Soms wendde zich de Regeering van een ander land tot onze Staten, om

de bescherming van een in het buitenland uitgekomen boek hier in te

roepen. In de vergadering der Staten-Generaal van 28 Aug. 1703 wordt

melding gemaakt van "een missive van den Heere Churfurst van de Paltz",

waarin wordt medegedeeld, dat de Heidelbergsche professor Johannes

Andreas Eysenmenger een boek had geschreven genaamd Het ontdeckte

Jodendom, en waarin den Staten verzocht wordt: "dat Haer Ho: Mog:

geliefden sodanige nadruckelijke ende ernstige ordre te stellen,

en die voorsieninge te laten doen, ten eynde het nadrucken van het

voors. werck, als oock het verkopen van dien, in derselver gebiedt en

Landen mogte werden verboden". Een brief van gelijke strekking van den

"Churfurst van Mentz", handelende over hetzelfde boek Het Jodendom

ontdeckt werd eenige weken later in de vergadering besproken [109].

In 1745 richtte zich de koning van Pruisen met een dergelijk verzoek

tot de Staten-Generaal. Van zijne missive werd door den Raadpensionaris

in de vergadering der Staten van Holland van 20 Nov. 1745 mededeeling

gedaan. De koning van Pruisen was bevreesd, dat men in Holland "de

Memoires van de Sociëteit der Weetenschappen in sijne Majesteits

Residentie geëtablisseert" zou nadrukken en richtte zich tot de

Staten "... in die ongetwyffelde hoope, dat deselve het verlangde

verbod tot verhindering van de gevreesde nadrukking niet souden

difficulteeren... etc." [110].

Wat de beslissing der Staten is geweest op deze verzoeken, heb ik

niet kunnen vinden; de Staten-Generaal verwezen de zaak naar de

Staten der Provinciën "om daer omtrent sodanige ordre te stellen,

als sullen oordeelen te behooren." De Staten van Holland hadden in

de reeds meermalen genoemde resolutie van 1715 o.m. besloten: "Dat

de Boecken, waar op de voorschreve octroyen sullen werden versoght,

sullen moeten toebehooren in vollen eygendom ten minste voor het

grootste gedeelte, aan Ingezetenen van desen Lande, ende hier te

Lande gedruckt sullen moeten zijn." Indien zij zich in 1745 hieraan

nog hielden, zal het laatstgenoemde verzoek dus wel door hen zijn

afgeslagen. In elk geval blijkt uit deze missives, dat men toen reeds

de nadeelige gevolgen van den buitenlandschen nadruk ondervond.

Na hetgeen hierboven is gezegd behoeft het niet te verwonderen,

dat men in het algemeen hier te lande niets onrechtmatigs zag in het

nadrukken van in het buitenland uitgekomen werken. Dikwijls werden

zelfs voor deze nadrukken privilegiën verleend en dit gaf aanleiding

tot de vraag, of door deze privilegiën ook het invoeren en verkoopen

van de origineele buitenlandsche uitgave werd verboden.

In een request van eenige Amsterdamsche uitgevers aan de Staten

van Holland van het jaar 1722 wordt deze kwestie besproken. Zij

gaven er o.a. in te kennen: "... dat niettegenstaande tot noch toe

alle de origineele Fransche Drucken van les oeuvres de Molière,

Corneille, Racine en meer andere, schoon de selve hier te Lande met

privilegie van haar Edele Groot Mog. herdruckt wierden, hier vry en

onverhindert inquaamen en vertiert wierden, eenige Boeckverkoopers

tot Parys hadden konnen goetvinden Boecken, hier te Lande uyt de

Engelsche en andere Taalen met seer swaare kosten in de Fransche

Taale overgeset, te herdrucken, en op de selve aldaar Privilegie

te verkrygen, om daar door het inkomen en vertieren der origineele

Hollandtsche Drucken te weeren, en sulcks tegen het voorrecht,

dat sy hier te Lande genooten... Dat dewyl nu de Supplianten sich

(onder reverentie) verbeelden, dat de intentie van Vranckrijck in het

verleenen van des selfs Privilegiën niet geweest was, om het vertier

der Hollandtsche Drucken te verbieden... versoeckende derhalven,

dat de saake ter Generaliteyt daar heenen moghte werden gedirigeert,

om aan het Hof van Vranckrijck te vertoonen het ongelijck, het geen de

onderdaanen van deesen Staat door de interpretatie van de voorgewende

Privilegiën aangedaan wierdt... etc." [111].

Of naar aanleiding van dit request met de Fransche Regeering in

overleg is getreden, weet ik niet te zeggen. Wel schijnt de vraag de

Staten van Holland nog later te hebben beziggehouden; ten minste in

1730 werd aan eene commissie uit hun midden opgedragen, te examineeren

"... of eenige andere, en beetere, ordre soude konnen worden uitgedagt

omtrent het nadrukken van Boeken, die buiten 's Lands gedrukt mogten

zijn" [112]. Met dezelfde kwestie had waarschijnlijk ook te maken de

mededeeling van den Raadpensionaris in de vergadering van 5 October

1735: "... dat aan hem is voorgekoomen, dat in de Octroien, welke van

tyd tot tyd door haar Edele Groot Mog. verleent worden tot het drukken

van Boeken, geïnsereert zijn eenige Clausulen, welke aanleiding geeven

om het debit der Boeken hier te Lande gedrukt buiten 's Lands seer

difficil te maaken, tot nadeel van de commercie der Boekverkoopers in

deese provincie." Men besloot de zaak te onderzoeken en te overwegen

"of, en wat, veranderingen in deese Octroien souden konnen en behooren

gemaakt te worden, en wat voorsiening verders soude konnen werden

gedaan tot beneficieering van de Drukkerye en Boeknegotie in deese

Landen" [113]. Men ziet uit deze laatste toevoeging weer een bewijs

van de groote zorg, die de Staten voor "Drukkerye en Boeknegotie"

aan den dag legden.

In sommige octrooien uit dienzelfden tijd van de Staten van Holland

voor hier te lande uitgegeven nadrukken van vreemde werken wordt

uitdrukkelijk vermeld, dat de origineele uitgave er niet door wordt

geweerd. Zoo komt in een octrooi van het jaar 1737 de volgende clausule

voor: "...des dat door het verleenen van het selve Octroi niemand sal

worden belet hier te Lande te debiteeren den Engelschen Druk van het

voorschreeven Werk..." [114] en in een van het daaropvolgend jaar:

"...doch door dit octrooi zal niet worden belet, dat de origineele

Pruissische Druk van hetzelfde werk hier wordt ingevoerd, uitgegeven

of verkocht" [115]. Hieruit blijkt, dat men de billijkheid tegenover

buitenlandsche uitgevers niet geheel uit het oog verloor, al kunnen

wij volgens de thans geldende begrippen, hierin niet--zooals in het

bovengenoemd request wordt gedaan--een "voorrecht" voor hen zien. Het

enkele feit, dat voor nadrukken privilegiën werden verleend, bewijst

dat men nog ver afstond van eene internationale bescherming.

Toch schijnt reeds in het midden der 18de eeuw bij een Nederlander het

denkbeeld te zijn opgekomen van het samengaan van verschillende staten,

om door algemeene voorschriften den nadruk te weren. Verschillende

schrijvers maken er n.l. melding van, dat op het Vredescongres te

Aken in 1748 door een Nederlandschen boekhandelaar een voorstel tot

bestrijding van den nadruk werd aangeboden met het verzoek, dat alle

vertegenwoordigde Staten dit zouden aannemen en het daartoe in het

vredesverdrag zou worden opgenomen. Van dit, voor de geschiedenis

van het internationale auteursrecht voorzeker zeer belangrijke,

voorstel is het mij, ondanks enkele nasporingen, niet gelukt meerdere

bijzonderheden te weten te komen [116]. Dat het niet tot uitvoering is

gekomen, behoeft nauwelijks te worden vermeld; waarschijnlijk heeft

het zelfs bij geen der Akensche gedelegeerden een punt van ernstige

overweging uitgemaakt.

§ 2 Onze wetgeving op het auteursrecht van het einde der achttiende

eeuw tot dezen tijd

Met het privilegie-stelsel werd hier te lande het eerst in de provincie

Holland gebroken. In het jaar 1796 vaardigde het Provinciaal Bestuur

van dit gewest eene Publicatie [117] uit, waarvan het eerste artikel

luidde:

"Dat van nu voortaan geene Privilegiën of Octroijen tot het drukken

en uitgeven van eenige Boeken of Stukken zullen worden verleend, als

strijdende tegen de thans aangenomen grondbeginselen, volgens welke

ieder Ingezeten een aanspraak heeft op de beveiliging van zijnen

regtmatigen eigendom."

In het volgend artikel werd aan ieder boekverkooper binnen de

provincie, die een origineel werk uitgaf, waarvan hij het kopierecht

had verkregen, het uitsluitend recht toegekend, dat boek te drukken

en uit te geven.

Men erkende dus een "eigendomsregt" op geschriften, dat zijn oorsprong

vond in den auteur, doch de bescherming werd niet aan deze laatsten,

maar aan de uitgevers verleend. Al komt deze regeling, zooals o.a. door

Mr. de Ridder wordt opgemerkt [118], in de gevolgen voor de auteurs

vrijwel op hetzelfde neer, daar zij zich bij contract tegen eventueele

willekeur der uitgevers konden beveiligen, er blijkt toch uit, dat

al waren de privilegiën afgeschaft, het beginsel, dat er aan ten

grondslag had gelegen, nog bleef nawerken. Over de schrijvers wordt

in de geheele publicatie niet gesproken.

Het kopierecht, dat aan de uitgevers werd verleend, ging op hunne

erfgenamen over en was--in overeenstemming met den naam "eigendomsregt"

dien men er aan gaf--eeuwigdurend (art. 2); er behoorde ook toe

de uitsluitende bevoegdheid, vertalingen en verkortingen van het

geschrift in het licht te geven (art. 4). Daar echter de publicatie

alleen in de provincie Holland van kracht was, had de bescherming,

die zij verleende, niet zoo heel veel te beteekenen.

Ten opzichte der internationale verhoudingen huldigde de publicatie

nog dezelfde beginselen, die in den privilegiën-tijd heerschende

waren. Nadruk van in het buitenland (d.i. buiten de provincie Holland)

uitgekomen boeken werd niet alleen niet verboden, maar werd zelfs

alsof het eene oorspronkelijke uitgave was, tegen verdere nadrukken

beschermd (art. 5). De "regtmatige eigendom" van vreemdelingen werd dus

niet geëerbiedigd; de Hollandsche uitgever, die er zich het eerst van

meester maakte, gold als rechthebbende. Hetzelfde gold voor de uitgave

eener vertaling van een buitenlandsch werk (art. 6). De uitgever

behoefde voor het vestigen van zijn recht niet eens met de uitgave,

den nadruk of de vertaling begonnen te zijn; reeds het voornemen om dat

te doen verschafte, mits behoorlijk in de nieuwsbladen geadverteerd,

een "regt van praeferentie", waardoor anderen verhinderd werden van

dezelfde kopie gebruik te maken (art. 7).

Bijbels, testamenten, kerk- en schoolboeken, almanakken en tijdwijzers

waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. 8); van

staatsstukken, "welke als den eigendom van het Volk van Holland moeten

worden beschouwd", behield het Provinciaal Bestuur het kopierecht

aan zich (art. 9).

De eerste wet op het auteursrecht, geldende voor alle provinciën, was

de Publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche Republiek van 3 Juli

1803 [119]. Ook hierin was de bescherming der uitgevers nog hoofdzaak;

er werd nu echter ook van de "opstellers" der boeken gesproken, die

in de publicatie van het provinciaal Bestuur van Holland niet eens

waren genoemd. Het kopierecht werd verleend aan ieder, die "in de

Bataafsche Republiek een oorspronkelijk werk uitgeeft, waarvan hij

het gewoonlijk alzoo genoemd, Regt van kopij of bezit, omdat hij zelf

daarvan de opsteller is, of om niet, of voor geld, of op eene andere,

mits wettige wijze, bekomen heeft" (art. 2).

Deze bepaling zou practisch ongeveer dezelfde gevolgen hebben

gehad, indien als subjecten van het auteursrecht eenvoudig waren

aangewezen--zooals in art. 1 van onze tegenwoordige wet--"de auteur

en zijne rechtverkrijgenden." Het verschil ligt echter niet alleen

in de meer omslachtige formuleering. Van een recht op het geestelijk

product, toekomende aan den auteur onafhankelijk van de vraag of, en

zoo ja hoe hij zijn werk wenscht te exploiteeren, had men blijkbaar

nog geen klaar begrip. Dit blijkt ook uit de overwegingen, die het

Staatsbewind der Bataafsche Republiek over deze wet aan het Wetgevend

Lichaam deed toekomen [120]. Daarin wordt als doel van de wet, naast

bevordering van den boekhandel, waarvan het eerst wordt gesproken,

nog genoemd:

"1o. de bevordering der verlichting en der wetenschappen in ons

Vaderland en 2o. de zekerheid der ingezetenen, dat door een dergelijke

Wet, hun vrije handel niet meer werd beperkt, dan volstrekt vereischt

wordt, tot maintien van een ieders wettig regt van Eigendom." Over

de schrijvers wordt geen woord gezegd.

De wet erkende naast het recht van eigendom ook een recht van

praeferentie, toekomende aan den uitgever, die van een buitenlandsch

werk eene vertaling in het licht geeft. Dit recht verwierf de uitgever

zich dus geheel buiten den auteur om. In de "Consideransen" wordt het

aldus gemotiveerd: "het valt toch niet te ontkennen, dat zoodanig een"

(nl. de uitgever der vertaling) "moet gehouden worden, de daartoe

benoodigde moeite of Copia geld en voorschotten te hebben besteed en

uitgelegd, en alzoo zich een regt verworven, om door het debiet van

zijn werk, zich zelven schadeloos te stellen, en zoo mogelijk winst

te doen... etc."

Doch ten opzichte van nadrukken van buitenlandsche werken werd het

recht van praeferentie door het Staatsbewind bestreden. Niet omdat men

er eene onbillijkheid in zag tegenover den buitenlandschen schrijver

of uitgever, doch uitsluitend omdat de eene ingezetene erdoor op

onrechtvaardige wijze boven de overigen wordt voorgetrokken. De

bepaling van art. 5 der Hollandsche publicatie werd dus niet

overgenomen; overigens was de wet van 1803 daaraan vrijwel gelijk.

De wet van 1803 is slechts enkele jaren van kracht gebleven; na de

inlijving van ons land bij het Fransche keizerrijk werd, ook op het

gebied van het auteursrecht, de Hollandsche wetgeving spoedig door

de Fransche vervangen. De voornaamste bepalingen waren te vinden

in de Décret-Loi des 19-24 Juillet 1793. Deze wet, die nu nog,

hoewel op enkele punten gewijzigd en door andere wetten aangevuld,

in Frankrijk van kracht is, verleende het kopierecht aan de auteurs

van alle mogelijke geschriften en daarenboven aan: "compositeurs de

musique" en aan: "peintres et dessinateurs qui feront graver des

tableaux ou dessins" (art. 1). Na hun dood bleef het auteursrecht

nog tien jaar voor hunne erfgenamen bestaan (art. 2).

Deze bepaling werd door een, eveneens hier te lande executoir verklaard

Keizerlijk Decreet van 1810 in dier voege aangevuld, dat de weduwe

van den auteur gedurende haar leven, en zijne kinderen tot twintig

jaar na den dood huns vaders van de bescherming zouden genieten.

De twee hoofdbeginselen, die hier onder het Fransche bestuur voor het

eerst werden ingevoerd, n.l. het toekennen van een 1o. in tijdsduur

beperkt auteursrecht, en dat 2o. direct aan de auteurs, vindt men na

dien tijd in de wetgevingen van bijna alle landen terug.

De Fransche wetten op de boekdrukkerij en den boekhandel werden hier

afgeschaft door het Souverein Besluit van den 24 Januari 1814 No. 1

(Staatsblad No. 17), houdende bepalingen omtrent den boekhandel en

den eigendom van letterkundige werken.

Dit besluit vond vooral toejuiching, omdat het de drukkende Fransche

censuur afschafte; uit het oogpunt van auteursrecht is het echter

als een stap terug te beschouwen. Evenals de wet van 1803 gaf het

een eeuwigdurend recht, niet aan den auteur, maar aan "... elk die

een oorspronkelijk werk, hetzij in één, hetzij bij deelen of stukken

uitgeeft, waarvan hij het regt van copie, als opsteller of anderszins,

wettig bezit" (art. 6). Ook werd in het besluit strafbaar gesteld:

"eenigerlei nadruk van de Nederduitsche vertaling eens buiten deze

landen uitgekomen werks, of het debiteren eener andere Nederduitsche

vertaling van hetzelfde werk, binnen de drie eerste jaren na de uitgave

der eerste vertaling" (art. 9), eene bepaling, die ook voorkwam in

de wet van 1803 en die toen op de eigenaardige wijze, die boven is

medegedeeld, werd gemotiveerd.

Een besluit van 24 Januari 1815 (Staatsblad No. 6) gaf nog eenige

aanvullende bepalingen over de formaliteiten, die de eerste uitgever

eener vertaling tot vestiging van zijn recht van praeferentie had

te vervullen.

Intusschen was in België--vreemd genoeg--bij Besluit van 28 September

1814 (Journal Officiel No. 54) het auteursrecht op geheel andere

wijze, n.l. volgens de bovengenoemde Fransche beginselen, geregeld;

vandaar dat men spoedig naar eene nieuwe, voor beide deelen van het

koninkrijk gelijke regeling verlangend begon uit te zien.

Reeds in 1816 werd een ontwerp van wet aan den Raad van State

aangeboden, waarvoor de vroegere Nederlandsche regelingen, zelfs de

resolutie van de Staten van Holland van 1715, tot richtsnoer schijnen

te hebben gediend [121].

Dit ontwerp werd, na door den Raad van State geheel te zijn omgewerkt

volgens de nieuwere opvattingen, bij de Staten-Generaal ingediend,

waar het, zonder aanleiding te geven tot gedachtenwisseling,

onveranderd werd aangenomen, om vervolgens te worden afgekondigd

onder den naam van: Wet van den 25 Januari 1817 (Staatsblad No. 5),

de regten bepalende, die in de Nederlanden, ten opzigte van het drukken

en uitgeven van letter- en kunstwerken, kunnen worden uitgeoefend.

Het recht om letter- en kunstwerken uitsluitend door den druk gemeen

te maken en te verkoopen werd verleend aan "diegenen, welke daarvan

autheurs zijn, en hunne regtverkrijgenden" (art. 1).

Vertalers van in het buitenland uitgekomen letterwerken kregen

hetzelfde recht op hunne vertaling (art. 2); het recht van praeferentie

echter, waardoor de eerste vertaler ieder ander kon verhinderen, eene

andere vertaling in het licht te geven, komt in de wet niet voor [122].

Het auteursrecht duurde twintig jaar na den dood van den auteur of

vertaler (art. 3).

Als voorwaarde van de bescherming werd gesteld, dat het werk op eene

Nederlandsche drukkerij moest zijn gedrukt, dat het een Nederlandschen

uitgever moest hebben, en dat drie exemplaren vóór of gelijktijdig

met de uitgave moesten worden ingeleverd aan het gemeentebestuur van

de woonplaats des uitgevers (art. 6).

Vergeleken met het Besluit van 1814 vertoonde deze wet aanmerkelijken

vooruitgang: het recht werd direct verleend aan de auteurs; met

het eeuwigdurend kopierecht, consequentie van de letterkundige

eigendomstheorie, was gebroken; naast boeken waren ook "kunstwerken"

beschermd en op het punt van vertalingen waren gezondere beginselen

gevolgd. Doch op zeer vele punten was de nieuwe regeling, die tot

het jaar 1881 van kracht is gebleven, nog gebrekkig en onvolledig.

De uitdrukking "letter- en kunstwerken", waarmede de beschermde

producten werden aangewezen, was vaag en gaf in enkele gevallen

aanleiding tot twijfel [123]. Werken van plastische beeldende kunst

vielen buiten de "kunstwerken", daar de wet alleen betrekking had

op het drukken en uitgeven. De vraag of onder de "letterwerken"

ook mondelinge voordrachten begrepen waren, werd door de meesten

ontkennend beantwoord [124].

Een groote leemte vormde het geheel ontbreken van op- en

uitvoeringsrecht voor tooneel- en muziekwerken; in dit opzicht waren

wij dus--in tegenstelling met de meeste andere landen--nog even ver

als in den tijd der privilegiën.

Voorts valt op de wet van 1817 aan te merken, dat de handhaving van

het recht ondoeltreffend was geregeld. Art. 4 bepaalde, dat elke

inbreuk op het kopierecht (dus ook bv. het verkoopen en verspreiden

van nagedrukte exemplaren) als nadruk werd aangemerkt en als zoodanig

strafbaar was. De straffen waren, behalve boete van 10-1000 gld.,

confiscatie van alle nagedrukte exemplaren ten voordeele van den

eigenaar van den oorspronkelijken druk en het betalen aan dezen laatste

van eene schadevergoeding, bedragende de waarde van 2000 exemplaren

van het nagedrukte boek of kunstwerk. Dit bedrag overtrof natuurlijk

in de meeste gevallen verre dat der werkelijk geleden schade, zoodat

de oorspronkelijke uitgever op deze wijze niet alleen werd schadeloos

gesteld, maar nog een aanzienlijke winst kon maken. Aan den anderen

kant was hij, op wiens recht inbreuk werd gemaakt, weer te beperkt

in zijne rechtsmiddelen; de bedoelde schadevergoeding kon alleen

verkregen worden, wanneer tegen den nadrukker eene strafvervolging was

ingesteld en zoolang deze niet tot een veroordeelend vonnis had geleid,

bestond er voor den rechthebbende op het kopierecht geen middel,

om het verspreiden, verkoopen en invoeren van nagedrukte exemplaren

tegen te gaan. De regeling van art. 4 was bovendien op vele punten

onvolledig; er stond bij voorbeeld niet in, hoe de schadevergoeding

berekend moest worden, wanneer het een nog niet uitgegeven werk gold

of een werk, waarvan verschillende uitgaven bestonden. Wat de boete

betreft, deze moest strekken "ten behoeve van de algemeene armen

van de woonplaats des nadrukkers"; eene bepaling waarvan de ratio

moeilijk is te vatten en die daarenboven niet voorzag in het geval,

dat de nadrukker een vreemdeling was.

In de wet kwamen geene bepalingen voor voor pseudonieme, anonieme

en posthume werken, evenmin voor werken, die door de samenwerking

van meerdere auteurs zijn ontstaan, hetgeen toch, met het oog op

de berekening van den duur van het recht volgens art. 3 (20 jaar

na den dood des auteurs) gewenscht ware geweest. De toepassing van

laatstgenoemd artikel gaf ook moeielijkheid bij werken, waarvan geen

natuurlijk persoon auteur is, maar die vanwege een of ander genootschap

of den Staat zijn uitgegeven.

Eene afzonderlijke regeling van het Staats-kopierecht gaf het

Koninklijk Besluit van 2 Juli 1822 (Staatsblad No. 16), waarbij het

drukken en verspreiden van staatsstukken werd vrijgelaten, behalve

van diegenen, waarop door den Koning het recht van uitgave ten behoeve

van de landsdrukkerij werd voorbehouden of "bij speciale vergunningen

of octroijen" aan particulieren werd afgestaan.

Dit K. B. is terecht een voorwerp van scherpe kritiek

geweest. Onafhankelijk van de wet, die deze materie regelde, werd

hier een kopierecht van den Staat gecreëerd en zelfs aan den Koning

de bevoegdheid voorbehouden speciale vergunningen, in aard vrijwel met

de vroegere privilegiën overeenkomende, aan particulieren te verleenen.

Toen eindelijk de Hooge Raad in een arrest van 8 September 1840 [125]

had uitgemaakt, dat de beschikkingen van het genoemde K. B. van geen

kracht waren, daar de wet van 1817 een kopierecht van den Staat niet

kent, werd bij K. B. van 24 April 1841 (Staatsblad No. 11) het besluit

van 1822 en de daarop berustende besluiten, waarbij het uitgeven van

bepaalde staatsstukken aan de landsdrukkerij werd voorbehouden of

aan particulieren verleend, ingetrokken [126].

Later kwam de kwestie van het Staats-kopierecht nog ter sprake

bij de behandeling van de Wet van 12 Aug. 1849 (Staatsblad No. 36)

op de invoering van de Pharmacopoea Neerlandica en Nederlandsche

Apotheek, waarbij het uitsluitend recht van drukken en uitgeven van

dit stuk aan den Staat werd voorbehouden. Zoowel in de schriftelijke

gedachtenwisseling over deze wet als bij de openbare beraadslagingen

vonden de genoemde bepalingen bij vele leden der Staten-Generaal

verzet [127]; toch bleef zij in de wet gehandhaafd. De wet zelf werd

in 1871 ingetrokken.

De genoemde leemten en gebreken van de wet van 1817, waarbij nog

gevoegd kan worden het ontbreken van voldoende overgangsbepalingen

(waardoor o.a. twijfel bleef bestaan ten opzichte van het al of niet

voortbestaan van het eeuwigdurend kopierecht, dat volgens de vroegere

Nederlandsche wetten was verkregen) [128], deden zich al spoedig

in de practijk gevoelen en waren oorzaak, dat door belanghebbenden

herhaaldelijk pogingen in het werk werden gesteld om tot eene betere

regeling te komen.

In 1828 werd reeds door eenige boekhandelaren een ontwerp ter

vervanging van de wet van 1817 opgesteld en met eene memorie van

toelichting aan de Regeering aangeboden [129]. Twee jaar later had de

Regeering een ontwerp gereed, dat echter nooit bij de Staten-Generaal

is ingediend.

In latere jaren is, vooral door de Vereeniging tot bevordering van

de belangen des boekhandels gedurig moeite gedaan, om een betere wet

te krijgen [130].

In het jaar 1860 werd door bovengenoemde vereeniging een ontwerp voor

eene nieuwe wettelijke regeling met eene memorie van toelichting

aan den minister van binnenlandsche zaken aangeboden [131]. Nadat

over dit ontwerp bij de koninklijke Academie voor beeldende kunsten

en bij de koninklijke Academie van Wetenschappen adviezen waren

ingewonnen, verscheen eindelijk in 1877 een Regeerings-ontwerp. Voor

de voorbereiding hiervan was, zooals ook in de M. v. T. [132] wordt

erkend, behalve van de belangrijkste buitenlandsche wetgevingen, een

ruim gebruik gemaakt van het Ontw. Boekh. Er was o.a. uit overgenomen

de nauwkeuriger omschrijving der auteursproducten in plaats van

de vage term "letter- en kunstwerken" van de wet van 1817; voorts

de bepaling, dat het auteursrecht eene roerende zaak is (art. 9);

dat met auteurs worden gelijkgesteld ondernemers van werken, die uit

bijdragen van meerdere auteurs bestaan (art. 3 Ontw. Boekh., art. 2 a

Ontw. '77); en de bepaling, dat de auteurs of hunne rechtverkrijgenden

op wederrechtelijk gemeen gemaakte werken beslag kunnen leggen

(artt. 14-17 Ontw. Boekh., artt. 20-22 Ontw. '77).

Op vele andere punten was het Ontw. Boekh. echter niet gevolgd. Nieuw

was b.v.: het erkennen van een recht van op- en uitvoering voor muziek-

en tooneelwerken (als gevolg hiervan werd niet meer van kopierecht maar

van auteursrecht gesproken) en het toekennen van auteursrecht voor

mondelinge voordrachten (art. 1); de beperking van het uitsluitend

recht om vertalingen van een werk uit te geven tot slechts 5 jaar na

de oorspronkelijke uitgave en dan nog onder voorwaarde, dat het recht

uitdrukkelijk wordt voorbehouden en de vertaling binnen drie jaar

verschijnt; (art. 5b en 15 2o); de berekening van den duur van het

auteursrecht niet meer naar het tijdstip van overlijden des auteurs,

maar naar dat van de eerste uitgave van het werk (art. 12); de bepaling

dat de wet ook voor Nederlandsch Indië verbindend zou zijn (art. 28).

Het onderzoek in de afdeelingen der Tweede Kamer had in 1878 plaats,

nadat het ontwerp door het inmiddels nieuw-opgetreden Ministerie van

zijn voorganger was overgenomen.

In het Voorloopig Verslag van 23 Mei 1878 [133] werd het over het

algemeen gunstig beoordeeld. De voornaamste bedenkingen golden: het op-

en uitvoeringsrecht, dat "velen leden" naast het kopie-recht overbodig

voorkwam, terwijl "zeer vele leden" dit liever in eene afzonderlijke

wet wilden geregeld zien; het auteursrecht op mondelinge voordrachten,

dat sommige leden niet toegekend wilden zien, andere niet dan onder

zekere voorwaarden; de termijnen voor den duur van het recht, die

door de groote meerderheid te lang werden gevonden en die men ook niet

voor alle gevallen voldoende geregeld vond. Ook tegen de voorgestelde

wijze van handhaving van het auteursrecht werden bezwaren ingebracht:

de meerderheid der leden wilden de strafrechtelijke vervolging der

overtredingen afhankelijk zien gesteld van de klacht der belanghebbende

partij; enkelen wilden de straf-actie geheel zien verdwijnen.

Voordat dit verslag door de Regeering was beantwoord, had er wederom

eene kabinetsverwisseling plaats gehad. Mr. Modderman, die als

minister van justitie was opgetreden, nam nu het ontwerp ter hand,

dat, op enkele punten gewijzigd, met de memorie van antwoord den

22sten September 1880 aan de Tweede Kamer werd toegezonden [134].

Het recht van bestaan van uit- en opvoeringsrecht naast het

kopierecht, alsmede van het auteursrecht op mondelinge voordrachten,

werd hierin door de Regeering nogmaals aangetoond. Verder werd

o. a. de systematische indeeling en volgorde tegen de daarover

gemaakte opmerkingen verdedigd. Ten opzichte van de handhaving van

het recht werd de noodzakelijkheid van strafrechtelijke bescherming

betoogd en tevens de meening weersproken, dat strafbare inbreuk op

het auteursrecht een klachtdelict behoorde te zijn.

Op enkele punten was aan de bezwaren tegen het eerste ontwerp

ingebracht nu tegemoet gekomen; zoo wat betreft de wijze, waarop

anonieme en pseudonieme auteurs zich bekend moeten maken (art. 2);

de bepalingen op den inhoud van dagbladen en tijdschriften (art. 7);

uitsluiting van beslag op auteursrecht (art. 9) en de voor de

uitoefening van het recht voorgeschreven formaliteiten (art. 10).

Den 1sten Juni kwam het wetsontwerp in de Tweede Kamer in

openbare behandeling [135]. De algemeene beraadslagingen liepen

voornamelijk over den theoretischen grondslag en het karakter

van het auteursrecht. Uit hetgeen minister Modderman hierover

naar aanleiding van de opmerkingen van de heeren Schaepman en

Oldenhuis Gratama in het midden bracht, bleek, dat de Regeering den

"intellectueelen eigendom" verwierp, maar niettemin een recht der

auteurs op bescherming erkende en daarmede den plicht des wetgevers,

om het door wettelijke voorschriften te doen eerbiedigen. De minister

noemde het auteursrecht een jus sui generis, noch tot de zakelijke,

noch tot de persoonlijke rechten behoorende, maar dat gerangschikt

moest worden onder de absolute vermogensrechten.

Bij de artikelsgewijze behandeling, die den volgenden dag plaats

had [136], werd o. a. de duur van het auteursrecht besproken. Een

amendement van den heer Oldenhuis Gratama, die den hoofdtermijn

van vijftig op dertig jaar na de eerste uitgave wilde brengen, werd

verworpen. Eveneens mislukte eene poging van den heer van der Kaay,

om art. 15, waarin de duur van het opvoeringsrecht van door den druk

gemeen gemaakte tooneelwerken tot tien jaar wordt beperkt, te doen

verwerpen, waardoor ook voor dit bestanddeel van het auteursrecht de

gewone, langere, termijn zou hebben gegolden.

De eenige wijziging, die het ontwerp onderging, betrof de strafbare

inbreuk op het auteursrecht, die door een amendement van de heeren

de Beaufort en van der Kaay tot een klachtdelict werd gemaakt. Het

wetsontwerp werd ten slotte met op één na algemeene stemmen

aangenomen. Na behandeling in de Eerste Kamer werd het den 28sten

Juni afgekondigd als: Wet van den 28sten Juni 1881 tot regeling van

het Auteursrecht (Staatsblad No. 124).

Deze wet, den 1sten Januari 1882 in werking getreden, is nu nog

ongewijzigd van kracht; alleen de artt. 18-20, die de strafbepalingen

inhielden, werden door de Invoeringswet van het Wetboek van Strafrecht

naar laatstgenoemd wetboek overgebracht, waarvan zij de artt. 349 bis,

ter en quater zijn geworden.

Zoowel in de M. v. T. als in de M. v. A. was door de Regeering

verklaard, dat zij de werken van beeldende kunst niet onder de

beschermde producten had opgenomen, omdat het wenschelijk scheen

daarvoor eene afzonderlijke regeling vast te stellen. Bij Koninklijke

Boodschap van 12 Febr. 1884 werd dienovereenkomstig een ontwerp van

wet bij de Tweede Kamer ingediend [137]. In de memorie van toelichting

werd de noodzakelijkheid van bescherming der kunstenaars bepleit,

o. a. met verwijzing naar verschillende buitenlandsche wetgevingen

en met een beroep op de beginselen, die bij de wet van 28 Juni 1881

gehuldigd waren.

Het ontwerp strekte de bescherming uit tot alle "werken der beeldende

kunsten"; hieronder moesten volgens de M. v. T. hoofdzakelijk begrepen

worden werken der schilder-, teeken- en beeldhouwkunst. Werken der

bouwkunst waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. 1).

De vervaardiger werd beschermd, zoowel tegen nabootsing door dezelfde

of eene andere kunst als tegen namaak langs mechanischen weg. In

art. 4 werd een bijzonder recht van korteren duur verleend aan hem

"die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, op

wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door eene

mechanische bewerking namaakt".

Met de wet van 1881 vertoonde het ontwerp vele punten van overeenkomst;

dezelfde indeeling in paragrafen was gevolgd en in de regeling van

verschillende belangrijke onderdeelen zooals: de duur, de middelen van

handhaving, verzamelwerken, karakter en eigenschappen van het recht

(art. 5), slotbepalingen, bevatte het gelijke of analoge bepalingen.

Daar het in de zitting 1883-1884 niet in behandeling was gekomen, werd

het den 30sten November 1884 wederom, geheel onveranderd, ingediend.

Het voorloopig verslag, uitgebracht 25 Maart 1885 [138], luidde niet

gunstig. Er werd beweerd, dat de kunstenaars de geboden bescherming

niet verlangden en men bestreed de meening, dat deze bescherming op

dezelfde gronden zou rusten als die der schrijvers. Ook werd de vrees

geuit, dat door aanneming van dit wetsontwerp een stap zou worden

gedaan in de richting van wederinvoering der octrooien van uitvinding.

Naar aanleiding van enkele opmerkingen in dit verslag voorkomende

werd het ontwerp door de Regeering op sommige ondergeschikte punten

gewijzigd (de woorden: der beeldende kunsten werden o. a. overal

vervangen door: van beeldende kunst) en opnieuw met eene memorie van

toelichting ingediend [139]. Onder meer werd hierin als grondbeginsel

van de voorgestelde bescherming aangevoerd, dat de voortbrenger van een

product des geestes het uitsluitend recht dient te hebben te bepalen

of, wanneer en in welken vorm zijn voortbrengsel, dat aan het gevaar

van nadruk of nabootsing blootstaat, openbaar zal worden gemaakt.

Tot eene openbare beraadslaging van het Ontwerp is het nooit

gekomen, hoewel de Commissie van rapporteurs het door de gewisselde

stukken daartoe genoegzaam voorbereid oordeelde en het daarna nog

tweemaal (27 Juli 1886 en 7 October 1887) bij de Tweede Kamer werd

ingediend. En hoewel in latere jaren de wensch naar eene regeling

van het artistieke auteursrecht, zoowel in als buiten het Parlement,

meermalen is geuit [140], zijn de kunstenaars in ons land tot nu toe

nog steeds onbeschermd gebleven.

Bij eene beschouwing van den hedendaagschen stand onzer wetgeving in de

materie, die ons hier bezighoudt, is het dan ook deze groote leemte,

die het eerst opvalt: het geheel ontbreken van bepalingen over wat in

alle andere beschaafde landen als een belangrijk onderdeel van het

auteursrecht wordt beschouwd. Doch, ook afgezien hiervan, is de wet

van 1881 verre van volmaakt en niet op de hoogte van den tijd; hetgeen

niet behoeft te verwonderen als men bedenkt, dat zij nu reeds acht en

twintig jaar onveranderd voortbestaat, terwijl het auteursrecht nog in

een stadium van voortdurende en snelle ontwikkeling verkeert. Waarin

deze ontwikkeling bestaat en tot welke wijzigingen in onze wetgeving

zij aanleiding kan geven, zal in de volgende hoofdstukken worden

nagegaan en behoeft hier dus niet te worden besproken.

§ 3 Geschiedkundige ontwikkeling van het internationaal auteursrecht

In de eerste paragraaf is al gelegenheid geweest op te merken, dat

reeds in den tijd der privilegiën de bescherming tegen nadruk--al was

het dan bij uitzondering--zich over meerdere landen kon uitstrekken en

dat zelfs in het midden der achttiende eeuw eene poging is gedaan,

hierover in een tusschen verschillende staten gesloten tractaat

bepalingen te doen opnemen. Doch deze feiten kunnen hoogstens gelden

als voorboden van de internationale regeling, die zich in latere

jaren heeft ontwikkeld, en waarvan de eigenlijke geschiedenis eerst

in de negentiende eeuw aanvangt.

In de meeste beschaafde landen hadden de privilegiën toen plaats

gemaakt voor wetten, die schrijvers en kunstenaars bescherming

verleenden niet meer als uitzondering en bij wijze van gunst, maar

als een voor allen gelijk geldend recht. Doch spoedig zag men in,

dat deze bescherming slechts van weinig waarde was, zoo zij beperkt

bleef tot de grenzen van elk land.

De productie op het gebied van literatuur en kunst had onder veel

gunstiger voorwaarden plaats dan vroeger; de verbetering van het

onderwijs had den kring van lezers op elk gebied belangrijk uitgebreid

en door verschillende uitvindingen was men in staat gesteld, het

drukken en verspreiden van geschriften sneller en goedkooper te doen

geschieden. Gevolg hiervan was, dat in het algemeen het uitsluitend

recht van kopie een veel aanzienlijker waarde vertegenwoordigde

dan voorheen; met het uitgeven van sommige boeken waren schatten

te verdienen. Voegt men hierbij de reusachtige toeneming van het

internationale verkeer en de groeiende beteekenis van de pers, die

ervoor zorgde, dat literaire voortbrengers en hunne producten in korten

tijd over de geheele beschaafde wereld bekend waren, dan heeft men al

genoeg factoren bijeen, die de opkomende behoefte aan internationale

auteursbescherming in de eerste helft der negentiende eeuw verklaren.

De internationale nadruk, vroeger slechts een sporadisch verschijnsel,

werd nu stelselmatig en op groote schaal bedreven. Het feit, dat alleen

in Brussel kort na elkander zich niet minder dan vijf groote huizen

vestigden met een gezamenlijk kapitaal van zes en een half millioen

francs, die zich uitsluitend met het nadrukken van buitenlandsche

boeken bezighielden, moge van den omvang van dit kwaad eenig denkbeeld

geven [141].

Frankrijk, met zijn vruchtbare letterkundige productie en zijne alom

bekende taal, en waar bovendien de prijs der boeken door uitgevers

en boekhandel hoog werd gehouden, had hiervan het meest te lijden,

zoodat het alleszins begrijpelijk is, dat vooral dáár de internationale

beweging tot bescherming der auteurs aanhangers vond en gaande werd

gehouden.

Om de bescherming van het auteursrecht internationaal te maken,

stonden verschillende wegen open.

Men kon vooreerst in de wetgeving van elk land zoodanige bepalingen

opnemen, dat ook auteurs van andere landen, al of niet onder voorwaarde

van reciprociteit, van hare bescherming konden genieten. Dit middel

werd door Frankrijk beproefd met het Decreet van 28 Maart 1852,

hetwelk nadruk in Frankrijk van in het buitenland uitgekomen werken

strafbaar stelt. Doch de resultaten waren gering. Het voorbeeld vond

in andere landen--althans te dien tijde--niet de gewenschte navolging,

zoodat alleen niet-Fransche auteurs, wier werken in Frankrijk gevaar

liepen te worden nagedrukt, erdoor gebaat waren. Bovendien was eene

volkomen gelijkstelling van vreemde auteurs met de Fransche er niet

door verkregen; het decreet werd doorgaans zoo geïnterpreteerd,

dat er geen strafbare nadruk plaats had, wanneer de vreemde auteur

niet in zijn eigen land beschermd was, daar het niet de bedoeling

was geweest, hem in Frankrijk rechten te verleenen, die hij thuis

niet bezat. Voorts had de bepaling alleen betrekking op nadruk,

niet op de schending van uit- en opvoeringsrecht [142].

Een tweede middel om het gewenschte doel te bereiken was de regeling

van het internationaal auteursrecht bij verdrag. In deze richting

slaagde men beter.

Reeds in 1827 waren de leden van den Duitschen Statenbond begonnen

onder elkander tractaten te sluiten tot wederzijdsche erkenning van

het auteursrecht en in 1840 werd het eerste tractaat van dien aard

gesloten tusschen twee landen van verschillende taal: Oostenrijk en

Sardinië. Dit voorbeeld vond spoedig algemeene navolging. Frankrijk

sloot o.a. verdragen met Engeland in 1852, met Spanje in 1853, met

Nederland in 1855, met Denemarken in 1858, met Rusland in 1861, met

Pruisen in 1862 en met Oostenrijk in 1866. Ook zijn uit dien eersten

tijd te vermelden de tractaten tusschen België en Nederland (1858);

tusschen Duitschland en Zwitserland en Duitschland en Italië (1869)

en tusschen Rusland en België (1862). Gestadig nam hun aantal in de

volgende jaren toe, zoodat al spoedig niet alleen de meeste staten

in Europa, maar ook enkele niet-Europeesche aan de internationale

bescherming medewerkten.

Als hoofdbeginsel van al deze tractaten gold, dat de auteurs van het

eene land in het andere land wettelijke bescherming genoten. Voor

het meerendeel lieten zij de wetgevingen der contracteerende rijken

ongerept en verklaarden de bepalingen daarvan alleen toepasselijk op

internationale verhoudingen. Er bestond echter verschil ten opzichte

der systemen, die hierbij gevolgd werden [143].

In de eerste plaats kon men de wet toepasselijk verklaren van het land,

waar het werk voor het eerst was uitgegeven; ten tweede die van het

land, waartoe de auteur behoort, terwijl volgens een derde stelsel de

wet toepasselijk was van het land, waar inbreuk op het auteursrecht

werd gemaakt, óf--wat practisch op hetzelfde neerkomt--waar het

proces daarover plaats had (dus: de lex fori). Deze stelsels werden

om beurten, dan eens meer, dan eens minder streng doorgevoerd, soms in

combinatie met elkander, in de verschillende tractaten toegepast. Dit

moest natuurlijk in de practijk tot moeilijkheden aanleiding geven.

In sommige gevallen, moest de rechter het--dikwijls

ingewikkelde--vreemde recht toepassen; in andere gevallen, als

gevolg van den regel, dat de auteur in andere landen niet meer

rechten kon doen gelden, dan hij in zijn vaderland genoot, eene

moeizame vergelijking maken tusschen het vreemde recht en dat van

zijn eigen land, om de voor den auteur minst gunstige bepalingen te

kunnen toepassen.

Voor schrijvers en uitgevers was het dikwijls zeer moeilijk te weten

te komen, in welke mate hunne werken in de verschillende landen

waren beschermd, temeer daar voor op- en uitvoeringsrecht en voor het

uitsluitend recht van vertaling meestal óf in de wetgevingen óf in de

daarvan afwijkende tractaten afzonderlijke bepalingen golden. Bovendien

hadden zij soms nog, om in andere landen de internationale bescherming

te kunnen inroepen, allerlei formaliteiten te vervullen, naast degenen

die hun eigen wet voorschreef.

Deze en andere bezwaren waren oorzaak, dat in kringen van

belanghebbenden de behoefte begon te worden gevoeld naar meer

eenvormigheid van regelen. Wenschen in dezen zin werden uitgesproken,

o. a. reeds op een internationaal letterkundig congres te Brussel in

1858 en op congressen van kunstenaars te Antwerpen in 1861 en 1877;

ook werden pogingen in dezelfde richting gedaan door de Börsenverein

der deutschen Buchhändler te Leipzig en werd het vraagstuk besproken

op het in 1876 te Bremen gehouden congres van de Association for the

codification and reform of the law of nations. Toen in 1878 te Parijs

tijdens de wereldtentoonstelling vele schrijvers en kunstenaars uit

de geheele wereld bijeen waren, werd daar opgericht de Association

littéraire internationale, voornamelijk met het doel, de beginselen

der auteursbescherming in alle landen te doen doordringen en te

verdedigen en aan verbetering van de internationale regeling mede te

werken. Deze vereeniging, later herdoopt in Association littéraire et

artistique internationale, heeft tot verwezenlijking van de door velen

gewenschte unificatie krachtig medegewerkt. Op haar congres te Rome

in 1882 werd besloten, dat op eene door haar te beleggen conferentie

een plan zou worden uitgewerkt tot stichting van eene internationale

Unie tot bescherming van het auteursrecht. Deze conferentie had plaats

te Bern van 10 tot 13 September 1883, onder voorzitterschap van het

door den Zwitserschen Bondsraad afgevaardigde lid Numa Droz. Een

ontwerp van tien artikelen kwam tot stand, dat aan den Zwitserschen

Bondsraad werd aangeboden, om tot basis te dienen voor een door dit

Lichaam uit te werken conceptverdrag, dat aan het oordeel van eene

diplomatieke conferentie zou worden onderworpen.

De eerste van deze conferentiën had plaats in September 1884 te

Bern onder voorzitterschap van Numa Droz. Aan de uitnoodiging der

Zwitsersche Regeering om zich hier te doen vertegenwoordigen, was

door twaalf staten gevolg gegeven; enkele andere staten hadden,

zonder afgevaardigden te sturen, hunne instemming met het beoogde

doel betuigd.

Nadat het plan, om eene internationale codificatie te ontwerpen,

die de geheele materie, onafhankelijk van de bestaande wetgevingen

op uniforme wijze zou regelen, als voorloopig onuitvoerbaar was ter

zijde gesteld [144], hield de Conferentie zich bezig met het uitwerken

van een ontwerp-verdrag, dat evenals dat van de Association en dat

van den Zwitserschen Bondsraad, hoofdzakelijk op de bepalingen der

verschillende wetgevingen steunde en slechts op enkele punten eene

zelfstandige regeling inhield. Behalve dit ontwerp, dat volgens

het oordeel der Conferentie het minimum van rechten inhield, die de

toetredende landen wederzijds aan de auteurs van werken van kunst en

letterkunde zouden kunnen verleenen [145], gaf de Conferentie nog als

resultaat van haar onderzoek een tweetal beginselen aan, die zij niet

in het ontwerp had opgenomen, doch die zij met het oog op eene vroeg

of laat in te voeren algemeene codificatie van het auteursrecht, in

den vorm van "wenschen" onder de aandacht van alle landsregeeringen

wilde brengen, nl.:

1o. De aan auteurs van kunst- en letterwerken te verleenen bescherming

moest duren gedurende hun leven en minstens dertig jaar na hun dood.

2o. Er moet gestreefd worden naar eene volkomen gelijkstelling van

het vertalingsrecht met het recht op het oorspronkelijke werk [146].

De resultaten dezer eerste diplomatieke Conferentie werden door

de zorgen der Zwitsersche Bondsregeering aan de regeeringen van de

verschillende landen bekend gemaakt, terwijl hun tevens werd verzocht,

aan hunne afgevaardigden op eene tweede te houden samenkomst hierover

definitieve instructies mede te geven.

Deze tweede Conferentie had wederom onder leiding van Numa Droz

te Bern plaats (7-18 September 1885). Ditmaal waren zestien landen

vertegenwoordigd. Na veel beraadslaging en niet dan nadat over en

weer vele concessies waren gedaan, kwam een definitieve tekst voor

het te sluiten verdrag tot stand.

Dit ontwerp werd ten slotte op de derde diplomatieke Conferentie te

Bern (6-9 September 1886) ongewijzigd (behoudens de invoeging van

enkele woorden in art. 7 eerste lid ter verduidelijking) aangenomen

en door de vertegenwoordigers van tien staten onderteekend, nl. van:

België, Duitschland, Engeland, Frankrijk, Haïti, Italië, Liberia,

Spanje, Tunis en Zwitserland. Den 7den September 1887 volgde de

ratificatie (behalve die van Liberia, dat eerst veel later lid van

het Verbond is geworden) en 5 December van hetzelfde jaar trad de

Conventie in werking.

De Convention concernant la création d'une Union internationale

pour la protection des oeuvres littéraires et artistiques, hier te

lande algemeen bekend onder den naam Berner Conventie, is verdeeld in

achttien artikelen, waaraan zijn toegevoegd een additionneel artikel,

regelende de verhouding der Conventie tot de bestaande verdragen,

en een Slotprotocol (nos. 1-7), waarin de bepalingen van sommige

artikelen nader worden verklaard of uitgewerkt. Zooals reeds gezegd,

geeft de Conventie geen algemeene codificatie van het auteursrecht,

doch laat zij de internationale bescherming in de meeste gevallen

afhangen van de wetgevingen der aangesloten landen.

Van de enkele punten, die de Conventie zelf regelt, onafhankelijk

van de landswetten, is verreweg het belangrijkst het uitsluitend

vertalingsrecht. In art. 5 wordt dit aan alle tot een van de

toegetreden landen behoorende auteurs verleend voor den tijd van tien

jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk. Voor deze bepaling

had men groote moeite gehad tot overeenstemming te komen, daar

van ééne zijde (vooral door Frankrijk) op volkomen gelijkstelling

werd aangedrongen van het vertalingsrecht met het recht op het

oorspronkelijke werk, terwijl van den anderen kant er gevaar was,

dat een vertalingsrecht van zoo langen duur voor sommige staten een

reden zou zijn, om niet tot het Verbond toe te treden [147]. Met den

gekozen termijn van 10 jaar hoopte men aan de wenschen van beide

partijen zooveel mogelijk te hebben voldaan; aan staten die een

langer vertalingsrecht wenschten, stond het vrij dit onderling bij

afzonderlijk tractaat vast te stellen.

De zetel van het internationaal Verbond werd gevestigd te Bern. In

art. 16 der Conventie werd voorgeschreven, dat aldaar zou worden

opgericht een Bureau, dat onder de hoede der Zwitsersche Regeering zou

staan, en waarvan inrichting en werkkring nader in het Slotprotocol

(no. 5) werden geregeld.

Reeds dadelijk zag men in, dat de Conventie geen definitieve regeling

bracht: in den loop der jaren waren verbeteringen in de verschillende

wetgevingen te verwachten, waardoor men in staat zou zijn de grenzen

der bescherming verder uit te strekken; het was bovendien te voorzien,

dat deze eerste algemeene regeling gebreken en leemten bevatte,

die duidelijker aan het licht zouden komen, wanneer zij eenigen

tijd in werking zou zijn geweest. Er waren dus in de toekomst

herzieningen te verwachten en men achtte het wenschelijk, hierover

in de Conventie enkele bepalingen op te nemen. Art. 17 bepaalde,

dat deze herzieningen zouden worden besproken op Conferentiën,

achtereenvolgens in de verschillende aangesloten landen te houden,

terwijl het Slotprotocol (no. 6) de bepaling inhield, dat de eerste

Conferentie zou plaats hebben te Parijs, binnen vier tot zes jaar na

de inwerkingtreding der Conventie, dus op zijn laatst in December 1893.

Doch de Fransche Regeering, aan wie het initiatief tot de bijeenroeping

was overgelaten, zag zich door verschillende omstandigheden

genoodzaakt, den datum der samenkomst te verschuiven, zoodat de

Parijsche Conferentie eerst den 15den April 1896 bijeenkwam.

Behalve de reeds aangesloten staten (wier aantal nog met vier was

vermeerderd, n. l. Luxemburg, Monaco, Montenegro [148] en Noorwegen)

waren ook die nog geen deel uitmaakten van het Verbond, door de

Fransche Regeering uitgenoodigd zich te doen vertegenwoordigen, aan

welke uitnoodiging er niet minder dan veertien gehoor hadden gegeven.

Als leiddraad voor de werkzaamheden der Conferentie had de Fransche

Regeering in samenwerking met het Bureau van Bern een programma

van wijzigingen opgesteld, dat met eene stelselmatig gerangschikte

opgave van de verschillende wenschen, die door vereenigingen van

letterkundigen en kunstenaars van allerlei landen in de laatste jaren

op congressen en vergaderingen waren geuit, aan de Regeeringen der

verschillende landen was toegezonden [149]. Doch ondanks alle daarvoor

gedane moeite is men er te Parijs niet in kunnen slagen, in het

oorspronkelijke te Bern gesloten verdrag wijzigingen aan te brengen,

daar de hiervoor in art. 17 lid 3 voorgeschreven eenstemmigheid niet

kon worden verkregen. Op het voorstel der Commissie [150] werden nu

de resultaten der Conferentie in twee afzonderlijke acten neergelegd,

die het elken staat vrij zou staan al of niet te aanvaarden, n.l.:

Eene Additionneele Acte, die wijzigingen brengt in de artt. 2, 3, 5,

7, 12 en 20 der Conventie en in no. 1 en 4 van het Slotprotocol, en

Eene "Verklaring" (Déclaration), die eene interpretatie geeft van

enkele bepalingen der Berner Conventie en der Parijzer Additionneele

Acte.

Bovendien werden door de Conferentie in de vergadering van 1 Mei

1896 een vijftal wenschen uitgesproken, die echter niet in een der

officieele stukken opgenomen zijn [151].

De Additionneele Acte werd door alle staten behalve Noorwegen,

de Verklaring door alle behalve Engeland onderteekend. Van de later

toegetreden staten hebben Japan en Denemarken naast de Berner Conventie

de beide Parijsche stukken aanvaard; Zweden alleen de Verklaring,

niet de Additionneele Acte.

De belangrijkste bepaling van de Additionneele Acte van Parijs, die

ook de reden is, dat Zweden en Noorwegen er niet toe hebben willen

toetreden, betreft het vertalingsrecht, dat in tijdsduur met het

auteursrecht op het origineel wordt gelijk gesteld, onder voorwaarde

echter, dat de auteur binnen tien jaar na de eerste uitgave van zijn

werk eene vertaling laat verschijnen (Add. Acte art. 1, III).

Voor de landen, die de Acte hebben onderteekend, was hiermede

dus een belangrijke uitbreiding der internationale bescherming

tot stand gekomen, die door velen werd gewenscht. Overigens heeft

begrijpelijkerwijze het resultaat van de Conferentie van Parijs geen

aanleiding gegeven tot algemeene tevredenheid. De eenheid der Unie

was er door de nieuw-toegevoegde bepalingen niet op vooruitgegaan en

de gedelegeerden te Parijs zijn de eersten geweest, om het nadeel

hiervan te erkennen; althans zij spraken de wenschelijkheid uit:

"dat de beraadslagingen van de eerstvolgende Conferentie tot de

aanneming van één enkelen tekst der Conventie zouden leiden" [152].

Als plaats voor deze Conferentie werd Berlijn aangewezen en als tijd

van samenkomst minstens zes en hoogstens tien jaar na de Conferentie

van Parijs [153]. Doch ook nu bleek men den termijn te kort gesteld

te hebben en in plaats van uiterlijk in 1906, kwam de Berlijnsche

Conferentie eerst den 14den October 1908 bijeen.

Van de zeventien Verbondslanden (waarbij ook Liberia is gerekend,

dat zich twee dagen na het samenkomen der Conferentie aansloot),

waren er zestien vertegenwoordigd. Haïti had geen vertegenwoordiger

gestuurd, doch zich bij voorbaat vereenigd met alles, wat te Berlijn

zou worden besloten [154]. Bovendien waren er vertegenwoordigers van

negentien niet-aangesloten landen.

De voorbereiding der beraadslagingen was ditmaal door de Duitsche

Regeering in samenwerking met het Internationale Bureau geschied. Op

een veertiental punten werden wijzigingen voorgesteld [155] en

een ontwerp voor één enkele tekst der Conventie werd geredigeerd,

waarin deze wijzigingen waren opgenomen [156]. Bovendien was nog

van de Fransche Regeering een voorstel ingekomen betreffende de

reproductie door middel van photographie en kinematograaf en een

voorstel van de Japansche Regeering, strekkende om de vertaling

in en uit het Japansch volkomen vrij te laten [157]. Naast deze

officieele herzieningsvoorstellen, die met de daarbij gevoegde

memoriën van toelichting als het ware de schriftelijke inleiding

vormden voor de beraadslagingen te Berlijn, waren ook nu weer door

verschillende vereenigingen en congressen wenschen uitgesproken en

wijzigingsvoorstellen geformuleerd. De onvermoeide Association had

op haar congres in Augustus 1907 te Neuchatel gehouden, een volledig

herzieningsontwerp samengesteld, dat met eene memorie van toelichting

aan de Regeeringen van alle Verbondslanden was toegezonden [158]. Ook

van de wenschen van andere genootschappen hadden de verschillende

Regeeringen zich op de hoogte kunnen stellen, daar hiervan wederom,

evenals in 1896, door de zorgen van het internationale Bureau te Bern

eene verzameling was verschenen [159].

Dat het groote moeite zou kosten om te Berlijn, overeenkomstig den op

de Conferentie van Parijs uitgesproken wensch, één enkelen tekst der

Conventie aangenomen te krijgen, waarmede alle aangesloten staten

zich zouden kunnen vereenigen, was gemakkelijk te voorspellen. En

hoewel er hard voor is geijverd, heeft deze wensch ook niet volkomen

in vervulling mogen gaan. Wel werd tenslotte een herzieningsontwerp

aangenomen, dat bestemd is alle vroeger gemaakte bepalingen

(dus zoowel die van Bern als Parijs) te vervangen, doch voorgoed

afgeschaft waren deze laatsten daarmede nog niet. Ten behoeve van

sommige Verbondslanden, die zich niet met alle aangenomen hervormingen

konden vereenigen, en vooral ook om den staten, die nog geen deel

van het Verbond uitmaken, het toetreden niet te zeer te bemoeilijken,

werd nl. in de nieuwe Conventie de bepaling opgenomen, dat elke staat

bij de bekrachtiging ervan zich zou kunnen voorbehouden, op bepaalde

punten nog gebonden te blijven door de oude Conventieteksten. Men heeft

daarom niet geheel zonder recht, van hetgeen de Berlijnsche Conferentie

tot stand heeft gebracht kunnen zeggen, dat het niet zoozeer is een

bindend verdrag dan wel eene Model-Conventie [160], daar het immers

iederen staat vrijstaat er alleen die bepalingen uit te kiezen, welke

hem bevallen, terwijl hij voor het overige bij het oude kan blijven.

De hervormingen, welke de nieuwe Conventie heeft gebracht, zijn

intusschen niet zonder belang. Het uitsluitend vertalingsrecht is

volkomen met het auteursrecht gelijkgesteld; voor den duur van het

auteursrecht in het geheele Verbond is één uniforme hoofdtermijn

vastgesteld nl. vijftig jaar na den dood des auteurs; photographieën,

werken der bouwkunst, balletten en pantomimes zijn onder de beschermde

producten opgenomen en op verschillende belangrijke onderdeelen,

als bv. het journalistiek auteursrecht, het op- en uitvoeringsrecht

van tooneel- en muziekwerken, de reproductie door middel van

muziekinstrumenten en van den kinematograaf, zijn de grenzen der

auteursbescherming deels uitgebreid, deels scherper getrokken. Groote

verbetering is ook gebracht in de stelselmatige volgorde der artikelen

en in de redactie van sommige bepalingen, die in de vroegere stukken

wel eens aan duidelijkheid en beknoptheid te wenschen overliet.

Doch, zooals gezegd, de Berlijnsche Conferentie heeft de invoering

van al deze hervormingen slechts mogelijk gemaakt; of ze werkelijk

ingevoerd zullen worden hangt af van het gebruik, dat de verschillende

staten zullen maken van de hun gelaten vrijheid om sommige der

nieuwe bepalingen niet te aanvaarden. Van de groote meerderheid der

nu-aangesloten staten kan worden verwacht, dat zij de nieuwe Conventie

in haar geheel en onvoorwaardelijk zullen bekrachtigen; het staat

echter vast dat allen hiertoe niet--tenminste niet binnen kort--zullen

overgaan. Zoolang dit laatste niet het geval is, blijft natuurlijk de

oude Berner Conventie met al hare aanhangsels (Additionneel Artikel en

Slotprotocol benevens de Parijzer Additionneele Acte en "Verklaring")

nog bestaan.

Een voordeel van het te Berlijn ingevoerde systeem is, dat er

in de komende jaren geleidelijk verbetering kan worden gebracht

in den toestand van het Verbond, zonder dat hiervoor telkens eene

herzienings-Conferentie noodig is. Ten allen tijde kunnen de staten,

die nog op sommige punten bij de oude bepalingen zullen zijn gebleven,

hiervan afzien en tot de nieuwe Conventie in haar geheel toetreden

en telkenmale wanneer dit geschiedt, zal men weer een stap verder

zijn gekomen tot de zoozeer gewenschte eenheid in de Unie. Dit neemt

natuurlijk niet weg, dat ook herzienings-Conferentiën in de toekomst

noodig blijven; men heeft daarom te Berlijn voor de eerstvolgende

tijd en plaats weer vastgesteld: zij zal gehouden worden te Rome,

op zijn vroegst in 1914, op zijn laatst in 1918.

Voorloopig echter is de meeste verbetering te verwachten, niet van

nieuwe wijzigingen in den tekst der Conventie, maar van hervormingen

der binnenlandsche wetgevingen. Zoolang deze onder elkander nog

zooveel belangrijke punten van verschil blijven vertoonen, kan van

versterking der eenheid in de Unie moeilijk sprake zijn.

Ook hieraan heeft de Association haar aandacht gewijd en hare pogingen

om in deze richting verbetering te brengen, komen mij belangrijk

genoeg voor om hier te worden vermeld.

Nadat op haar in 1895 te Dresden gehouden Congres de beginselen waren

besproken, die als basis zouden kunnen dienen om in de wetgevingen

van de tot het Verbond behoorende landen eenheid te brengen, heeft

eene Commissie uit haar midden zich daarna beziggehouden met het

opstellen van een ontwerp model-wet (loi-type) met deze beginselen tot

grondslag. Dit ontwerp maakte op de volgende congressen herhaaldelijk

het onderwerp van belangrijke besprekingen uit en werd in den loop

der jaren ook op enkele punten gewijzigd. Op het Congres te Parijs

in 1900 heeft de heer Georges Maillard, die een belangrijk aandeel

in deze werkzaamheden heeft genomen, doel en strekking hiervan nog

eens uiteengezet [161]. Hij heeft er toen op gewezen, dat het ontwerp

niet moet beschouwd worden als eene model-wet in dien zin, dat het,

theoretisch gesproken, eene ideaal-regeling zou geven. De samenstellers

hebben slechts de bedoeling gehad, de voornaamste elementen tot een

geheel te vereenigen, waarover h. i. kans bestaat, dat de wetgevers

der beschaafde staten het binnen afzienbaren tijd eens zullen

kunnen worden. Het geeft dus niet die mate van bescherming, welke de

Association in het algemeen wel zou wenschen (uit de besprekingen op

hare congressen van verschillende auteursrecht-kwestiën blijkt, dat

de meerderheid harer leden op de meeste punten nog verder wil gaan);

doch het minimum, dat zij binnenkort voor alle staten bereikbaar

acht. Wat den vorm en het systeem van dit ontwerp betreft: het is

niet de bedoeling der samenstellers geweest, dat de tekst woord voor

woord in alle landen tot wet zou worden gemaakt. Slechts de beginselen

worden er in geregeld; waar men de beslissing van sommige punten liever

niet aan den rechter overlaat (hierbij dacht men zeker vooral aan

Duitschland), zullen de meeste bepalingen nog aanvulling behoeven. Het

geheele ontwerp bestaat dan ook slechts uit zestien artikelen.

Al draagt dit ontwerp dus een volkomen officieus karakter, en al

is de kans zeer gering, dat het eerlang door een of meer staten in

zijn geheel wordt overgenomen, toch moet zijne beteekenis niet worden

onderschat. Daar het het uitvloeisel is van jarenlange bestudeering

door bij uitstek daartoe bevoegden en eenerzijds aan de wenschen

van een groote groep schrijvers en kunstenaars (d. w. z. auteurs)

uit verschillende landen uitdrukking geeft, terwijl andererzijds

slechts wat practisch bereikbaar scheen erin opgenomen is, bevat het

voor de wetgevers een aantal wenken, die in elk geval bijzondere

aandacht verdienen [162]. In den loop van dit proefschrift zal ik

nog verschillende malen naar de bepalingen van dit ontwerp hebben te

verwijzen; met het oog hierop heb ik ook gemeend den jongsten tekst

ervan, vastgesteld te Parijs in 1900, hierachter onder de bijlagen

te moeten opnemen.

De rol, die ons land in de internationale beweging tot bescherming

van het auteursrecht heeft gespeeld, is tot nu toe hoogst bescheiden

geweest.

In de jaren, dat de Europeesche staten begonnen met het sluiten van

tractaten op het auteursrecht, scheen Nederland niet achter te zullen

blijven. Reeds in 1840 werd in een handels- en scheepvaarttractaat met

Frankrijk de bepaling opgenomen, dat de letterkundige eigendom over en

weer zou worden gewaarborgd. Een afzonderlijk tractaat zou dit nader

regelen. Dit tractaat kwam tot stand den 29sten Maart 1855 [163]. Vijf

jaar later werd er door eene Additionneele Overeenkomst de bepaling

aan toegevoegd, dat de uitgave in Nederland van bloemlezingen van

Fransche schrijvers, welke bestemd zijn voor het onderwijs, geoorloofd

zou zijn. In 1884 is het, na korten tijd buiten werking te zijn geweest

(krachtens de bepaling van art. 11 derde lid), weer in werking gesteld

door eene tusschen Nederlanden Frankrijk uitgewisselde Verklaring

[164]. Daarbij werd het tractaat ook toepasselijk verklaard in de

wederzijdsche koloniën, terwijl de bescherming tevens werd uitgebreid

tot de muziekwerken.

Met België werd 30 Augustus 1858 een tractaat gesloten [165], dat

bijna gelijkluidend is aan dat van 1855 met Frankrijk.

Een tractaat met Spanje werd gesloten 31 December 1862 [166]; dit werd

echter reeds tegen 4 Februari 1880 opgezegd, waarna het, na eerst nog

enkele malen, telkens voor zes tot acht maanden, te zijn verlengd,

den 4den October 1882 voorgoed buiten werking is gesteld [167].

Met andere staten heeft Nederland geen verdragen gesloten, hoewel

daartoe meer dan eens moeite is gedaan, vooral van den kant van

Duitschland. Met laatstgenoemd land was zelfs in 1884 reeds een verdrag

door onze Regeering gesloten, dat echter nooit is bekrachtigd, daar

de Regeering inzag, dat het de goedkeuring der Tweede Kamer niet

zou verwerven.

De erkenning van het internationaal auteursrecht in ons land beperkt

zich dus tot de werken uit Frankrijk en België. Deze bescherming is nog

binnen zeer enge grenzen gehouden. Beide tractaten verhinderen alleen

den nadruk van wetenschappelijke of letterkundige werken (art. 1),

dat met Frankrijk, krachtens de Verklaring van 1884, ook dien van

muziekwerken. Een uitsluitend vertalingsrecht wordt door deze tractaten

in het geheel niet verleend. Het tractaat met België is in dit opzicht

zeer duidelijk (art. 3 eerste lid); ten aanzien van het Fransche zou

men nog in twijfel kunnen verkeeren. In art. 1 wordt bepaald, dat het

auteursrecht ("het recht van eigendom of van kopij"), hetwelk de wet

van het ééne land waarborgt of in het vervolg zal waarborgen, op het

grondgebied van het andere land kan worden uitgeoefend "gedurende

denzelfden tijd en binnen dezelfde grenzen als in dat andere land

het recht wordt uitgeoefend, 'twelk aan de schrijvers van de aldaar

uitkomende werken van gelijken aard is toegekend". Deze rechten kunnen

echter niet uitgebreider zijn dan die, welke de wetgeving van het land

waartoe de schrijver of zijne rechtverkrijgenden behooren, toekent. Nu

wordt in Frankrijk het uitsluitend vertalingsrecht weliswaar niet

uitdrukkelijk in de wet erkend, doch wél bestaat in dat land eene

vaste jurisprudentie, volgens welke onder de réproduction, die in

strijd is met het auteursrecht, ook moet verstaan worden reproductie

in eene andere taal. [168] Feitelijk bestaat dus een uitsluitend

vertalingsrecht volgens het Fransche recht en wel een van even langen

duur als het auteursrecht op het oorspronkelijke werk. Men zou dus

hieruit kunnen afleiden, dat volgens ons tractaat met Frankrijk de

in dat land uitgekomen werken ook in Nederland tegen vertalingen

zijn beschermd, voorzoover tenminste ook volgens Nederlandsch recht

een vertalingsrecht zou bestaan, dus niet langer dan vijf jaar na de

uitgave. Bij de beraadslagingen over het tractaat in ons parlement is

echter door den minister van buitenlandsche zaken herhaaldelijk en

met nadruk betoogd, dat het uitgeven van vertalingen van Fransche

werken in ons land door het tractaat niet wordt verboden. Het,

m. i. sterkste, argument, dat hiervoor werd aangevoerd, was dit, dat

de Fransche Regeering, die eerst van de Nederlandsche de erkenning

van het uitsluitend vertalingsrecht trachtte te bedingen, later, toen

hiertegen van onze zijde bedenkingen waren ingebracht, uitdrukkelijk

verklaard heeft, dat zij van haar vroeger verlangen afzag. Als gevolg

hiervan werd in het tractaat eene uitdrukkelijke bepaling ten aanzien

van het voorbehoud van het vertalingsrecht, die in tractaten, welke

Frankrijk met andere landen had gesloten, wél voorkomt, niet opgenomen

[169]. Men mag het er dus voor houden, dat het tractaat het vertalen

geheel vrijlaat en daarmede is tevens gezegd, dat de bescherming,

welke het verleent, in de practijk weinig beteekent.

Volledigheidshalve wil ik hier nog melding maken van eene Proclamatie

van 20 November 1899 van den President der Vereenigde Staten van

Noord-Amerika, waarbij de wet van 3 Maart 1891 (nu vervangen door die

van 4 Maart 1909) ook op Nederlanders wordt toepasselijk verklaard. Het

zou mij te ver voeren de beteekenis hiervan volledig uiteen te zetten;

het zij voldoende hierbij aan te stippen, dat de Nederlandsche auteurs

als gevolg hiervan voor hunne hier te lande verschenen werken onder

bepaalde voorwaarden (o. a. die dat binnen een zekeren termijn eene

nieuwe uitgave van het werk in de Vereenigde Staten verschijne)

aldaar de bescherming der wet genieten. Daar echter Nederland

geenerlei verplichting daartegenover heeft op zich genomen, worden

de onderdanen der Vereenigde Staten hier te lande, wat de erkenning

van hun auteursrecht betreft, volkomen op dezelfde wijze behandeld

als die van alle andere staten, waarmede geen tractaten zijn gesloten.

Dezelfde oppositie, die zich hier te lande tegen het sluiten van

doeltreffende bijzondere tractaten (zooals b. v. dat met Duitschland in

1884) deed hooren, en die voornamelijk is gericht tegen de erkenning

van een uitsluitend vertalingsrecht voor in het buitenland uitgekomen

werken, is ook oorzaak geweest, dat ons land zich tot nu toe niet bij

de Berner Conventie heeft aangesloten. Op de eerste Conferentiën van

Bern (van 1884 en 1885) was ons land wel vertegenwoordigd, n.l. door

den Consul-Generaal B. L. Verwey, die ook het in 1885 vastgestelde

Ontwerp heeft onderteekend [170]. De bekrachtiging van Nederland is

echter uitgebleven.

Op de Conferentie van Parijs heeft ons land, hoewel het daartoe was

uitgenoodigd, geene vertegenwoordigers afgevaardigd.

Intusschen werd de strijd tusschen de voor- en tegenstanders

van onze aansluiting bij het Internationale Verbond van de zijde

der eerstgenoemden met steeds aangroeiende kracht en overtuiging

gevoerd. In 1898 werd opgericht een Berner Conventie Bond, die naast

vele letterkundigen en kunstenaars ook verschillende invloedrijke

vereenigingen onder zijne leden telt; eenige jaren later (in 1905)

kwam de Vereeniging van Letterkundigen tot stand, welk lichaam zich

ook spoedig deed kennen als een ijverig strijder voor onze aansluiting

[171]. In de Tweede Kamer was het vooral Professor van der Vlugt,

die voor onze aansluiting ijverde; eene motie, welke door dezen

afgevaardigde werd ingediend [172], waarin aan de Regeering werd

verzocht daartoe zoo spoedig mogelijk de noodige stappen te doen,

is echter nooit in behandeling gekomen.

De houding onzer tegenwoordige Regeering tegenover dit vraagstuk

is niet meer twijfelachtig. Een jaar geleden gaf zij reeds blijk,

van onze aansluiting tot het Verbond niet afkeerig te zijn, door

afgevaardigden te zenden naar de Berlijnsche Conferentie. Ons land

is aldaar vertegenwoordigd geweest door: Mr. F. W. J. G. Snijder van

Wissenkerke, directeur van het Bureau voor den industrieelen eigendom,

Mr. L. J. Plemp van Duiveland, hoofdredacteur van de Nieuwe Courant,

Herman Robbers, bestuurslid van de Vereeniging van Letterkundigen

en W. P. van Stockum, uitgever. Hoewel deze gedelegeerden slechts

ad audiendum de zittingen der Conferentie bijwoonden, is toch hunne

tegenwoordigheid te Berlijn niet zonder beteekenis geweest. Mr. Snijder

van Wissenkerke legde er namens de Nederlandsche Regeering de

verklaring af, dat deze onze aansluiting oprecht wenschte te

bevorderen, en dat het voornamelijk van de resultaten der Conferentie

af zou hangen, of zij hierin binnenkort zou slagen [173]. De andere

ter Conferentie vertegenwoordigde staten toonden van hun kant, dat

zij hiertoe wenschten mee te werken. Het was ongetwijfeld voornamelijk

met het oog op ons land, dat in de herziene Conventie de bepaling werd

opgenomen, die aan de staten, welke nog tot het Verbond wenschen toe

te treden, daartoe de mogelijkheid opent, zonder dat zij gedwongen

zijn alle hervormingen van Berlijn te aanvaarden.

Dat onze Regeering het met haar voornemen ernstig meent, blijkt uit

het in dit najaar verschenen Oranjeboek [174], waarin de indiening

van een wetsontwerp in uitzicht wordt gesteld, dat tot de toetreding

van Nederland machtiging verleent. Zoo schijnt dus eindelijk dit

vraagstuk zijne definitieve oplossing te naderen.

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 28 / 215 题