§ 1 De bescherming tegen den nadruk in ons land tot aan het einde
der achttiende eeuw
Den voortbrengers van intellectueele producten (werken van kunst en
letterkunde) komt, op grond van hun auteurschap, het vrije genot van
de door hen geschapen geesteswerken toe en daarmede het recht, over de
exploitatie dezer werken uitsluitend te beschikken. Dit is de thans
vrijwel algemeen erkende grondregel, waarvan bij de regeling van het
auteursrecht dient te worden uitgegaan en die in dit proefschrift
nog herhaaldelijk van verschillende kanten zal worden toegelicht
en uitgewerkt.
Dat dit niet van oudsher zoo is ingezien, vindt zijne oorzaak niet
in de auteursproducten zelf--het is algemeen bekend, dat reeds in de
oudheid literatuur en beeldende kunst bij sommige volken tijdperken
van grooten bloei hebben gehad--maar in de wijzen, waarop die producten
geëxploiteerd kunnen worden.
De belangrijke gebeurtenis, die in dit opzicht verandering bracht, was
de uitvinding der boekdrukkunst. Het staat vast, dat daarvóór van het
toekennen van uitsluitende rechten op de exploitatie van intellectueele
producten nooit sprake is geweest. Men heeft zich hierover wel
verwonderd, omdat ook vóór de boekdrukkunst verveelvoudiging van
boeken reeds op groote schaal plaats had.
In het oude Rome b.v. waren reeds "bibliopolae" gevestigd, die
honderden slaven als overschrijvers in hun dienst hadden, zoodat
het aantal afschriften, dat van eenzelfde boek--soms in zeer korten
tijd--verspreid kon worden, zeker niet geringer was dan dat van
de gedrukte exemplaren, die een uitgever kort na de uitvinding der
boekdrukkunst in denzelfden tijd kon afleveren [1].
Ook in de Middeleeuwen kon aan de steeds toenemende vraag naar boeken
door de overschrijvers genoegzaam worden voldaan; in verscheidene
steden van Europa, o. a. Venetië, Parijs en Londen, waren huizen
gevestigd, waar dit bedrijf, evenals vroeger in Rome, in het groot
werd uitgeoefend. In ons land waren het vooral de talrijke Broeders
des gemeenen levens, die zich hierop toelegden en daaraan zelfs den
naam "Broeders van de penne" te danken hadden [2].
De exploitatie van letterkundige producten was dus ook vóór de
toepassing der boekdrukkunst reeds van beteekenis; toch laat het
zich wel verklaren, dat men er in die tijden niet toe gekomen is,
een uitsluitend recht op kopie te scheppen.
In de eerste plaats zou een dergelijk recht practisch waarschijnlijk
van weinig beteekenis zijn geweest, daar het in de meeste gevallen
niet mogelijk zou zijn een inbreuk erop te constateeren; bovendien
zou het uitsluitend tot bescherming hebben gediend van degenen
die een groot aantal overschrijvers in dienst hadden; op zichzelf
staande personen, die in het overschrijven een middel van bestaan
vonden, zou het onmogelijk hebben gemaakt. Doch de voornaamste
reden moet gezocht worden in het feit, dat bij verveelvoudiging
door overschrijvers de te behalen winst niet afhangt van het aantal
exemplaren, dat van hetzelfde boek verkocht kan worden, zooals dat
bij toepassing van den druk het geval is. Er worden niet, zooals
bij het drukken, bijzondere kosten vereischt voor de bewerking van
nieuwe kopie, zoodat daarvoor ook geene vergelding behoeft te worden
gezocht in den verkoop van zooveel mogelijk exemplaren van hetzelfde
boek. Het vervaardigen van afschriften kon geleidelijk plaats hebben
in overeenstemming met de vraag; zoodra een werk geen koopers meer
vond, kon de reproductie zonder schade worden gestaakt en een ander
ter hand worden genomen. Werd van dezelfde kopie door anderen gebruik
gemaakt om afschriften in den handel te brengen, dan leed de eerste
uitgever hierdoor geen meerdere schade dan door elke andere daad
van concurrentie.
De drukker-uitgever echter wordt door nadruk van een door hem
uitgegeven boek veel zwaarder getroffen.
Het in druk uitgeven van een geschrift is--en was vooral te dien tijde,
toen de drukkunst nog in haar opkomst was--altijd min of meer een
waagstuk. Daar men meestal niet op den verkoop van een vast aantal
exemplaren kan rekenen, blijft de kans bestaan, dat met verlies zal
worden gewerkt. Vandaar dat het den uitgever er vóór alles om te doen
is, kopie machtig te worden, waarmede eene flinke oplage kan worden
gewaagd. Doch de moeite en kosten daaraan besteed zullen hem weinig
baten, wanneer het ieder vrijstaat, zijn boek na te drukken. De
nadrukker kiest natuurlijk juist de werken uit, waarmede winst zou
zijn te behalen; door de prijs zijner exemplaren iets lager te stellen
dan die der oorspronkelijke uitgave, trekt hij de meeste koopers naar
zich toe.
Toen de toepassing der boekdrukkunst meer algemeen begon te worden,
zag men dan ook spoedig in, dat het stelsel van vrij gebruik van kopie,
waaronder het bedrijf der overschrijvers tot bloei had kunnen komen,
aan de ontwikkeling der boekdruk-industrie in den weg stond. Om dit
kwaad te keeren, werd toen van overheidswege de meest voor de hand
liggende maatregel genomen: iemand die een boek in druk wenschte
te doen verschijnen, kon op een daartoe gedaan verzoek octrooi
of privilegie krijgen, dat boek gedurende een bepaalden tijd met
uitsluiting van ieder ander te mogen drukken en verkoopen.
De privilegiën zijn in de meeste landen tot aan het einde der
achttiende eeuw vrijwel het eenige beschermingsmiddel tegen den nadruk
gebleven. Het recht--al was het dan een uitzonderingsrecht--der
privilegie-houders heeft vele punten van gemeenschap met het
auteursrecht en komt in omvang en strekking vrijwel overeen met het
kopierecht van de tegenwoordige wetten; het tijdperk der privilegiën
en octrooien is dus te beschouwen als de eerste periode in de
ontwikkelingsgeschiedenis van het auteursrecht. Om die reden moge er
hier, voorzoover ons land betreft, eene bespreking van volgen.
Voor het eerst schijnt in ons land een privilegie te zijn verleend
in het jaar 1516 door Karel V voor Die Cronycke van Hollandt,
Zeelandt en Vrieslant, beghinnende van Adams tiden tot de jare 1517
[3]. Van dat jaar af zal waarschijnlijk hier steeds de gelegenheid
hebben opengestaan voor de boekdrukkers en uitgevers, om zich op
deze wijze tegen den nadruk te doen beschermen. Aanvankelijk werden
de privilegiën hier verleend door den Vorst over deze landen: door
Karel V en na dezen door Philips II. Uit dien eersten tijd heb ik
er slechts enkele kunnen ontdekken [4], doch het schijnt toen al
niet tot de groote zeldzaamheden te hebben behoord dat zij werden
verleend, want reeds in eene keizerlijke verordening van 19 Mei 1570
komt de bepaling voor (art. 13): "dat geen Printer eenig boek zal
mogen printen, waarom een ander privilegie verkregen heeft, binnen
drie maanden na den dag van expiratie van 't privilegie."
Toen het gezag van Philips II hier niet meer werd erkend, verleenden
de Staten de privilegiën zelf.
Ook op dit punt komt de eigenaardige verhouding aan het licht, die
tot aan het einde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden bestond
tusschen de Staten-Generaal en de Provinciale Staten, speciaal die
van Holland, doordat elk dezer lichamen het souvereine gezag zooveel
mogelijk naar zich wilde trekken. Zoowel door de Provinciale Staten
als door de Generaliteit werden privilegiën verleend; de eersten
waren natuurlijk slechts in ééne provincie van kracht, de laatsten
golden, voorzoover zij niet uitsluitend voor de Generaliteitslanden
waren bestemd, in de geheele Republiek. Doch de rechtskracht van de
privilegiën der Staten-Generaal werd niet steeds in alle provinciën
erkend. Dit bleek o. a. toen de Staten-Generaal in 1632 aan de weduwe
van Hillebrant Jacobsz, van Wouw een privilegie hadden verleend voor
de Statenvertaling van den bijbel, hetgeen protesten uitlokte van
verschillende boekverkoopers in de Hollandsche steden, "... als niet
konnende verstaen dat de Staten Generael macht hadden om Octroy te
geven aen d'eene, ende verbot te doen aen d'andere..." enz. [5]. Door
de Steden van Holland werd tegen dit octrooi aangevoerd, "dat sulcks
niet konde prejudiceren aen de Provinciën of Leden van dien, of om
korter te spreken, dat haer Ho. Mo. geen macht hadden sulcken octroy
te gheven." [6] Wel werd in 1639 door de Staten-Generaal het gegeven
octrooi "geconfirmeert," maar dit belette niet, dat de bijbel door
verscheidene Hollandsche boekdrukkers werd nagedrukt [7].
Na dit voorval kwam het in gebruik, voor de door de Staten-Generaal
verleende privilegiën in de verschillende provinciën attache aan
te vragen; in sommige privilegiën vindt men zelfs de verplichting
hiertoe uitdrukkelijk door de Staten-Generaal voorgeschreven [8]
en van Aitzema meldt, dat sinds dien tijd geen octrooi van de
Staten-Generaal in Holland van waarde is geweest zonder attache
[9]. Of dit tot aan het einde der Republiek zoo is gebleven, is mij
onbekend; in elk geval staat vast, dat de Staten-Generaal doorgingen
met het verleenen van privilegiën voor de geheele Republiek, zooals
uit het onderstaande herhaaldelijk zal blijken.
Om een privilegie te verkrijgen, was het gebruikelijke middel het
inzenden van een request, waarin titel en schrijver van het werk
werden vermeld, soms met eene korte aanduiding van den inhoud. Een
placcaat van de Staten van Holland van 9 Januari 1686 [10] bepaalde,
dat in een dergelijk request de naam van het boek moest worden vermeld;
werd voor meerdere boeken tegelijk octrooi aangevraagd, dan kon met
één request worden volstaan, zoo het allen werken van eenzelfden
auteur waren en zij voor den druk gereed waren; anders moesten er
evenveel requesten worden ingestuurd als er auteurs waren.
Van den inhoud van het geschrift namen de Staten dus in den regel
vóór het verleenen van het octrooi geen kennis; meestal stond in het
octrooi de uitdrukkelijke verklaring, dat er in geenen deele alles
mede werd "geapprobeerd" wat in het boek te lezen stond. Bleek later,
dat een geprivilegieerd boek aanstootelijke zaken inhield, dan kon
het privilegie steeds worden ingetrokken, zooals o. a. in 1677 met
de Historie der Reformatie van Brandt geschiedde en in 1762 met den
Emile van Rousseau.
In den regel werd een verzoek om octrooi toegestaan, doch niet altijd
zóó als de requestrant het had verzocht; soms werd het b.v. verleend
voor een korteren termijn dan gevraagd was of werd slechts het recht
gegeven voor het drukken van het boek in ééne taal, hoewel het verzocht
was voor alle talen [11].
Het gebeurde echter ook, dat het octrooi werd geweigerd [12]; de
reden hiervoor is niet altijd na te gaan. Soms was het, omdat voor
hetzelfde werk of een van soortgelijken aard reeds octrooi aan een
ander was verleend. In de vergadering der Staten van Holland van
13 Maart 1749 werd eene aanvraag om octrooi voor afbeeldingen van
verschillende verlichtingen en versieringen in den Haag afgewezen,
omdat het gevraagde octrooi was "sonder eenige bepaalinge, maar
in tegendeel soo generaal, dat daar soo nu als in het vervolg veele
andere Ingezeetenen van deese Provincie souden konnen werden toegebragt
nadeel en prejuditie... etc." [13].
Dat voor Hugo de Groots Inleydinge tot de Hollantsche rechtsgeleertheyt
in de jaren 1628 en 1629 vergeefs getracht werd zoowel bij de
Staten-Generaal als bij de Staten van Holland octrooi te verkrijgen,
schijnt uitsluitend te moeten worden toegeschreven aan de vijandige
gezindheid der Staten-leden jegens den auteur [14].
Niet altijd werd terstond op het request eene beslissing genomen;
zoo bij eene aanvraag om octrooi voor eene vertaling van Hugo de
Groots De vrye seevaert, etc.: "Is goetgevonden, alvoeren hierop
te disponeren, dat men de voorsz. translatie sal stellen in handen
D. Grotii, omme te verstaen off deselve translatie hem gevalt"
[15]. Een andere maal werd het octrooi voorwaardelijk toegestaan
b.v. door de Staten-Generaal in 1609 voor eene vertaling van de werken
van Will. Perkinsy: "... indien den predicant Mensevoet hiertoe vorens
egeen privilegie en is geaccordeert" [16].
Men behoefde voor het verkrijgen van een privilegie niet te betalen,
doch de Staten van Holland eischten voor elk door hen geprivilegieerd
werk een exemplaar voor de Leidsche Universiteits-bibliotheek. Verzuim
hiervan werd gestraft met eene boete van 600 gld en intrekking van
het octrooi [17]. Evenzoo bepaalden de Staten van Gelderland in eene
resolutie van 2 October 1738, dat van elk boek dat door de Geldersche
Staten was geprivilegieerd, een exemplaar aan de bibliotheek van de
provinciale academie te Harderwijk moest worden afgestaan [18].
De privilegiën werden vooral verleend voor geschriften van
allerlei soort; niet alleen voor wetenschappelijke werken,
gedichten, reisbeschrijvingen, enz., maar ook voor almanakken,
"schrijfkonstboucken", officieele stukken, zooals placcaten,
resolutiën, ordonnantiën, enz. enz.; oorspronkelijkheid of nieuwheid
was geen vereischte: voor boeken van lang gestorven schrijvers,
o. a. de klassieke Romeinen werden dikwijls privilegiën verleend,
evenzoo voor vertalingen en bewerkingen; zelfs verleenden de
Staten-Generaal in 1654 een privilegie voor de Correcture van de
Druck-fouten, by in-advertentie in den jongst getranslateerden Bijbel
ingesloopen [19].
Voor den bijbel, waarvan in ons land honderden verschillende
uitgaven het licht zagen [20], werden--althans tot aan de uitgave der
Staten-vertaling in 1637--herhaaldelijk privilegiën verleend, door de
Staten van Holland zelfs in één jaar aan twee verschillende personen
[21].
Dit was volkomen in overeenstemming met het doel, waarvoor de
privilegiën moesten dienen, nl. bescherming van de drukkers en
uitgevers, niet van de schrijvers. Indirect werden deze laatsten ook
wel gebaat door het verbod van nadruk; hierdoor toch kreeg hun kopie
grootere waarde voor de uitgevers, zoodat zij voor het afstaan van hun
manuscript eenig honorarium konden bedingen. Doch slechts langzaam
won de meening veld, dat de intellectueele arbeid der auteurs in de
eerste plaats op bescherming tegen exploitatie door anderen aanspraak
heeft, en dat het feit dat iemand een boek in druk laat verschijnen,
op zichzelf nog geen reden is, om ieder ander het drukken van hetzelfde
boek te verbieden. Hadden de Staten dit beginsel bij het verleenen
der privilegiën voor oogen gehad, dan zouden zij ze hebben moeten
weigeren in de gevallen waar van een auteur geen sprake kan zijn
(zooals b.v. bij staatsstukken) of waar de auteur al honderden jaren
dood is.
Een begin van wijziging in deze richting bracht de Resolutie
der Staten van Holland en Westvriesland van 28 Juni 1715, waarbij
o. a. werd bepaald, dat voor school- en kerkboeken, alsmede voor de
autores classici geen octrooien meer zouden worden verleend, behalve
voor de annotatiën, commentaren enz., die er op nieuw bij zouden zijn
gemaakt. [22] Uit analoge bepalingen in andere landen blijkt, dat men
elders reeds veel vroeger tot deze juiste onderscheiding was gekomen
[23].
Voor den bijbel schijnt voor het laatst een privilegie te zijn
verleend in 1632 door de Staten Generaal aan de weduwe van Hillebrant
Jacobsz. van Wouw. Dit privilegie, waarvan hierboven reeds sprake was,
gold voor 15 jaar, ingaande op het tijdstip van de eerste uitgave der
Statenvertaling (1637) [24]. Na dien tijd was voor wie den bijbel
wilde drukken alleen noodig het aanvragen van consent, opdat de
Staten konden controleeren, dat de drukkers zich aan den officieel
vastgestelden tekst der vertaling hielden [25].
Intusschen bewijst natuurlijk het enkele feit, dat voor den bijbel geen
privilegiën meer verleend werden, niet, dat de privilegie-verleeners
tot een juister inzicht waren gekomen omtrent den grond der
bescherming; evenmin moet de beteekenis der resolutie van 1715 in dit
opzicht worden overschat. Reeds in 1724 schijnt door de Staten van
Holland de deugdelijkheid van de bepaling op de auctores classici in
twijfel te zijn getrokken. Er kwamen dat jaar een tweetal requesten in,
waarin octrooi werd gevraagd voor werken van Cicero, Cato en andere
Latijnsche schrijvers; op deze requesten werd niet afwijzend beschikt,
doch zij werden in handen gesteld eener afzonderlijke commissie,
"om de selve te examineeren, en daar beneevens te overweegen, of
de Resolutie van 28 Junii 1715 soude kunnen of behooren te werden
geëlucedeert of geamplieert... etc." [26]. Wat de kerkboeken betreft
schijnen de Staten zich aan de Resolutie van 1715 niet strikt te hebben
gehouden, althans in 1752 moesten zij nog eens het besluit nemen--op
request van de "Leeraaren en ouderlingen van de Luthersche gemeente
te Amsterdam"--dat geen privilegiën meer zouden worden verleend voor
de Psalmen en geestelijke liederen bij die gemeente in gebruik [27].
Behalve de eigenlijke geschriften konden ook andere werken van de
bescherming der privilegiën genieten: muziekwerken, kaarten en ook
werken van beeldende kunst.
De muziekdruk werd in ons land, vooral einde zeventiende en begin
achttiende eeuw, op uitgebreide schaal beoefend, zoodat zelfs Amsterdam
een centrum van den wereld-muziekhandel was [28].
Wat van den nadruk van boeken is gezegd, geldt natuurlijk evenzoo
voor muziek; het is daarom niet te verwonderen, dat ook hiervoor
privilegiën konden worden aangevraagd. Meestal was het voor lied- en
psalmboeken, die hier in groote getale uitkwamen, soms met begeleiding
voor meerdere instrumenten. In 1746 verleenden de Staten van Holland
een octrooi voor verschillende muziekwerken, waartoe onder meer
behoorden "tagtig a honderd Italiaansche Ariën met Instrumenten" en
twee geheele Italiaansche opera's [29]. Ook voor muziek- en leerboeken
werden privilegiën verleend. [30]
Een niet minder belangrijke tak van het drukkers- en uitgeversbedrijf
vormde de kaarten- en atlassendruk. Op dit gebied werden hier uitgaven
ondernomen, die wereldberoemd zijn geworden, zooals de atlassen van
de Blaeu. Ook van deze werken kwam nadruk, of liever "nasnijden"
meermalen voor, hoewel herhaaldelijk voor deze, dikwijls kostbare
uitgaven, privilegiën werden verleend.
Merkwaardig is de volgende resolutie der Staten-Generaal van
27 Jan. 1618: "Is Hessel Gerritsz. caertmaker tot Amstelredam,
geaccordeert een open brieff van octroy, daerby verboden wert des
suppliants caerten, beschrijvingen van landen ende modellen van
caerten, soo geschreven als gedruct op eenigerley wyse na te maken,
te copieren ofte divulgeren,..." etc. [31]. Dit is het eenige octrooi
dat ik heb kunnen vinden, waarvan de bescherming zich ook uitstrekt
op ongedrukte stukken en waarin behalve het nadrukken ook het namaken
op alle mogelijke andere wijzen is verboden. Het geeft in waarheid
de meest volledige bescherming, die zich--ook onder de modernste
auteursrecht-wetgeving--denken laat.
Een ander soort producten, die met de kaarten vele punten van
overeenkomst hebben, daar zij evenals deze noch tot de geschriften,
noch tot de werken van beeldende kunst gerekend kunnen worden, zijn
de voorbeelden van schoonschrift, krul- en sierletters, waarvoor
ook meermalen privilegiën werden verleend. Aan Mr. Aert van Meldert,
Fransche Schoolmeester te Rotterdam, verleenden de Staten van Holland
in 1585 octrooi voor door hem vervaardigde "Capitale Letteren" [32]
en in 1616 werd door de Staten-Generaal aan Davidt Roelandts van
Antwerpen "francoyschen schoolmeyster binnen Vlissingen" een octrooi
verleend voor: "'t magasyn oft packhuys der loffelycker penneconst,
vol subtile ende lustige trecken, percken, beelden ende fiegueren
van menschen, van beesten, vogelen ende visschen, ende noch meer dan
hondert onderscheyden geschriften, verciert met diversche capitalen
oraculen ende gulden sententiën..." etc. [33].
De werken van beeldende kunst, waarvoor privilegiën verleend werden,
waren vooral prenten, gravures en etsen, zoowel origineele als naar
schilderijen gemaakte.
Soms kreeg de schilder het uitsluitend recht, om naar zijn
schilderij gravures te mogen uitgeven, zooals in het octrooi aan den
portretschilder Mierevelt verleend in 1607 voor "...het contrefeytsel,
by hem gemaeckt van syn Exctie, hetwelk hy van meeninge is te doen
nasnyden in een copere plate... etc." [34]. In dit geval is dus het
schilderij als object der bescherming te beschouwen.
Een andere maal werd het privilegie direct aan den "plaetsnyder"
verleend. Een voorbeeld hiervan is het octrooi van 21 Jan. 1610 aan
Jac. Matham verleend voor "het contrefeytsel van den Hooch geb. grave
Hendrik van Nassauw, by Mr. Michiel van Mierevelt naer het leven
gedaen ende by den suppleant in coper gesneden" [35].
Welk bestanddeel van het werk van beeldende kunst men door het verbod
van namaak voornamelijk wilde beschermen, is dus moeilijk te zeggen;
het ligt trouwens voor de hand dat men, ook bij het verleenen van
deze privilegiën, niet volgens een vast systeem te werk ging, maar
in elk bijzonder geval naar omstandigheden besliste.
Soms werd--wat met de beginselen van het auteursrecht niet te rijmen
zou zijn--aan één persoon de uitsluitende bevoegdheid verleend, een
bepaald onderwerp in beeld te mogen brengen en te verspreiden, zooals
in het den 28sten Juni 1603 aan Balthasar Florisz. verleende octrooi,
om "voor 4 jaren alleen te mogen drucken de intogt vanden leger van
de heren staten generael der vereen. Nederlanden in Vlaenderen" en
in een denzelfden dag aan Herm. Rem verleend "voor 4 jaren alleen
in 't coper te mogen snyden ende uytgeven de victorie, die Godt
den lande gelieft heeft te verlenen thegen des vijants galleyen
voor het Gat vander Sluys." [36] Een privilegie van dezen aard
werd blijkbaar ook verlangd door den schildergraveur P. Holsteyn,
die van de afgevaardigden van verschillende landen, die in 1646 te
Munster voor het voorbereiden van den vrede waren bijeengekomen,
portretten in den handel wenschte te brengen. In zijn Request aan de
Staten-Generaal wordt o. a. aangevoerd, dat hij "...sijn voornemen
bijnae ten eynde gebracht heeft en weynich resteert, omme Uwe Ho: Mo:
de perfeckste gelijckenisse van alle de voorsz. Heeren Plempen in een
boeck te vertoonen... waerin wellicht andere, dien het (: sonder mij
te beroemen:) daerinne niet soo wel geluckt is, mij bij Uwe Ho: Mo:
souden soecken te prevenieren ende Octroy te obtineren... enz." [37].
Daarentegen werd bij gelegenheid van de Synode van Dordrecht een
octrooi op de afbeeldingen dezer vergadering in dezer voege gesteld:
"Is den suppliant geaccordeert octroy voor syn werk, met interdictie
dat tselve niemant en sal mogen naemaecken, maer nyet privative dat
anderen nyet sullen haer eygen werck mogen drucken ende vuytgeven"
[38].
Een enkele maal werden ook werken, die niet tot de graphische, maar
tot de plastische beeldende kunst behoorden, geprivilegieerd. Bij
resolutie van 30 Aug. 1617 verleenden de Staten-Generaal aan Caspar
Planten, beeltsnyder, een octrooi voor 3 jaren, om "alleene te mogen
maecken ende gieten, het werck ende patronen by hem daerentusschen
te inventeren en te boutseren" [39] en in 1619 werd aan Willem van
Byler, ysersnyder, octrooi verleend om "... voor den tyt van drye
jaeren naestcommende, alleene in dese vereenichde provinciën te mogen
maecken, snyden, gieten ende vercoopen den nieuwen penninck dien haere
Ho. Mo. hem hebben doen maecken van het Synode nationael..." [40].
Voorwerpen van kunstnijverheid werden ook door octrooien tegen namaak
beschermd. Zoo wordt aan Pieter van Everdingen e. soc. in het jaar 1603
octrooi voor 6 jaren verleend om "... alleene etc. te mogen backen ende
vertieren seeckere nieuwe manieren v. estricken ofte vloertichelen
van diversche couleuren ... mitsgaders om oock op dezelve manieren
te maecken seecker gepatroneerde papieren ... etc." [41]. Dergelijke
octrooien werden ook gegeven voor beschilderd porcelein, geborduurde
zijden en fluweelen stoffen, kunstvoorwerpen van zilver, goud en
marmer enz.; het is dikwijls moeilijk uit te maken, of het recht, dat
door deze privilegiën wordt toegekend het meeste overeenkomt met de
rechten op uitvindingen en modellen (den zoogenaamden "industrieelen
eigendom") dan wel met auteursrecht.
De scherpe onderscheiding, die de moderne wetenschap maakt tusschen
auteursrecht en recht op uitvindingen, was in de privilegiën-periode
onbekend; dit blijkt ook uit het feit, dat soms in eenzelfde privilegie
eene uitvinding wordt beschermd tegelijk met het geschrift, waarin
die uitvinding wordt uiteengezet. Als voorbeeld hiervan kan dienen
de resolutie der Staten-Generaal van 4 Nov. 1615, waarbij octrooi
wordt verleend aan Willem Swart "... omme voor den tyt van 8 jaeren
naestcommende alleene etc. te moegen doen drucken ende vuytgeven
een nyeuwe conste, daerby alle menschen, hoewel in musycque ende
snarenspel gansch ongeleert ende onervaren, alderhande musicale stucken
sullen kunnen spelen op violoncen ende violen de gambe, daertoe
hy tot volcommen leeringe ende instructie heeft gemaeckt zeecker
bouck... enz." [42]. Een ander voorbeeld is het octrooi, den 29sten
Juli 1617 aan Jan Jansz. Stampioen verleend voor eene uitvinding,
waardoor de zeelui in staat worden gesteld zonder instrumenten steeds
te zien "hoe hooch den polus boven den horizont verheven is". In het
request wordt gevraagd "... octroy, omme alleene met seclusie van
alle andere de voors. conste (de conste begerende) te mogen wysen
ende leeren, hetsy met eenige onderrichtinge die hy hem doen sal,
als met eenige gedruckte exemplaren... etc." [43].
Het recht der privilegiehouders kwam vrijwel overeen met dat
bestanddeel van het auteursrecht, dat men thans kopierecht noemt:
n.l. het uitsluitend recht om een werk door den druk gemeen te
maken. Het was verboden, het geprivilegieerde boek na te drukken,
hetzij in zijn geheel, hetzij gedeeltelijk, of elders gedrukte
exemplaren in te voeren, te verkoopen of op andere wijze te
verspreiden.
Soms omvatte het recht van den privilegiehouder ook de uitsluitende
bevoegdheid, vertalingen van het boek uit te geven, doch het kwam
ook voor, dat de bescherming uitdrukkelijk tot eene taal beperkt
werd, zooals b.v. in het octrooi door de Staten van Holland in 1734
verleend aan de boekverkoopers Scheurleer en de Hondt voor l'Histoire
du President J. E. du Thou. Zij hadden aangevraagd het uitsluitend
recht om dit boek te mogen drukken "in soodaanige Formaaten en Taalen
als sy dienstig souden oordeelen", doch in het verleende octrooi stond
de clausule: "... des dat het selve Octroi alleen sal worden bepaalt
tot het drukken, uitgeeven en verkoopen van het voorschreeve Werk in
de Fransche Taale..." etc. [44].
Merkwaardig in dit opzicht zijn de drie privilegiën, die werden
verleend voor "de sententie, gepronuncieert aan de geëxecuteerde
in den persoon van Mr. Johan van Oldenbarnevelt". Deze sententie
werd in het Latijn, in het Nederlandsch en in het Fransch gedrukt;
voor elk dezer talen verleenden de Staten-Generaal een afzonderlijk
privilegie aan drie verschillende personen [45].
Een uitsluitend recht van op- of uitvoering van tooneelstukken en
werken der toonkunst was in den tijd der privilegiën en octrooien
niet bekend. Eerst toen de meening was doorgedrongen, dat den auteur
de heerschappij over het door hem voortgebrachte werk toekomt, begon
men zich er rekenschap van te geven, dat over de exploitatie door
middel van op- of uitvoering evengoed als over de exploitatie door
middel van den druk de auteur alleen moet te beschikken hebben.
Het kopierecht werd, zooals reeds is opgemerkt, tot bescherming van
het boekdrukkersbedrijf in het leven geroepen; een dergelijke grond
bestond niet ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht. Vooreerst
is de concurrentie tusschen schouwburgen lang niet zoo scherp als
tusschen boekdrukkers; maar bovendien wisten theaterdirecteuren
dikwijls ook zonder bescherming van overheidswege de uitsluitende
opvoering van een stuk aan zich te houden, door n. l. niet toe te
laten, dat het stuk in druk uitkwam en er streng op toe te zien,
dat de enkele afschriften, die voor de spelers moesten dienen, niet
in handen kwamen van derden. Op deze wijze werd reeds van de vroegste
tijden af in verschillende landen gehandeld en het was daarbij dikwijls
mogelijk om aan de schrijvers, die voor het tooneel werkten, ondanks
het ontbreken van opvoeringsrecht, honorarium uit te betalen [46].
Hier te lande hebben de dramatische auteurs tot aan het einde der
achttiende eeuw toe waarschijnlijk slechts in zeer enkele gevallen
een eenigszins beteekenend honorarium kunnen genieten.
In de "Kamers van rhetorica", die van de 15de eeuw af in grooten
getale werden opgericht, was het geen gewoonte de auteurs, wier
stukken werden opgevoerd, daarvoor te betalen; een enkele maal kregen
zij van het stadsbestuur eene belooning [47].
In het Amsterdamsche Dichtgenootschap "Nil volentibus arduum" werd
omstreeks het jaar 1680 een voorstel, om voor het afstaan van stukken
ter opvoering iets in rekening te brengen, verworpen [48]. Ook de
stemmen, die zich in de 18de eeuw hier en daar verhieven, om eene
geldelijke belooning voor tooneel-schrijvers te verkrijgen, hadden
geen resultaat [49].
Eene eigenaardige regeling van de voorwaarden, waaronder stukken
ter opvoering werden aangenomen, bestond in den in het jaar 1638
ingewijden Amsterdamschen schouwburg. Daar werden geregeld door
tooneelspelers van beroep voorstellingen gegeven; het beheer werd,
van 1699 af voorgoed, direct gevoerd door de Regenten der beide
instellingen van liefdadigheid, waarvoor de opbrengst bestemd was. Er
werd jaarlijks eene aanzienlijke winst gemaakt, doch terwijl acteurs
en actrices redelijk goed werden betaald en aan de monteering der
stukken geen kosten gespaard werden, moesten de auteurs zich met
enkele loodjes, d. w. z. vrijplaatsen, als belooning voor hun arbeid
tevreden stellen. Wagenaar deelt hieromtrent mede:
"Die voor Poëet bij de Regenten erkend is, heeft voor den tijd van een
jaar en zes weken, schoon 't, doorgaands, langer toegelaaten wordt,
vrijen toegang tot den schouwburg, en hem worden, wanneer zijn Spel
vertoond wordt, zes Loodjes ter hand gesteld, mits het een voorspel
van vijf bedrijven zij. Van een na- of klughtspel krijgt de Poëet
niet meer dan drie Loodjes" [50].
Hieruit blijkt, dat men tenminste inzag, dat ook de poëet wiens
spel vertoond werd, tot de winst van den avond meewerkte, al was de
toegekende belooning bespottelijk klein, hetgeen trouwens te dien
tijde reeds aan de Regenten werd verweten [51]. Daar kwam nog bij,
dat de auteur door zijn stuk af te staan, tevens de exploitatie ervan
door middel van den druk uit handen gaf. Hierover vermeldt Wagenaar:
"De regenten hebben octrooi, om met uitsluiting van alle andere,
de goedgekeurde Tooneelspelen te doen drukken; doch staan het regt
daartoe, voor ieder Spel, af aan eenen Drukker naar hun welgevallen,
met wien zij, deswege, vooraf eene overeenkomst aangaan" [52]. Wat
er dus op deze wijze nog aan het stuk was te verdienen, ontging den
auteur ook.
Dat er voor werken der toonkunst geen uitvoeringsrecht bestond, behoeft
nog minder te verwonderen, daar concerten, alleen tegen betaling
toegankelijk, bijna niet voorkwamen. De plaatsen, waar in het openbaar
muziek ten gehoore werd gebracht, waren de kerk (orgelbespelingen)
en herbergen, danszalen enz. Ook in den schouwburg werd, vooral in
de 18de eeuw, wel muziek uitgevoerd, doch alleen als aanvulling of
begeleiding van hetgeen op het tooneel vertoond werd [53].
Evenals het auteursrecht volgens de meeste wetgevingen, was
ook het recht der geprivilegieerden in tijdsduur beperkt. De
termijnen, waarvoor de privilegiën verleend werden, waren zeer
verschillend. Alleen onder degenen, die in de jaren 1601 tot 1619 door
de Staten-Generaal werden verleend, vond ik er van: 2 maanden, 2, 3,
4, 5, 6, 7, 8, 10 en 12 jaar. De Staten van Holland brachten--althans
in het begin--hierin niet minder afwisseling [54]; van de latere
privilegiën (in 't bijzonder die uit de 18de eeuw), die mij onder de
oogen kwamen, was de termijn meerendeels van 15 jaar.
Voor periodieke uitgaven, zooals b.v. het Deventer almanach boexken,
werden de octrooien doorgaans niet aan een termijn van een zeker
aantal jaren gebonden, maar werden zij verleend aan een drukker "syn
leven lanck geduyrende". Na diens overlijden werd dan, dikwijls aan de
weduwe of de kinderen, een nieuw octrooi van dien aard verleend [55].
Het octrooi van de Staten van Holland van 12 Dec. 1582 aan Aelbrecht
Hendricksz., drukker van de Staten, voor "alle de gemeene Landts
Edicten, Mandamenten, opene Brieven... etc.", werd eveneens verleend
zonder bepaalden termijn, maar: "tot kennelijck wederseggen van de
Staten" [56].
De straffen op overtreding der in de privilegiën vervatte bepalingen
gesteld, bestonden uit verbeurd-verklaring van de wederrechtelijk
vervaardigde of ingevoerde exemplaren en het betalen eener boete,
waarvan het bedrag meestal in het privilegie was genoemd.
Ook hierin werd aanvankelijk eene groote verscheidenheid betracht;
ik vond er b.v. van: "25 Goude Realen"; "20 Caroli guldens van elck
Boeck"; "50 kronen 't elcken reyse te verbeuren"; "vijf en twintigh
ponden van veertigh grooten"; "drie guldens voor elck Exemplaar";
enz. enz. Later kwam hierin meer eenheid; bij de Staten van Holland
werd het gebruikelijke bedrag der boete 300 gld.; in de reeds genoemde
resolutie van dit college van 1715 werd bepaald, dat de boete voortaan
3000 gld. zou bedragen.
Een der belangrijkste punten van verschil tusschen de privilegiën
en het moderne auteursrecht betreft de subjecten van het recht. Het
auteursrecht, gebaseerd op auteurschap, komt uit den aard der zaak
alleen aan den auteur, den schepper van het product van kunst of
letterkunde, en diens rechtverkrijgenden toe. Doch de privilegiën,
die niet tot bescherming van het geestelijk werk zelf, maar tot
bescherming van de onderneming tot exploitatie van het werk moesten
dienen, werden niet aan den auteur, maar aan den exploitant, drukker
of uitgever, verleend.
Bij uitzondering kwam het voor, dat de auteur zelf het privilegie
aanvroeg en op zijn naam verkreeg. Dit zal wel meestal zijn gebeurd in
het, hier te lande dikwijls voorkomende geval, dat de schrijver tevens
uitgever was. Doch er werden ook privilegiën verleend aan personen,
die zelf geen drukker of uitgever waren. Zoo consenteerden de Staten
van Holland in 1587 "den Eersamen ende wel geoeffenden Adriaen
Anthonisz." om te mogen drukken en uitgeven "seecker Boecksken,
by hem gemaeckt, geïntituleert, Redenen van het verloop des Jaers,
&c. met een Nieuwen altijdt geduyrenden Calendrier, noch een Boeksken
... etc." zonder dat deze zullen mogen worden nagedrukt "nochte elders
gedruckt zijnde dan by den Boeckdrucker, by den voornoemde Adriaen
Anthonisz. te gebruyken, mogen werden gedistribueert, verkocht nochte
te koop gestelt.. etc." Hier zal dus waarschijnlijk de schrijver voor
eigen rekening zijne werken hebben laten drukken.
Soms werd het privilegie verleend aan de kinderen of de weduwe
van den schrijver; in 1585 kreeg "Alijt Meynaerts, arme desolate
weduwe wylen Adriaen Gerritsz. ... met hare kinderkens" octrooi
voor de "kaerten, Instrumenten ende Practijcquen" die haar man had
achtergelaten [57]. Doch er zijn ook gevallen, waar volstrekt geen
reden is te vinden, waarom het privilegie nu juist aan dien bepaalden
persoon en niet aan een ander wordt verleend. Aan Johannes Lydius
b.v. werd in 1611 door de Staten-Generaal toegestaan "omme alleene
by Loys Elsevier te mogen doen drucken ende vuytgeven, Opera Nicolai
Clemangii, die voor twee hondert jaren tegen het pausdom geschreven
zyn" [58]. Waarschijnlijk was het bezit van het handschrift of,
zoo het een reeds vroeger uitgegeven werk was, van een gedrukt
exemplaar, alles, wat voor het verkrijgen van het privilegie noodig
werd geoordeeld. Eenmaal vond ik een privilegie verleend aan iemand,
die het handschrift van het werk niet zelf bezat: aan Johan Janss. voor
Johannis Drusii annotationes in Genesin etc. Onder het besluit,
waarbij dit privilegie werd verleend, leest men in de Resolutiën der
Staten-Generaal: "Is voorts geaccordeert te schrijven aan Abelium
Curiandrum, schoonsoone van wylen den wytberoemden hoochgeleerden
Johannis Drusii, dat hy Jan Janss. boeckvercooper tot Aernhem, zyns
swaegers, in handen stelle het origineel vant voors. bouck om dat te
drucken" [59].
Het kon natuurlijk op deze wijze voorkomen, dat een privilegie werd
verleend zonder voorkennis of zelfs tegen den wil van den auteur. Dit
geschiedde o. a. met de Betoverde Weereld van Balthasar Bekker. In
de uitgave van het eerste deel van dit werk van het jaar 1691 (te
Amsterdam by Daniel van den Dalen) leest men het volgend "Beright"
eigenhandig door den auteur onderteekend:
"Also voor den eersten druk der twee eerste boeken deses werks in 8o by
Hero Nauta tot Leeuwarden een acte van Privilegie staat / op den naam
van Barend Beek, Boekverkoper in den Hage / ende daar in gemeld word
/ dat hy besig was met dat Boek te drukken: so verklaart den Auteur:
hier met sijne eigene hand / dat hy Barend Beek niet en kent / ende
hem directelik noch indirectelik nooit iets te drukken gegeven heeft;
maar desen druk van alle de vier boeken in 4o aan niemant anders
dan aan Daniel van den Dalen toegestaan. Derhalven kent hy voortaan
geen exemplaren voor de sijne / dan die op dese wijse van hem self
onderschreven zijn."
Hoewel de privilegiën steeds aan een of meer met name genoemde personen
werden verleend, was het mogelijk ze aan anderen over te dragen. Ik
vond althans verschillende malen van een dergelijke overdracht
melding gemaakt. Daar ik bij alle schrijvers, die de Nederlandsche
boekdrukkersprivilegiën hebben behandeld, de tegenovergestelde
meening heb aangetroffen, n.l. dat de privilegiën onvatbaar waren
voor overdracht, schijnt het mij de moeite waard, hier eenigszins
langer bij stil te staan.
In Hugo de Groots Annales et Historiae de Rebus Belgicis, in 1658
in twee formaten door Joan Blaauw uitgegeven, vindt men vóórin drie
verschillende privilegiën: een van de Staten van Holland, een van den
Duitschen Keizer Ferdinand III en een van de Staten-Generaal. De twee
laatstgenoemden waren oorspronkelijk verleend aan Petrus Grotius,
den zoon van Hugo de Groot, die blijkens de volgende verklaring,
die onder deze privilegiën staat afgedrukt, zijn recht aan Blaauw
had overgedragen: "Ex lege quam Caesar & Ordines Belg. Foeder. supra
praescribunt, ne quis praeter Ioannem Blaeu privilegiis eorum utatur,
fruatur, cupiens ego jus omne in ipsum transcripsi, Hagae Comitis,
die 25 Septembris, Anno MDCLVII" [60].
Een ander voorbeeld vond ik in het boekje "Het Godtsaligh overlijden
van sijne Doorluchtichste Hoogheyt Frederick Henric, Prince van Orange,
Grave van Nassau etc.", waarin een privilegie van de Staten van Holland
voorkomt van het jaar 1647, verleend aan den schrijver van het boek,
Johannes Goethals. Onder het privilegie staat: "Johannes Goethals heeft
dit sijn recht ghecedeert en getransporteert aan Adriaen Wijngaerden,
Boeckverkoper tot Leyden."
In de vergadering der Staten-Generaal van 13 September 1610 [61] wordt
voorgelezen eene "acte van verclaringhe ende bekentenisse, gedaen voor
notaris ende getuigen" waarin de weduwe van Lucas Jansz. Wagenaer
verklaart, dat haar man "... in syn leven ende sekere jaren voor
syn overlyden, vercoft, opgedragen, quytgescholden ende gecedeert
heeft gehadt aen Cornelis Claesz., in syn leven bouckvercoper
tot Amsterdam, alle die platen, caerten, toebehoerten ende andere
gereetschappen mette gerechticheden, privilegiën ende octroyen,
daerby synde, van alle ende ieghelyke sodanige wercken ende boucken,
als die voorn. haer man saliger in syn leven in 't licht gebracht ende
uitgegeven laten heeft, etc." Na den dood van den voornoemden Cornelis
Claesz. verkocht diens weduwe het geheele fonds weer aan eenen derde,
Jacob Leonartsz. Meyen. In hoeverre de Staten-Generaal deze beide
overdrachten van privilegiën geldig oordeelden, is moeilijk uit de
resolutie op te maken. Zij verleenden een nieuw octrooi aan Meyen voor
"alle de wercken van wylen Lucas Jansz. Wagenaer," zonder het oude
octrooi in te trekken; dit laatste had m.i. wel moeten geschieden,
indien de Staten de overdracht van onwaarde hadden gehouden, terwijl
aan den anderen kant het verleenen van een nieuw octrooi onnoodig
schijnt, indien de geldigheid der overdracht buiten bedenking stond.
Ook wordt van privilegie-overdracht gesproken in een request van den
boekdrukker Scheurleer aan de Staten van Holland in 1749: "... te
kennen gevende dat hy suppliant voor eenige jaaren tot een merkelijke
somme Gelds hebbende gekogt het regt en privilegie tot het drukken
en uitgeeven van het maandelijksche Boekje, geintituleert Mercure
Historique & Politique... etc." [62]. Voorts in een privilegie van
21 Juli 1702 voor het boek "Manier van Procederen enz." van Paulus
Merula ten name van Adriaan Beman, waarin gezegd wordt dat vroeger
aan een ander uitgever privilegie was verleend, "wiens Regt hy
Suppliant in de maand April deses Jaars 1702 met den eygendom der
Copie, ende Privilegie aan sig gekogt hadde;" en in de Resolutie van
de Staten van Holland, waarbij het octrooi op den Emile van Rousseau
wordt ingetrokken: "... welk werk door de voornoemde Jean Neaulme,
met het zoogenaamde regt van Copie weeder is verkogt aan Marc Michel
Rey... etc." Eindelijk wil ik hier nog vermelden een privilegie van
de Staten van Holland van het jaar 1716, verleend aan David Mortier
voor de werken van Boileau. De Staten verklaren hierin: "... Alsoo Ons
vertoont is by David Mortier, Burger en Boekverkooper binnen Amsterdam,
dat hy Suppliant, op den 19 Juny 1714 van Susanne Pelt, weduwe van
Hendrik Schelte, hadde gekogt, alle de Exemplaeren en Copie Regt, ende
Privilegie van seecker Boek, genaemt Les Oeuvres de Nicolas Boileau
Despréaux, avec des Eclaircissemens Historiques donnez par lui-même,
blyckende by de verklaring aan Ons geëxhibeert, en hy Suppliant van
voornemens was, het selve te herdrucken... etc." Mortier verzocht
daarom een nieuw octrooi, niet omdat het oude in zijne handen niet meer
geldig zou zijn, maar omdat dit slechts 300 gulden boete voorschreef,
terwijl hij de boete op 3000 gulden gesteld wilde zien. Dit verzoek
werd ingewilligd [63].
Dat alle octrooien voor overdracht vatbaar waren is hiermede
niet bewezen, en was blijkbaar ook te dien tijde geen uitgemaakte
zaak. In een rechtskundig advies van Hugo de Groot van het jaar 1632
wordt de vraag behandeld ten aanzien van een octrooi van uitvinding;
m. i. kan deze uitspraak naar analogie ook op boekdrukkersprivilegiën
toepasselijk worden verklaard. Het advies luidde: "Dunkt (onder
correctie) dat alsoo 't voorsz. Octroy is verleent niet ten
aansien van den persoon, maar ten aansien van de inventie, dat
daarom het recht, daar bij verkregen, aan andere personen, die
deselve inventie in 't werk sullen stellen, wel ende rechtelijk is
getransporteerd..." etc. [64].
In sommige privilegiën wordt het recht toegekend aan een bepaald
persoon "en syne Regt verkrygende" of: "en sijne Erven, of Regt
verkrygende" [65]. Van dezen is de geldigheid der overdracht dus aan
geen twijfel onderhevig.
Uit het bovenstaande blijkt de onjuistheid van de bewering van Mr. van
den Velden [66], dat de "privilegiën persoonlijk waren, dat is: dat
zij slechts aan eenen bepaalden persoon of eene bepaalde vereeniging
toegestaan werden, zoodat zij niet door koop of anderszins, konden
worden overgedragen en met den dood van den bevooregten persoon,
of de ontbinding van de vereeniging, te niet gingen." Ik meen,
dat na de genoemde voorbeelden eerder het tegendeel als regel kan
worden aangenomen en dat slechts bij hooge uitzondering persoonlijke,
onvervreemdbare privilegiën werden verleend. Tot deze laatsten zal men
dan wellicht hebben te rekenen die, welke zelf de bepaling inhielden,
dat zij met den dood van den geprivilegieerden persoon of na opzegging
door de Staten een einde namen [67].
Het verdient nog opmerking, dat in de aangehaalde mededeelingen
van privilegie-overdrachten reeds enkele malen het woord kopierecht
wordt gebruikt. Dit kopierecht was natuurlijk niet anders dan het
uitsluitend recht tot drukken, zooals het in het privilegie stond
omschreven. Buiten het privilegie bestond geen kopierecht. Men
zou geneigd zijn het tegendeel op te maken uit uitdrukkingen als:
"... alle de Exemplaeren en Copie Regt, ende Privilegie..." of:
"... met den eygendom der Copie, ende Privilegie...", alsof er dus
behalve het privilegie nog een afzonderlijk recht van kopie bestond. Ik
vond zelfs een voorbeeld van "kopie-recht"-overdracht in een geval
waar geen privilegie, dus ook geen kopierecht bestond. Op 17 Februari
1718 kocht nl. Joannes Oosterwijk, boekverkooper te Amsterdam, van
Johannes de Wees "alle de Exemplaaren, van de Treurspeelen van Joost
van Vondel.... nevens de overleveringe, als mede het volle recht van
Copyen", terwijl hij eerst een jaar later (5 Jan. 1719) voor deze
werken een privilegie (dus een werkelijk kopierecht) verkreeg [68].
"Waarschijnlijk bedoelden de uitgevers en boekverkoopers, wanneer
zij verklaarden aan anderen het "kopierecht" af te staan, daarmede
alleen, dat zij van hun kant van verdere exploitatie der bedoelde
kopie afzagen; het was dus niet de overdracht van een absoluut
recht, doch slechts het aangaan van eene persoonlijke verbintenis,
volgens welke de eene partij aan de andere ten aanzien der kopie
vrij spel liet. Misschien werden dergelijke overeenkomsten ook
door derden geëerbiedigd; in elk geval zullen de leden van eenzelfde
gildevereeniging onderling dit wel hebben gedaan. Maar een uitsluitend
recht, dat door ieder geëerbiedigd moest worden, kon natuurlijk door
zulk eene overeenkomst niet tot stand komen.
De privilegiën voor prenten en gravures werden, in tegenstelling met
de boekdrukkersprivilegiën, bijna altijd aan den auteur zelf, den
schilder of "plaetsnyder", verleend. Dit is ook zeer verklaarbaar,
want wie een afbeelding in koper of hout had gesneden kon zonder
behulp van anderen naar het door hem vervaardigde cliché exemplaren
afdrukken en zal dus in de meeste gevallen wel zelf voor de uitgave
van zijn werk hebben gezorgd. Doch het kwam ook voor, dat graveurs voor
anderen werkten, die dan op hun naam het privilegie aanvroegen [69].
Wie de auteur van een werk was ging den privilegie-verleeners in
het algemeen niet aan, vandaar dat, zooals reeds is opgemerkt,
ook privilegiën werden verleend voor werken, die eigenlijk niet als
auteursproducten zijn te beschouwen of waarvan de auteurs al voor
meerdere eeuwen overleden waren. Wel bracht de resolutie van 28
Juni 1715 hierin eenige wijziging, maar van veel beteekenis was dit
niet. In hoofdzaak bleef alles bij het oude; van de erkenning van een
recht der schrijvers op hunne werken als grondslag der privilegiën
blijkt in de resolutie niets.
Hierboven heb ik al trachten aan te toonen, dat het toekennen der
privilegiën uitsluitend het gevolg was van de gewijzigde verhoudingen
in het uitgeversbedrijf ten gevolge van de uitvinding der boekdrukkunst
en dat er niet mede werd beoogd den schrijvers eene bescherming te
verleenen, die zij vroeger immers evenmin hadden genoten. Wel werkten,
zoowel hier als in andere landen, de privilegiën ertoe mede, dat
zoowel de grond als de materieele waarde van het recht der auteurs
op hunne producten meer dan vroeger gekend en gewaardeerd werden,
maar tot het in practijk brengen van het beginsel kwam het in ons
land niet vóór het jaar 1796.
De uitspraak van Bodel Nyenhuis [70], dat onze vaderen ten allen
tijde toegegeven en erkend hebben, dat de schrijvers krachtens
een onschendbaar recht eigenaar zijn van hunne geschriften, en
dat dit het beginsel was, waarop het toekennen der privilegiën
berustte, mist dan ook m. i. allen grond. In den aanhef van elk
privilegie vindt men meestal de motieven en overwegingen, die tot
het verleenen hebben geleid; voor zoover ik heb kunnen nagaan wordt
daarin steeds de bescherming van den drukker of uitgever als eenig
doel vooropgesteld. Enkele voorbeelden mogen hier volgen:
"... Van wege ons beminden Jan Corneliszoen, Alias Jan zevers' Printer,
wonende binnen onser stede van Leyden Is ons verthoent gheweest,
hoe dat gaerne Imprimeren en in prite legge soude dit teghenwoerdige
Boeck en is een Cronycke va Hollandt En also hem datselve costelick
en moijelic vallen sal, en dat dit selve Boeck noyt gheprint en is
gheweest soe en soude hi die selve Printe en Inpressie niet durren
bestaen sonder te hebben brieven va Octroye en privilegie van
ons... etc." [71].
"Alsoo Adriaen Gerritsz. ... ons verthoont heeft, dat hy Suppliant
't sijnen koste hadde doen translateren het Boeck genaemt het leven
van Alexander de Groote, beschreven in het Latijn door Quintum
Curtium, ende dat hy Suppliant het voorschreve Boeck van meyninge
ware eensdeels om sijn verschoten penningen wederom te proffijteren,
ende tot gherief van een yegelijcken te Drucken ende uyt te geven,
als wesende bequaem omme te lesen ende te gebruycken; dan vresende
dat een ander het selve terstondt soude moghen komen na te Drucken,
't welck tot sijne schade ende bederf soude redunderen..." etc. [72].
"... Alsoo hij Suppliant beducht was, dat eenige baetsoekende
menschen den arbeidt van den nieuwen druk moghten komen vruchteloos
te maken..." [73].
"... Hoe dat hij Suppliant... genegen was het voorsz. Liederboek
te drukken vol Noten, om te gemakkelijker geleert te konnen werden;
maar also hem hetselve veel gelt ende moeyten soude komen te kosten,
ende dat hij Suppliant beducht was, dat, na het perfectioneren van
het selve, hetselve door andere baatsoeckende Boekverkoopers mocht
werden nagedruckt, 't gene hem Suppliant tot merkelijk nadeel ende
schade soude strekken..." [74].
Wel vindt men dikwijls over den nadruk, ook van niet-geprivilegieerde
boeken, een afkeurend oordeel, maar dit kwam dan meestal van uitgevers,
die er zelf de nadeelige gevolgen van hadden ondervonden. De nadrukkers
werden gescholden voor "baetsoeckende menschen", en men verweet hun,
dat zij het onbehoorlijke niet inzagen van "in eens anders doent te
treden" [75], doch eene erkenning van een recht van den intellectueelen
voortbrenger op zijn product was aan zulk een oordeel vreemd.
In tegenstelling met wat Bodel Nyenhuis [76], en op diens voetspoor
o.a. ook Mr. de Ridder [77], verklaren, meen ik tot de bewering
gerechtigd te zijn, dat nadruk betrekkelijk veel voorkwam. Zoo werden,
om enkele voorbeelden te noemen, van bijna alle Nederlandsche dichters
werken nagedrukt of buiten toestemming van den auteur uitgegeven,
o.a. van: Vondel [78], Constantijn Huygens [79], Starter [80],
Brederode [81], Poot [82], Jeremias de Decker [83], Jacob Cats.
Met andere geschriften, waarmede dikwijls meer was te verdienen dan
met dichtwerken, ging het evenzoo; [84] het waren ook niet uitsluitend
onaanzienlijke drukkertjes, die zich aan het nadrukken bezondigden,
zelfs iemand als de groote Willem Jansz. Blaeu is er niet vrij van
gebleven, al deed hij het dan ook uit wraak tegenover andere firma's,
die begonnen waren zijne werken na te drukken [85].
Dat de nadruk niet tot de zeldzaamheden behoorde blijkt vooral uit de
verschillende maatregelen, die drukkers en uitgevers onder elkander
namen, om hem te keeren.
Bodel Nyenhuis vermeldt [86], dat tusschen 1671 en 1674 onder de
boekverkoopers een onderling accoord werd gesloten tegen het nadrukken;
in 1710 werd met hetzelfde doel eene "Willige overeenkomst" gesloten
tusschen drukkers en uitgevers uit Amsterdam, Leiden, Rotterdam,
den Haag en Utrecht [87]. De reeds meer dan eens genoemde resolutie
der Staten van Holland van 1715 was het gevolg van een request der
"overluyden" van "de Boeckverkoopers in verscheyde Steden deser
Provincie," waarbij als bijlage was gevoegd "een Vertoogh, ampel
deduceerende de grieven bij de Supplianten door het nadrucken van
haare Boecken geleden."
Ook de in de meeste steden bestaande gilde-vereenigingen weerden
zich dikwijls in den strijd tegen den nadruk; zoo wendde zich
het Amsterdamsche gild in 1670 met een adres tot de Stedelijke
Regeering, waarin straffen tegen de nadrukkers worden verzocht
[88]. Dat men in dezen strijd alleen belangen en geen rechten
erkende, moge blijken uit de volgende bepaling van een Groninger
boekverkooperscompagnie-reglement van het jaar 1724: "so wanneer aldus
een werkje gedrukt moge weesen, dat in deeze stadt aftrek hadde, so sal
geen van de leden mogen betwisten dat een ander lidt het soude willen
nadrukken, maar volkomen vrijheit daarin hebben om het te mogen doen,
so geen andere leeden wilden dat het in compagnie gedaan soude worden,
maar die van de leeden daarin sal willen, sal daer recht toe mogen
hebben" [89].
Kan men dus in de privilegiën, zooals die hier te lande verleend
werden, moeilijk een erkenning of toepassing van den letterkundigen
eigendom zien, daar zij zich eensdeels zeer goed ook zonder dien
letterkundigen eigendom laten verklaren en zij bovendien in sommige
gevallen met de erkenning van een recht der schrijvers niet zouden
zijn te rijmen, daarmede is nog niet gezegd, dat de auteurs van
elk recht op hun voortbrengsel verstoken waren. De privilegiën waren
uitsluitend gericht tegen nadruk in den letterlijken zin van het woord,
zij werden slechts verleend, zooals wij gezien hebben, voor de boeken,
die in druk uitkwamen, of waarvan tenminste het plan om ze uit te
geven was vastgesteld.
De vraag blijft dus open, of er niet een recht van den schrijver op
zijne niet-uitgegeven geschriften werd erkend, een recht, waarvan men
den grondslag dan hierin zou kunnen zoeken, dat die werken, welke
de auteur niet of nog niet voor publiceering geschikt acht, hetzij
omdat zij dingen inhouden, die het intieme leven van den auteur zelf
of van andere nog levende personen raken, hetzij omdat de auteur,
die een naam in wetenschap of letterkunde heeft op te houden, eene
publicatie met zijn schrijverseer niet in overeenstemming acht, zonder
zijne toestemming niet ter algemeene kennis mogen worden gebracht. Het
hierbedoelde recht, dat in vele moderne auteursrecht-wetgevingen wordt
erkend, moet niet verward worden met het auteursrecht; terwijl dit
laatste is een vermogensrecht, strekkende om de exploitatie van een
geschrift of kunstwerk uitsluitend aan den auteur voor te behouden,
hebben wij hier te doen met een zoogenaamd persoonlijkheidsrecht,
dat niet de heerschappij geeft over een bepaald goed, maar dat dient
ter bescherming der persoonlijkheid des auteurs tegen ongewenschte
openbaarmaking van hetgeen deze voor zich wil houden.
Of nu een dergelijk recht in den tijd der privilegiën werd erkend, is
moeilijk uit te maken. In de meeste gevallen kan een schrijver er wel
voor zorgen, dat zijn handschrift niet in handen komt van personen, die
er misbruik van zouden maken, m. a. w. de eigendom van het handschrift
geeft dan al de gewenschte bescherming en een afzonderlijk recht is
daarvoor niet noodig. Dit recht heeft dus slechts beteekenis in de
gevallen, dat een onuitgegeven geschrift niet door ontvreemding maar
door toevallige omstandigheden een ander in handen komt; de vraag
is dus, of de schrijver zich in een dergelijk geval tegen het laten
drukken en uitgeven van het geschrift kon verzetten.
Voldoende gegevens, om op deze vraag een stellig antwoord te
kunnen geven, heb ik niet gevonden; enkele bijzonderheden, die als
aanwijzigingen kunnen gelden om haar ontkennend op te lossen, laat
ik hier volgen.
In eene briefwisseling tusschen Hugo de Groot en eenige zijner naaste
verwanten en vrienden in de jaren 1623 en volgende wordt herhaaldelijk
gesproken van de omstandigheid, dat van de Groot's Inleydinge tot
de Hollandsche rechtsgeleertheid, welke de schrijver oorspronkelijk
uitsluitend voor zijne kinderen en zijn jongsten broeder had bestemd,
verschillende afschriften in omloop waren. Op grond daarvan wordt
hij aangemaand zelf tot de uitgave van dit werk over te gaan, vóórdat
anderen hem daarin vóór zouden zijn; De Groot achtte deze waarschuwing
niet ongegrond en besloot ten slotte om de genoemde reden zijn werk
te doen uitgeven. Het blijkt echter niet, dat hij in eene uitgave
buiten zijn toedoen en toestemming door een ander iets onrechtmatigs
zou hebben gezien; wel duidt hij in een zijner brieven met plagium
aan het feit, dat afschriften in handen van anderen waren gekomen [90].
Wat Hugo de Groot nog tijdig had weten te verhoeden, overkwam een ander
schrijver in de 16de eeuw: den dichter Starter, wiens Lusthof arglistig
buiten zijn weten werd gedrukt. Dit wekte wel zijne verontwaardiging,
hij noemde het:
"'t Onredelijckste stuck, d' onlydelijckste smart,
Die immermeer aen my betoond is of bewezen" [91].
doch eene krenking van zijn recht scheen ook hij daarin niet te zien.
Van een dergelijke behandeling was eenigen tijd later Hubert
Kornelisz. Poot het slachtoffer. Poot had een lofdicht "op zeker
braef en kunstryk Heer" gemaakt, dat hij niet door den druk publiek
gemaakt wilde hebben. Doch buiten zijne voorkennis wist de drukker
het te bemachtigen en toen Poot hem wilde verhinderen het in druk
uit te geven, kreeg hij tot bescheid: "Ik zal 't evenwel drukken; het
is niet meer in uwe magt. Wilt gij derhalve, om vrienden te blijven,
weder een ducaton hebben... ik zal hem u geven; dien waeg ik er aen,
en anders zal ik evenwel met drukken voortvaren." Poot moest, naar
hij zelf verklaart, zich hierbij wel neerleggen en nam dus ook maar
den dukaton in ontvangst, die hem echter tot zijne verontwaardiging
"aen veelerlei soort van ander gelt" werd uitgeteld [92].
Wijzen de bovenvermelde gevallen op het ontbreken van een recht der
schrijvers op hunne onuitgegeven werken, er bestaat een placcaat
van de Staten van Holland van 30 April 1728, dat aan eene bepaalde
categorie van auteurs, die in het bijzonder aan het gevaar blootstonden
hunne werken zonder hunne toestemming te zien uitgeven, dit recht
uitdrukkelijk toekende. Dit placcaat bepaalde: "dat van nu voortaan
niemand hier te Lande sal mogen doen drukken eenige Boeken, op den
naem van Professoren of andere Leedemaaten van onse Universiteyt te
Leyden, die te vooren noyt gedrukt zijn geweest, als haare Schriften,
Lessen &c. onder wat titul het soude mogen weesen, tenzij hij alvoorens
daar toe sal hebben verkreegen het schriftelyk Consent van deselve,
of van haare Erfgenaamen..." etc. [93].
Wat hier aan de Leidsche professoren werd verleend was dus wel het
recht, waarop mijn onderzoek nu is gericht; en dat men met dit
placcaat ook werkelijk bescherming van den auteurs-eer beoogde,
kan blijken uit de overweging:
"Alsoo Wy bevinden, dat door het drukken en uitgeeven van Boeken op
den naam van Professoren en andere Leedematen van onse Universiteyt te
Leiden, buiten haar kennis, veel groove fauten en abuisen in deselve
Boeken worden gecommitteerd, en selfs veel erroneuse en onwaare
stellingen werden in het ligt gebragt, tot merkelijke klein agting van
deselve Professooren en andere, en haare goeden naam, soo buiten als
binnen 's Lands, ook tot groot nadeel der goede Weetenschappen... etc."
Intusschen valt uit deze bepaling, die uitsluitend ten behoeve der
Leidsche Hoogleeraren strekte, niets af te leiden omtrent de vraag
of dit recht ook in het algemeen voor elken schrijver of redenaar
werd erkend. Ik meen te mogen vermoeden dat dit niet het geval was
en dat dus het hier besproken placcaat, evenals de privilegiën niet
is te beschouwen als de erkenning van een bestaand recht, maar als
een uitzonderingsmaatregel.
Met andere met het auteursrecht in verband staande rechten, zooals
bijvoorbeeld het recht zich er tegen te verzetten, dat misbruik van den
auteursnaam wordt gemaakt, zal het wel evenzoo gesteld zijn geweest.
Vondel beklaagt zich hierover o. a. in deze termen:
"De gewinzucht zommiger boeckverkooperen, meenende uit mijnen naem
winst te trecken, ontzien niet op een byzonder bladt, of in boecken,
in Hollandt en elders, op mijnen naem te drucken dichten bij anderen
gedicht, en inzonderheit in Zuidthollant, daer men op den tytel van
Vondels poëzye, druckt en herdruckt, en vermeert vele dichten, daer
ick zoo weinigh kennis en schult aen hebbe, als het kint dat noch te
baeren staet" [94].
Tegen dergelijke practijken was in die dagen in rechte niets
te beginnen; Vondel moet het zelf constateeren: "Tegens deze
ongeschicktheit, en moetwillige boosheit schieten my geen wapens dan
mijn gedult over." Dit blijkt ook uit de volgende woorden van Justus
Lipsius, (in de voorrede van De Cruce, Amstel. 1670) hoewel daarin,
meer dan in die van Vondel, een gekrenkt rechtsbewustzijn tot uiting
schijnt te zijn gekomen: "Ego semel et serio testor, audite qui in
Europa: Nihil meum est aut erit, quod non de autographo meo et me
volente sit expressum. Quicunque aliter, mihi injuriam facit, vobis
fucum" [95].
In andere landen werd het recht der auteurs, zij het dan ook in
vergelijking met nu op zeer gebrekkige wijze, veel eerder erkend en
geregeld dan bij ons. In Bazel en Neurenberg bestonden reeds in het
midden der zestiende eeuw algemeene voorschriften, die den nadruk,
ook van niet-geprivilegieerde werken, verboden [96]. Engeland had
reeds in 1709 eene wet op het auteursrecht en in Frankrijk, waar het
privilegie-stelsel tot aan de revolutie in stand bleef, won toch in
den loop der achttiende eeuw de letterkundige eigendom meer en meer
veld en vond zelfs bij rechterlijke beslissingen toepassing [97].
Dat dit beginsel in onze Republiek niet zoo spoedig aanhang en
toepassing vond, kan wellicht hierdoor worden verklaard, dat onze
boekhandel, vooral in de 17de en 18de eeuw, voor een groot deel bestond
van de producten van buitenlandsche, meest fransche schrijvers. De
groote vrijheid van drukpers die hier in vergelijking met andere
landen, heerschte, maakte dat vele buitenlandsche schrijvers, die in
hun eigen land hunne werken niet durfden of konden laten uitgeven,
hun toevlucht namen tot een Nederlandschen uitgever. Bovendien waren
de voortbrengselen der Nederlandsche drukkunst terecht zeer gezocht;
de namen Elzevier, Plantijn, Wetstein, Blaeu en anderen waren door
geheel Europa bekend en vele schrijvers stelden er een eer in, hunne
geschriften door een van die beroemde huizen te zien gedrukt.
"De Hollandsche boekhandel heeft, gedurende bijna eene eeuw, zig
verrijkt met het drukken van boeken, van welken hem, de manuscripten
uit Frankrijk gezonden werden, of die zij op de fransche drukken
nadrukten; of die voor hen hier te lande bearbeid werden" [98].
De schrijver van Hollands Rijkdom waaraan bovenstaande woorden
zijn ontleend, vermeldt in hetzelfde werk [99] enkele uitlatingen
van Voltaire over de Nederlandsche uitgevers: "...een amsterdamsch
boekverkooper, die nauwelijks eene A voor eene B kende, won een
millioen, omdat er Franschen waren, welke om den broode schreven." "De
hollandsche boekverkoopers winnen jaarlijks een millioen, omdat de
Franschen vlug van geest zijn." Al drukt Voltaire zich hier wat sterk
uit, een grond van waarheid ontbreekt zeker niet aan zijne beweringen.
Ook op het gebied van den muziekdruk waren het vooral werken van
vreemde componisten, die hier te lande werden gedrukt [100].
Waar dus het uitgeversbedrijf en de boekhandel jaarlijks schatten in
het land brachten, terwijl de schrijvers grootendeels vreemdelingen
waren, ligt het voor de hand, dat men de bescherming der boekdrukkers
als hoofdzaak bleef beschouwen en zich niet zoo spoedig ontvankelijk
betoonde tot het erkennen van de rechten der auteurs.
De "schatten", die door de drukkers en uitgevers werden verdiend,
mogen in bovenstaande citaten misschien min of meer overdreven
zijn voorgesteld, in ieder geval is het bekend, dat hun bedrijf,
vooral in de 17de eeuw, aanzienlijke winsten kon opleveren. Gaat
men daartegenover na, wat de schrijvers voor hun werk maakten, dan
valt daaruit gemakkelijk af te leiden, dat het leeuwenaandeel van
hetgeen met hunne geschriften werd verdiend niet voor hen maar voor
de drukkers en uitgevers was.
Over het weinige, dat de schrijvers voor het tooneel voor hun werk
kregen, is al gesproken. De exploitatie door den druk bracht wel eens
meer, maar toch gewoonlijk ook niet veel voor de auteurs op. Gaf men
in den schouwburg aan den tooneeldichter als eenige vergelding een
aantal "loodjes", de uitgevers gaven dikwijls als eenig honorarium een
aantal exemplaren van het boek. In een brief van Abraham Ortel aan den
geschiedschrijver Emanuel van Meteren, gedateerd 17 November 1586,
leest men o. a.: "My dunckt, so veele als ick in onzen tyt bevonden
hebbe, so hebben de aucteuren selden gelt van haer boeken, want meest
wordense aen druckeren gesconken. Dan sy hebben wel gemeynlijcken wat
exemplaren alse gedruckt sijn, ende dan oock wachten se gemeynlijcken
wat van de dedicatie, idque pro Maecenatis aut patroni liberalitate,
die dicwils ende oock meest (geloove ick) hem mist. Ick hebber oock
by geweest dat Plantyn 100 daelders toe creech van den aucteur, om
dat hy syn boeck drucken soude willen.... Plantyn heeft nu corts noch
een boexken aengenomen, daer hy 200 gulden toe sal hebben" [101]. De
waarheid dezer mededeelingen omtrent Plantijn vindt men bevestigd
door Max Rooses in diens bekende werk over den Antwerpschen drukker
en uitgever. Daar worden nog vele voorbeelden genoemd van schrijvers,
die een som gelds toe moesten betalen, waarvoor zij dan meestal een
aantal exemplaren van het werk ontvingen. Doch gewoonlijk hadden de
auteurs niets te betalen, maar kregen zij evenmin eenig honorarium. Aan
sommige gaf Plantijn een geschenk in boeken; slechts in zeer enkele
gevallen gaf hij eene renumeratie in geld [102].
In de zeventiende eeuw was het in het algemeen voor de auteurs
waarschijnlijk niet veel beter gesteld. Van schrijvers, die zich met
hun arbeid verrijken, hoort men niet; als er iets met een boek te
verdienen is, strijkt de drukker dit meestal op. Zoo schrijft Maria
van Reigersbergh aan haar echtgenoot in een brief van 12 Augustus 1624
o. a.: "Ick hebbe met Erpenius gesproecken raeckende het drucken van
U. E. bouck. Zoo veel hebbe ick wel verstaen, datter wel profyt mede
te doen is, het tselve tot onse kosten te laeten drucken, maer het
kompt altemael aen op het distribuweeren ende datter qualyck geldt
wt de bouckverkoopers handen te crigen is" [103]. In een volgend
schrijven raadt zij Hugo de Groot, een paar honderd exemplaren van
den uitgever voor zich te bedingen [104].
De volgende versregels van Jeremias de Decker in zijn Lof der
Geldzucht over de poëten geven een soortgelijken indruk van de
toenmalige verhoudingen tusschen schrijver en uitgever:
"En vloeit er wat gewins uit hunne rymery,
't Valt hunnen buidel mis en doet de borze zwellen
Der loozer druckeren en hunner metgezellen;
De Dichter zaeit en plant, de Drucker maeit en pluckt."
De dichtkunst werd slecht betaald en het gevolg was, dat de poëten
soms op thans minder gebruikelijke wijze geld uit hun verzen trachtten
te slaan, b.v. door zich onder de hoede te stellen van een Maecenas,
of door het vervaardigen op bestelling van gelegenheidsgedichten. Een
eigenaardig voorbeeld van exploitatie der dichtkunst deelt Prof. Kalff
mede: [105] de dichter Jan Jansz. Starter sloot in 1622 met een
twintigtal Amsterdammers een contract, waarbij deze "lyefhebbers
van de Nederduytsche poësy" zich verbonden, aan Starter wekelijks
12 carolus-guldens uit te keeren; daartegenover nam Starter de
verplichting op zich, in Amsterdam te blijven wonen en o. a. gedichten
voor hen te schrijven tegen drie stuivers de bladzijde.
Ten slotte nog een voorbeeld van schraal dichter-honorarium uit
het begin der achttiende eeuw: Hubert Korneliszoon Poot kreeg
voor de eerste uitgave zijner gedichten--en dat nog niet zonder
moeite--zes exemplaren van zijn werk en een "Grootmediaen Bybel"
van den uitgever. Later verweet deze uitgever hem "dat er langer geen
gedicht van (Poot) ter persse was te krijgen, of daer most een stuk
gelts voor zyn"; in antwoord op dit verwijt verklaarde Poot echter,
dat hij, alles bij elkaar, nooit meer van hem had losgekregen dan
"de arme waerde van twee zilvere dukatons".
Van eene bescherming tegen den nadruk die zich over verschillende
landen uitstrekte, kwam in het tijdperk der privilegiën natuurlijk
weinig in. Toch gelukte het soms aan een uitgever zich ook buiten
de landsgrenzen bescherming te verzekeren. Een van de oudste en
merkwaardigste voorbeelden hiervan geeft de beroemde bijbeluitgave van
Christoffel Plantijn, die in de jaren 1569-1572 te Antwerpen het licht
zag. Voor dit werk waren privilegiën verkregen in de volgende landen:
Venetië, Duitschland, Arragon en Castilië, de Nederlanden, Brabant,
Napels en Frankrijk. Bovendien had paus Pius V er een privilegie voor
verleend, waarbij aan ieder katholiek op straffe van excommunicatie
werd verboden, binnen twintig jaar dezen bijbel na te drukken of
te verkoopen zonder toestemming van Plantijn. Voor de inwoners der
kerkelijke Staten kwam bij deze straf nog een boete van 2000 gouden
dukaten en verbeurdverklaring der nagedrukte exemplaren [106].
Bodel Nyenhuis [107] maakt melding van een octrooi, door den Franschen
koning Hendrik IV in het jaar 1594 verleend aan Franciscus Raphelengius
voor Cyclometrica Elementa van Justus Scaliger, een werk, dat ook in
Nederland geprivilegieerd was. Een ander voorbeeld is de reeds genoemde
uitgave van de Annales van Hugo Grotius, voorzien van privilegiën van
de Staten-Generaal, de Staten van Holland en keizer Ferdinand III. Ook
blijkt van eene dergelijke gelijktijdige bescherming in verschillende
landen uit de resolutie der Staten-Generaal van 10 Sept. 1609 [108]:
"Is Octavio van Veen geaccordeert octroy, omme voor den tyt, dat
hem gelyk octroy is gegunt, by den keyser, coningen van Vrankryk
ende Spangien, mitsgaders die ertshertogen, alleene inde Vereenichde
Provinciën te mogen snyden in 't coper of hout,... etc."