OMVANG EN DUUR

§ 1 Omvang

Het auteursrecht is in een voorafgaand hoofdstuk gekenschetst als

een vermogensrecht, dat tot object heeft een onlichamelijk goed,

nl. de geestelijke schepping van den schrijver of kunstenaar. Dit

sluit--zooals daarbij reeds werd opgemerkt--het beginsel in, dat den

auteur de uitsluitende beschikking toekomt over het werk naar de

economische bestemming daarvan d. w. z. voorzoover het zich leent

tot exploitatie in het maatschappelijk verkeer. De inhoud van het

recht wordt dus bepaald door de verschillende wijzen van exploitatie

waartoe het geestesproduct zich leent.

In het algemeen kan de exploitatie van een geschrift of kunstwerk

op twee verschillende wijzen geschieden. In de eerste plaats door

het vervaardigen en in den handel brengen van voorwerpen, waarin het

geestesproduct is belichaamd; hiertoe behooren de door den druk of op

andere wijze verkregen exemplaren van geschriften, muziekwerken, werken

van beeldende kunst, photographieën en werken der kunstnijverheid;

ook zou men er toe kunnen rekenen de rollen of schijven van phonografen

en andere mechanische muziekinstrumenten en voorts het gebouw, in den

materieelen zin van het woord, als verwezenlijking van de geestelijke

schepping van den bouwkundige.

In de tweede plaats kan de exploitatie geschieden door vertooningen,

uit- en opvoeringen enz. waar dus niet door voorwerpen van min of meer

blijvenden aard, maar door handelingen of mechanische werkingen, het

geestesproduct voor een bepaalden tijd aanschouwelijk wordt gemaakt

voor het publiek. Hiertoe behooren: op- en uitvoeringen van tooneel-

en muziekstukken en van balletten en pantomimes, voordrachten van

proza of poëzie; vertooningen van lichtbeelden en voorstellingen van

kinematograaf en phonograaf.

Hieronder zullen elk dezer exploitatie-wijzen voor zooveel

noodig afzonderlijk worden besproken, om de grenzen van de uit het

auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden naar alle zijden te kunnen

vaststellen. Hierbij zij er nog aan herinnerd, dat voorzoover reeds in

het vorige hoofdstuk de omvang van het auteursrecht op de verschillende

werken van kunst en letterkunde eenigermate is afgebakend, dit

uitsluitend eene begrenzing van het recht betrof naar zijn object. Dat

b.v. den auteur in sommige gevallen een uitsluitend vertalingsrecht

of een uitsluitend bewerkingsrecht toekomt, beteekent alleen, dat

hetgeen in de vertaling of bewerking uit zijn werk is overgenomen,

evengoed als het werk zelf in zijne oorspronkelijke gedaante, voorwerp

van zijn uitsluitend exploitatie-recht is. Men vindt dikwijls, ook

in wetenschappelijke verhandelingen, vertalingsrecht in een adem

genoemd met opvoeringsrecht, die dan als "bijzondere" of "afgeleide"

rechten worden gesteld tegenover het eigenlijke auteursrecht

(kopierecht). Hiermede wordt echter geen juist beeld gegeven van de

verhouding der verschillende bevoegdheden. In wezen is het auteursrecht

iets anders dan kopierecht plus eenige andere, daarmede min of meer

in verband staande rechten; evenzoo als b.v. grondeigendom iets

anders is dan het uitsluitend recht om te zaaien te planten en te

oogsten met nog enkele bijkomende rechten als: hout sprokkelen,

zich het wild toeëigenen, aan anderen den toegang verbieden,

enz. enz. Evenals in eigendom hebben wij in auteursrecht te zien een

uitsluitend beschikkingsrecht op een bepaald goed; de verschillende

bevoegdheden welke den auteur toekomen worden bepaald, deels door den

omvang van het goed, deels door de economische bestemming daarvan. Om

die bevoegdheden te kennen zijn dus twee vragen te beantwoorden:

1o. waarop heeft de auteur recht, d. w. z. wat is het voorwerp van

zijn recht? en 2o. waarin bestaat zijn recht, welke handelingen met

betrekking tot zijn werk zijn hem uitsluitend voorbehouden?

De eerste vraag is in het voorafgaande hoofdstuk behandeld;

daar moesten dus ook vertalingsrecht en bewerkingsrecht worden

besproken, doch deze rechten werden niet verder gedefinieerd dan als

uitsluitende exploitatie-rechten. Op welke wijze en met welke middelen

de exploitatie kon plaats hebben werd in het midden gelaten, daar dit

betrekking heeft op de tweede vraag, die pas in dit hoofdstuk aan de

orde is gesteld.

De verhouding tusschen vertalingsrecht en bewerkingsrecht eenerzijds

en kopierecht, op- en uitvoeringsrecht enz. anderzijds zal nu

duidelijk zijn. De eersten zien op het voorwerp, de tweeden op den

inhoud van het auteursrecht. Het behoeft nu ook geen nader betoog,

dat wat hieronder van de verschillende exploitatiewijzen zal worden

gezegd, niet alleen betrekking heeft op de exploitatie van een werk

in zijne oorspronkelijke gedaante, maar ook op die van de vertaling

of bewerking. Indien b.v. gezegd wordt, dat de componist van een

muziekstuk zoowel kopierecht heeft als uitvoeringsrecht, dan sluit dit,

na wat hierboven over het muzikale bewerkingsrecht is gezegd, in zich,

dat b.v. ook de openbare uitvoering van een piano-uittreksel inbreuk

op het auteursrecht uitmaakt. En indien de bewerking op andere wijze

geëxploiteerd kan worden dan het oorspronkelijke werk, dan zal ook het

bewerkingsrecht van den auteur deze wijze van exploitatie omvatten. Zoo

is het b.v. mogelijk, dat de schrijver van een roman een uitsluitend

opvoeringsrecht kan doen gelden [436], daar de opvoering zonder zijne

toestemming van eene tooneelbewerking van zijn roman een inbreuk op

zijn auteursrecht uitmaakt.

Ik ga thans over tot eene afzonderlijke bespreking der verschillende

exploitatie-middelen.

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 39 / 215 题