dezelfde wijze zou men kunnen betoogen, dat een fabrikant van
locomotieven of van piano's zijne producten aan ieder gratis moet
afstaan; want wat heeft men aan een locomotief in een onbeschaafde
streek waar geen treinen zijn? Hier is het evengoed de maatschappij,
welke aan het goed zijne waarde geeft. Doch men is nu eenmaal niet
gewoon de waarde van een goed te berekenen naar wat er op een onbewoond
eiland voor zou worden gegeven!
Eene veel betere verklaring van de beteekenis van het auteursrecht
in het economisch verkeer geeft de theorie van Schaeffle [235]. Deze
schrijver beschouwt den auteur niet als zelfstandig voortbrenger, maar
als mede-arbeider in eene onderneming, en hij maakt eene vergelijking,
niet tusschen geestelijke en stoffelijke producten, maar tusschen
wat hij noemt: "Symbolische Güter", "Güter der Darstellung und der
Mittheilung" en "Nüzliche Güter". Beide categorieën van goederen
vereenigen in zich een geestelijk en een materieel element; het
onderscheid is, dat bij de eerstgenoemde categorie (waartoe dan
gerekend moeten worden: boeken, platen, tijdschriften, dagbladen
enz.) het geestelijk element overwegend is.
De redeneering van Schaeffle komt in het kort op het volgende neer. De
uitgave van een boek (om ons hierbij nu maar te bepalen) is eene
onderneming, eene combinatie van arbeid en kapitaal. Evenals bij elke
andere onderneming geeft het aanwenden van arbeid en kapitaal aanspraak
op belooning, indien het voortgebrachte product in eene economische
behoefte voorziet (ondernemersloon, en, als daar termen voor zijn,
ook ondernemerspremie) [236]. Doch zoolang het ieder vrijstaat het
uitgekomen boek na te drukken, is het den oorspronkelijken uitgever
niet mogelijk deze vergelding (speciaal de ondernemerspremie) te
genieten. De oorzaak hiervan ligt in de eigenaardige eigenschappen
van het voortgebrachte product in het economisch verkeer. Hier komt nu
het onderscheid uit tusschen de "symbolische" of "darstellende Güter"
en de "nüzliche Güter". Beiden vereenigen in zich, zooals gezegd,
een materieel en een geestelijk element en bij beiden wordt het
geestelijk element na korter of langer tijd gemeengoed. Het verschil
is, dat dit proces (het gemeen-goed worden van het "geestelijke")
bij de goederen van de tweede soort langzamerhand geschiedt, bij
de "darstellende Güter" echter in eens. Om een boek na te drukken
behoeft men geene proeven te doen, men behoeft zijne arbeiders er
niet afzonderlijk voor te doen africhten, in één woord: het is niet
noodig de tijd en geld kostende voorbereidselen te maken, die bij
zuiver industrieele producten dengeen die ze het eerst op de markt
bracht een voorsprong op de namakers geven. De nadrukker heeft
te beschikken over een "... mechanisch- und chemisch-technischen,
unmittelbar schlagfertigen Nachahmungs-apparat vom gleicher Vollendung,
wie derjenige des Original-verlegers ist" [237].
Terwijl dus in den regel de als gevolg van het gemeen-goed worden van
het geestelijk element intredende concurrentie pas na verloop van tijd
de prijs van het nieuwe product drukt, en derhalve prioriteit op de
markt voldoende is om ondernemers-loon en premie binnen te krijgen, is
dit bij de uitgave van een boek niet het geval. De winst, die volgens
de gewone wetten van het economisch verkeer den eersten uitgever
moest toevloeien, ontgaat hem wegens de exceptionneel-ongunstige
eigenschappen van zijn product.
Daarom bestaat er hier voor den Staat alle reden om in het economisch
verkeer in te grijpen en wel zóó, dat de ondernemer, die "symbolische
Güter" voortbrengt, dezelfde kans op het verkrijgen van loon en
premie hebbe als de voortbrenger van andere goederen. Dit is het
best te bereiken door het verleenen van een tijdelijk monopolie,
waardoor kunstmatig de toestand in het leven wordt geroepen, die in
andere takken van economische voortbrenging vanzelf intreedt.
Hiermede is de grondslag en de strekking van het auteursrecht
aangewezen: het is te beschouwen als een: "vorläufig unentbehrliches
künstliches Surrogat der Distributivgerechtigkeit des freien Verkehrs"
[238]. Wat het karakter van het recht betreft, het is een monopolie:
het geeft niet de uitsluitende beschikking over een bepaald goed,
maar de beheersching van eene bepaalde markt (Absatz-Verhältniss).
Vooropgesteld, dat men de vraag omtrent de belooning van den
arbeid van schrijvers en kunstenaars uitsluitend van de economische
zijde wil beschouwen, kan men met Schaeffle's leer, waarvan ik de
voornaamste punten met het bovenstaande heb trachten weer te geven,
vrede hebben. Doch men moet dan ook wel in het oog houden, dat men
daarmede slechts op ééne zijde van het vraagstuk het licht heeft laten
vallen en dat de theorie zonder meer geene conclusiën rechtvaardigt
met betrekking tot den omvang en den aard van het auteursrecht.
Tot de vorming van een goed juridisch begrip van het recht in kwestie
brengt de theorie uit den aard der zaak niets bij; van economisch
standpunt moge het juist zijn, de onlichamelijke producten van kunst
en letterkunde niet als goederen te beschouwen en in verband daarmede
het auteursrecht te karakteriseeren niet als een recht op een goed
maar als een monopolie, een recht om eene bepaalde soort van goederen
alleen te mogen verkoopen, daarmede is ten aanzien van de juridische
verklaring van het recht nog niets gezegd. Al is een voortbrengsel
van het intellect geen economisch goed, daarom kan het nog wel object
van een vermogensrecht zijn. Een rechtsleer, waarbij, op voorbeeld van
deze economische theorie, niet de geestelijke scheppingen opzichzelf
zouden worden beschouwd maar alleen de stoffelijke goederen, die aan
deze scheppingen het aanzijn danken, zou nooit een goed inzicht in het
wezen van het auteursrecht kunnen geven. Terecht kon Kohler van zijne
leer schrijven: "Die hohe Bedeutung der Immaterialrechtstheorie aber
liegt darin, dasz das Recht eben mit einem Gedanken, der aus vielen
Verwirklichungsformen sich ableiten läszt, in Beziehung gesetzt ist,
dasz es mithin nicht an eine Verwirklichungsform gekettet wird, dasz
es das Geistige in allen seinen Formen und Metamorphosen erfaszt und
erfüllt" [239].
Bovendien, door in het auteursrecht alleen te zien een monopolie,
geeft men niet alleen datgene wat het karakteristieke van het recht
uitmaakt niet weer, de benaming is ook onjuist, daar het auteursrecht
niet op eene lijn gesteld kan worden met de instellingen, welke men
met den naam monopolie pleegt aan te duiden. Evengoed zou men den
grondeigendom een monopolie kunnen noemen, omdat bij den alleenverkoop
van de vruchten welke de grond oplevert, waarborgt.
Op het groote verschil, dat bestaat tusschen eene instelling als
b.v. het staatsmonopolie voor den tabaksverkoop en rechtsinstituten
als eigendom en auteursrecht is al gewezen [240]. Doch met
dit verschil wordt in de theorie van Schaeffle geene rekening
gehouden. Dat het auteursrecht al jaren lang in alle beschaafde
staten wordt erkend, dat het een eisch van het rechtsbewustzijn
is, dat schrijvers en kunstenaars de uitsluitende beschikking
hebben over de exploitatie hunner geestesproducten, daaraan werd
bij deze economische beschouwingen blijkbaar niet gedacht. Immers
de theorie gaat uit van een "vrij" economisch verkeer, waarin de
nadrukkers vrij spel hebben, en het auteursrecht heet een "künstliches
Surrogat der Distributivgerechtigkeit des freien Verkehrs". Doch deze
"Distributivgerechtigkeit", welke Schaeffle waarneemt, zou niet bestaan
zonder recht; er is o.m. voor noodig dat private eigendom wordt erkend
en gehandhaafd, dat geen slavernij wordt geduld, dat men iemand kan
dwingen tot het nakomen van aangegane verbintenissen enz. enz. Wil men
nu, sprekende over het vrije economische verkeer, daarbij stilzwijgend
het bestaan van al deze rechtsinstellingen veronderstellen, dan kan
daartegen geen bezwaar bestaan--er is trouwens bijna geen economische
theorie waarbij dit niet wordt gedaan--; doch bij deze instellingen,
wier bestaan om zoo te zeggen van zelf spreekt, behoort evengoed het
auteursrecht. In het "vrije" verkeer, dat Schaeffle als uitgangspunt
neemt, is het geoorloofd het product van een anders arbeid vrijelijk
te exploiteeren en Schaeffle veronderstelt, dat van die vrijheid
een algemeen gebruik wordt gemaakt; dit is echter eene "vrijheid",
waarbij met begrippen van recht geen rekening is gehouden en die
trouwens in geen enkel beschaafd land bestaat.
Deze opmerkingen raken natuurlijk niet de redeneering van Schaeffle,
maar meer de wijze waarop hij het vraagstuk gesteld heeft. Met
zijne theorie stelde hij zich ten doel, uit de verschijnselen in het
economisch verkeer af te leiden, dat schrijvers en kunstenaars op
bijzondere wijze beschermd dienen te worden; doch naast de historische
en ethische gronden waarop het auteursrecht berust, kan een dergelijk
betoog overbodig worden geacht. En door als normaal en natuurlijk voor
te stellen een toestand, waarin geen auteursrecht bestaat, heeft hij
van dit recht een verkeerd beeld gegeven. Het auteursrecht is geen
"kunstmatig surrogaat" van de gerechtigheid, die in het vrije verkeer
bij de verdeeling der stoffelijke goederen bestaat; doch het is,
evenals de andere bovengenoemde rechtsinstellingen, een van de, door de
rechtsorde geëischte, voorwaarden voor een vrij en regelmatig verkeer.
Hier te lande vond de leer van Schaeffle, zooals reeds is opgemerkt,
een aanhanger in Mr. de Ridder, die haar echter op één belangrijk
punt aanvult, door nl. ook op het vereischte van een individueel
geestesproduct het licht te laten vallen [241]. Hierdoor wordt de
eenzijdigheid van Schaeffle's theorie wel eenigszins weggenomen;
doch niettemin wordt aan diens economische beschouwingen door mr. de
Ridder m. i. eene veel te groote beteekenis gehecht. Volgens zijne
boven aangehaalde woorden meende deze schrijver in de theorie te hebben
gevonden: "een beginsel, dat zoo de wetgever zich leent tot deszelfs
doorvoering, hem tevens zal houden in het rechte spoor, dat der sociale
behoeften." Dat echter het "beginsel", hetwelk de economische theorie
van Schaeffle aan de hand doet, den wetgever slechts zeer weinig
houvast geeft, zal niemand kunnen ontkennen. Wil hij de theorie volgen,
dan is zijne taak, den auteurs een recht van zoodanige afmetingen
in te ruimen, dat zij een even groote kans op het verkrijgen van
ondernemers-loon en premie hebben als andere ondernemers, of, zooals
mr. de Ridder het uitdrukt: "dat de verhouding tusschen het verdiende
gemiddelde loon en de mogelijke loonsrente behouden blijve" [242]. Met
deze wetenschap toegerust ga de wetgever nu maar aan den arbeid en
trachte hij in het "rechte spoor" te blijven, waar vragen zijn op
te lossen, als bv.: behoort tot het auteursrecht van een geschrift
het uitsluitend vertalingsrecht, en, zoo het een tooneelstuk is, het
opvoeringsrecht? Welk is het recht van den vertaler? Is auteursrecht
mogelijk op brieven, op dagblad-berichten? Hoever gaat de bevoegdheid
om, zonder inbreuk op het auteursrecht te maken, gedeelten uit het werk
van een ander over te nemen, of uittreksels en omwerkingen ervan in
het licht te geven? Naar gegevens, om tot eene systematische oplossing
te komen van deze vragen en van vele andere van dergelijken aard,
zal men vergeefs in Schaeffle's theorie zoeken.
Ten slotte wil ik in deze paragraaf nog enkele opmerkingen maken naar
aanleiding van de, reeds met een enkel woord genoemde, theorie van
Jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman. Deze theorie is weliswaar niet als
eene "economische" bedoeld; toch meen ik er eenige verwantschap met
de economische theorieën in te ontdekken en om deze reden schijnen
mij de enkele opmerkingen, welke ik eraan wilde wijden, hier het best
op hare plaats.
Deze schrijver wil het auteursrecht afleiden uit twee rechtsregels:
"niemand mag zich zonder grond ten koste van een ander verrijken"
en: "de arbeider heeft recht op het loon van zijn arbeid." Uit
verschillende bepalingen uit ons positieve recht tracht hij aan te
toonen, dat onze wetgever deze twee beginselen, al zijn zij niet met
zooveel woorden in de wet geschreven, toch steeds in hun vollen omvang
heeft erkend. Op dit gedeelte van het betoog zal ik niet ingaan;
het is trouwens reeds door meerdere schrijvers besproken en op vele
punten bestreden [243].
De vraag, of deze twee regels in ons recht algemeen erkend zijn, laat
ik dus in het midden; ik wil er mij slechts toe bepalen te onderzoeken,
of de laatstgenoemde regel, waarop het hier voornamelijk aankomt, een
juist beginsel kan worden geacht, waar het geldt den grondslag van
het auteursrecht te verklaren. Wat mr. de Ridder meende gevonden te
hebben in de theorie van Schaeffle: een beginsel, dat den wetgever in
het rechte spoor kon houden, wilde ook de Savornin Lohman met zijne
leer geven:
"Zoolang de ware grondslag" (scil. van het auteursrecht) "niet gevonden
is, zal de wetgever zich wel op zijn gevoel van billijkheid moeten
verlaten: daarbij zeilt hij evenwel zonder kompas. Maar mogt een vast
beginsel bestaan, en is dit eenmaal gevonden, dan zal hij in staat
zijn juist en bepaald te omschrijven wat den auteur.... toekomt."
Dit beginsel is nu volgens de theorie van de Savornin Lohman, dat de
auteur als arbeider recht heeft op zijn loon. De afbakening van het
auteursrecht moet dus zoodanig geschieden, dat niemand zonder grond
zich met dat, den auteur toekomend, loon kunne verrijken.
Wil dus de theorie beantwoorden aan het doel, hetwelk de ontwerper er
mede wilde bereiken, dan dient zij een volledig antwoord te geven op
de vraag, wat moet worden verstaan onder het loon van schrijvers en
kunstenaars. Dit wordt als volgt gedefinieerd: "Onder "het loon" van
schrijvers en uitgevers verstaan wij dus datgene, wat al de koopers
tezamen voor het nieuwe voorwerp betalen, boven de kosten, aangewend
ter vervaardiging van elk exemplaar, zooals drukloon, fabrieksloon,
enz." [244]. Elders drukt de schrijver zich zóó uit: "... het loon,
dat voor een verkeerswaarde bezittenden arbeid betaald wordt, moet
den arbeider ten goede komen" [245].
Wat de arbeid van schrijver en kunstenaar waard is, wat hij in het
verkeer opbrengt, moet dus volgens de theorie den auteur ten goede
komen; uitsluitend hiernaar moet de omvang van het auteursrecht
worden berekend.
In de eerste plaats kan hiertegen worden opgemerkt (hetgeen trouwens
reeds door verschillende schrijvers is gedaan), dat het begrip
verkeerswaarde reeds het bestaan van auteursrecht veronderstelt; immers
zonder auteursrecht heeft de arbeid van schrijvers en kunstenaars
geene, althans geen noemenswaardige, verkeerswaarde. De redeneering
berust dus op eene petitio principii: de "verkeerswaarde", welke de
heer Lohman wil, dat de auteur voor zijn arbeid zal krijgen, is de
waarde, welke die arbeid heeft in het verkeer, geregeld door eene
wet op het auteursrecht zooals de heer Lohman die wenscht. Daarom
kan die waarde nooit een maatstaf zijn, waarnaar de omvang van het
auteursrecht in jure constituendo kan worden afgemeten.
Nu zou deze tegenwerping nog geene absolute veroordeeling van de
theorie inhouden, indien de vraag alleen hierom ging, óf de auteurs
al dan niet recht hebben op bescherming, indien dus de mate, waarin
die bescherming verleend dient te worden, a priori vaststond. Doch
wij hebben gezien, dat dit niet de bedoeling was der theorie. De heer
Lohman wilde den wetgever een beginsel aan de hand doen, dat hem in
staat zou stellen "juist en bepaald te omschrijven wat den auteur
toekomt." Met behulp der theorie moest dus aangetoond kunnen worden,
niet alleen dat er auteursrecht dient verleend te worden, maar ook
in welken omvang; dus welke de bevoegdheden zijn van een schrijver,
hoe lang dit recht moet duren, enz.
Hierin nu moest de theorie noodzakelijk te kort schieten en dit schijnt
de heer Lohman ook ten slotte zelf min of meer te hebben ingezien;
althans op de vergadering der Juristen-Vereeniging liet hij zich als
volgt uit: "Nu moge het moeilijk zijn uit te maken welk deel van
het loon hij" (scil. de auteur) "moet ontvangen voor den arbeid,
dien ook hij aan dat boek heeft ten koste gelegd: zeer zeker moet
hij een deel daarvan hebben" [246]. Met deze verklaring is feitelijk
erkend, dat de theorie niet kan geven wat de heer Lohman ermede had
willen bereiken. Want hoe zal het beginsel "de auteur heeft recht
op het loon van zijn arbeid" den wetgever als een "veilig kompas"
kunnen dienen, indien eerst langs anderen weg moet worden uitgemaakt,
hoeveel dit loon bedraagt?
De fout in de theorie van den heer de Savornin Lohman is naar mijne
meening deze, dat in plaats van het (immaterieele) product van den
schrijver of kunstenaar wordt gesteld de waarde van het product;
in plaats van de resultaten van den arbeid het loon voor den
arbeid. Het beginsel van het auteursrecht is niet: de auteur heeft
recht op de waarde van zijn product, op het loon voor zijn arbeid
maar: de auteur heeft recht op het product zelf, hij moet over de
resultaten van zijn arbeid uitsluitend kunnen beschikken. Zoolang dit
uitsluitend beschikkingsrecht niet bestaat zijn "waarde" en "loon"
louter fictief, evenzoo als de waarde fictief is van visschen die nog
in de zee rondzwemmen en aan niemand toebehooren. Gesteld dat men
naar een beginsel vroeg, waarop het recht berust van hem die zich
deze visschen heeft toegeëigend, dan zou toch niemand eraan denken
ten antwoord te geven: de visscher heeft recht op het loon van zijn
arbeid, het loon is datgene wat die arbeid in het verkeer waard
is, derhalve heeft de visscher recht op de waarde van de door hem
gevangen visch en opdat anderen zich niet met deze waarde verrijken,
verleent de wet hem het eigendomsrecht. Ieder zou inzien, dat met
deze redeneering een noodelooze omweg wordt gemaakt, en dat men
zich juister en nauwkeuriger zou uitdrukken, indien men de "waarde"
geheel buiten beschouwing liet en dadelijk sprak van een recht op
het door den arbeid verworven goed, in casu de gevangen visch. Wel
zou in dit geval de practische conclusie uit de leer, ondanks de
foutieve redeneering, niet onjuist noch onbruikbaar behoeven te zijn;
doch de oorzaak hiervan is, dat hier de omvang van het te verleenen
recht wél geacht kan worden a priori vast te staan. Er is moeilijk
verschil van meening denkbaar over de vraag, welke de bevoegdheden
zijn, die tot het uitsluitend recht op een visch behooren; daarom
maakt het practisch weinig onderscheid, of men spreekt van de waarde
van den visch of van den visch zelf, indien slechts in het oog wordt
gehouden dat het woord "ruilwaarde" bij anticipatie wordt gebruikt,
daar vóórdat het uitsluitend recht een voldongen feit is van geen
ruiling en derhalve evenmin van ruilwaarde sprake kan zijn.
Ik hoop met het bovenstaande duidelijk te hebben gemaakt, dat
het uitgangspunt van de theorie van den heer Lohman verkeerd
is gekozen. Daardoor lijdt de theorie ook, afgezien van de
begripsverwarring die het gebruik van het woord ruilwaarde meebrengt,
aan dezelfde eenzijdigheid, die de economische theorieën kenmerkt. In
zijn betoog merkt de schrijver ergens op: "... wij juristen vragen
slechts: wat is uw product een ander waard, en wien behoort de
opbrengst?" [247] en het schijnt wel of deze regel hem steeds bij zijne
beschouwingen voor oogen heeft gestaan. Alsof een jurist in een recht
niets anders had te zien dan de geldswaarde, die het vertegenwoordigt!
De beteekenis van een recht is niet alleen met guldens af te meten;
van juridisch oogpunt bezien is de meerdere of mindere geldswaarde--ook
waar men met vermogensrechten heeft te doen--slechts van ondergeschikt
belang. Want het recht dient ook ter bescherming van niet op geld
waardeerbare belangen. Met deze laatste wordt in de theorie van den
heer de Savornin Lohman geene rekening gehouden; als eenig doel van
het auteursrecht wordt vooropgesteld, dat schrijvers en kunstenaars
iets met hun arbeid zullen verdienen. Deze overweging schijnt bij
den schrijver zoozeer overheerschende te zijn geweest, dat het
eigenlijke onderwerp zijner beschouwingen, n.l. het auteursrecht,
er soms door op den achtergrond geraakt. Dit was b.v. het geval in de
beschouwing, die ik hier laat volgen, gehouden in de vergadering der
Juristen-Vereeniging. Na te hebben uiteengezet, wat te verstaan was
onder "het loon" van den schrijver van een boek,--n.l. datgene wat de
verkoop der exemplaren opbrengt boven de kosten aan drukloon, papier
enz.--ging de heer Lohman na, wat "het loon" is, in het geval, dat die
opbrengst niet meer bedraagt dan de kosten van de vervaardiging der
exemplaren: "Mr Viëtor beweert, dat zoo de opbrengst van het boek juist
bedraagt "den kostenden prijs", (waaronder hij dan verstaat kosten
voor papier, drukloon enz.) er niets voor den auteur overschiet. Het
is alsof men zegt aan een arbeider dat men hem niets zal betalen,
omdat men dan juist met de kosten "zal kunnen uitkomen!" M. i. is er,
wanneer een mede-arbeider niet betaald wordt, eenvoudig verlies, en
is het billijk dat dat verlies worde gedeeld door al degenen die aan
het boek hebben gearbeid. Er is volstrekt geen reden om te zeggen,
dat de fabrikant van het papier en de drukker het eerst zullen worden
betaald, en dat, zoo er nu niets meer voor den auteur overschiet,
deze eenvoudig ledig huiswaarts kan gaan" [248].
Door uitsluitend op het loon van den arbeid het oog gevestigd
te houden, heeft de heer Lohman blijkbaar niet ingezien, dat met
deze redeneering het doel werd voorbij geschoten. Het is immers
duidelijk, dat in het gestelde geval het auteursrecht den schrijver
nooit eenig geldelijk voordeel zal kunnen bezorgen. De exploitatie
van het geestesproduct brengt niet meer op dan de kosten daarvoor
bedragen; derhalve zal hier ook de ruilwaarde van het uitsluitend
exploitatierecht nihil zijn. Het auteursrecht kan nooit meer geven
dan de mogelijkheid, om loon voor den arbeid te behalen; ook al is
de auteur gewapend met het krachtigste en meest intensieve recht,
dat men zich denken kan, zoo zal hij toch nooit uitgever en drukker
kunnen dwingen voor hem beneden den prijs te werken, of--zooals het
in mr. Lohman's redeneering heet--hen te bewegen, met hem in het
verlies, dat de exploitatie van het boek oplevert, te deelen. Een
soortgelijk economisch verschijnsel zal men b.v. kunnen waarnemen ten
aanzien van een stuk land, waarvan de exploitatie wegens de slechte
gesteldheid van den bodem of de ongunstige ligging niet meer opbrengt
dan de kosten aan werkloonen, bemesting, vervoer van de producten
enz. bedragen. De eigenaar van den grond zal hier geen pacht kunnen
bedingen, noch op eenige andere wijze geldelijk voordeel uit zijn
goed kunnen trekken; evenals de ongelukkige auteur, waarvan hierboven
sprake was, is ook hij noodzakelijkerwijze degeen, die "het laatst
betaald wordt." Doch evenmin als in het eene geval de bepalingen over
den eigendom op onroerende goederen, kunnen in het andere geval die
op het auteursrecht aan deze omstandigheid iets veranderen.
Niet aan wat de arbeid van den auteur opbrengt, aan wat hij voor
anderen waard is, hebben wij dus onze aandacht te wijden, maar aan het
product, dat door dien arbeid is voortgebracht; het auteursrecht is
niet een recht "om mede te deelen in het loon, dat het publiek bereid
is te betalen voor de handelswaarde die geproduceerd is" [249], maar
een recht op de geestelijke schepping zelf. Dit denkbeeld moge nu in
de volgende paragraaf eene nadere uitwerking vinden.
§ 4 Het auteursrecht als recht op een onlichamelijk goed
De auteur heeft een recht op het goed, dat hij heeft voortgebracht. Dit
is het m. i. eenig juiste beginsel, dat aan het auteursrecht ten
grondslag kan worden gelegd. De juistheid van dezen regel zal
niemand willen ontkennen: indien hier werkelijk een goed aanwezig
is, d. w. z. iets dat object van een uitsluitend recht kan zijn, dan
is degeen die dat goed heeft voortgebracht, die er de maker van is,
ook de aangewezen rechthebbende. Dat schrijvers en kunstenaars met
hun werk iets hebben gemaakt, dat vroeger niet bestond, zal evenmin
ernstige tegenspraak ontmoeten; zij zijn de scheppers, de "makers"
bij uitnemendheid (men denke aan de afkomst van het woord poëet).
Doch wat niet algemeen zal worden toegegeven, is dat het product van
een schrijver of kunstenaar eene zaak is, welke tot object van een
uitsluitend recht kan dienen.
Een lichamelijke zaak, die voorwerp van het auteursrecht zou zijn,
is niet aan te wijzen. Sommigen hebben gemeend, het auteursrecht van
schrijvers en componisten te kunnen verklaren als een uitvloeisel
van het eigendomsrecht op het handschrift; volgens deze zienswijze
had men dus wel eene lichamelijke zaak, die object van het recht was,
n. l. het papier waar de schrijver zijn letters en de componist zijn
noten op heeft geschreven. De eigendom--zoo werd geredeneerd--geeft
het vol genot over eene zaak; waar het dus een handschrift geldt,
omvat dit genot ook de uitsluitende bevoegdheid van reproduceeren,
omdat hierin juist de waarde ervan is gelegen [250].
Deze constructie van het recht is echter totaal onbruikbaar en niet
in overeenstemming met de feitelijke verhoudingen. Het handschrift
is niet de schepping, het voortbrengsel van den auteur, maar slechts
een middel om die (niet onmiddellijk voor anderen waarneembare)
schepping binnen den kring onzer waarneming te brengen. Zoolang het
geschrift alleen in handschrift bestaat, komt dit verschil weinig uit;
het handschrift is in dat geval het eenige waarneembare bewijs van
het bestaan van het auteursproduct; het voortbestaan van dit laatste
is min of meer afhankelijk van dat van het papier, waarop het door
middel van leesteekens is weergegeven en zoo heeft de eigenaar van
het handschrift ook in zekeren zin de beschikking over het lot van
het geestesproduct zelf. Maar deze toestand verandert, zoodra er
meerdere exemplaren van het geschrift zijn vervaardigd, die in handen
van verschillende personen komen.
In de daad van hem, die naar een exemplaar waarvan hij op wettige
wijze eigenaar is geworden, nadrukken van het geschrift vervaardigt
en in den handel brengt, is moeilijk te zien een inbreuk op het recht
van den eigenaar van het handschrift. Het is iets, dat geheel buiten
het handschrift om gaat; het al of niet bestaan van dit laatste is
zelfs voor den nadrukker totaal onverschillig.
De theorie laat ons geheel in den steek in de gevallen, dat een
manuscript verloren gaat of vernietigd wordt. Hoe zal men zich
kunnen beroepen op een eigendomsrecht, terwijl het voorwerp van dien
eigendom niet meer bestaat? En hoe zal het gaan, wanneer de auteur zijn
werk niet heeft opgeschreven, maar voorgedragen? Wordt een redenaar
eigenaar van het stuk papier, waarop de stenograaf zijne redevoering
uit zijn mond opteekent; of heeft nu de stenograaf, als eigenaar van
het handschrift, het reproductierecht? Op deze en andere dergelijke
vragen kan deze leer geen bevredigend antwoord geven.
Wil men aan het boven gegeven beginsel getrouw blijven, dat n.l. het
recht van den auteur is een recht op hetgeen hij heeft voortgebracht,
dan dient men de gedachte aan een lichamelijk object van het recht te
laten varen. Wij hebben hier te doen, niet met stoffelijke, maar met
geestelijke scheppingen; dit geldt--zooals hieronder nog nader zal
worden aangetoond--niet alleen voor de scheppingen in taal en muziek,
maar ook voor de werken van beeldende kunst; in het auteursrecht
hebben wij dus te zien een recht op een onlichamelijk goed.
Dit is de grondgedachte, die reeds door de voorstanders van de
eigenlijke eigendomstheorie d.w.z. van de leer van den intellectueelen
of geestelijken eigendom, is verkondigd; en hoeveel er ook tegen
het begrip "geestelijken eigendom" in te brengen moge zijn, deze
theorie had althans dit voordeel, dat de kern der kwestie er door
werd geraakt. Door een geestelijken eigendom aan te nemen waren de
voorstanders van deze leer gedwongen het geestesproduct, dat het
voorwerp van dien eigendom uitmaakt, nader te karakteriseeren; zij
moesten aantoonen, dat er buiten het handschrift en buiten de andere
materieele middelen, die dienen om het voortbrengsel van het intellect
waarneembaar te maken, een (uit den aard der zaak immaterieel)
goed aanwezig is, geschikt om voorwerp van een recht te zijn. Hier
ligt de groote moeilijkheid, die de theorie van den geestelijken
eigendom wel niet tot een bevredigende oplossing heeft gebracht,
maar waarvoor zij tenminste niet, zooals zooveel andere theorieën,
uit den weg is gegaan. In dit opzicht, n.l. wat de constructie
betreft van het auteursrecht als een recht op het geestesproduct,
heeft Kohler's Immaterialrecht-theorie de leer van den intellectueelen
eigendom tot voorbeeld genomen; de eigenaardige en van die der overige
rechtsobjecten op vele punten afwijkende hoedanigheden der immaterieele
goederen leidden er echter toe, de erop gevestigde rechten als een
afzonderlijke groep, niet onder, maar naast eigendom en de andere
zakelijke rechten, te beschouwen en eerst hierdoor bleek het mogelijk
een scherp omlijnd begrip van het auteursrecht vast te stellen.
In hoeverre de eigendomstheorie, wat het laatste betreft, te kort
schoot, meen ik het best te kunnen aantoonen, door een oogenblik
stil te staan bij de beschouwingen van een harer meest scherpzinnige
voorstanders, nl. den Duitschen wijsgeer Fichte. Deze redeneert
ongeveer als volgt: [251] Als ik een boek koop, word ik eigenaar van
het bedrukte papier en daar dit maar één eigenaar kan hebben, neemt
het recht van den schrijver daarop een einde. Waar ik ook eigenaar
van kan worden, is van de in het geschrift vervatte gedachten,
doch dit is geen uitsluitende eigendom, want ieder bezitter van een
exemplaar, die genoeg ontwikkeld is en zich de noodige moeite geeft,
kan hetzelfde bereiken. Van de gedachten kunnen dus meerdere eigenaars
naast elkaar bestaan. Derhalve zijn noch het boek (in den materieelen
zin van het woord) noch de gedachten voorwerp van het eigendomsrecht,
dat het uitsluitend recht van drukken inhoudt, daar de schrijver bij
de uitgave den uitsluitenden eigendom daarop verliest.
Wat echter van den schrijver blijft, wat hem niet af kan worden
genomen, dat is zijn gedachtengang, de bijzondere, hem alleen eigene
wijze, waarop hij zich begrippen vormt en deze rangschikt en met
elkander verbindt, dus: de vorm. Deze is en blijft des schrijvers
eigendom, want het is physisch onmogelijk dat een ander zich dezen
toeëigent. Bij het uitgaaf-contract staat de schrijver het gebruik
van zijn eigendom aan den uitgever af; (den eigendom overdragen kan
hij niet); drukt een ander zonder toestemming van auteur of uitgever
het boek na, dan maakt hij zich schuldig aan wederrechtelijk gebruik
van eens anders eigendom.
Zeer juist werd door Fichte ingezien, dat als object van het recht
niet kan dienen het materieele voorwerp, waarin het product des
geestes is belichaamd; en evenmin de gedachten, die in het geschrift
zijn uitgedrukt. Doch van een immaterieel goed, dat buiten den
auteur bestaat, krijgt men door zijne beschouwing nog geen goed
denkbeeld. Het voorwerp van den intellectueelen eigendom schijnt
Fichte te hebben gezocht, niet in de concrete schepping, maar meer in
de wijze van denken en schrijven; niet in het voortbrengsel maar in
het voortbrengingstalent. Dat dit den auteur niet kan worden ontnomen,
dat hij met het volste recht kan spreken van zijn manier van schrijven,
van zijn stijl, zal niemand betwisten, doch dit is eene betrekking,
die met eigendom in de juridische beteekenis van het woord ongeveer
niets gemeen heeft.
Hegel, die ook in zijne Philosophie des Rechts het auteursrecht
als een eigendomsrecht beschouwt, doet beter dan Fichte uitkomen,
dat het immaterieele goed, om object van eigendom te zijn, niet als
een geestes-eigenschap van den auteur, maar als iets dat buiten hem
bestaat, moet worden gedacht.
"Kenntnisse, Wissenschafte, Talente u. s. f. sind freilich dem freien
Geiste eigen und ein Innerliches desselben, nicht ein Aeusserliches,
aber ebenso sehr kann er ihnen durch die Aeusserung ein äusserliches
Dasein geben und sie veräussern, wodurch sie unter die Bestimmung
von Sachen gesetzt werden" [252]. Deze gedachte wordt echter niet
zoover uitgewerkt, dat men eene heldere voorstelling krijgt van het
immaterieele object van den eigendom.
De door Fichte gemaakte onderscheiding tusschen concrete gedachten
en den vorm waarin deze gedachten zijn geuit is de bron geworden
van groote begripsverwarring, vooral bij de bestrijders der
eigendomstheorie. De onderscheiding is zeer zeker niet zonder
beteekenis, in zoover als het auteursrecht nooit ten doel kan hebben,
aan één persoon het uitsluitend recht toe te kennen bepaalde gedachten
openbaar te maken. Dat dit niet het doel van het auteursrecht kan zijn,
dat b.v. de door een staatsman geuite denkbeelden over den politieken
toestand, die van een historie-vorscher over een of ander tijdperk
der geschiedenis niet het uitsluitend eigendom zijn van degenen, die
ze het eerst verkondigd hebben, zoodat anderen, die over hetzelfde
onderwerp schrijven, van die denkbeelden geen gebruik zouden mogen
maken, behoeft wel geen betoog. Eene dergelijke strekking wordt nergens
aan het auteursrecht toegekend en daarom heeft het ook geen zin om het
te verwijten, dat het de gedachten in haar vrijen loop belemmert [253].
Men heeft echter de moeilijkheid niet opgelost door de denkbeelden,
die in een geschrift geuit worden, te noemen den inhoud en de
wijze waarop de auteur die denkbeelden in "het kleed der taal heeft
gestoken" den vorm en dan te zeggen: de inhoud is gemeen goed, de
vorm behoort den auteur. Zonder de beide woorden nader te definieeren,
komt men met deze ontleding niet veel verder. Alleen reeds de groote
verscheidenheid van geschriften maakt eene nauwkeurige omschrijving
van hetgeen men met "vorm" en "inhoud" bedoelt, noodzakelijk. Men kan
niet zonder meer de onderscheiding toepassen zoowel op een roman als
op een wetenschappelijk werk, zoowel op een lyrisch gedicht als op een
tooneelstuk. Doch ook als men slechts ééne bepaalde soort geschriften
op het oog heeft, dient men de beteekenis, aan de woorden "vorm" en
"inhoud" te hechten, beter vast te stellen, dan gewoonlijk door de
schrijvers over auteursrecht wordt gedaan. Zooals die termen thans
dikwijls worden gebruikt, zijn zij eerder geschikt om verwarring te
brengen dan om mede te helpen tot eene juiste karakteriseering van het
immaterieele object van het auteursrecht. Eene geliefkoosde redeneering
van vele schrijvers, die echter wegens hare oppervlakkigheid alle
waarde mist, is b.v. de volgende: Het auteursrecht beschermt alleen
den vorm; wanneer een geschrift wordt vertaald geeft de vertaler
er een nieuwen vorm aan; derhalve kan de auteur zich niet verzetten
tegen de uitgave van eene vertaling van zijn werk; het auteursrecht
omvat dus niet het uitsluitend vertalingsrecht [254].
Men maakt het zich op deze wijze wel heel gemakkelijk; de zaak is
echter niet zoo eenvoudig als de schrijvers, die zoo redeneeren,
schijnen te meenen. De regel, waarop zij zich als op een axioma
beroepen, dat nl. de auteur geen recht heeft op den inhoud, maar
wel op den vorm, moge in bepaalden zin opgevat en met betrekking tot
bepaalde categorieën van geschriften waarheid bevatten, zoo als hij
in dit verband te pas wordt gebracht, mist hij elken grond.
Welke diensten de onderscheiding tusschen vorm en inhoud kan bewijzen,
mits deze begrippen behoorlijk worden gedefinieerd en niet alle
geschriften over één kam worden geschoren, heeft Kohler--vooral in
zijn merkwaardig boek: Das literarische und artistische Kunstwerk und
sein Autorschutz--duidelijk in het licht gesteld. Hij noemde dit werk:
"eine juridisch-ästhetische Studie" en gaf het tot motto een regel,
dien vóór hem naar mijn weten nog geen der vele schrijvers over
auteursrecht zich tot richtsnoer had gesteld, nl.: "Der richtige
Weg zur Erkenntnisz des Autorrechts führt durch die Erkenntnisz
der Kunst hindurch". Hieruit valt reeds op te maken, dat men in
dit boek geene oppervlakkige beschouwingen over "vorm" en "inhoud"
heeft te verwachten, als waarvan hierboven sprake was. Het is Kohler's
streven geweest, zoo diep mogelijk tot het wezen van de verschillende
soorten kunstwerken en geschriften door te dringen en eene waardevolle
methode te vinden om ze te analyseeren en zoodoende in elk werk die
bestanddeelen aan te kunnen wijzen, welke tezamen de schepping van den
auteur en dus tevens het object van zijn recht uitmaken. Op Kohler's
methode en hetgeen ermede kan worden bereikt, kom ik hieronder nog
terug. Wat ik er hier van wil zeggen, is alleen dit: dat, wil men
werkelijk langs systematischen weg tot de vaststelling van omvang
en strekking van het auteursrecht komen, "juridisch-aesthetische"
beschouwingen als de hier bedoelde niet alleen van zeer veel nut,
maar beslist onontbeerlijk zijn.
In deze noodzakelijkheid, om de auteursproducten ook naar
hunne innerlijke eigenschappen te proeven en te ontleden,
openbaart zich reeds het groote verschil tusschen de rechten
op stoffelijke en die op onstoffelijke goederen. Bij de eerste
brengt de vraag, wat object van het recht is, in den regel niet de
minste moeilijkheid mee; het stoffelijk goed, zóó als het in het
gewone leven kan worden waargenomen, is de zaak in rechtskundigen
zin. Bij de rechten op onstoffelijke goederen daarentegen zijn de
rechtsobjecten niet eenvoudig gegeven; het begrip dat ieder zich
kan vormen van een geschrift of een kunstwerk is niet identiek met
dat van het immaterieele goed dat zulk een geschrift of kunstwerk
kan vertegenwoordigen. Vele geschriften en kunstwerken zijn in het
geheel geen voorwerpen van auteursrecht, van een immaterieel goed is
daarbij dus geen sprake; en degenen die het wél zijn, zijn het niet
alle in dezelfde mate. Zoo zal, om een voorbeeld te noemen, een ets,
die eene getrouwe copie is van een andere ets, geen voorwerp van
auteursrecht zijn. Is zij daarentegen gemaakt naar eene schilderij,
dan zal zij wel voorwerp van auteursrecht kunnen zijn; doch in dit
geval is het recht van den etser van beperkte strekking. Slechts
indien de ets een volkomen oorspronkelijk werk is, heeft de auteur
daarop het volle auteursrecht. Wij hebben hier dus drie werken,
die door den gewonen beschouwer misschien van dezelfde beteekenis
zullen worden geacht, doch die belangrijke verschilpunten vertoonen,
zoodra men ze uit het oogpunt van het erop gevestigd auteursrecht
beziet. In het eerstgenoemde geval heeft de etser niet anders gedaan
dan een reeds bestaand werk na te maken; hij heeft dus geen nieuw goed
voortgebracht en derhalve ook geen auteursrecht gevestigd. In de beide
laatste gevallen is er wel een immaterieel goed tot stand gekomen;
doch de ets naar de schilderij levert een geheel ander rechtsobject
op dan de oorspronkelijke. Vandaar dat ook de inhoud van het recht
in beide gevallen aanmerkelijk verschilt.
Met dit voorbeeld, dat een zeer eenvoudig geval betreft, hoop ik
eenigermate te hebben doen zien, dat de vaststelling van het begrip
van het immaterieele goed, dat voorwerp van het auteursrecht is, eene
bijzondere wijze van behandeling vereischt en moeilijkheden meebrengt,
die zich bij de bestudeering van de rechten op lichamelijke goederen
niet voordoen. Dit zou reeds op zichzelf eene aanleiding kunnen
zijn, om in het rechtssysteem aan beide groepen van rechten eene
afzonderlijke plaats te geven en dus het auteursrecht niet den naam
"eigendom" te geven, waardoor het onder de zakelijke rechten zou
moeten worden gerangschikt.
Eene meer nauwgezette vergelijking doet spoedig zien, dat er tusschen
auteursrecht en eigendom (of welk ander zakelijk recht ook) niet alleen
vele punten van verschil bestaan, maar dat zij in rechtskarakter ver
van elkander afwijken.
Van bezit kan bij het auteursrecht wegens het ontbreken van een
lichamelijk object, geen sprake zijn; de wijzen waarop het auteursrecht
ontstaat, te niet gaat en wordt overgedragen zijn andere dan bij
het eigendomsrecht; de middelen tot handhaving zijn bij beide
rechten verschillend; het auteursrecht is in tijdsduur beperkt,
de eigendom niet. Op deze belangrijke verschilpunten is door vele
schrijvers--ook in ons land--reeds herhaaldelijk gewezen. Ik behoef
hier slechts in herinnering te brengen hetgeen minister Modderman bij
de behandeling van onze wet in de Tweede Kamer daaromtrent opmerkte:
"Door het auteursrecht te noemen eigendomsrecht, en als zoodanig te
willen verklaren, wint men niets, hoegenaamd. Men zal verplicht zijn
er onmiddellijk bij te voegen, dat aan dit recht genoegzaam alles
ontbreekt wat den eigendom karakteriseert" [255].
Wat het auteursrecht met den eigendom gemeen heeft, bepaalt zich ten
slotte hiertoe, dat beide rechten de beschikking over een bepaald goed
aan één persoon met uitsluiting van ieder ander voorbehouden. Wil men
nu elk uitsluitend recht, onverschillig van welken aard het object
zij, eigendom noemen [256], zoo behoeft daartegen op zichzelf nog
geen bezwaar te worden gemaakt, indien men slechts in het oog houdt,
dat men zoodoende aan het woord eigendom eene andere beteekenis geeft,
dan waarin het gewoonlijk in de juridische taal wordt gebruikt. In het
dagelijksch leven gaat men dikwijls met het gebruik van de woorden
"eigendom" en "bezit" nog veel verder; men zegt bv. dat iemand een
goede gezondheid, eene slechte reputatie enz. bezit of dat hij eene
uitgebreide kennis zijn eigendom kan noemen, zonder dat daarbij
natuurlijk gedacht wordt aan de rechtsinstituten van denzelfden naam.
Zoo kan men ook spreken van letterkundigen of geestelijken eigendom,
zonder dat dit noodzakelijk tot begripsverwarring behoeft aanleiding
te geven. Men drukt daardoor dan eenvoudig uit, dat het geestesproduct
den schrijver toebehoort, dat hij daarop een uitsluitend recht heeft;
terwijl de bijzondere eigenschappen, die dit recht in tegenstelling
met andere rechten kenmerken, in het midden worden gelaten. Vele
voorstanders van de leer van den intellectueelen eigendom en met name
Fichte, zullen waarschijnlijk geene andere bedoeling hebben gehad. Hun
leer gold niet zoozeer het juridisch karakter als wel den grondslag van
het auteursrecht; het was hun doel aan te toonen, dat de auteurs recht
op bescherming hebben, en om te doen zien dat zij het met dit recht,
dat aanvankelijk door menigeen ontkend werd, ernstig meenden, noemden
zij het, naar het recht kat' exochen eigendom. Dat in de hierboven
vermelde beschouwing van Fichte b.v. het woord eigendom niet in den
streng-juridischen zin moet worden opgevat, blijkt wel hieruit, dat
hij het ook gebruikt met betrekking tot de gedachten, welke men zich
bij het lezen van een boek eigen kan maken. Het behoeft geen betoog,
dat eigendom hier niet wordt bedoeld in den zin van een recht,
dat tot object zou hebben "de gedachte" en tot subject "de persoon
die haar denkt." Trouwens Fichte doet duidelijk genoeg uitkomen,
dat een "geestelijke eigendom" van deze soort (een eigendom dus op
den schat van kennis, die men zich heeft verworven) niet die is,
welke hij voor de auteurs opeischt, en het is zeker niet aan hem te
wijten, dat bij latere schrijvers nog zooveel verwarring op dit punt
is blijven heerschen. Zoo ziet men nog telkens als argument tegen
de eigendomstheorie de bewering dienst doen, dat de auteur na de
publicatie van zijn boek geen eigenaar meer is van de gedachten,
daar hij niemand kan verhinderen ze in zich op te nemen en dit
zelfs niet zou willen, gesteld dat hij het kon, omdat het immers
juist zijne bedoeling is, dat zijne gedachten de eigendom worden
van anderen [257]. Met dergelijke redeneeringen voert men een strijd
tegen windmolens; het is mij althans niet bekend, dat er ooit iemand
beweerd heeft, dat de letterkundige eigendom de strekking zou hebben,
aan anderen te verbieden zich bepaalde gedachten eigen te maken.
Letterkundige of geestelijke eigendom moet dus, wil men niet tot
ongerijmde gevolgtrekkingen komen, worden opgevat in den zin van:
uitsluitend recht op het geestesproduct. Indien er niet meer dan dit
mee wordt bedoeld en indien men zich niet tot verdere analogieën
met den eigendom op stoffelijke goederen laat verleiden, kan de
uitdrukking geen kwaad. Doch daarmede is ook alles gezegd. Het begrip
eigendom in dezen zin is zóó veelomvattend, dat het als categorie,
tot onderscheiding van eene bepaalde soort van rechten van de andere,
geen waarde heeft. "Es ist das ein Begriff", zegt Kohler hierover,
"so vielseitig und schillernd, dasz mit ihm ebensowenig zu bestimmten
besondersartigen Bildungen zu gelangen ist, als etwa mit den Begriffen
Wasser, Feuer, Luft und Erde, durch welche man ehedem die Dinge der
Welt begreifen und erfassen wollte. Das Autorrecht als Eigentumsrecht
nimmt sich etwa so aus, wie das Leuchtgas als Luft und die flüssige
Kohlensäure als Wasser. Mit dieser Gestaltungsweise läszt sich auf
die Dauer nicht durchkommen" [258].
Hiermede meen ik van de eigendomstheorie te kunnen afstappen. De
aangehaalde woorden van Kohler geven, in verband met de beschouwingen
die ik heb laten voorafgaan, m. i. voldoende aan, waarom het begrip
letterkundige of geestelijke eigendom in eene juridische verhandeling
onbruikbaar is. Ook is, naar ik meen, uit het bovenstaande
reeds eenigszins duidelijk geworden, hoe Kohler's leer van het
Immaterialgüterrecht aan de bezwaren, die tegen de eigendomstheorie
zijn in te brengen, tegemoet komt.
Een tweetal punten, waarop tegen de theorie van Kohler wellicht
de meeste tegenstand is te verwachten, wil ik hier nog kortelijk
bespreken.
In de eerste plaats het immaterieele goed als rechtsobject. Voor
sommigen schijnt het eene onoverkomelijke moeilijkheid op te leveren,
zich een recht te denken met een onlichamelijk goed tot object. Zeer
beslist liet zich b.v. Jolly in dien zin uit: "... dasz aber irgend ein
Recht, Eigenthumsrecht oder ein anderes, an einer bloszen Vorstellung,
an einem lediglich und allein in den Gedanken existirenden Dinge
ohne alles äuszerliche Substrat stattfinden solle, das ist etwas, was
meiner Ansicht nach weder nach irgend einem positiven Rechtssysteme,
noch vom Standpunkte einer philosophischen Rechtsbetrachtung aus
zugegeben oder auch nur mit voller Klarheit gedacht werden kann" [259].
Van denzelfden aard is hetgeen mr. de Ridder met de volgende vraag
uitdrukt: "Of zoude men soms meenen, dat het letterkundig product op
zich zelf, afgescheiden van den vorm (eerst als handschrift, later als
gedrukt exemplaar) een bestaan heeft--laat staan een lichamelijk--dat
den auteur, om zóó te zeggen, kan worden tegenover gesteld?" [260]
Volgens Jolly zou dus een geschrift of kunstwerk alleen in de gedachten
bestaan; volgens mr. de Ridder bestaat het in 't geheel niet. Iets dat
niet bestaat kan natuurlijk geen voorwerp van een uitsluitend recht
zijn. Doch het komt hier aan op de beteekenis, die men aan het woord
"bestaan" geeft. Indien men alleen datgene als bestaande aanmerkt, wat
eene plaats in de ruimte inneemt, dan moet inderdaad van de scheppingen
van den geest worden getuigd, dat zij niet bestaan. Een bestaan in
dezen zin hebben dan alleen het papier, waarop de schrijver letters
heeft geschreven of laten drukken en het doek, waarop de schilder
eene hoeveelheid verf heeft gesmeerd (dus wat Schaeffle noemde de
symbolische Güter), maar niet datgene, waarvan deze, opzichzelve
onbelangrijke, verbindingen en vervormingen van de stof de middelen van
uitdrukking zijn. De schepping van den schrijver en kunstenaar wordt
zoo herleid tot een aantal verschijnselen, die zich in de stoffelijke
wereld voordoen, te beginnen met verplaatsingen in de hersenmassa van
den auteur bij de conceptie van het werk, gevolgd door bewegingen van
zijn lichaam (bij het spreken, schrijven, schilderen, enz.), daarna
de vervaardiging door hem of door anderen van exemplaren (van papier,
inkt, doek, verf, enz. enz.), totdat eindelijk door waarneming dezer
exemplaren ook bij anderen zich soortgelijke plooiingen van het brein
voordoen als bij den auteur; alles te zamen dus een aantal min of
meer met elkander in verband staande bewegingen en verplaatsingen van
de materie, zonder dat een bepaald voorwerp kan worden aangewezen,
waardoor zij zijn teweeggebracht.
Heeft men nu, door de zaak op deze wijze te beschouwen, verdichtsel
en werkelijkheid gescheiden en alleen de laatste behouden?
Dit kan m. i. alleen de meening zijn van hen, die vasthouden aan de
realistische opvatting, volgens welke de voorstelling, die wij ons
op grond van onze zinnelijke waarneming van de buitenwereld vormen,
volkomen overeenstemt met die wereld zelve. De werkelijkheid zou dus
gevormd worden door de dingen, zooals zij ons verschijnen, en wat
daartoe niet behoort, zou slechts in onze verbeelding bestaan.
Er is echter geen diep wijsgeerig inzicht voor noodig om te erkennen,
dat wat aldus voor werkelijkheid wordt aangezien en als zoodanig
van hetgeen "alleen in de voorstelling bestaat" ten scherpste
wordt onderscheiden, nog geen absolute werkelijkheid is, d.w.z. dat
daaraan geen zelfstandig bestaan, onafhankelijk van ons denken, mag
worden toegekend. De dingen, zoowel lichamelijke als onlichamelijke,
bestaan slechts voor ons voor zoover wij er ons eene voorstelling
van hebben gevormd; van beide soorten geldt gelijkelijk, dat zij
niet in de ervaring zijn gegeven, "maar ondersteld om de ervaring
te helpen begrijpelijk maken" [261]. De voorstelling van het "ding"
of voorwerp moet dus in onzen geest worden gevormd, daar de zintuigen
ons niet meer brengen dan een aantal gewaarwordingen, die niet het
ding zelf of deelen er van zijn, maar kenteekenen voor onzen geest
van zijne aanwezigheid.
Stelt men zich op dit standpunt, dan is er geen grond om de
grens tusschen hetgeen in werkelijkheid en hetgeen in verbeelding
bestaat zóó te trekken, dat alleen de stoffelijke voorwerpen tot de
eerste categorie zouden behooren. Immers de wijze waarop wij tot de
overtuiging van hun bestaan komen, is bij stoffelijke en onstoffelijke
dingen dezelfde. Van beiden moeten wij ons de voorstelling uit de
door de zintuigen verstrekte, min of meer fragmentarische gegevens,
opbouwen.
Waarom zou dan de voorstelling, die wij ons van onlichamelijke zaken
als geschriften en kunstwerken maken, minder betrouwbaar of minder met
de "werkelijkheid" overeenstemmend zijn dan die van de lichamelijke
voorwerpen? En waarom zouden wij in het eerste geval niet en in het
tweede wel het uit de gegeven verschijnselen (mits deze natuurlijk
werkelijk zijn waargenomen en niet gephantaseerd) geconstrueerde
"ding" als bestaande mogen aanmerken?
Op de door Mr. de Ridder gestelde vraag, of men zou meenen dat het
letterkundig product een bestaan heeft, afgescheiden van de voorwerpen
waarin het is belichaamd (handschrift of gedrukte exemplaren), aarzel
ik dus niet een bevestigend antwoord te geven. De constructie van het
auteursrecht als een recht op een immaterieel goed berust dus niet
op eene fictie; zij is evenzeer in overeenstemming met de feitelijke
verhoudingen als die van eigendom, vruchtgebruik, hypotheek, enz. als
rechten op lichamelijke zaken. En wat het door Jolly aangevoerde
bezwaar betreft, dat men zich dit niet met volkomen helderheid zou
kunnen denken, dit geldt dan zeker nog in verhoogde mate tegen de toch
vrijwel algemeen geldende leer, volgens welke rechten als zaken worden
beschouwd; waardoor men komt tot de constructie van een recht, hetwelk
tot object heeft een ander recht. Indien men zich dit begrip duidelijk
voor den geest kan stellen, dan behoeft Kohlers Immaterialgüterrecht
evenmin eenige moeilijkheid op te leveren [262].
Wel verre van de materie met onnoodige moeilijkheden te bezwaren, maakt
juist de theorie van Kohler het verkrijgen van een goed inzicht in de
op het oog vrij ingewikkelde verhoudingen ten zeerste gemakkelijk. In
plaats van een aantal los van elkander bestaande bevoegdheden,
(kopierecht, uitsluitend vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht
enz.) die elk eene afzonderlijke verklaring behoeven, verkrijgt men
één recht waaruit al deze bevoegdheden vanzelf voortvloeien, het recht
nl. om binnen bepaalde grenzen met uitsluiting van ieder ander over het
geestesproduct te beschikken. Weliswaar blijft dan nog de moeilijke
vraag te beantwoorden, wáár de grenzen dienen te worden getrokken,
binnen welke het uitsluitend beschikkingsrecht is te beperken; doch
men heeft althans het voordeel, dat met behulp der theorie deze vraag
stelselmatig onder de oogen kan worden gezien. In het algemeen kan
worden gezegd, dat het uitsluitend recht van den auteur het volle
gebruik van het werk naar zijne economische bestemming omvat, hetgeen
dus hierop neerkomt, dat in beginsel alle exploitatiemiddelen,
waarvoor het werk zich leent, alleen door den auteur of zijne
rechtverkrijgenden mogen worden aangewend. En waar op dit beginsel
beperkende uitzonderingen zijn te maken, zal men den grond voor deze
uitzonderingen weer kunnen vinden in den aard van het werk zelf,
dat immers naast zijne economische nog andere bestemmingen heeft,
die een al te volstrekt (b. v. in tijdsduur onbeperkt) auteursrecht
niet toelaten.
De nadere uitwerking hiervan behoort echter in de volgende hoofdstukken
thuis.
Het auteursrecht is dus een absoluut vermogensrecht, dat tot object
heeft het door den auteur voortgebrachte, onlichamelijke product
van kunst of letterkunde. Doch--en hiermede kom ik tot het tweede
punt, dat ik hier nog wenschte te bespreken--niet alle bevoegdheden
der auteurs met betrekking tot hunne werken, die gewoonlijk tot het
auteursrecht worden gerekend, zijn als een uitvloeisel van het recht op
het geestelijk product te verklaren. Naast het vermogensrecht bestaat
nog een ander recht, door de Duitsche schrijvers Individualrecht of
Persönlichkeitsrecht, door de Franschen minder juist droit moral
genoemd, en dat ik in onze taal het best meen te kunnen aanduiden
met den naam persoonlijkheidsrecht, een term, die reeds door enkele
onzer schrijvers wordt gebruikt [263]. Onder persoonlijkheidsrecht
heeft men in het algemeen te verstaan het recht op eerbiediging
der persoonlijkheid; Gierke karakteriseert het als het recht op een
bestanddeel van de eigen persoonlijkheidssfeer, dat men daarom kan
noemen "Recht an der eignen Person" in tegenstelling met de rechten
aan zaken en de rechten aan andere personen [264]. De objecten van
dit recht noemt Gierke Persönlichkeitsgüter, d. w. z. goederen, die
onafscheidelijk aan den persoon zijn verbonden, als b.v. huisvrede,
eer, naam, leven, vrijheid enz. enz. Hiermede is eene, m. i. zeer
aannemelijke constructie geleverd van een subjectief recht, dat tevens
als grondslag en verklaring kan dienen van de rechtsbescherming tegen
een aantal onrechtmatige handelingen, zooals die b.v. in ons recht
door de actie van art. 1401 B. W. wordt verleend. Het wederrechtelijk
gebruik van eens anders naam, het binnendringen in een huis tegen den
wil van den bewoner, het openbaar maken van hetgeen in vertrouwelijken
kring is gezegd of geschreven en vele andere "onrechtmatige daden"
van dien aard zal men dus hebben te beschouwen als zoovele inbreuken
op het persoonlijkheidsrecht van dengeen, tegen wien zij gericht
waren. Doch Gierke breidt den kring der persoonlijkheidsrechten te ver
uit, door ook het geheele auteursrecht daarin op te nemen. Ten onrechte
rekent hij de geestesproducten tot de "Persönlichkeitsgüter"; hetgeen
dus zou moeten beteekenen, dat de geestesproducten geen zelfstandig
bestaan hebben, doch, zooals Gierke het uitdrukt: bestanddeelen van
de persoonlijkheidssfeer des auteurs uitmaken. Nu is het wel waar,
dat schrijvers en kunstenaars dikwijls, zooals men dat uitdrukt,
"iets van zichzelf" in hunne werken leggen, doch dit geeft nog geen
recht om te zeggen: de auteur en zijn werk zijn één. Reeds het feit,
dat hetgeen in het binnenste van den auteur omgaat, niet daarin blijft,
maar tot een kunstwerk wordt omgeschapen, dat in de buitenwereld
treedt en aan de beoordeeling van het publiek wordt overgegeven,
doet de onjuistheid zien van de vereenzelviging van den auteur
met zijn werk. Treffend is de opmerking van Kohler in dit verband:
"eine jede Schöpfung schafft Entzweiung zwischen dem Schöpfer und dem
Geschaffenen" [265]. Dat dit ook door Gierke niet geheel over het
hoofd wordt gezien, blijkt wel hieruit, dat hij hetgeen object van
het auteursrecht is, aanduidt als "ein Geisteswerk, das kraft seiner
Individualisierung einen gesonderten Bestand, kraft seiner äuszerlichen
Fixierung ein unabhängiges Dasein und kraft seiner Beschaffenheit als
unleibliches Gut einen selbständigen Werth hat" [266]. Hiermede is
moeilijk te rijmen, dat het werk van de persoonlijkheidssfeer van den
auteur deel zou uitmaken. Bovendien moet Gierke, om zijn leer met de
mogelijkheid van overdracht van het auteursrecht in overeenstemming
te brengen, toegeven, dat het geestesproduct als object van het
auteursrecht, een "von der Person ablösbares Persönlichkeitsgut" is
[267], waarmede m. i. een van de meest karakteristieke eigenschappen
van het "Persönlichkeitsgut" wordt losgelaten.
Het auteursrecht is dus geen persoonlijkheidsrecht [268], maar een
vermogensrecht, daar het tot object heeft een zelfstandig bestaand
goed, dat deel van het vermogen uitmaakt. Er zijn echter, zooals reeds
is opgemerkt, een aantal, met het auteursrecht in meer of minder nauw
verband staande, rechten, die men vergeefs zou trachten als bestanddeel
van dit vermogensrecht te verklaren. Hiervoor nu kan de theorie der
persoonlijkheidsrechten goede diensten bewijzen. Als uitvloeisel
van het persoonlijkheidsrecht van den auteur zal men b. v. hebben
te beschouwen de bevoegdheid om zich tegen de publicatie van niet
voor het publiek bestemde geschriften (zooals brieven, dagboeken,
onvoltooide letterkundige werken, enz.) te verzetten. Hier is werkelijk
een Persönlichkeitsgut te beschermen, n. l. de vertrouwelijke uiting,
hoogstens voor een kleinen kring van vrienden en verwanten bestemd,
of wel de onvoldragen letterkundige schepping, waarvan de auteur zich
nog niet heeft weten los te maken.
Tot het persoonlijkheidsrecht van den auteur behoort ook het gebruik
van den auteursnaam. Aan den auteur moet het ter beslissing worden
gelaten, of zijne werken al dan niet onderteekend de wereld zullen
worden ingezonden; in het bijzonder moet hij er zich tegen kunnen
verzetten, dat zijn werk onder den naam van een ander openbaar wordt
gemaakt of wel dat een werk, dat niet van hem afkomstig is, op zijn
naam wordt geschoven. In den tijd van Vondel moest men zich, zooals
wij hebben gezien, dergelijke bejegeningen maar laten welgevallen,
in de laatste jaren echter komt men meer en meer tot het inzicht,
dat het tot de taak van het recht behoort, de eerbiediging der
persoonlijkheid ook in dit opzicht te helpen verzekeren.
Voorts is als inbreuk op het persoonlijkheidsrecht te beschouwen het
openbaar maken van een geschrift of kunstwerk, waarin zonder voorkennis
van den auteur wijzigingen zijn aangebracht; want ook hierdoor wordt
hem een werk toegeschreven, dat hij misschien in dien gewijzigden
vorm niet als het zijne zou willen erkennen, en dat zijnen naam als
kunstenaar of geleerde groote schade kan aandoen.
Wij hebben hier dus een aantal voorbeelden van een recht van den auteur
ten aanzien van zijn werk, dat van het auteursrecht wel dient te worden
onderscheiden. In de gevallen, waar het persoonlijkheidsrecht en het
auteursrecht in ééne hand zijn en waar het eerste als het ware in het
laatste is opgelost, komt de noodzakelijkheid dezer onderscheiding
niet zoozeer uit. Toch is het terwille van een goed begrip ook dáár
wenschelijk, de twee rechten uit elkander te houden. Wij hebben in
die gevallen, zooals Kohler het uitdrukt, met een Doppelrecht te
doen, d.w.z. twee rechten, die tegen dezelfde handelingen bescherming
verleenen. Wie b.v. tegen den wil van den auteur een werk, dat deze nog
in manuscript heeft, uitgeeft, maakt inbreuk zoowel op het auteursrecht
(uitsluitend exploitatie-recht) als op het persoonlijkheidsrecht
(recht om te beslissen of het geschrift al dan niet openbaar zal
worden gemaakt). Ook met eigendom kan het persoonlijkheidsrecht
op eene dergelijke wijze samengaan. Het binnendringen in een huis
b.v. kan tegelijkertijd zijn een schending van het eigendomsrecht en
van het persoonlijkheidsrecht (recht op huisvrede) [269]. Practische
beteekenis heeft het persoonlijkheidsrecht eerst, wanneer er geen ander
recht is, waaruit hetzelfde verbod is af te leiden. Huisvredebreuk
kan b.v. ook gepleegd worden tegen iemand, die niet het minste recht
op het door hem bewoonde huis kan doen gelden; dan is het dus alleen
het persoonlijkheidsrecht, waarop inbreuk wordt gemaakt. En zoo kan ook
het persoonlijkheidsrecht van den auteur voorkomen zonder auteursrecht;
wanneer b.v. dit laatste is vervreemd of indien het een werk betreft,
dat niet tot de beschermde auteursproducten is te rekenen, zoodat er
in het geheel geen auteursrecht heeft bestaan.
In een afzonderlijk hoofdstuk zal ik het persoonlijkheidsrecht in
verband met het auteursrecht meer in bijzonderheden bespreken; wat
hier voorafgaat is naar ik hoop voldoende geweest om te doen zien,
dat wij het persoonlijkheidsrecht als een zelfstandig recht hebben
te beschouwen, dat weliswaar op sommige punten dezelfde strekking
kan hebben als het auteursrecht, maar toch geen bestanddeel daarvan
uitmaakt, daar het op een anderen grondslag berust en een eigen
rechtskarakter vertoont.