De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale werken of
tooneelwerken uit- of op te voeren duurt:
1o. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken tijdens het leven
van den auteur en dertig jaren na zijn dood;
2o. voor door den druk gemeen gemaakte werken, waarbij die uitsluitende
bevoegdheid wordt voorbehouden, gedurende tien jaren sedert de
dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van ontvangst.