Ondertusschen werden de Solanos vervolgd en Henry plaagde Francis met
de woorden:
„Hier in de jungle hebben dollars toch geen waarde. Ze kunnen ons geen
versche paarden verschaffen en evenmin deze beide futlooze dieren
vervangen, die eveneens aangetast schijnen door de veeziekte, die de
overige rijdieren van den haciendado doodde.”
„Ik ben nog nooit ergens geweest, waar geld zijn uitwerking miste,”
antwoordde Francis.
„Ik veronderstel, dat men er zelfs in de hel een dronk water voor kan
koopen,” was Henry’s antwoord.
Leoncia klapte in haar handen.
„Ik weet het niet,” merkte Francis op. „Daar ben ik nog nooit geweest.”
Weer klapte Leoncia in de handen.
„Hoe het zij, ik heb een idee, dat dollars ook in de jungle gebruikt
kunnen worden en ik ga het dadelijk probeeren,” vervolgde Francis,
tegelijkertijd den geldzak van Leoncia’s zadelknop losmakend.
„Ga vooruit en rijd door.”
„Maar je moet het mij vertellen,” drong Leoncia aan en terwijl zij zich
in het zadel tot hem overboog, fluisterde hij haar iets in het oor, wat
haar weer deed lachen, terwijl Henry, die zich tot Enrico en zijn zoons
wendde, zichzelf heimelijk voor een jaloersche gek uitschold.
Voor ze uit het gezicht verdwenen, keken ze om en zagen Francis, die
bloc-note en potlood te voorschijn gehaald had, iets opschrijven. Wat
hij schreef was welsprekend en kort, enkel het cijfer „50”. Het blaadje
afscheurend, legde hij dit duidelijk zichtbaar midden op het pad en een
zilveren dollar er bovenop. Nog negen en veertig dollars uit den zak
tellend, strooide hij deze uit in de onmiddellijke nabijheid der eerste
en rende het pad af, het gezelschap achterna.
Augustino, de gendarme, die zelden sprak wanneer hij nuchter was, maar
die, dronken, met vele woorden het loflied op het zwijgen zong, liep
voorop, met gebogen hoofd het wild nasporend, toen zijn scherpe oogen
op den zilveren dollar vielen, die het stukje papier vasthield. Van den
eersten maakte hij zich meester; het tweede overhandigde hij aan den
Chef. Torres keek over diens schouder en samen lazen zij het
raadselachtige cijfer „50”. De Chef wierp het stukje papier terzijde
als iets, wat geen waarde had en was er voor om de vervolging voort te
zetten, maar Augustino raapte het op en beschouwde aandachtig het
cijfer „50”. Terwijl hij er nog over stond te piekeren, verkondigde een
juichkreet van Rafaël, dat hij ook een dollar gevonden had. Toen wist
Augustino genoeg. Er lagen vijftig geldstukken voor het oprapen. Het
briefje wegwerpend, kroop hij op handen en knieën over den grond. Het
overige gezelschap ging meegrabbelen, terwijl Torres en de Chef in
vloeken uitbarstten en tevergeefs trachtten om hen voort te doen gaan.
Toen de gendarmes niets meer konden vinden, telden zij, wat zij
verzameld hadden. Het gezamenlijk bedrag was zeven en veertig dollars.
„Er zijn er nog drie,” riep Rafaël, waarop ze allemaal weer gingen
zoeken. Nog vijf minuten gingen verloren, eer de drie andere
geldstukken gevonden werden. Ieder stak zijn oogst in den zak en zetten
gehoorzaam de vervolging voort, Torres en den Chef van Politie op de
hielen volgend.
Een mijl verder trachtte Torres een glinsterenden dollar in den grond
te trappen, maar Augustino’s frettenoogjes waren hem te vlug af en zijn
begeerige vingers groeven het geldstuk op uit de zachte aarde. Zij
hadden reeds geleerd, dat waar één dollar te vinden was, er ook meer te
vinden waren. De troep hield halt, en terwijl de beide aanvoerders
kookten en vloekten, verspreiden de verschillende leden zich rechts en
links van het pad. Vicente, een gendarme met een vollemaansgezicht, die
meer op een Mexicaansch Indiaan, dan op een Maya- of een
Panama-„kleurling” geleek, ontdekte het spoor het eerst. Zij
verzamelden zich allen, evenals honden om een boom, waarin een opossum
zit. Het was ook werkelijk een boom, of tenminste een verteerde, holle
stomp, een twaalf voet hoog en ongeveer een derde daarvan in doorsnee.
Vijf voet boven den grond was een opening. Boven de opening, met een
doorn vastgestoken, zat een stukje papier, van dezelfde grootte als het
eerste, dat zij gevonden hadden. Daarop stond geschreven „100”.
In het nu volgend gegrabbel, gingen een half dozijn minuten verloren,
doordat een half dozijn rechterarmen moeite deden om het eerst te
verdwijnen in het holle binnenste van den stomp en den schat te
bemachtigen. Maar de holte was dieper dan hun armen lang waren.
„We zullen den stomp omhakken,” riep Rafaël uit, nadat hij met den
achterkant van zijn hakmes tegen den stam geklopt had om den bodem van
het gat te vinden. „We zullen allemaal helpen, tellen wat we er in
vinden en gelijk verdeelen.”
Maar nu werden hun aanvoerders dol en de Chef begon te dreigen, dat
hij, zoodra zij terug waren in San Antonio, hen naar San Juan zou
zenden, waar hun karkassen door de buizerds verslonden zouden worden.
„Maar we zijn, Goddank, nog niet terug in San Antonio,” zei Augustino,
zijn gewone zwijgzaamheid verbrekend om deze wijsheid te verkondigen.
„Wij zijn arme kerels en zullen eerlijk deelen,” beweerde Rafaël.
„Augustino heeft gelijk en God zij dank, dat wij nog niet terug zijn in
San Antonio. Deze rijke Gringo zaait zooveel geld langs den weg, dat
wij in één dag meer kunnen oprapen, dan we in een jaar kunnen verdienen
in de plaats, waar wij vandaan komen. Ik voor mij, ben voor revolutie,
wanneer het geld zoo overvloedig is.”
„Met den rijken Gringo als hoofd,” vulde Augustino aan. „Want zoolang
hij ons op deze wijze voorgaat, ben ik bereid hem eeuwig te volgen.”
„Als,” beweerde Rafaël toestemmend, met een hoofdknikje naar Torres en
den Chef, „als zij ons geen gelegenheid geven, om te verzamelen, wat de
goden voor ons hebben uitgestrooid, dan kunnen ze naar de laatste en
vurigste hel der hellen loopen. Wij zijn menschen en geen slaven. De
wereld is groot. De Cordilleras liggen vlakbij. We zullen allen rijk en
vrij zijn en wonen in de Cordilleras, waar de Indiaansche meisjes
vurig, schoon en begeerenswaardig zijn...”
„En we zullen goed van onze vrouwen afkomen, daarginds in San Antonio,”
zei Vicente. „Laten we nu dezen kostbaren boom omhakken.”
Hun hakmessen met krachtige, zware slagen zwaaiend, gaf het hout, dat
zoo verteerd was, dat het reeds sponsachtig werd, spoedig mee. En toen
de stomp omviel, telden en deelden ze eerlijk, niet honderd, maar
honderd zeven en veertig zilveren dollars.
„Hij is royaal, deze Gringo,” beweerde Vicente. „Hij geeft meer dan hij
zegt. Zou er misschien nog meer zijn?”
En uit de overblijfselen van het verrotte hout, dat grootendeels tot
stof verging onder hun slagen, haalden zij nog vijf geldstukken te
voorschijn, waarmee weer tien minuten verloren gingen, wat Torres en
den Chef op het randje van krankzinnigheid bracht.
„Hij maakt het zich niet druk met tellen, deze rijke Gringo,” sprak
Rafaël. „Hij opent zeker alleen dien zak maar en schudt er wat uit. En
dat is de zak, waarmee hij naar den oever van San Antonio reed, toen
hij met dynamiet den muur van onze gevangenis deed springen.”
De vervolging werd hervat en alles ging goed gedurende een half uur,
toen zij aan een verlaten erf kwamen, dat reeds gedeeltelijk begroeid
was met de weer terugkeerende jungle.
Een vervallen huis met strooien dak, een ingestortte werkloods, een
vervallen kraal, welks posten uitgesproten waren tot levende, groene
boomen en een bron, die getuigde van vroeger gebruik door een emmer,
bevestigd aan een stuk koord, wezen aan, waar het een mensch mislukt
was, de wildernis aan zich onderdanig te maken. En, duidelijk zichtbaar
aan deze put vastgehecht, zat een bekend stukje papier, waarop
geschreven stond „300”.
„Moeder Gods!—een fortuin!” riep Rafaël.
„Moge de duivel hem ten eeuwigen dage pijnigen in de laatste en diepste
hel!” was Torres’ bijdrage.
„Hij betaalt beter dan jouw Senor Regan,” spotte de Chef, wanhopig en
verontwaardigd.
„Zijn zak met zilver is alleen maar te groot,” antwoordde Torres. „Het
schijnt, dat we alles zullen moeten oprapen, eer we hem te pakken
krijgen. Maar wanneer we alles opgeraapt hebben en zijn zak leeg is,
dan zullen we hem vangen.”
„Laten we nu doorgaan, kameraden,” sprak de Chef beminnelijk tegen zijn
troep. „Dan kunnen we straks op ons gemak terugkomen en het zilver
opzoeken.”
Maar nu verbrak Augustino het zwijgen weer.
„Men weet nooit langs welken weg men terugkeert en of men wel
terugkeert,” verkondigde hij pessimistisch. Verrukt over den parel der
wijsheid, dien hij uitgestrooid had, deed hij nog een poging.
„Driehonderd dollars in de hand is beter dan drie millioen op den bodem
van een put, dien wij misschien nooit terug zien.”
„Een van ons moet in den put klimmen,” sprak Rafaël, het gevlochten
koord beproevend, door er aan te gaan hangen. „Kijk! Het koord is
sterk. We zullen er een man aan naar beneden laten zakken. Wie is de
dappere, die naar beneden wil gaan?”
„Ik,” zei Vicente. „Ik zal de dappere zijn, die naar beneden gaat.”
„En de helft steelt, van wat je vindt,” bracht Rafaël onmiddellijk zijn
verdenking onder woorden. „Wanneer je naar beneden gaat, moet je ons
eerst de pesos terhandstellen, die je reeds bezit. Wanneer je dan weer
boven komt, kunnen wij je visiteeren om te zien, wat je gevonden hebt.
Daarna, wanneer wij eerlijk gedeeld hebben, krijg je je andere pesos
weer terug.”
„Dan bedank ik er voor om naar beneden te gaan voor kameraden, die mij
niet vertrouwen,” zei Vicente koppig. „Hier, naast de put staande, ben
ik even rijk als een van jelui. Waarom zou ik dan naar beneden gaan? Ik
heb wel eens gehoord, dat men sterven kan op den bodem van een put.”
„In Godsnaam, maak dat je beneden komt!” drong de Chef aan. „Haast je!
Haast je!”
„Ik ben te dik, het koord is niet sterk en ik bedank er voor om naar
beneden te gaan,” zei Vicente.
Allen keken Augustino, den zwijgzame, aan, die nu reeds meer gesproken
had, dan hij anders in een week deed.
„Guillermo is de magerste en de lichtste,” zei Augustino.
„Guillermo moet naar beneden!” riepen de overigen in koor.
Maar Guillermo, die achterdochtig naar de opening der put keek,
krabbelde terug, schudde zijn hoofd en bekruiste zich. „Zelfs niet voor
de verborgen schat in de geheimzinnige stad der Mayas,” mompelde hij.
De Chef trok zijn revolver en keek naar de overige leden der troep om
instemming. Deze gaven zij met de oogen en door met het hoofd te
knikken.
„In ’s hemelsnaam, maak dat je beneden komt,” dreigde hij den kleinen
gendarme. „En haast je wat, of ik zal je een lesje geven, dat je nooit
weer naar boven of naar beneden zult gaan, maar hier blijven en
verrotten naast dit verdoemde gat. Is het goed, kameraden, dat ik hem
neerschiet, als hij niet naar beneden verkiest te gaan?”
„Het is goed!” schreeuwden zij.
En Guillermo haalde, met bevende vingers, de geldstukken te voorschijn,
die hij reeds verzameld had en, doodsbenauwd, bekruiste hij zich
herhaaldelijk en stapte, door zijn kameraden geholpen op den emmer,
ging zitten, met zijn beenen er om heen geslagen en werd naar beneden
gelaten in de donkere diepte.
„Halt!” schreeuwde hij uit de put. „Halt! Halt! Het water! Ik ben er
bij!”
Die boven aan de put stonden, hielden hem met hun gewicht tegen.
„Ik mag wel tien pesos extra hebben boven mijn deel,” riep hij naar
boven.
„We zullen je doopen,” werd hem toegeroepen en afwisselend: „Je zult
vandaag je genoegen kunnen drinken aan water.” „We laten je schieten.”
„We zullen het touw doorsnijden.” „Dan is er een minder om mee te
deelen.”
„Het water is niet lekker,” antwoordde hij, terwijl zijn stem uit de
donkere diepte oprees als de stem van een geest. „Er zijn zieke
hagedissen en een doode vogel, die stinkt. En misschien zijn er wel
slangen ook. Het is best tien pesos extra waard, wat ik moet doen.”
„We zullen je verdrinken!” schreeuwde Rafaël.
„Ik zal in de put schieten en je dooden!” bullebakte de Chef.
„Schiet op me of verdrink me gerust,” kwam Guillermo’s stem weer naar
boven, „maar daar zal je niets mee winnen, want de schat blijft dan nog
altijd in de put.”
Er ontstond een pauze, waarin zij, die op den vasten grond stonden
elkander aankeken, als om te overleggen, wat ze doen zouden.
„En de Gringos verdwijnen al verder en verder,” zei Torres woedend. „’t
Is een mooie discipline, die je over je gendarmes uitoefent, Senor
Mariano Vercara è Hyos!”
„We zijn hier niet in San Antonio,” snauwde de Chef terug. „Dit is het
kreupelbosch van Juchitan. Mijn honden zijn goed in San Antonio. Maar
in het kreupelbosch moeten ze met zachtheid behandeld worden, of ze
worden wild en wat zal er dan met ons gebeuren?”
„Het is de vloek van het goud,” gaf Torres droevig toe. „Het zou iemand
er toe brengen om socialist te worden, wanneer een Gringo de handen der
justitie op deze wijze met gouden koorden knevelt.”
„Met zilveren,” verbeterde de Chef.
„Loop naar den duivel,” zei Torres. „Zooals je gezegd hebt, dit is San
Antonio niet, maar het kreupelbosch van Juchitan en hier mag ik je wel
zeggen, dat je naar den duivel kunt loopen. Waarom zouden jij en ik
ruzie maken, omdat we slecht gemutst zijn, terwijl het toch in ons
voordeel is om elkander bij te staan?”
„Bovendien,” steeg de stem van Guillermo uit de diepte op, „is het
water nog geen twee voet diep. Je kunt er mij niet eens in verdrinken.
Ik heb juist over den bodem gevoeld en nu op het oogenblik vier ronde
zilveren pesos in mijn hand. De bodem is bezaaid met pesos. Wil je me
nog laten schieten? Of krijg ik tien pesos extra voor dit smerige
karweitje? Het water stinkt als een nieuw kerkhof.”
„Ja! Ja!” schreeuwden ze naar beneden.
„Wat? Laten schieten? Of tien extra?”
„Tien extra!” riepen ze in koor.
„In Godsnaam, schiet op! Schiet op!” riep de Chef.
Zij hoorden een geplas en gevloek op den bodem der put en merkten, aan
de verminderde spanning van het koord, dat Guillermo den emmer had
verlaten en rondplaste om de geldstukken te zoeken.
„Doe ze in den emmer, goede Guillermo,” riep Rafaël naar beneden.
„Ik doe ze in mijn zakken,” kwam het antwoord terug. „Wanneer ik ze in
den emmer deed, kon je dien wel eens eerst omhoog hijschen en daarna
vergeten om mij op te halen.”
„Door het dubbele gewicht zou het koord kunnen breken,” waarschuwde
Rafaël.
„Het koord is waarschijnlijk niet zoo sterk als mijn wil, want mijn wil
is in deze zeer sterk,” zei Guillermo.
„Als het koord brak...” begon Rafaël weer.
„Ik weet een oplossing,” zei Guillermo. „Kom jij naar beneden. Dan zal
ik eerst naar boven gaan. Ten tweede, de schat in den emmer. En, als
derde en laatste, halen wij jou omhoog. Zoo zal de gerechtigheid
triumfeeren.”
Maar Rafaël liet misnoegd zijn lip hangen en antwoordde niet.
„Kom je, Rafaël?”
„Neen,” antwoordde hij. „Steek al het zilver in je zakken en kom er
tegelijk mee naar boven.”
„Ik zou er toe komen om het ras te vervloeken, waaruit ik ben geboren,”
was de ongeduldige opmerking van den Chef.
„Ik heb het alreeds vervloekt,” zei Torres.
„Haal op!” schreeuwde Guillermo. „Ik heb alles in mijn zakken, behalve
de stank; en ik stik. Haal op of ik sterf, en dan sterven de
driehonderd pesos met mij. En er zijn er meer dan driehonderd. Hij
heeft zeker zijn heele zak omgekeerd.”
Voor hen uit op het pad, waar de weg steil werd en de paarden zonder
uithoudingsvermogen hijgend stilstonden, haalde Francis zijn gezelschap
in.
„Nooit van mijn leven zal ik weer op reis gaan, zonder klinkende
rijksmunt mee te nemen,” verklaarde hij, toen hij beschreef wat hij
gezien had om een hoekje van de verlaten plantage.
„Henry, wanneer ik sterf en naar den hemel ga, zal ik een grooten zak
met geld meenemen. Zelfs daar zou het mij uit, de Hemel mag weten
welke, verlegenheden kunnen redden. Luister! Zij vochten als katten en
honden rondom de opening der put. Niemand vertrouwde een ander om in de
put af te dalen of hij moest eerst aan de anderen, die boven bleven,
overhandigen wat hij reeds verzameld had. Ze luisterden naar niets
meer. De Chef moest, met zijn revolver, de kleinste en magerste van hen
dwingen om naar beneden te gaan. En toen hij beneden was, preste hij
hen vóór hij naar boven wilde komen. En toen hij boven kwam, verbraken
zij hun beloften en gaven hem een pak slaag. Ze sloegen hem nog, toen
ik wegging.”
„Maar nu is je zak leeg,” zei Henry.
„Wat onze oogenblikkelijke en grootste moeilijkheid is,” stemde Francis
toe. „Wanneer ik genoeg pesos had, zag ik best kans om de vervolgers
voor goed achter ons te houden. Ik vrees, dat ik al te edelmoedig was.
Ik wist niet, dat die arme duivels zoo goedkoop waren. Maar ik zal je
iets vertellen, waarvan je haren ten berge zullen rijzen. Torres, Senor
Torres. Senor Alvarez Torres, de elegante gentleman en oude vriend van
de familie Solano, leidt met den Chef de vervolging. Hij is woest over
het oponthoud. Ze kregen bijna ruzie, omdat de Chef zijn manschappen
niet in zijn macht had. Ja, mijnheer, en hij zei tegen den Chef, dat
deze naar den duivel kon loopen. Ik hoorde hem duidelijk tegen den Chef
zeggen, dat hij naar den duivel kon loopen.”
Vijf mijlen verder, waar de paarden van Leoncia en haar vader bezweken
en het pad verdween en omhoog liep door een donker ravijn, dwong
Francis de anderen om vooruit te gaan en bleef zelf achter. Hen een
paar minuten vóór gevend, volgde hij hen op eenigen afstand, als een
vrijwillige achterhoede. Iets verder, op een open plek, waar enkel een
dikke graslaag groeide, ontdekte hij, tot zijn misnoegen, de afdrukken
der hoeven van twee paarden, die hem, zoo groot als soepborden, uit de
zoden aanstaarden. In de hoefsporen stond een donkere, glibberige
vloeistof, die hij herkende als ruwe olie. Dit was slechts een begin,
een beetje, dat doorgesijpeld was van een zijtak, die boven uit den
grooten stroom vloeide. Een honderd meter verder stiet hij op den
stroom zelf, een olierivier, die op zoo’n helling een waterval gevormd
zou hebben, wanneer het water geweest ware. Maar nu het olie was, even
dik als suikerstroop, vloeide het ook langzaam als suikerstroop den
heuvel af. En, de voorkeur er aan gevend om hier stand te houden in
plaats van door de kleverige massa te waden, ging Francis op een
rotsblok zitten, legde zijn geweer aan zijn eene zijde, zijn
automatisch pistool aan de andere, rolde een cigaret en spitste zijn
ooren om het eerste geluid van zijn vervolgers op te vangen.
En de mishandelde inlander, die bedreigd werd door nog meer
mishandelingen en zijn uitgeputte merrie voortjoeg, reed over den
bovenkant van het ravijn boven Francis en naar de oliebron, toen zijn
vermoeid dier onder hem bezweek. Met zijn hielen schopte hij haar tot
ze weer opstond en bewerkte haar vervolgens met een stok, tot ze van
hem weg- en de jungle in wankelde. En de eerste dag van zijn
beproevingen was nog niet om, ofschoon hij dit niet wist. Ook hij
hurkte neer op een steen, zijn voeten teruggetrokken voor de olie,
rolde een cigaret en terwijl hij deze rookte, beschouwde hij aandachtig
de steeds vloeiende oliebron. Hij schrikte op door het gerucht van
naderende menschen en vluchtte in de onmiddellijk aangrenzende jungle,
vanwaaruit hij naar buiten gluurde en twee vreemdelingen zag naderen.
Zij kwamen regelrecht op de bron af en draaiden door middel van een
ijzeren rad de klep om, waardoor de stroom belemmerd werd.
„Niet meer,” beval de eene, die de baas scheen te zijn. „Nog een slag
meer en de drang, die er achter zit, zou de buizen wegdrukken—daarvoor
heeft de Gringo-ingenieur mij uitdrukkelijk gewaarschuwd.”
En een zwakke stroom, boven de beperkte veiligheid, bleef uit de bron
den bergrug afvloeien. Nauwelijks hadden de beide mannen dit gedaan, of
een troep ruiters kwam aangereden, die door den verborgen inlander
herkend werden als den haciendado, aan wien hij toebehoorde en de
opzichters en haciendados der naburige plantages, die even verzot zijn
op het nazetten van een voortvluchtigen arbeider, als een Engelschman
op een vossenjacht.
Neen, de beide olie-mannen hadden niemand gezien. Maar de haciendado,
die voorop was, zag de sporen der merrie, en gaf zijn paard de sporen
om deze te volgen, terwijl de heele stoet hem weer op de hielen volgde.
De inlander wachtte, rookte zijn cigaret heelemaal op en dacht na. Toen
de baan veilig was, waagde hij zich te voorschijn, draaide het
mechanisme, dat de bron controleerde, heelemaal open, en keek hoe de
olie door den onderaardschen drang hoog opspoot en als een ware rivier
den berg afstroomde. Ook luisterde hij naar het sissen, blazen en
bobbelen van het ontsnappende gas. Dit laatste begreep hij niet en
alleen het feit, dat hij zijn laatsten lucifer gebruikt had om zijn
cigaret aan te steken, spaarde hem voor verdere avonturen. Tevergeefs
doorzocht hij zijn lompen, zijn ooren en zijn haar. Hij had geen enkele
lucifer meer.
Zoo, grinnikend over de olierivier, die hij zoo moedwillig liet
wegstroomen en, zich den hollen weg naar beneden herinnerend, holde hij
den bergrug af en stiet op Francis, die hem met zijn automatisch
pistool opwachtte. Bevend en smeekend viel de man op zijn geschaafde en
gewonde knieën voor den man neer, dien hij dien dag al tweemaal
verraden had. Francis nam hem aandachtig op, in het eerst zonder hem te
herkennen, door het gekneusde en verscheurde gelaat en hoofd, waarop
het geronnen bloed als het ware een masker vormde.
„Amigo, amigo,” stamelde de inlander.
Maar op datzelfde oogenblik hoorde Francis beneden op het pad in het
ravijn een steen naar beneden rollen, die door den voet van een mensch
losgemaakt was. Het volgende herkende hij, in hetgeen van den inlander
overgebleven was, het beklagenswaardige schepsel, dat hij den halven
inhoud van zijn whisky-flesch gegeven had.
„Wel, amigo,” sprak Francis hem in zijn moedertaal aan, „het schijnt,
dat ze je op de hielen zitten.”
„Ze zullen me dooden, ze zullen me doodranselen, ze zijn zoo boos,”
stamelde de ongelukkige. „Gij zijt mijn eenige vriend, mijn vader en
mijn moeder, red mij.”
„Kan je schieten?” vroeg Francis.
„Ik was een jager in de Cordilleras voor ik als slaaf verkocht werd,
senor,” was het antwoord.
Francis overhandigde hem het automatisch pistool, zei hem zich te
verbergen en alleen te schieten, wanneer hij zeker was van zijn schot.
En heimelijk fluisterde hij: De golfspelers zijn nu op het oogenblik
druk aan den gang in Tarrytown. En Mrs. Bellingham staat op de veranda
van het societeitsgebouw en vraagt zich af, hoe ze de drieduizend
punten moet betalen, die zij achter is en smeekt om een wisseling van
het geluk. En—hier sta ik—Hemel! Hemel—mijn weg versperd door een
olierivier...
Zijn gefluister hield plotseling op, toen de Chef, Torres en de
gendarmes beneden op het pad te voorschijn kwamen. Even plotseling
schoot hij zijn geweer af en even plotseling verdwenen zij uit het
gezicht. Hij kon niet zeggen of hij iemand getroffen had of dat de man
enkel gevallen was op den snellen terugtocht. De vervolgers waagden
geen bestorming, maar stelden zich tevreden met hem te besluipen.
Francis en de inlander deden hetzelfde, zich schuilhoudend achter
rotsen en struiken en gedurig van positie veranderend.
Na verloop van een uur had Francis de laatste kogel in zijn geweer. De
inlander had, dank zij zijn waarschuwingen en dreigementen, nog twee
kogels in het automatisch pistool. Maar dit uur was een uur gewonnen
voor Leoncia en haar gezelschap en Francis bedacht dankbaar, dat hij
zich ieder oogenblik kon omkeeren en ontsnappen door de olierivier door
te waden. Alles was dus in orde en zou ook in orde gebleven zijn,
wanneer niet uit de hoogte plotseling andere menschen zich aangekondigd
hadden, die onder het afdalen, van achter de boomen schoten losten. Het
was de haciendado en zijn mede-haciendados, die den voortvluchtigen
inlander vervolgden, ofschoon Francis dit niet wist. Hij kwam tot de
conclusie, dat het een andere troep was, die hem vervolgde. De schoten,
die zij op hem losten, wezen hier wel op.
De inlander krabbelde naar hem toe, liet hem zien, dat er nog twee
kogels op het automatisch pistool zaten, dat hij hem overhandigde, en
smeekte hem dringend om zijn doos lucifers. Vervolgens drong de
inlander er op aan, dat hij het ravijn zou oversteken en aan de andere
zijde naar boven klimmen. De bedoelingen van den kerel half radend,
voldeed Francis hieraan, terwijl hij van zijn nieuwe, gunstige positie
zijn laatsten geweerkogel afschoot, op den naderenden troep en dezen
terugzond in het beschutte gedeelte beneden in het ravijn.
Het volgend oogenblik sloegen de vlammen hoog op uit de olierivier op
de plek, waar de inlander er een lucifer bij gehouden had. Een seconde
later, steeg uit de bron zelf, boven op den bergrug, een fontein van
brandend gas, een honderd voet hoog, op in de lucht. En nog een seconde
later, was het ravijn zelf een brandende stortzee, die neergolfde op
den troep van Torres en den Chef.
Geschroeid door de hitte van den brand, klauterden Francis en de
inlander tegen den anderen kant van het ravijn op, maakten een bocht om
en voorbij het brandende pad, en snelden langs het weer bereikte pad
voort.