde. »Hoe kan Emma toch
zoo dwaas wezen om meer van August te houden, zoo’n domme liplap!...”
Emma voelde zich vreeselijk beleedigd door die »speech” harer zuster,
maar zeide niets. Ook zij had August gezien—ergens in de foule—zij was
er niet zeker van, want zij durfde niet omkijken, wacht, straks, als
niemand het ziet...
»Wel van Langendijk, hoe gaat het, mijn vriend?”
Dáar was hij! Haar vader gaf hem de hand, liet een van de kleine
jongens voor hem opstaan en bood hem een cigaar aan.—Daar kwam ook
George aangesneld.
»Eindelijk!” riep hij half buiten adem, »wat heb ik rondgedwaald om u
te zoeken!”
»Je bent te driftig,” zeide August kalm, »ik kom het hek pas binnen et
me voici installé...”
»Je hebt meer geluk dan ik, dat is al,” antwoordde George eenigszins
scherp.
»Een cigaar?” vroeg de kolonel, zijn oudste zoontje opjagende, en
George was ook »geïnstalleerd”.
»Ik heb je nog bij je mouw getrokken,” fluisterde Lieze hem in, »heb je
’t niet gevoeld?”
»Neen, wanneer?”
»Wel daar even, toen je hier voor den derden keer voorbij kwaamt...”
»Ik heb niets gevoeld.”
»Foei!...”
»Welk nieuws?” vroeg de kolonel.
»Geen!” antwoordde George.
»Wat? Geen?” riep August, »is het geen nieuws dat je zoo glorieus door
je examen bent gekomen?”
»Ben je? Wel, ik feliciteer je man!”
»Van harte geluk!” riep Lina, en al de kinderen voegden hun
gelukwenschen bij die der ouders, welke George ontving als of hij ze
zijn gansche leven door ontvangen had, terwijl August innig in de
algemeene vreugde deelde.
Emma zag het, en gevoelde niets voor de knapheid van George, dien zij
»naar” vond.
»Zóo ver heb ik het nooit kunnen brengen!” riep August met eenvoudige
goedigheid.
»Ik hoop het verder te brengen,” antwoordde George trotsch.
August zag hem even aan.
»Dàt hoop ik ook,” sprak hij lachend, »want je bent een man van studie
en van kunde en die hebben wij noodig in ons land.”
»Denk je?” vroeg George op een toon, waarin lag: »Het doet er niet veel
toe wat je denkt.”
August voelde zich gekrenkt, maar hij vergaf den knappen George zijne
bitterheid, hij wist wel waar zij uit voort sproot.
De mooie Emma had hem hare toekomst beloofd, en, ofschoon George niets
wist, toch vermoedde hij iets dergelijks, daar het jonge meisje den
»dommen liplap” steeds de voorkeur gaf boven den knappen, blonden
student en zich volstrekt geen geweld aan deed om hare »belachelijke
admiratie” voor den »kleurling” te verbergen.
VIJFENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
ACADEMIE-VRIENDEN
Niets was grappiger dan de zonderlinge vriendschap, die er tusschen van
Langendijk en George bestond. August eenige jaren ouder dan George,
behandelde zijn jongen vriend met een soort van beschermende
bewondering die deze onverdragelijk vond, daar hij er van overtuigd was
dat hij meer verstand in zijn pink had dan die domme liplap in zijn
geheele hoofd. Maar was hij ziek of verdrietig, gevoelde hij zich
ongelukkig over het een of ander waaraan niets te veranderen viel, had
hij geld noodig of hulp, dan was het altijd weer de domme liplap die
voor hem deed hetgeen geen ander voor hem gedaan zou hebben.
»Het helpt je niet,” had hij hem eens gezegd, toen George,
teleurgesteld in zijne studies, alles verzon om hem onaangenaam te
wezen. »Het helpt je niet, of je me al mishandelen wilt of beleedigen.
Ik heb beloofd dat ik je helpen zou overal en altijd, en dat zal ik
doen, of je me lief hebt of haat...”
»Wat is dat?” had George driftig opspringende gevraagd.
»Niets,” had de ander geantwoord, zóo dom en goedig dat George er hem
wel een klap voor had willen geven.
August wist het geheim van George’s geboorte en hij was het geweest die
het hem had medegedeeld.
Wat hadden zij dikwijls over dat onderwerp gekibbeld! Wat had George in
zijne wijsheid niet gegeven om Stevens van Langendijk te heeten! En hoe
gaarne had de domme August hem den grooten naam afgestaan waaraan hij
geen waarde hechtte!
»Is het niet het zelfde of je Piet of Dirk heet?” had hij hem in zijn
onnoozelen eenvoud gevraagd. »Wat doet de naam ter zake? Een jongen als
jij, wel, die maakt zich een naam! Ik wou dat ik George heette en dat
ik zóo knap was als jij, dan had ik den naam van mijn vader niet noodig
om mij staande te houden in de publieke opinie.”
»Je bent ondankbaar, en je weet niet wat je zegt! Indien je zóoveel
geleden had als ik...”
»Ik!” riep August met een gullen lach, »ik geloof dat ik evenveel
geleden heb onder den trots van mijn vader als jij onder je eigen
trots! Ambtenaar eerste klasse voor Indië moest ik worden, omdat mijn
vader een resident in mij zag, een raad van Indië, een
Gouverneur-Generaal, weet ik al wat! Och, arm!... Ik!... Ziet gij, zulk
een toekomst droomt gij u voor u zelven, en droomde hij zich voor mij!
Het eenige onderscheid is, dat uw droom op wetenschap en studie gegrond
is en eenmaal verwezenlijkt kan worden, terwijl de zijne slechts een
illusie was, die in de domheid van zijn zoon verloren is gegaan.”
George kon het niet helpen, met al zijn superioriteit en al zijn trots,
al zijn afgunst en ongeduld, dat hij toch voor August een sympathie
gevoelde die hij zich niet verklaren kon, en die hij zich in ’t publiek
zelfs soms schaamde, ofschoon dan de naam, Van Langendijk, tot apologie
kon strekken.
Eenmaal had August een vreeselijke vraag gedaan:
»Herinnert gij u in het geheel uw moeder niet meer?”
George was opgevlogen alsof hij hem vermoorden wilde.
»Neen, God dank niet!” had hij toen woedend geantwoord. »Dat mensch is
dood—en het is haar geluk!”
»Toch zou het uw geluk geweest zijn, indien zij geleefd had,” ging
August voort, tegen alle drift en ongeduld van zijn vriend in. »Ik heb
haar gekend. Wat was zij zacht, en goed, en lief—edelmoedig en
zelfopofferend!...”
»En mooi vooral, niet waar?” viel George hem sarkastisch in de rede.
»Luister, August, indien gij eenige waarde aan mijn vriendschap hecht,
spreek mij dan nooit meer van mijn moeder!—Ze is dood, gelukkig!—Leefde
zij nog, dan ging ik haar opzoeken, eens slechts, éens, om haar zelf te
zeggen dat ik haar haat, veracht, vervloek voor eeuwig!”
»Schaam u, George!”
»Geen woord meer over dit onderwerp,” gebood George bevend van toorn,
en zijn pet grijpende vlood hij de straat op zonder zelf te weten
waarheen.
Na dien tijd had August hem nooit meer over zijne moeder gesproken,
maar nu hij op een meer intiemen voet bij de familie Wagner aan huis
begon te komen, had hij Lina in den arm genomen en haar verzocht een
laatste poging te wagen, om George met zijn moeder te verzoenen.
Lina had de moeielijke taak aanvaard, en dien zekeren Woensdagavond in
het bosch had zij George verzocht den volgenden morgen bij haar te
komen, daar zij hem iets mee te deelen had, dat van het grootste belang
voor hem was.
ZESENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
LINA’S TUSSCHENKOMST
George kwam den volgenden morgen, trotsch en geleerd als altijd, zonder
in het minst te gissen welke de reden kon zijn van Lina’s vreemde
uitnoodiging.
»Emma mogelijk!” had hij binnentredende gedacht en het hoofd achterover
werpende had hij zijn vermetele gedachte beantwoord met een vast
besloten: »neen, geen Emma’s voor mij. Zulke dwaasheden zijn goed voor
August... Een kundig man moet vrij blijven, anders breekt hij zijn
carrière.”
Toch hield hij van Emma zooveel als zijn zelfzuchtige ziel van iemand
houden kon; te weinig om een enkelen gloriedroom aan zijn liefde op te
offeren, genoeg om August elken blik van sympathie te benijden waarmede
het meisje onwillekeurig nu eens een goed woord dan weer een kleinen
dienst van zijn vriend beloonde.
»Mijnheer George,” begon Lina zoodra zij zich met den jongeling alleen
bevond, »vermoedt gij waarom ik u dit onderhoud gevraagd heb?”
»Volstrekt niet mevrouw.”
»Het geldt uw moeder.”
»Mijne moeder!—Ik heb geen moeder!—Ik zou zelfs bijna zeggen: ik heb
nooit eene moeder gehad!”
»Dan zoudt gij onwaarheid spreken, want ofschoon gij u mogelijk de
zelfopofferende gehechtheid der liefdevolle vrouw die uwe moeder is,
niet meer herinnert, zoo heeft die toch bestaan, en... zoo bestaat die
nog.”
»Nog!” riep George opspringende, »leeft mijn moeder nog? O, zeg mij,
mevrouw, waar ik die gehate vrouw kan vinden, opdat ik haar zelf zeggen
kan hoe diep ik haar veracht!”
»Is dat al wat gij haar zeggen zoudt?”
»Dat is al.”
»Geen woord van medelijden, geen woord van sympathie of troost zoudt
gij in uw hart kunnen vinden voor de ongelukkige vrouw, die zoo
oneindig liefheeft gehad en zoo vreeselijk heeft geleden?”
»Niets dan haat—eeuwige haat.”
»Gij zijt uwer moeder onwaardig, George. Mogelijk zal er eenmaal een
dag komen dat de ondervinding u zal geleerd hebben hoe onvolmaakt
verstand is in vergelijking van gemoed, kom dien dag terug, dan zal ik
u de vrouw leeren kennen, die uw moeder is. Nu zijt gij voor dat geluk
nog niet rijp. Maar draal niet te lang, want uwe wreedheid doodt haar.”
»Zij weet dus dat ik haar veracht?”
»Zij weet alles... Luister, George, uw verachting is onrechtvaardig;
indien uw verstand u dit niet leert, laat uw hart het u zeggen...”
En na hem het geheele leven zijner moeder medegedeeld te hebben,
besloot Lina met hem aan te raden om met August over het voorgevallene
te spreken.
»Hij is uw vriend en hij kent uw moeder, indien iemand in uw belang zal
handelen is hij het, vraag hem om raad.”
George lachte om dat vrouwenoordeel, greep zijn hoed en vertrok,
trotsch op zijn vast karakter dat hem onwankelbaar had doen volharden
op den eenmaal ingeslagen weg en hem had doen volhouden tegen alle
verleiding van verwondering en nieuwsgierigheid in.
ZEVENENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
DE LAATSTE BRIEVEN
Au lieu de l’instinct c’est l’intelligence
qui a compris le grand mot de la Nature
Amour.
»George!
»Het is met een stervende hand dat uwe moeder de laatste woorden
schrijft, die zij haar kind had willen toespreken—indien hij ze van
hare lippen had willen aanhooren.