BRONNEN EN LITERATUUR

Een enkel woord over de bronnen en de literatuur, waarvan voor dit

proefschrift gebruik is gemaakt, moge hier voorafgaan.

Voorzoover mijn onderzoek direct gericht was op het bestaande recht

van nu en van vroeger tijd, heb ik zooveel mogelijk de officieele en

oorspronkelijke bescheiden, die daarover licht konden verschaffen,

geraadpleegd.

Bij de bestudeering van de privilegies tegen nadruk in ons land van

de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw bestond mijn voornaamste

bron in de Resolutiën van de Staten van Holland en de Resolutiën van de

Staten-Generaal, beide (de eerste gedrukt, de laatste in handschrift)

berustende in het Rijksarchief te 's Gravenhage. Ik achtte het echter

niet noodig alle jaargangen uit het ruim tweehonderdjarig tijdperk

te doorzoeken; hier en daar deed ik een greep, daarbij zorg dragende,

dat nergens eene periode van eenigen omvang geheel ondoorzocht bleef.

Voorts heb ik voor dit gedeelte van mijn onderzoek veel gehad aan het

Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen, inzonderheid van

Utrecht, uitgegeven door J. J. Dodt van Flensburg; van de "Resolutiën

der Generale Staten uit de XVIIde eeuw meer onmiddellijk betreffende

de geschiedenis der beschaving", die in de deelen IV, V, VI en VII van

dit werk zijn opgenomen, bleken er een groot aantal op mijn onderwerp

betrekking te hebben.

Van verscheidene privilegiën heb ik ook kennis kunnen nemen, doordat

zij in het geprivilegieerde boek zelf stonden afgedrukt.

Van de schrijvers over de boekdrukkers-privilegiën dient te worden

genoemd Bodel Nyenhuis (De wetgeving op drukpers en boekhandel in de

Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw). Na dit boek, waarvan de

eerste (Latijnsche) uitgave in 1819 verscheen, schijnt een zelfstandig

onderzoek van eenigen omvang door niemand meer te zijn ingesteld;

zoo alleen is te verklaren, dat enkele onjuistheden uit het genoemde

werk bij alle latere schrijvers worden teruggevonden.

Voor de kennis van het Nederlandsche recht ná 1796 behoefde uit

den aard der zaak een opsporingswerk van eenige beteekenis niet te

worden verricht. Het werd, voorzoover noodig, nog vergemakkelijkt

door eene verzameling van wetten, tractaten, rechtspraak enz.,

uitgegeven door de Vereeniging ter bevordering van de belangen des

Boekhandels. (Het letterkundig eigendomsregt in Nederland. Wetten,

tractaten, regtspraak, benevens de wetgeving op de drukpers in

Nederland en Nederlandsch-Indië, 's-Gravenhage 1865; id. Tweede

Gedeelte, 's Gravenhage 1867).

Bij de bestudeering van de Berner Conventie heb ik in de eerste en

voornaamste plaats gebruik gemaakt van de officieele handelingen

der Conferenties.

Daar de belangrijkste arbeid op deze Conferenties werd verricht in

de gesloten vergaderingen der Commissie, aan wie de verwerking der

verschillende voorstellen en tegen-voorstellen was opgedragen, zijn

het niet het minst de verslagen dier Commissie aan de Conferentie,

die aan de handelingen hunne waarde verleenen.

Vooral de Commissie-verslagen van de twee laatste Conferenties (van

Parijs 1896 en Berlijn 1908) zijn om hunne volledigheid en helderheid

zeer waardevolle documenten, waarvoor den bekwamen rapporteur,

Prof. Louis Renault, terecht algemeen lof is gebracht.

Van de geraadpleegde literatuur over de Conventie noem ik in de

eerste plaats het standaard-werk van Prof. Ernst Röthlisberger,

Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von Werken der Literatur und

Kunst und die Zusatzabkommen. (Bern 1906). Deze voortreffelijke en

zeer volledige commentaar is echter reeds eenigermate verouderd,

daar hij geschreven is vóór de herziening van Berlijn.

Daarnaast heb ik alleen geschriften van kleineren omvang over de

Conventie tot mijne beschikking gehad, grootendeels artikelen in het

maandblad Le Droit d'Auteur, officieel orgaan van het Internationale

Verbond. Behalve deze studies over de Conventie bevatten de twee en

twintig jaargangen, die reeds van dit voortreffelijk geredigeerde

tijdschrift zijn verschenen, een schat van gegevens over wetgeving

en jurisprudentie op het auteursrecht van bijna alle landen der wereld.

Wat de literatuur over het auteursrecht in het algemeen betreft,

nog het volgende:

De lijst van geraadpleegde werken, die ik hieronder laat volgen, is

wat de vaderlandsche literatuur betreft, vrijwel volledig. In elk

geval meen ik te kunnen zeggen, dat geen belangrijk geschrift van

eenigen omvang erop ontbreekt. Niet opgenomen zijn de dagbladartikelen

en korte stukken in tijdschriften, alsmede die werken, waarin het

auteursrecht slechts terloops wordt besproken.

Van de buitenlandsche literatuur met haar reusachtigen en nog steeds

toenemenden omvang, heb ik slechts een klein gedeelte tot mijne

beschikking gehad. Ik hoop echter dat mijne keus, waarin ik natuurlijk

niet volkomen vrij was, niet al te ongelukkig is uitgevallen.

Ten aanzien van één schrijver ben ik op dit punt niet ongerust:

ik bedoel Kohler, wiens werken ongetwijfeld tot het belangrijkste

behooren van hetgeen over het auteursrecht is geschreven. Uit de

volgende bladzijden zal men herhaaldelijk kunnen zien, hoeveel ik

aan dezen schrijver verschuldigd ben.

Men vindt hier eerst de Nederlandsche, daarna de buitenlandsche werken,

alphabetisch gerangschikt naar de namen der auteurs.

J. Aikes van Kregten, Het contract tusschen schrijver en uitgever,

Proefschr. Groningen 1889.

Mr. G. Belinfante, Het recht van den auteur, Themis 1877 pp. 204a sqq.

J. T. Bodel Nyenhuis, De wetgeving op drukpers en boekhandel in de

Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw. (Vertaling van: De juribus

typographorum et bibliopolarum in regno Belgico, Lugd. Bat. 1819). Met

de latere bijvoegsels en verbeteringen van den schrijver.

J. D. Doorman, Het vrije vertalingsrecht verdedigd, Leiden 1885.

Mr. Evertsen de Jonge, Verhandeling over de regten van schrijvers

en kunstenaars op hunne werken, voornamelijk uit het oogpunt van het

internationale regt, Utrecht 1853.

Mr. J. Heemskerk Azn., Voordragten over den eigendom van

voortbrengselen van den geest, Haarlem 1856.

Prof. Mr. H. van der Hoeven, Een verongelukt artikel, Tijdschrift

voor Strafrecht V pp. 99 sqq.

J. van de Kasteele, Het auteursrecht in Nederland, Proefschr. Leiden

1885.

Mr. S. Katz, Het auteursrecht, Rechtsgeleerd Magazijn I pp. 311 sqq.

J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie, Rotterdam 1905.

-- Aansluiting bij de Berner Conventie, Pro en Contra serie I no. 10.

Mr. J. A. Levy, Nederland en de Berner Conventie, Het Paleis van

Justitie, 9 Aug. 1898 pp. 1 en 2.

Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, Over de regten van den uitvinder,

Themis 1862 pp. 213 sqq.

-- Boekbeoordeeling (De Kon. Akademie van Wetenschappen en de

zoogenaamde letterkundige en kunsteigendom. Eene kritiek door

mr. T. van Hettinga Tromp), Nieuwe Bijdragen voor Regtsgeleerdheid

en Wetgeving deel XIV (1864) pp. 140 sqq.

-- Grond en omvang van het regt van schrijver en uitvinder, Bijdragen

tot de kennis van het Staats-Provinciaal en Gemeente-Bestuur in

Nederland XVI (nieuwe serie III) pp. 1 sqq.

J. Mosmans, Diefstal? Nederland en de Berner Conventie, Venloo 1905.

Mr. A. A. de Pinto, Begrip en omvang van het auteursrecht volgens de

Nederlandsche wet, Verslagen en Mededeelingen der Kon. Akademie van

Wetensch. Afd. Letterkunde 3de reeks, 12de deel pp. 5 sqq.

Mr. L. J. Plemp van Duiveland, Nederland en de Berner Conventie,

de Gids 1896 III pp. 385 sqq.

-- Nederland en de (herziene) Berner Conventie, Onze Eeuw 1909 I

pp. 102 sqq.

N. de Ridder, Eenige beschouwingen over kopierecht, Proefschr. Utrecht

1875.

Herman Robbers, Aansluiting bij de Berner Conventie, Pro en Contra

serie I no. 10.

-- De Berner Conventie, te Berlijn herzien, de Gids 1908 IV pp. 541

sqq.

J. G. Robbers Jr., Het auteursrecht. Opmerkingen en beschouwingen,

Proefschr. Amsterdam 1896.

Mr. Paul Scholten, Recht op brieven, Weekblad voor Privaatrecht,

Notarisambt en Registratie 22 Sept. 1906 no. 1917.

Mr. Ph. W. Scholten, Eene leemte in de wet betreffende het

auteursrecht, Themis 1884 pp. 154 sqq.

A. G. N. Swart, Opmerkingen betreffende auteursrecht op werken van

beeldende kunst, Proefschr. Leiden 1891.

Mr. J. D. Veegens, Het auteursrecht volgens de Nederlandsche wetgeving,

1895.

-- Nederland en de Berner Conventie, de Gids, 1896 III pp. 411 sqq.

-- id. met Bijlagen; Supplement op: Het auteursrecht volgens de

Nederl. wetgeving, 2de druk Groningen 1898.

Mr. B. van den Velden, Over het kopyregt in Nederland, 's Gravenhage

1835.

Mr. J. Freseman Viëtor, Eene bijdrage tot het leerstuk van

den intellectueelen eigendom, Bijdragen tot de kennis van het

Staats-Provinciaal en Gemeente-Bestuur in Nederland XV (nieuwe serie

II) pp. 1-49, 113-166.

-- Het auteursrecht, Kantteekeningen op het ontwerp van wet tot

regeling van het auteursrecht, Utrecht 1877.

-- Praeadvies voor de Nederlandsche Juristen-Vereeniging, Handelingen

der Nederl. Juristen Vereeniging 1877 I pp. 34 sqq.

Henry Viotta, Het auteursrecht van den componist, Proefschr. 1877.

Mr. B. M. de Vos, Het auteursrecht in actie, Rechtsgeleerd Magazijn

1908 pp. 28 sqq. en 414 sqq.

Dr. Karl Adler, Zur juristischen Konstruktion des Urheberrechtes,

Archiv für Bürgerliches Recht X pp. 104 sqq.

Dr. O. Bähr, Hat der Eigenthümer einen Anspruch auf Schutz gegen

Vervielfältigung eines ihm gehörigen Schrift- oder Kunstwerks? Archiv

für Bürgerliches Recht VIII pp. 150 sqq.

Louis Blanc, De la propriété littéraire, Organisation du Travail 5me

ed. Paris 1848 pp. 220 sqq.

Bluntschli, Das sogenannte Schrifteigenthum, Das Autorrecht, Kritische

Ueberschau der deutschen Gesetzgebung und Rechtswissenschaft I

pp. 1 sqq.

Jules Charreyron, De la propriété littéraire et artistique, Thèse

pour le doctorat Paris 1904.

Dr. P. Daude, Lehrbuch des Deutschen litterarischen, künstlerischen

und gewerblichen Urheberrechts, Stuttgart 1888.

Louis Delzons, La propriété artistique et littéraire à la Conférence

de Berlin, Revue des deux mondes Octobre 1908 pp. 667 sqq.

Louis Delzons, L'oeuvre de la Conférence de Berlin sur la propriété

littéraire et artistique, ibid. Dec. 1908 pp. 895 sqq.

J. G. Fichte, Beweis der Unrechtmässigkeit des Büchernachdrucks. Ein

Räsonnement und eine Parabel, Sämmtliche Werke 8 pp. 223 sqq.

C. F. von Gerber, Ueber die Natur der Rechte des Schriftstellers und

Verlegers, Jahrbücher für die Dogmatik III pp. 359 sqq.

O. Gierke, Deutsches Privatrecht (Systematisches Handbuch der Deutschen

Rechtswissenschaft von dr. Karl Binding 2de afd. IIIde deel), Leipzig

1895 pp. 702 sqq. 756 sqq.

Hegel, Grundlinien der Philosophie des Rechts §§ 43, 68, 69.

Prof. Dr. Paul Hinschius, Ueber die Schutzberechtigung von Pantomimen

und Ballets gegen unbefugte öffentliche Aufführung, Jahrbücher für

die Dogmatik XXVI pp. 185 sqq.

Dr. Julius Jolly, Die Lehre vom Nachdruck, nach den Beschlüssen

des deutschen Bundes dargestellt, Beilageheft zum Archiv für die

civilistische Praxis, Band XXXV (1852).

Im. Kant, Metaphysik der Sitten I, Rechtslehre, I Theil, II Hauptst.,

3 Abschn.

Dr. Joseph Kohler, Das Autorrecht, eine zivilistische Abhandlung,

zugleich ein Beitrag zur Lehre vom Eigenthum, vom Miteigenthum,

vom Rechtsgeschäft und vom Individualrecht, Jahrbücher für die

Dogmatik XVIII.

-- Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz,

Eine juridisch-ästhetische Studie, Mannheim 1892.

-- Urheberrecht an Schriftwerken und Verlagsrecht, Stuttgart 1906-1907.

-- Kunstwerkrecht, Stuttgart 1908.

-- Die Idee des geistigen Eigenthums, Archiv für die civilistische

Praxis 82 pp. 192 sqq.

-- Das Recht an Fahrtenbüchern, ibid. 85 pp. 98 sqq.

-- Autorrechtliche Studien, ibid. 85 pp. 399 sqq.

-- Die Immaterialgüter im internationalen Recht, Zeitschrift für

internationales Privat- und Strafrecht VI (1896) pp. 236 sqq. en

338 sqq.

-- Das Individualrecht als Namenrecht, Archiv für Bürgerliches Recht

V pp. 77 sqq.

-- Das Recht an Briefen, ibid. VII pp. 94 sqq.

-- Zur Konstruktion des Urheberrechts, ibid. X pp. 241 sqq.

Paul Laboulaye, Étude sur le droit de propriété littéraire en

Allemagne, Paris 1855.

Macaulay, Copyright, A speech delivered in The House of Commons on

the 5th of February 1841.

-- id. on the 6th of April 1841, Speeches by Macaulay in two volumes,

vol. 1 pp. 273 sqq. (Tauchnitz edition vol. CCLXXXIV).

Mandry, Der Entwurf eines gemeinsamen deutschen Nachdruckgesetzes,

Kritische Vierteljahrschrift für Gesetzgebung und Rechtswissenschaft

VII pp. 1-55, 242-274, 565-609.

-- Der civilrechtliche Inhalt der Reichsgesetze, Archiv für die

civilistische Praxis 60 (neue Folge 10) pp. 228 sqq.

F. de Martens, Traité de droit international, traduit du Russe par

Alfred Léo, Paris 1886 II pp. 195-234.

Aloïs d'Orelli, La Conférence internationale pour la protection des

droits d'auteur, réunie à Berne du 8 au 19 Septembre 1884, Revue de

droit international et de législation comparée 1884 pp. 533 sqq.

-- La deuxième conférence internationale pour la protection des

oeuvres littéraires et artistiques, ibid. 1886 pp. 35 sqq.

Hermann Ortloff, Das Autorrecht als strafrechtlich zu schützendes

Recht, Jahrbücher für die Dogmatik V pp. 263 sqq.

Eugène Pouillet, Traité théorique et pratique de la propriété

littéraire et artistique et du droit de représentation, Paris 1879.

P. J. Proudhon, Les Majorats littéraires, Examen d'un projet de loi

ayant pour but de créer, au profit des auteurs, inventeurs et artistes

un monopole perpétuel, Paris 1868, Oeuvres Complètes tome XVI.

Fernand Renouard, Essai sur la nature du droit d'auteur, improprement

désigné sous le titre de propriété littéraire, Genève 1869.

Prof. Ernst Röthlisberger, Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von

Werken der Literatur und Kunst und die Zusatzabkommen, geschichtlich

und rechtlich beleuchtet und kommentiert, Bern 1906.

Dr. A. Schäffle, Die ausschliessenden "Verhältnisse" mit besonderer

Rücksicht auf litterarisch-artistisches Autorrecht, Patent-, Muster-

und Markenschuz, Zeitschrift für die gesammte Staatswissenschaft Band

23 (1867) pp. 143-219; 291-477.

-- Ueber die volkswirtschaftliche Natur der Güter der Darstellung

und der Mittheilung, ibid. Band 29 (1873) pp. 1-70.

Dr. Schmid, Ueber dingliche Gewerberechte, Archiv für die civilistische

Praxis Band 4 pp. 1 sqq.; 174 sqq.

Dr. Heinrich M. Schuster, Das Urheberrecht der Tonkunst in Oesterreich,

Deutschland und andern europäischen Staaten mit Einschluss der

allgemeinen Urheberrechtslehren historisch und dogmatisch dargestellt,

München 1891.

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 24 / 215 题