GRONDSLAG EN RECHTSKARAKTER

§ 1 Algemeen overzicht der verschillende theorieën

In velerlei richtingen heeft men gezocht naar een wetenschappelijke

verklaring en motiveering van het auteursrecht. De reeds in het

tijdperk der privilegiën herhaalde malen uitgesproken overtuiging,

dat de bescherming tegen nadruk haar grond moest vinden in het recht

der geestelijke voortbrengers op hunne producten, leidde ertoe het

auteursrecht te beschouwen als een eigendomsrecht. Dit denkbeeld

vindt men reeds bij enkele Duitsche juristen uit de zeventiende eeuw

[175] en in Frankrijk o.a. in 1725 door Louis d'Héricourt [176]

nader uitgewerkt. Later heeft de theorie van den letterkundigen of

intellectuelen eigendom talrijke aanhangers gevonden en ook grooten

invloed op de wetgevingen uitgeoefend. Voor wat ons land betreft behoef

ik slechts te herinneren aan de Publicatie van het Provinciaal bestuur

van Holland van 1796 en aan de wet van 3 Juli 1803, die beiden een

eeuwigdurend kopierecht toekenden. De theorie vond echter al spoedig

van verschillende kanten heftige bestrijding; in Duitschland, waar

onder de voornaamste voorstanders Fichte, Hegel en Schopenhauer zijn

te noemen, kon zij toch niet lang de heerschende blijven; in Frankrijk

vond zij vooral in Renouard een gevaarlijken tegenstander; toch blijft

men daar nog steeds spreken van propriété littéraire et artistique,

en al heeft zich in wetenschap en wetgeving het auteursrecht als een

van eigendom op zeer vele punten afwijkend recht ontwikkeld, het is

nog wel iets meer dan de naam alleen, die daar van de oude theorie

is blijven voortbestaan [177].

Anderen hebben getracht, het auteursrecht niet als een absoluut

recht, doch als een recht jegens personen, een relatief recht,

te construeeren. Dit is de zoogenaamde contracts-theorie, volgens

welke het verbod van nadrukken zou voortvloeien uit een stilzwijgend

beding, waardoor bij den koop van elk exemplaar van een boek de kooper

gebonden zou zijn. Deze leer heeft zich echter nooit een eenigszins

beteekenenden aanhang kunnen verwerven [178].

Weer anderen zagen in het auteursrecht niet een vermogensrecht, maar

een recht dat tot bescherming van den persoon diende; reproductie

van iemands geestesproduct tegen zijn wil zou eene krenking der

persoonlijkheid zijn. Als een van de eerste voorstanders dezer leer

zou men Im. Kant kunnen noemen, die met het oog op het auteursrecht een

boek beschouwde als een rede tot het publiek, die zonder volmacht van

den schrijver niet door een ander in het openbaar mag worden herhaald

[179]. In den laatsten tijd komen de theorieën, die uitsluitend of

althans voornamelijk op de persoonsrechtelijke elementen van het

auteursrecht den nadruk leggen, weer meer op den voorgrond [180].

Tegenover deze pogingen om toepasselijkheid van of analogie

met bestaande rechtsinstituten aan te toonen en zoodoende de

auteursbescherming uit het gemeene recht te verklaren, werd door

anderen aangevoerd, dat hier van een eigenlijk privaatrecht geen

sprake is, daar het auteursrecht bij geen der groepen subjectieve

rechten kan worden ingedeeld.

Zoo zag von Gerber in het auteursrecht niets anders dan een reflex

van het wettelijk verbod van nadruk, waaraan geen subjectief recht der

auteurs ten grondslag kon worden gelegd [181]. Ook Jolly kwam tot de

conclusie, dat er voor het recht der schrijvers geen andere juridische

vorm was te vinden dan deze, dat de handeling waarmede er inbreuk op

wordt gemaakt (dus de nadruk) tot een delict wordt verklaard [182].

Anderen beschouwden het auteursrecht uitsluitend als een monopolie,

met alle bezwaren die daaraan zijn verbonden, en meenden, dat het

alleen daarom reden van bestaan had, omdat het het eenige middel

was, om aan schrijvers en kunstenaars de vergelding voor hun arbeid

te verzekeren, die tot instandhouding van kunsten en wetenschappen

noodzakelijk was. Dit is o.a. de leer van Macaulay, wiens zienswijze

uit de volgende korte aanhaling uit eene door hem den 5den Februari

1841 in het Lagerhuis gehouden rede duidelijk blijkt: "It is desirable

that we should have a supply of good books: we cannot have such a

supply unless men of letters are liberally remunerated; and the least

objectionable way of remunerating them is by means of copy right"

[183].

Het belangrijkste van hetgeen in ons land aan theoretische

beschouwingen over het auteursrecht is geleverd, dateert uit de jaren,

toen de voorbereiding van de wet van 1881 aan de orde was. Een kort

overzicht moge hiervan volgen.

De beraadslagingen in het jaar 1862 in de Koninklijke Academie van

Wetenschappen gehouden, aan wie door de Regeering was verzocht, haar

oordeel over het door de Vereeniging ter bevordering van de belangen

des Boekhandels ingediende wetsontwerp uit te spreken, leverden weinig

belangrijks op. Het hoofdbeginsel werd slechts door enkele leden

aangeroerd en maakte "geen bepaald voorwerp van redetwist" uit [184].

Van meer gewicht was de vergadering der Nederlandsche

Juristen-Vereeniging in het jaar 1877 gehouden, waar de vraag aan de

orde was gesteld: "Naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten

van schrijvers en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen?"

Er werden praeadviezen uitgebracht door Mr. N. de Ridder en

Mr. J. Freseman Viëtor.

Laatstgenoemde, die reeds elders zijne denkbeelden over dit vraagstuk

had uiteengezet [185], ontzegde schrijvers en kunstenaars alle recht

op de vruchten van hun arbeid. Hij wilde het auteursrecht beschouwd

zien als een soort privilegie, alleen steunende op het algemeen nut,

"op de noodzakelijkheid om schrijvers en uitgevers eenig voordeel te

verzekeren, ten einde het uitgeven van boeken niet onmogelijk te maken"

[186].

Zoo ook de tweede praeadviseur, Mr. N. de Ridder, die in aansluiting

met hetgeen hij in zijn kort daarvoor verschenen proefschrift had

gezegd, onder meer de volgende stelling formuleerde:

"Daar is ook geen enkel rechtsinstituut, dat direct of analogice

den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding dienen

kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse

der bedoelde auteurs" [187]. Ook volgens dezen schrijver steunde

de bescherming uitsluitend op het algemeen belang, hetgeen met

economische beschouwingen, hoofdzakelijk aan Schaeffle ontleend,

nader werd uitgewerkt.

In denzelfden geest als de beide praeadviezen viel ook het oordeel

uit van de meerderheid in de vergadering der Juristen-Vereeniging.

De theorie van den letterkundigen eigendom verwierf slechts negen

van de negen en veertig stemmen.

De door Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman ontwikkelde theorie: "dat

de arbeider recht heeft op het loon van zijn arbeid, en dat ieder,

die zich zonder grond met eens anders loon verrijkt, verplicht is tot

teruggave" werd verworpen met twee en veertig tegen zeven stemmen en

de leer van het "stilzwijgend beding, hetwelk geacht moet worden bij

den verkoop van elk exemplaar in de bedoeling van partijen te hebben

gelegen, krachtens hetwelk de kooper eigenaar wordt van het gekochte

onder voorwaarde van het niet te zullen nadrukken en er niet toe te

zullen bijdragen, dat het door anderen tot nadruk worde gebezigd"

vond slechts één enkelen aanhanger.

Doch eene groote meerderheid (zes en dertig tegen tien stemmen en

drie onthoudingen) verklaarde zich ten slotte voor de stelling:

"dat in het algemeen belang door de wet een recht tot uitsluitende

reproductie moet worden gegeven" [188].

Op de beteekenis van dit votum kom ik zoo dadelijk nog terug. Dat er

geen positief resultaat mede was bereikt, waardoor eenige klaarheid in

het vraagstuk zou zijn gebracht, springt in het oog. Welke voorlichting

kan er voor wetgever of rechter te vinden zijn in de wetenschap,

dat een aantal rechtsgeleerden het auteursrecht "in het algemeen

belang" acht?

Ook van andere zijde bleef hier te lande de zoo gewenschte juridische

voorlichting op dit gebied ontbreken.

De enkele schrijvers, die het waagden eene theorie te verkondigen,

waarin het auteursrecht op een juridischen grond gebaseerd

wordt, zooals Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, die in zijne

recht-op-loon-theorie een toepasselijk rechtsbeginsel meende te hebben

gevonden [189], en Mr. G. Belinfante, die in een Themis-artikel [190]

het recht der schrijvers uit den eigendom van het manuscript poogde

af te leiden, vonden van verschillende zijden krachtige en doorgaans

zóó afdoende bestrijding, dat er van hunne theorieën weinig overbleef

[191].

Het scheen wel, alsof met de uitspraak der Juristen-Vereeniging

het laatste woord in deze zaak gesproken was. In een opstel in het

Rechtsgeleerd Magazijn van Mr. S. Katz [192] werd van de overwinning

van Mr. Viëtors denkbeelden met ingenomenheid gewag gemaakt; het slot

van dit opstel klonk niet geruststellend voor de auteurs:

"Ongetwijfeld zal de tijd komen, dat ook hier gebroken wordt met

alle privilegies en alle monopoliën, en het voorbeeld der octrooien,

hoeveel afwijkingen het oplevere, ook op 't gebied van 't auteursrecht

zal worden toegepast" [193].

Doch bleef tegen afschaffing van alle auteursrecht volgens de groote

meerderheid toch nog altijd "het algemeen belang" zich verzetten,

gevaarlijker was de theorie in zake internationaal auteursrecht.

Dit bewees o.a. een artikel van Mr. J. D. Veegens in de Gids over onze

aansluiting bij de Berner Conventie [194]. Na te hebben verklaard,

dat geen der theorieën, die een rechtsgrond voor het auteursrecht

vindiceeren, hem bevredigt en dat derhalve het auteursrecht uitsluitend

op overwegingen van algemeen belang steunt, gaat deze schrijver bij

de bespreking der internationale bescherming aldus voort: "Behoort

men nu verder te gaan en ook eene internationale regeling van het

auteursrecht te helpen verwezenlijken? M. a. w. behoort nadruk

van werken, die in het buitenland zijn uitgegeven in Nederland

te worden geweerd? Deze vraag zou onvoorwaardelijk bevestigend

zijn te beantwoorden, indien een algemeen rechtsbeginsel van het

auteursrecht was aan te wijzen. Dit is echter, gelijk U gebleken is,

naar mijne meening niet het geval". [195] Langs deze redeneering komt

de schrijver dan tot de conclusie, dat onze wetgever aan vreemdelingen

(auteurs van in het buitenland uitgekomen werken) de bescherming hier

te lande dient te onthouden, omdat dit voor ons voordeeliger uitkomt.

Aan dezen raad heeft men zich--zooals bekend is--tot nu toe in ons

land gehouden en bijna altijd vindt men bij degenen, die zich tegen

het deelnemen van Nederland aan de internationale regeling van het

auteursrecht verzetten, ditzelfde argument terug: het auteursrecht is

geen recht dat juridisch vaststaat, derhalve kan de wetgever het aan

den een onthouden en den ander toekennen, al naar mate het "algemeen

belang" hiermede gediend is.

Wel zijn er ook in ons land verscheidene schrijvers geweest, die

zich met de uitspraak "dat in het algemeen belang een recht tot

uitsluitende reproductie moet worden gegeven" niet tevreden konden

stellen. Minister Modderman gewaagde reeds bij de verdediging van

het wetsontwerp van den plicht des wetgevers om deze bescherming

te verleenen en verklaarde het auteursrecht te beschouwen: "niet

eenvoudig als product van utiliteit, maar als een recht sui generis"

[196]; dr. Schaepman betoogde bij dezelfde gelegenheid in de Tweede

Kamer, dat de wetgever het auteursrecht niet had te scheppen, maar

dat het een bestaand, op redelijkheid en rechtvaardigheid steunend

recht was, waaraan door de wet slechts eene vormelijke en stellige

uitdrukking moest worden gegeven; [197] en in sommige aan het

auteursrecht gewijde monographieën worden naast het algemeen belang

ook gronden van billijkheid en rechtvaardigheid aangevoerd en wordt

er op gewezen, dat het auteursrecht in overeenstemming is met de in

ons geheele privaatrechtelijke systeem gevolgde beginselen [198]. Doch

het bleef meestal bij enkele algemeene opmerkingen; geen der genoemde

schrijvers kwam er toe, zijne denkbeelden zoover uit te werken,

dat men zou kunnen spreken van een rechtsleer van het auteursrecht.

Zoo is dan in het algemeen de rechtswetenschap ten aanzien van

het auteursrecht in ons land meer afbrekend dan opbouwend te werk

gegaan. Toen men tot de conclusie was gekomen, dat geen der van

ouds bekende rechtsregels en rechtsbegrippen hier toepasselijk was,

schenen velen met dit negatieve resultaat genoegen te nemen en verdere

onderzoekingen overbodig te achten.

Wel kan niemand ontkennen, dat het auteursrecht, zooals dat nu

eenmaal in de wet is geregeld, tot het privaatrecht behoort; doch

men schijnt het toch nog steeds als iets buitenafs te beschouwen. In

de voornaamste handboeken over ons burgerlijk recht vindt men er

meestal slechts terloops eenige opmerkingen aan gewijd, die dan

nog hoofdzakelijk moeten strekken om aan te toonen, dat het geen

eigendom is [199]; eene eigen plaats in het rechtssysteem keurt men

het blijkbaar nog niet waardig. Vraagt men naar het juridisch karakter

van het recht, tot welke groep van subjectieve rechten het behoort,

dan maken sommigen zich er af door te antwoorden: het is een jus

sui generis; eene verklaring, waaraan men natuurlijk niets heeft

en waarvan met een Fransch schrijver kan worden gezegd: "un pareil

aveu est peu compromettant et laisse la question dans le même état"

[200]; anderen voorzien het auteursrecht van het wel iets meer, maar

toch nog te weinig zeggend étiquet: "absoluut vermogensrecht" [201].

Bleef dus ten onzent tot nu toe een gangbare rechtsleer van het

auteursrecht ontbreken, in andere landen, en met name in Duitschland,

hebben de rechtsgeleerden zich met gunstiger resultaat toegelegd op

de taak, die hier nog te doen bleef: nl. door het formuleeren van

vaste regels en het vormen van klare juridische begrippen in deze

materie eenige orde te brengen, zoodat aard en omvang van dit recht,

in overeenstemming met het rechtsbewustzijn stelselmatig kunnen

worden vastgesteld en het in het rechtssysteem de plaats kan worden

aangewezen, die het naast andere subjectieve rechten toekomt.

Verreweg het best is m. i. in dit opzicht geslaagd

de Berlijnsche hoogleeraar dr. J. Kohler met zijne

Immaterialgüterrechts-theorie. Evenals de theorie van den

letterkundigen eigendom gaat deze leer van het beginsel uit, dat

schrijvers en kunstenaars, die een origineel werk hebben voortgebracht,

daarop een uitsluitend recht kunnen doen gelden. Dit wordt door Kohler

aldus kort en krachtig geformuleerd: "Wer ein neues Gut schafft, hat

das natürliche Anrecht daran" [202]. Op dit beginsel voortbouwende

construeert hij het auteursrecht als een recht op het geestelijk

voortbrengsel. Naast de zaken in rechtskundigen zin hebben wij dus hier

te doen met eene nieuwe categorie rechtsobjecten (Immaterialgüter),

die zich door hun eigenaardig karakter van de overige onderscheiden;

de rechten op immaterieele goederen (Immaterialrechte), waartoe

behalve het auteursrecht ook behoort de zoogenaamde industrieele

eigendom, vormen een afzonderlijke groep absolute vermogensrechten,

wel van de zakelijke rechten te onderscheiden.

Waarom deze theorie, zoowel wat betreft de wijze, waarop de grondslag

van het auteursrecht wordt aangegeven, als wat betreft de juridische

constructie, die aan het recht gegeven wordt, de voorkeur die ik

haar boven andere theorieën meen te moeten geven verdient, zal ik in

de volgende bladzijden trachten te motiveeren. Daarbij zal tevens

gelegenheid zijn, de zienswijze van de voornaamste Nederlandsche

schrijvers over dit onderwerp, die hierboven slechts met een enkel

woord konden worden aangeduid, wat meer van nabij te beschouwen.

§ 2 Recht of doelmatigheid?

In de eerste plaats staan wij voor de vraag, die Macaulay in zijne

boven aangehaalde rede aldus formuleerde: "Is this a question of

expediency or is it a question of right?" Hebben de auteurs recht

op bescherming, of is het vraagstuk der auteursbescherming er een,

waarbij met geen rechtsbeginsel behoeft te worden gerekend, waarin

dus alleen de doelmatigheid, "het algemeen belang", heeft te beslissen?

Uit het in de vorige paragraaf gegeven overzicht is gebleken, dat de

meeste Nederlandsche schrijvers de vraag in laatstgemelden zin hebben

beantwoord en ik heb daar ook reeds kunnen wijzen op enkele conclusiën,

die men gemeend heeft uit deze opvatting te kunnen trekken. Het schijnt

daarom niet onnoodig, aan hunne voornaamste argumenten eenige aandacht

te wijden.

Onder degenen, die dit vraagstuk het grondigst hebben behandeld,

behoort ongetwijfeld mr. Freseman Viëtor. Om de opvattingen over

auteursrecht van dezen schrijver op de juiste waarde te kunnen

schatten, is het allereerst noodig te weten, dat hij behoort tot

de school der utilitarianisten. Bij de beantwoording van de vraag,

of iets recht behoort te zijn, wenscht hij alleen de utiliteit, de

doelmatigheid te laten beslissen, van "abstracte rechten", waarvoor

om huns zelfs wille, afgescheiden van de gevolgen, erkenning wordt

gevraagd, wil hij niet weten [203].

Het ligt niet in mijne bedoeling--het zou mij trouwens ook te ver

van mijn onderwerp afvoeren--deze zienswijze hier te bespreken; zoo

aanstonds zal nog gelegenheid zijn over dit punt enkele opmerkingen

te maken. Wanneer men nu echter weet, dat mr. Viëtor geen anderen

grond voor het recht erkende dan de utiliteit, dan vraagt men zich

af, wat zijne bedoeling ermede is geweest om dit ten aanzien van het

auteursrecht nog eens in 't bijzonder in het licht te stellen. Dat

het auteursrecht alleen gegrond kan worden op het "algemeen belang"

heeft het dan immers met alle andere rechten gemeen; dit behoeft

daarom nog geen reden te zijn om het een privilegie te noemen, zooals

mr. Viëtor verscheidene malen doet.

Naar eene verklaring, die op dit punt volkomen helderheid geeft,

heb ik vergeefs gezocht. Wel schrijft mr. Viëtor, dat hij zijne

nuttigheidsleer niet op alle rechten zonder uitzondering zou willen

toepassen: "Er zijn sommige rechten wier al of niet handhaving ik niet

van hunne nuttigheid zou willen laten afhangen. Geheel afgescheiden

van de gevolgen zou ik ze willen handhaven" [204].

Om deze reden, en ook omdat het oordeel, of iets al dan niet nuttig

is, niet onfeilbaar is, acht schr. een onderzoek "naar het al of niet

rechtmatige van den intellectueelen eigendom, naar het al of niet

bestaan van eenig ander recht van schrijvers" [205] niet overbodig.

Doch welken maatstaf mr. Viëtor heeft willen aanleggen bij zijn

onderzoek naar den rechtsgrond van het auteursrecht, is niet geheel

duidelijk. Schr. erkent zelf dat hij niet zou weten "hoe het abstracte

recht van den eigendom aan te toonen" [206], hoewel toch de eigendom

behoort tot de rechten, wier al of niet handhaving hij niet van hunne

nuttigheid wil doen afhangen. Toch weet hij eene motiveering voor

den eigendom te vinden buiten de doelmatigheid om:

"Van den materieelen eigendom zie ik niet slechts het algemeen

belang in, ik zie niet slechts die overtuiging algemeen gedeeld,

maar ik meen een toestand, waarin die eigendom ontbrak, onmogelijk

te kunnen heeten. Den eigendom kan ik niet wegdenken, of ik denk de

geheele maatschappij weg. En aangezien ik nu geloof aan de harmonie

tusschen recht en nuttigheid en daardoor reeds, zoodra iets algemeen

en in verschillende tijden als nuttig werd gequalificeerd, een zwaar

vermoeden heb, dat het ook werkelijk nuttig en rechtvaardig is,--zoo

durf ik hier van de onmogelijkheid van het niet bestaan van den

eigendom te concludeeren tot het recht, tot het waarachtig nut van dat

instituut. Ik buig mijne knie voor het "fait accompli", dat zich niet

"non accompli" laat denken. Het nut is hier, zooals Stuart Mill terecht

zegt (Utilitarianism p. 79), zooveel grooter en zooveel tastbaarder,

dat het verschil in graad een werkelijk verschil in soort wordt" [207].

Hiermede meende mr. Viëtor een grondslag voor den eigendom te hebben

aangewezen, dien het auteursrecht moet missen. Het auteursrecht, meent

hij, is niet noodzakelijk, het kan zeer goed weggedacht worden. "Dat

niet het gemis van het recht, maar integendeel het recht zelf eene

onmogelijkheid is, bewijzen trouwens de voorstanders van dat recht

zelf, door onder verschillende pretexten na een zekeren termijn of

onder zekere omstandigheden er een eind aan te maken" [208].

Valt nu werkelijk, ook wanneer men alleen met de hier genoemde

overwegingen rekening houdt, de vergelijking tusschen eigendom en

auteursrecht zoozeer in het nadeel van laatstgenoemd recht uit,

dat het mr. Viëtors conclusiën zou rechtvaardigen? Ik meen van niet.

In de eerste plaats heeft het geen zin uit de tijdelijkheid van

het auteursrecht af te leiden, dat het niet bestaanbaar is. Dat het

recht van den auteur niet ten allen tijde ten bate zijner erfgenamen

kan blijven voortbestaan, heeft met de rechtmatigheid van het recht

zoolang het wél bestaat niet te maken; er zijn werkelijk geen pretexten

noodig om dit te verklaren, zooals ik hieronder nog nader hoop uiteen

te zetten. Het auteursrecht is niet alleen niet onbestaanbaar, maar

het bestaat in alle beschaafde staten nu al meer dan een eeuw lang,

in Engeland zelfs bijna twee eeuwen! En daarvóór had men dan toch de

privilegiën, die eene wel gebrekkige, maar toch in strekking vrijwel

met het auteursrecht overeenkomende bescherming boden. Bijna met

evenveel recht als van den eigendom kan men ook van het auteursrecht

zeggen, dat het "algemeen en in verschillende tijden als nuttig werd

gequalificeerd". Dat de tijden, waarin men de noodzakelijkheid van

het auteursrecht niet inzag, dichterbij liggen dan die waarin men

geen eigendom kende, bewijst in dezen niets; het auteursrecht kreeg

pas reden van bestaan na de uitvinding der boekdrukkunst, zooals ik

dat in mijn historisch overzicht heb trachten aan te toonen; dat men

voor dien tijd, toen de nu in zwang zijnde exploitatie-middelen van

geschriften en kunstwerken nog niet bekend waren, aan geen auteursrecht

dacht, kan nooit als argument gelden tegen de noodzakelijkheid van

dat recht in onze tegenwoordige maatschappij.

En nu is het zeker waar, dat de eigendom veel meer dan het auteursrecht

met de bestaande maatschappij is samengeweven, zoodat men zich deze

moeilijk zonder eigendom denken kan. Ik wil dan ook gaarne toegeven,

dat aan het behoud van den eigendom oneindig veel zwaardere belangen

zijn verbonden. Doch dit vindt zijn reden ook grootendeels hierin,

dat iedereen zonder uitzondering er elk oogenblik persoonlijk mee

in aanraking komt. Het auteursrecht daarentegen heeft betrekking

op verhoudingen, waarin slechts enkele klassen van personen (in het

algemeen de auteurs en zij die hunne werken exploiteeren: uitgevers,

tooneel- en orkest-directeuren enz.) worden betrokken. De meeste

menschen hebben niet alleen zelf nooit auteursrecht gehad, maar ook

het gebod om het auteursrecht van anderen te eerbiedigen is voor hen

persoonlijk van geen belang, daar zij zelfs de middelen missen om,

gesteld dat zij dit wilden, op zulk een recht inbreuk te maken. De

immaterieele goederen vormen slechts een uiterst kleine groep van

rechtsobjecten in vergelijking met alles wat voorwerp is van eigendom,

d. i. ongeveer de geheele stoffelijke wereld. Maar is dit nu een

reden om de erkenning van het mijn en dijn op geestelijk gebied in

beginsel van minder belang te achten?

Waar het bij het vergelijken van twee rechten, zooals hier gedaan

wordt, op aankomt is niet, hoe groot de som is van de daarbij betrokken

belangen, maar hoeveel ons aan de al of niet handhaving van het recht

in elk bijzonder geval gelegen is. Niet naar de breedte, maar naar

de diepte moeten zij tegen elkander worden afgemeten.

En dan geloof ik, dat het verschil tusschen eigendom en auteursrecht

niet zoo groot is, als mr. Viëtor het wilde doen voorkomen. Inbreuk

op auteursrecht wordt--misschien niet door de groote menigte, die

zich nooit zeer over deze zaken bekommerd heeft--maar wel door de

belanghebbenden en degenen die van de verhoudingen waar het hier om

gaat eenig begrip hebben, evenzeer als een onrecht gevoeld als inbreuk

op eigendom. En zoo opheffing van allen eigendom--gesteld dat dit

mogelijk ware--de geheele maatschappij in wanorde zou brengen, omdat

ieder daarvan terstond de gevolgen zou ondervinden, afschaffing van het

auteursrecht zou, naar evenredigheid van het aantal belanghebbenden,

en binnen den kleinen kring, dien deze in de maatschappij vormen,

niet tot minder ernstige gevolgen leiden.

Ik meen met het voorgaande te hebben aangetoond, dat ook als men zich

op het utilistisch standpunt van Mr. Viëtor stelt, op diens conclusiën

in zake het auteursrecht wel iets valt af te dingen.

Doch het is nu noodig over die nuttigheidsleer zelve nog het

een en ander te zeggen. De aanleiding om in dezen zijn standpunt

uiteen te zetten was voor Mr. Viëtor geweest een geschrift van

Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman: Over de rechten der uitvinders

[209]. De schrijver had hierin vooropgesteld, dat voor hem de vraag,

of een of ander rechts-instituut al dan niet gehandhaafd diende

te blijven, niet beslist was, wanneer hem was aangetoond dat de

instandhouding van zulk een instituut niet bevorderlijk was voor het

algemeen belang. Allereerst moest gevraagd worden: wat brengt het

Recht mee? Het antwoord op deze laatste vraag wordt niet beheerscht

door motieven van nuttigheid of doelmatigheid; hier heeft het in het

volk levende rechtsbewustzijn te beslissen; wat dit op een gegeven

tijd voor recht houdt, moet gehandhaafd worden, omdat het recht is.

Tegenover deze opvatting stelde Mr. Viëtor, toen hij hetzelfde

onderwerp ging behandelen, de zijne, waarbij hij weliswaar de scherpe

tegenstelling tusschen recht en doelmatigheid, zooals die door de

Savornin Lohman was afgeschilderd, verklaarde niet te aanvaarden,

maar waarbij hij toch zeer beslist het volks-rechtsbewustzijn als

maatstaf verwierp. Vandaar dat in zijn onderzoek naar de al of niet

rechtmatigheid van het auteursrecht het rechtsbewustzijn geheel buiten

beschouwing wordt gelaten. M. i. is daardoor het betoog onvolledig

gebleven en in elk geval weinig overtuigend voor degenen, die des

schrijvers uitgangspunt niet met hem gemeen hebben.

Daar ik mijzelf ook tot deze laatsten moet rekenen, is eene korte

verklaring op dit punt noodzakelijk.

Onder rechtsbewustzijn meen ik te moeten verstaan, naar de omschrijving

die Prof. Hamaker daarvan niet lang geleden gegeven heeft: "...de

eigenschap van den menschelijken geest, die hem tegenover andere

menschen, niet om voor zich of voor anderen eenig doel te bereiken,

maar zonder motief, bepaalde gedragslijnen doet in acht nemen"

[210]. Het doet zich aan ons voor als een in den mensch werkende

kracht, welke hem dringt tot het doen of nalaten van handelingen,

zonder dat de mogelijke gevolgen van de te volgen gedragslijn daartoe

meewerken.

Het rechtsbewustzijn van elk mensch is voorts te beschouwen als eene

vrijwel standvastige grootheid, d. w. z. het reageert op gelijke

omstandigheden steeds op gelijke wijze; bovendien ontdekt men bij

vergelijking van de uitingen van het rechtsbewustzijn van verscheidene

menschen naast enkele verschilpunten toch ook altijd eene groote

overeenkomst; juist ten aanzien der meer gewichtige levensbelangen zal

de kring, waarin gelijkheid van rechtsbewustzijn wordt aangetroffen,

het grootst zijn [211]. Men kan daarom in vele gevallen spreken van

een volks-rechtsbewustzijn; wanneer nl. het rechtsbewustzijn van alle

leden eener maatschappij zich op een gegeven tijdstip ten aanzien

eener zaak ongeveer in gelijken zin uitspreekt.

Hoe nu dit verschijnsel van het volks-rechtsbewustzijn moet worden

verklaard, laat ik in het midden; ook kan ik de vraag laten rusten,

of aan zijne uitspraken in het algemeen eene absolute verbindende

kracht moet worden toegekend.

Waar ik hier slechts op wil wijzen is, dat het volks-rechtsbewustzijn,

waar het zich laat gelden, een krachtigen en op den duur

onweerstaanbaren invloed op het recht uitoefent, en dat daarom zij,

die, zooals de utilisten doen, dien invloed miskennen, grondslag en

oorsprong van het recht slechts ten halve kunnen verklaren. Wel kan

worden toegegeven, dat de uitspraken van het volks-rechtsbewustzijn

in de meeste gevallen samenvallen met hetgeen in het algemeen belang

is, m. a. w. dat de beslissing, waartoe de groote meerderheid komt,

geleid door haar intuïtief rechtsbewustzijn, meestal tevens blijkt met

doelmatigheidsoverwegingen gemotiveerd te kunnen worden; maar dit is

allerminst een reden, om alleen met deze laatsten rekening te houden

en het volks-rechtsbewustzijn als een waardeloozen factor te verwerpen.

Er bestaan ongetwijfeld wettelijke regelingen, die door het

rechtsbewustzijn niet worden geëischt of zelfs daarmede in strijd zijn;

zoolang dergelijke bepalingen niet zijn afgeschaft, moet hetgeen zij

voorschrijven ook gerekend worden tot het positieve bindende recht;

doch het komt mij voor, dat men van weinig onderscheidingsvermogen

blijk zou geven door ze om die reden op ééne lijn te stellen met

rechtsinstituten, die wél in het rechtsbewustzijn hun grondslag vinden.

Na deze korte uitweiding, waarbij uit den aard der zaak de

fundamenteele vraag waar het hier om gaat slechts zeer vluchtig kon

worden aangeroerd, keer ik terug tot het auteursrecht. Wat ik nu in

het algemeen tegen het betoog van Mr. Viëtor zou willen aanvoeren,

is dat daarin over het auteursrecht gehandeld wordt, alsof dit eene

instelling was, die het rechtsbewustzijn volkomen koud laat. Men krijgt

daardoor den indruk--en dit is ook blijkbaar in overeenstemming met

de bedoeling van den schrijver--dat het auteursrecht niet anders

is dan eene min of meer willekeurige en kunstmatige schepping van

den wetgever, alleen gerechtvaardigd door het doel dat ermede wordt

bereikt, nl. instandhouding van kunsten en wetenschappen en dat het dus

zonder schade zou kunnen worden afgeschaft, indien er een ander middel

werd gevonden om schrijvers en kunstenaars aan het werk te houden,

of indien men tot de overtuiging kwam, dat het spottende gezegde

van Heine waarheid bevat: "Autoren und Mispeln gedeihen am besten,

wenn sie einige Zeit auf dem Stroh liegen" [212].

Indien het zoo met het auteursrecht stond, dan zou evenmin van een

recht der auteurs kunnen worden gesproken als van een recht van een

of andere stoomvaartmaatschappij op eene subsidie uit de staatskas;

dan zou men het auteursrecht geheel op ééne lijn kunnen stellen met

instellingen als b.v. een staats-monopolie voor den tabaksverkoop

of een wettelijk verbod van invoer voor bepaalde waren [213]. Doch

het groote verschil, dat m. i. niemand zal kunnen ontkennen, ligt

hierin, dat de verkoop van tabak en de invoer van goederen door

niemand voor onrechtmatig worden gehouden zoolang de wet, die deze

handelingen verbiedt, niet in werking is getreden. En daarom zal

men een dergelijke wet, ook al wordt hare doelmatigheid niet in

twijfel getrokken, toch steeds blijven beschouwen als eene min of

meer willekeurige beperking der natuurlijke vrijheid; overtreding van

hare bepalingen zal iemand door de openbare meening nooit bijzonder

zwaar worden aangerekend. De oorzaak hiervan is volgens Kohler, aan

wien ik dit voorbeeld heb ontleend: "...dasz diese Rechtsschöpfungen

nur artifizieller Natur sind, dasz sie nicht an sich schon in dem

Rechtsgefühl, in der Ueberzeugung des Volkes wurzeln, dasz sie,

wie überhaupt artifizielle Schöpfungen, sich nicht mit derselben

Naturgewalt aufdrängen, wie die, ich möchte sagen, naturwüchsigen,

auf unmittelbarer natürlicher Initiative beruhenden Rechte".

Dat nu ook het auteursrecht, evenals de eigendom, zulk een

"naturwüchsiges Recht" is, al heeft het dan natuurlijk als bodem waarop

het kan groeien, noodig eene maatschappij, die al een goed einde

in beschaving is gevorderd, kan m. i. niet worden ontkend. Kohler

wijst, om dit aan te toonen, op de talrijke uitlatingen waarin de

nadruk als iets onrechtmatigs wordt gebrandmerkt, in tijden, dat van

auteursrecht nog geen sprake was. Zoo reeds de door vele schrijvers

aangehaalde woorden van Luther uit het jaar 1525: "Was soll das doch

sein, meine lieben Druckerherrn, dasz einer dem andern so offentlich

raubt und stilt das seine und unter einander euch verderbt? Seid ihr

nu Straszenräuber und Diebe worden?..." enz. Kohler voegt hieraan toe:

"Wenn Jemand so über den Tabakhandel sich äuszerte, auch wenn man am

Vorabend des Monopols stünde, so würde man nur ungläubig die Köpfe

schütteln--das ist eben der Unterschied zwischen den naturwüchsigen

und den artifiziellen Rechtsnormen" [214].

Behalve dit eene voorbeeld worden door Kohler talrijke getuigenissen

aangehaald uit de privilegiën-periode, waaruit blijkt dat men den

nadrukker beschouwde als iemand, die zich aan eens anders goed

vergrijpt [215]; in zijn Idee des geistigen Eigenthums [216] heeft

hij bovendien aangetoond, hoe dit rechtsbewustzijn in den loop der

jaren luider en duidelijker is gaan spreken en hoe zich langzaam

maar zeker heeft ontwikkeld die "Idee des geistigen Eigenthums",

d.w.z. het denkbeeld, dat de auteur recht heeft op hetgeen hij heeft

voortgebracht, dat hij het het zijne kan noemen.

Nu heb ik er wel in mijn historisch overzicht op moeten wijzen, dat

die gedachte in ons land langeren tijd noodig heeft gehad om ingang

te vinden; de uitingen van het rechtsbewustzijn in dezen zin, die ik

uit dien tijd heb kunnen vinden, zijn ontegenzeggelijk vrij schaarsch,

doch geheel ontbreken zij toch niet. Ik kan hier b.v. verwijzen naar

de--boven reeds genoemde--voorrede van Poot voor den tweeden druk

zijner gedichten, waarin hij zich o.a. aldus uitlaat: "...van der

Boekdrukkers Kopyrecht wist ik niet, en meende toen, gelyk ik ook

nogh meen, en misschien nogh lang sal blyven meenen, ten zy men my

anders onderrechte, dat de eigendom der Kopye en het vaderrecht des

geheelen werks, zonder verkoopen of overdragt, myn bleef."

Waarschijnlijk bestaan er wel meer getuigenissen van dezen aard

uit de zeventiende en achttiende eeuw; in elk geval zal Poot wel

niet alleen hebben gestaan met zijne opvatting over den band,

die tusschen den schrijver en zijn werk bestaat, en welken hij

zoo eigenaardig noemt "het vaderrecht"; anderen vonden misschien

geene aanleiding, hunne gevoelens op dit punt te publiceeren ofwel

hetgeen zij hierover schreven is ons niet bewaard gebleven. Doch

hoe dit ook zij, ten slotte vond ook in ons land "die Idee des

geistigen Eigenthums" ingang, al ging dat dan niet zoo geleidelijk

als in andere landen. En dat in onzen tijd door belanghebbenden

het auteursrecht niet wordt beschouwd als een buitenkansje, dat

den auteurs toevallig ten deel valt omdat het algemeen belang dit

zoo wil, maar als hun goede recht, dat evenveel aanspraak heeft om

beschermd en gehandhaafd te worden als de eigendom, daarvan kan men

herhaaldelijk de bewijzen zien. Wel heeft het lang geduurd, voordat

het rechtsbewustzijn ontwaakte en voordat de auteurs hier te lande

inzagen, dat ook voor hen een Kampf um 's Recht te voeren is, niet

alleen om te verdedigen wat zij hebben, maar ook om te verkrijgen

wat zij meenen dat hun rechtmatig toekomt. Doch in de laatste jaren

is hierin verandering gekomen. In dagblad- en tijdschriftartikelen,

in adressen aan de Tweede Kamer komen schrijvers en kunstenaars op

voor hunne rechten; een Vereeniging van Letterkundigen is opgericht

voornamelijk met het doel het auteursrecht harer leden te beveiligen,

een Berner Conventie Bond om onze toetreding tot de internationale Unie

te helpen bevorderen. Deze geheele beweging kan niet verklaard worden

uitsluitend als een strijd om materieele belangen; wat haar gaande

houdt, wat daaraan ook personen doet deelnemen die er geen persoonlijk

belang bij hebben, is niet anders dan het rechtsbewustzijn dat niet

kan gedoogen, dat geschriften en kunstwerken straffeloos geëxploiteerd

worden tegen den wil der auteurs. En het is wel eigenaardig hierbij

op te merken, dat de auteurs steeds blijven spreken van hun eigendom,

ondanks alle moeite, die de juristen zich hebben gegeven om aan te

toonen, dat er hier van eigendom geen sprake kan zijn; Nederland

wordt een roofstaat genoemd omdat het niet bij de Berner Conventie

is aangesloten; wie zich zonder toestemming des auteurs aan zijn

werk vergrijpt, ook al valt hij niet onder de termen der auteurswet,

heet een dief en een onzer meest bekende schrijvers beklaagt zich in

een Open Brief aan Z.E. den Minister van Justitie over de onvoldoende

bescherming onzer wet o.a. in deze duidelijke termen: "Excellentie,

ik word begapt!" [217]

Tegenover al deze uitingen gaat het m. i. niet aan, te blijven spreken

van het auteursrecht als van een privilegie, dat alleen steunt op

het algemeen belang. Ook al erkent men, zooals Mr. Freseman Viëtor,

het volks-rechtsbewustzijn niet "als rechter in hoogste ressort", kan

men toch niet blind blijven voor het verschil tusschen de kunstmatige

scheppingen van den wetgever, waarvan hierboven sprake was, en eene

natuurlijke instelling als deze, welke den auteurs niets anders

toekent dan hetgeen hun volgens ieders oordeel toekomt en welke niets

anders verbiedt, dan wat ook zonder wettelijk verbod voor onrecht

wordt gehouden.

Wat nu de overige beschouwingen van mr. Freseman Viëtor over de

rechtmatigheid van het auteursrecht betreft en van diegenen zijner

medeleden in de Juristen-vereeniging, die met hem voor "het algemeen

belang" stemden, daarvan kan nog in het kort het volgende worden

gezegd.

Hunne betoogen strekken allen om te bewijzen, dat er geen

rechtsbeginsel aan de bescherming der auteurs kan worden ten grondslag

gelegd, maar dat het algemeen belang meebrengt dat deze bescherming

worde verleend. Het is echter niet altijd duidelijk wat hier wordt

bedoeld met de tegenstelling recht en algemeen belang. Nu eens

schijnt het, dat men alleen wil bewijzen, "dat de schrijver.... zonder

positieve wetsbepalingen niet tegen den namaak (zou) kunnen ageeren

op grond van algemeene rechtsbeginselen" [218]; dan weer heet het:

"er is geen rechtsbeginsel dat den Staat kan nopen schrijvers en

kunstenaars de rechten van hun arbeid te verzekeren" [219]; mr. de

Ridder stelt, dat "uit oorzaak der toestanden in het vrij verkeer"

de auteurs in het verwerven van hun loon niet kunnen slagen en zijne

tweede stelling is: "Daar is ook geen enkel rechtsinstituut dat direct

of analogice den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding

dienen kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse

der bedoelde auteurs" [220]. Mr. Levy eindelijk redeneert aldus:

"Het auteursrecht is geen persoonlijk recht, want het raakt den

staat des persoons niet; evenmin is het een vermogensrecht, wijl

het dan zou moeten behooren tot de klasse van eigendom, en dit werd

nog niet aangetoond" [221]. En hieruit volgde, naar dezen spreker,

dat aan het auteursrecht geen "civilistische grondslag" tot basis kon

worden gegeven, zoodat er niets anders overbleef dan het te gronden

op economisch-politische overwegingen (dus: "het algemeen belang"),

waarvan trouwens mr. Levy evenmin iets wilde weten.

De vraag, waarop een antwoord moest worden gegeven, luidde: "Naar welk

hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars op

het product van hun arbeid regelen?" En nu meen ik dat de conclusie,

waartoe bovengenoemde schrijvers met de meerderheid hunner medeleden

kwamen, dat nl. de Staat daarbij geen rechtsbeginsel, doch slechts

het algemeen belang had te volgen, voor tweeërlei uitlegging vatbaar

is of liever in twee verschillende stellingen gesplitst kan worden,

welke ik aldus zou willen formuleeren:

1. Zonder speciale wetsbepalingen, die hun dit uitdrukkelijk toekennen

(dus: zonder de wet op het auteursrecht) zouden schrijvers en

kunstenaars geen recht kunnen doen gelden op het product van hun

arbeid.

2. Het auteursrecht is niet vatbaar voor juridische constructie,

daar het onder geen der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is

te brengen.

De eerste stelling is de vrucht van een onderzoek naar ons geldend

recht (waaruit de bijzondere wetsbepalingen, die het punt in

kwestie regelen, voor een oogenblik zijn uitgeschakeld); er wordt

in verklaard, wat hier te lande rechtens zou zijn, indien er geen

wet op het auteursrecht bestond. De tweede stelling betreft de

wetenschappelijke verklaring van het auteursrecht; zij drukt uit,

dat de rechtswetenschap het auteursrecht niet kent, dat er in het

rechtssysteem voor dit recht geen plaats is.

Dat de onderscheiding, welke ik hier heb pogen aan te geven, door

de leden der Juristen-Vereeniging niet altijd goed in het oog is

gehouden, is waarschijnlijk vooral te wijten aan de theorieën,

die zij bestreden en wel in 't bijzonder aan de theorie van den

letterkundigen eigendom. Uit de beschouwingen van de voorstanders

dezer leer is ook niet altijd na te gaan, of zij alleen bedoelen het

auteursrecht, zooals dat door de wet wordt verleend, te construeeren

als een uitsluitend recht op het geestesproduct, waaraan dan naar

analogie met de rechten op stoffelijke goederen den naam eigendom

wordt gegeven, dan wel of zij den auteur werkelijk beschouwen als

eigenaar van zijn product volgens ons burgerlijk wetboek. Het komt

mij wenschelijk voor deze twee vragen scherp uit elkander te houden;

daarom wil ik de beide bovenstaande stellingen afzonderlijk bespreken.

Indien wij geene speciale wettelijke regeling van het auteursrecht

hadden, zou--hierover zal ieder het wel eens zijn--het eenige

rechtsmiddel voor de auteurs om zich tegen exploitatie hunner werken

door derden te verzetten, zijn de actie van art. 1401 B. W. De vraag,

waarop de eerste stelling een antwoord geeft, komt dus hierop neer,

of nadruk (genomen in de ruime beteekenis van inbreuk op auteursrecht)

zou zijn een onrechtmatige daad in den zin van dit artikel. Zooals

bekend bestaat er onder de juristen geen eensgezindheid omtrent

de beteekenis van den term "onrechtmatige daad"; zonder mij in de

discussie hierover te mengen schijnt het mij voldoende te verklaren,

dat ik mij schaar onder degenen, die aan deze uitdrukking eene ruime

uitlegging geven. Volgens deze opvatting pleegt men een onrechtmatige

daad door anders te handelen "dan in het maatschappelijk verkeer den

eenen mensch tegenover den ander betaamt, anders dan men met het oog

op zijne medeburgers behoort te handelen" [222].

Na de hierboven gehouden beschouwingen behoeft het wel geen betoog

meer, dat de daad van hem, die zonder toestemming van den auteur diens

werk exploiteert, een onrechtmatige is in dezen zin. Of eene handeling

den eenen mensch tegenover den ander in het maatschappelijk verkeer

al dan niet betaamt, of zij rechtmatig is of onrechtmatig, daarover

kan alleen het rechtsbewustzijn beslissen en wij hebben gezien, hoe

krachtig dit in het algemeen tegen nadrukkers en consorten reageert.

Ik kom dus tot de slotsom, dat ook zonder wet op het auteursrecht de

auteurs eene actie tot schadevergoeding zouden hebben tegen degenen,

die zonder hunne toestemming hunne werken zouden hebben nagedrukt,

uit- en opgevoerd enz. Hiermede is natuurlijk allerminst gezegd,

dat zij eene even volledige bescherming zouden genieten als nu en

dat dus de wet op het auteursrecht overbodig zou zijn. Hoever deze

bescherming zich zou kunnen uitstrekken en--wat hier ook gevraagd kan

worden--hoever in onze jurisprudentie die bescherming waarschijnlijk

zou zijn uitgestrekt, wil ik in het midden laten. Waar ik slechts op

heb willen wijzen is, dat er geene speciale wetsbepaling noodig is,

om de onrechtmatigheid van den nadruk uit te spreken.

Zooals ik de kwestie hier gesteld heb, is zij door geen der schrijvers

met wie ik mij nu bezighoud, behandeld, hoewel toch de ruime uitlegging

van art. 1401 B. W. ook toen reeds hare aanhangers vond [223].

Mr. Freseman Viëtor betoogt wel, dat de auteurs zich niet op art. 1401

zouden kunnen beroepen, doch hij motiveert deze meening niet anders

dan door--met blijkbare instemming--eene zinsnede, die Mr. Lohman

zich had laten ontvallen aan te halen: "dat het kopijrecht "de

rechten van derden, de natuurlijke vrijheid van den mensch" verkort,

"het recht namelijk om boeken te drukken"" [224]. Het antwoord hierop

kan kort zijn.

Er bestaat geen "recht om boeken te drukken" evenmin als een recht

om sigaren te rooken of een recht om aardappels te eten. Er bestaat

slechts vrijheid om deze handelingen te verrichten, zoolang het recht

ze toelaat. Maar "natuurlijke vrijheid" moet niet opgevat worden

"in den zin van het recht om alles te doen wat men wil, mits het

maar niet door de wet uitdrukkelijk verboden is, maar veeleer in

dien van het recht om niet in onze eer persoon of vermogen aangetast

of beschadigd te worden, in dien van het recht op eerbiediging van

onze persoonlijkheid, van onze goederen, van onzen arbeid." "Alleen

de vrijheid dus opgevat"--voegt prof. Molengraaff, aan wien ik deze

woorden ontleen, hieraan toe--"mag gezegd worden geen erkenning noodig

te hebben om te gelden, maar een verbod om niet te gelden" [225].

Ik meen dus, dat de eerste der door mij geformuleerde stellingen

geen waarheid bevat. Maar wat ik bovendien zou willen opmerken,

is dat deze stelling met het vraagstuk, waarmede ik mij bezighoud

slechts in verwijderd verband staat. Alleen voor degenen, die de

bovengenoemde ruime interpretatie van art. 1401 B. W. huldigen,

is zij waard bediscussieerd te worden; de strijd gaat dan echter

niet om wat de stelling uitdrukt maar om de vraag--hierboven reeds

toestemmend door mij beantwoord--of eerbiediging van de rechten der

auteurs, ook indien de wet daartoe niet uitdrukkelijk verplicht,

als een plicht wordt beschouwd en krenking ervan als een onrecht. En

dit is ten slotte de vraag, waar het hier op aankomt. Is men het

hierover maar eens, dan kan nog gestreden worden over de vraag,

welke wetsbepalingen er noodig zijn om dit recht door ieder te doen

eerbiedigen, doch hiermede komt men op een ander terrein: met den

grondslag en het rechtskarakter van het auteursrecht heeft dit niet

te maken. Elk recht moet ten slotte, om afdwingbaar te zijn, direct

of indirect op de wet kunnen worden gesteund en in het algemeen kan

worden gezegd, dat eene wet op het auteursrecht even onontbeerlijk

is voor de auteurs als bijvoorbeeld de artikelen in ons burgerlijk

wetboek, die over den eigendom handelen, dat zijn voor de eigenaars.

De tweede stelling heb ik aldus geformuleerd: "Het auteursrecht is

niet vatbaar voor juridische constructie, daar het onder geen der

in de wetenschap bekende rechtsfiguren is te brengen." Er is niets

tegen in te brengen, indien men aanneemt, dat de rechtsbegrippen,

die de Romeinsche juristen ons hebben nagelaten, eens en voor altijd

zijn vastgesteld en dat wij daarmede voor alle tijden toekunnen. In de

tijden, dat de Romeinsche juristen zich bezighielden met het vormen

van rechtsbegrippen en het formuleeren van rechtsregels bestonden de

middelen van exploitatie van geschriften en kunstwerken, waardoor het

auteursrecht noodzakelijk is geworden, nog niet. Het behoeft daarom

niet te verwonderen, dat men, alleen door logische redeneering uit

deze begrippen en regels, geen antwoord kan vinden op de vraag, of

het iemand vrijstaat een anders boek na te drukken of reproducties van

een anders schilderij of teekening te vervaardigen. Pogingen in deze

richting zijn genoeg beproefd: men probeerde uit het eigendomsbegrip

de bevoegdheden der auteurs te deduceeren; sommigen brachten er zelfs

de specificatio bij te pas; anderen trachtten de verplichting om zich

van exploitatie van een geschrift of kunstwerk te onthouden als een

verbintenis voortvloeiend uit een stilzwijgend beding te construeeren;

ook de theorie van de Savornin Lohman steunde gedeeltelijk op een

Romeinschen rechtsregel: "nemo cum damno alterius locupletior fieri

debet." Doch geen dezer theorieën is steekhoudend gebleken; het

auteursrecht liet zich langs dezen weg niet "bewijzen". Dit is door de

meeste Nederlandsche schrijvers over 't auteursrecht en in 't bijzonder

door de meerderheid in de reeds meermalen genoemde vergadering der

Juristen-Vereeniging ook zoo ingezien; het grootste gedeelte hunner

beschouwingen strekte juist, om de onhoudbaarheid van de zoogenaamde

»juridische" theorieën aan te toonen. Dat zij hierin zijn geslaagd,

wil ik gaarne toegeven, hoewel niet alle argumenten, welke daarbij

dienst deden, mij even juist voorkomen. Doch het behoeft nauwlijks te

worden gezegd, dat daarmede nog niet was bewezen, dat het auteursrecht

alleen op utiliteits-motieven kan worden gebaseerd; dat het eigenlijk

geen recht is, waarop de auteurs aanspraak kunnen maken, maar een

privilegie, om redenen van "algemeen belang" (d.i. instandhouding

van kunsten en wetenschappen) hun verleend. Toch schijnen sommigen

dit te hebben gemeend.

"Es giebt eine Jurisprudenz die in einem Rechte, das sich nicht

romanistisch konstruiren lässt, kein gutes Recht zu sehen vermag"

[226]. Deze opmerking van Gierke schijnt mij hier min of meer

toepasselijk. Reeds uit de wijze, waarop het aan de leden der

Juristen-Vereeniging voorgelegde vraagpunt was geredigeerd

valt de begripsverwarring, waar Gierke op doelde, eenigszins te

constateeren. De volgorde der vragen was zoodanig, dat eerst de

verschillende pogingen om het recht "romanistisch" te construeeren

aan het oordeel der vergadering werden onderworpen; voor het geval

geen dezer constructies bevredigend zou blijken, had men tenslotte

een vierde vraag opgesteld: of in het algemeen belang door de wet een

recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven? Alsof er,

na het ontkennend beantwoorden van de eerste vragen, van recht of

onrecht geen sprake meer behoefde te zijn en alleen over de meerdere

of mindere doelmatigheid nog beslist behoefde te worden. En zoo was

ook de redeneering van Mr. Levy, die ik boven reeds vermeldde: het

auteursrecht is geen zakelijk recht, geen persoonlijk recht, dus:

het is geen privaatrecht; en daar Mr. Levy evenmin het algemeen

belang ervan inzag, bestond er volgens hem geen enkele grond

voor de auteursbescherming en diende de geheele instelling dus te

vervallen. Aan een beroep op het rechtsgevoel en de historische

ontwikkeling van het auteursrecht werd nauwelijks eenige aandacht

gewijd [227]; trouwens wat het laatste betreft mag worden betwijfeld,

of de heer Levy daarvan wel ooit eenige studie had gemaakt. Toen hij,

ongeveer twintig jaar later, zijne opvattingen over het "zoogenaamd

auteursrecht" nog eens ontvouwde, voegde hij daaraan toe: "Deze mijne

bedenkingen dagteekenen reeds van 1877 en vroeger. Naar rechten evenwel

hebben zij thans nog slechts theoretische waarde (of onwaarde). Sedert

1881 bezitten wij eene wet op het auteursrecht". [228] Van de

wettelijke erkenning van dit recht in ons land vóór 1881 scheen deze

schrijver dus niet te hebben geweten.

Wat nu de stelling betreft, "dat in het algemeen belang door de wet

een recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven," welke

tenslotte de conclusie moest uitdrukken, waartoe de meerderheid

der vergadering na de gehouden besprekingen was gekomen, een

positief resultaat was daarmede, zooals ik reeds heb opgemerkt,

niet bereikt. Indien men onder "algemeen belang" dient te verstaan

doelmatigheid, utiliteit (dus: expediency, zooals Macaulay deze

tegenover right stelde), dan had men mogen verwachten, dat de stelling

met andere argumenten was gestaafd, dan nu het geval was. Dat men het

auteursrecht juridisch niet kon verklaren, dat men er geene plaats

voor wist te vinden in het rechtssysteem, bewijst in dezen niets;

evenmin de bewering, dat het auteursrecht, om bindend te zijn, op

positieve wetsbepalingen moet berusten. Vat men de stelling niet

in de bovengenoemde enge beteekenis op, dan is zij al een bijzonder

weinig zeggend antwoord op de vraag, die was gesteld, n.l.: "naar welk

hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars

op het product van hun arbeid regelen?" Het is een antwoord, dat

eigenlijk gelijk staat met de erkenning, dat de rechtswetenschap hier

geen voorlichting weet te schenken.

Uit juridisch oogpunt is het resultaat, waartoe de Juristen-vereeniging

kwam, dus niet anders te noemen dan negatief; men bepaalde zich tot

het bestrijden en afkeuren van de voorgestelde theorieën, zonder iets

anders daarvoor in de plaats te stellen.

Doch wat men met behulp der rechtswetenschap niet had weten te

bereiken, meende men gevonden te hebben in de economie. In zijn

prae-advies schreef mr. de Ridder: "...al moeten we ook met een zucht

afzien van elke poging om een toepasselijk rechtsbeginsel te vinden,

wij kunnen den wetgever een beginsel bieden uit die wetenschap,

welke de toestanden en verhoudingen van het verkeer onderzoekt en de

leemten daarin aanwijst, een beginsel, dat, zoo de wetgever zich leent

tot deszelfs doorvoering, hem tevens zal houden in het rechte spoor,

dat der sociale behoeften" [229].

Over de economische theorieën, en speciaal die van Schaeffle,

welke mr. de Ridder op het oog had, zal ik in de volgende

paragraaf spreken. Hier kan reeds worden opgemerkt, dat economische

beschouwingen, hoe belangwekkend zij ook mogen zijn, toch nooit de

plaats van een rechtsleer kunnen innemen. Er was hier behoefte aan een

scherp geformuleerd rechtsbeginsel, waarop het auteursrecht kon worden

gebaseerd en aan een klaar juridisch begrip van dit recht. Toen men

tot de conclusie was gekomen, dat in den ouden voorraad rechtsregels

en rechtsbegrippen niets was te vinden, dat voor het auteursrecht

kon dienen, had men niet "met een zucht" van alle verdere pogingen

in die richting mogen afzien, om zijn heil te gaan zoeken in de

economie. Het recht bestaat niet terwille van de rechtswetenschap, maar

het is de taak van deze laatste alles wat zich als recht voordoet te

verklaren. En wanneer dus voor een recht geen plaats blijkt te kunnen

worden gevonden in het bestaande rechtssysteem, dan zal men dit laatste

hebben te herzien, zoodat de plaats worde gemaakt. Doch nooit mag de

conclusie luiden: het nieuwe recht hoort in het van ouds bestaande

systeem niet thuis en derhalve erken ik het niet als een recht.

§ 3 Economische theorieën

De voortbrengselen van kunst en letterkunde kunnen op zichzelf,

d. w. z. los van de wijze, waarop zij met voor onze zintuigen

waarneembare teekens worden weergegeven, geen voorwerp van economische

beschouwing zijn. Slechts indirect is de geestelijke schepping voor

den econoom van beteekenis, nl. voor zoover zij zich in de stoffelijke

wereld manifesteert.

Het is daarom onjuist, om zooals b.v. Proudhon doet, een schrijver in

economischen zin voortbrenger te noemen en zijn werk een economisch

product:

"L'écrivain, l'homme de génie, est un producteur, ni plus ni moins que

son épicier et son boulanger; son oeuvre est un produit, une portion

de richesse" [230]. En: "A tous les points de vue, la production

industrielle et la production littéraire nous apparaissent donc

identiques" [231].

Wel oefent een schrijver met zijn geestesproduct invloed uit

op de voortbrenging en werkt hij er indirect aan mede, doch de

eigenlijke voortbrenging in economischen zin begint pas--krijgt

althans pas beteekenis--wanneer zijn boek geëxploiteerd wordt, dus

in druk verschijnt. Wat nu wel "une portion de richesse" uitmaakt,

is het duizendtal gedrukte exemplaren, dat van het geschrift

wordt vervaardigd, maar dit is niet "het voortbrengsel" van den

schrijver. Wat de schrijver heeft voortgebracht is een product van

intellectueelen aard en staat als zoodanig buiten den beschouwingskring

van den econoom.

Proudhon geeft verder eene geheel verkeerde voorstelling van de

zaak, wanneer hij, voortredeneerende op de stelling, dat de auteur

voortbrenger is, beweert dat bij de uitgave van het boek de schrijver

zijn voortbrengsel verruilt; en zijne redeneering raakt kant noch wal,

wanneer hij op dien grond (dus omdat hier ruiling van voortbrengselen

plaats heeft) concludeert, dat de schrijver na de publicatie geen

recht meer op zijne schepping heeft:

"Les lois de l'échange sont: que les produits s' échangent les uns

contre les autres; que leur évaluation ou compensation a lieu dans un

débat contradictoire et libre, désigné par les mots offre et demande;

que l'échange opéré, chaque échangiste devient maître de ce qu'

il a acquis comme il l'était de son propre produit, en sorte que, la

livraison faite et l'échange consommé, les parties ne se doivent rien"

[232].

"Ces lois sont universelles; elles s' appliquent à toutes les espèces

de produits et de service, et ne souffrent pas d'exception," voegt

Proudhon hier nog bij, maar hij schijnt te vergeten, dat wat hij

"lois d'échange" noemt, geen bindende regels zijn, die voorschrijven

wat recht is. Dat de bakker die zijn brood, en de boer die zijn

aardappelen verkocht heeft, geen recht meer op hun voortbrengsel

kunnen doen gelden, is niet omdat de door de economen opgespeurde

wetten van het ruilverkeer dat zoo willen, maar omdat de wet, die den

privaten eigendom van brood en aardappelen erkent, dit gevolg aan

hunne handeling verbindt. Indien de schrijver, evenals de bakker,

zijn product kon inruilen, dan zou het auteursrecht-vraagstuk geen

moeilijkheden meer opleveren, of liever: door dit te beweren, plaatst

men zich op het standpunt, dat het vraagstuk al opgelost is; immers

het begrip ruiling veronderstelt de erkenning van privaten eigendom op

het voorwerp, dat verruild wordt, en het gaat hier juist om de vraag,

of er een recht op het intellectueele product verleend zal worden. Met

eene "economische" theorie als deze komt men dus niet verder [233].

Nog minder verdient eene ernstige behandeling wat Louis Blanc over

het auteursrecht heeft geschreven. Men oordeele over de volgende

argumentatie: "D'ailleurs, quelle que soit la part de tous dans

la pensée de chacun, on ne niera pas du moins que la pensée ne

tire de la publicité toute sa valeur. Que vaut la pensée dans la

solitude?" ..... "Il n'est donc pas besoin de savoir d'où vient

l'origine des productions de l'esprit, il suffit de savoir d'où vient

leur valeur, pour comprendre qu'elles ne sauraient être le patrimoine

de personne. Si c'est la société qui leur confère une valeur, c'est à

la société seule que le droit de propriété appartient. Reconnaître,

au profit de l'individu, un droit de propriété littéraire, ce n'est

pas seulement nuire à la société, c'est la voler" [234].

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 30 / 215 题