„’t Is alles in orde, kapitein, ’t is alles in orde,” verzekerde Henry
den halfbloed-kapitein, die met hen op het strand stond en niet veel
lust scheen te hebben om afscheid te nemen en terug te keeren naar de
Angélique, die op een halve mijl afstand dreef in een absolute
windstilte, die zich neergelegd had over Juchitan-Baai.
„Het is wat je noemt een Krijgslist,” legde Francis uit. „Dat is een
aardig woord—Krijgslist. En het is nog aardiger, wanneer je er de
uitwerking van ziet.”
„Maar als het zijn uitwerking mist,” protesteerde Kapitein Trefethen,
„dan wordt het een ellendig woord, dat ik Catastrophe zou willen
noemen.”
„Dat overkwam de Dolores, toen we haar schroef vastlegden,” lachte
Henry. „Maar wij kennen de beteekenis van dat woord niet. Wij gebruiken
daarvoor in de plaats Krijgslist. Het bewijs, dat het zijn uitwerking
niet zal missen, is dat wij de beide zonen van Senor Solano bij u
achterlaten. Alvarado en Martinez kennen het vaarwater op hun duimpje.
Ze zullen je er met het eerste gunstige briesje uitloodsen. De Chef
heeft het niet op jou voorzien. Hij zit ons na en wanneer we de heuvels
intrekken, zal hij ons achtervolgen met den laatsten man, dien hij bij
zich heeft.”
„Begrijp je het dan niet!” viel Francis in. „De Angélique zit in de
val. Als wij aan boord blijven, neemt hij ons gevangen en de Angélique
even goed. Maar wij gaan voor afwisseling de heuvels in. Hij vervolgt
ons. De Angélique komt vrij. En natuurlijk vangt hij ons niet.”
„Maar neem nu eens aan, dat ik den schoener verlies!” hield de
donkergekleurde kapitein aan. „Wanneer hij op de rotsen loopt, is hij
verloren en de doortocht is zeer gevaarlijk.”
„Dan zal je er voor betaald worden, zooals ik reeds gezegd heb,” zei
Francis, blijk gevend van opkomende toorn.
„En dan heb ik ook nog mijn talrijke uitgaven...”
Francis haalde een bloc-note en potlood te voorschijn, krabbelde een
briefje en overhandigde hem dit, zeggend:
„Geef dat aan Senor Melchor Gonzales te Bocas del Toro. Het is goed
voor duizend dollars goudgeld. Hij is bankier en mijn agent, en hij zal
je uitbetalen.”
Kapitein Trefethen staarde ongeloovig op het bekrabbelde stukje papier.
„O, hij is er goed voor,” zei Henry.
„Ja, mijnheer, ik weet wel, mijnheer, dat mijnheer Francis Morgan
bekend staat als een rijk heer. Maar hoe rijk is hij? Is hij even rijk
als ik in alle bescheidenheid ben? Ik ben eigenaar van de Angélique
heelemaal vrij van schuld. Ik bezit twee aandeelen in de stad Colon. En
ik bezit vier aandeelen in de waterleiding van Belen, die mij rijk
zullen maken, wanneer de United Fruit Company begint met den bouw van
warenhuizen...”
„Wat heeft je vader je nagelaten, Francis?” vroeg Henry spottend. „Of,
beter gezegd, hoeveel?”
Francis trok zijn schouders op, toen hij vaag antwoordde: „Meer dan ik
vingers en teenen heb.”
„Dollars, mijnheer?” vroeg de kapitein.
Henry schudde heftig het hoofd.
„Duizenden, mijnheer?”
Weer schudde Henry het hoofd.
„Millioenen, mijnheer?”
„Nu begint het er op te lijken,” antwoordde Henry. „Mijnheer Francis
Morgan is rijk genoeg om bijna de geheele Republiek Panama te koopen en
het Kanaal op den koop toe.”
De Neger-Indianen-zeeman keek ongeloovig Enrico Solano aan, die
antwoordde:
„Hij is een eerlijk man. Ik weet het. Ik heb een wissel van hem geïnd
van duizend pesos bij Senor Melchor Gonzales te Bocas del Toro. Ze
zitten daar in dien zak.”
Hij knikte met zijn hoofd in de richting van het strand, waar Leoncia
midden tusschen de bagage, die met hen aan land gezet was, zich bezig
hield met een Winchester-geweer te laden. De zak, die reeds lang de
aandacht van den kapitein getrokken had, lag aan haar voeten in het
zand.
„Ik reis niet graag kort bij kas,” legde Francis verlegen uit aan de
blanke mannen, die bij de groep waren. „Je weet nooit, hoe je een
dollar noodig kunt hebben. Ik kreeg een gebroken machine te Smith River
Corners, op weg naar New-York, terwijl ik enkel een chèque-boek in mijn
zak had en weet je, ik kon in de stad zelfs geen cigaret krijgen.”
„Ik heb eens een blanke mijnheer vertrouwd in Barbadoes, die mijn boot
huurde om vliegende visschen te gaan vangen...” begon de kapitein.
„Dus, tot ziens, kapitein,” sneed Henry hem den pas af. „’t Was beter
als je aan boord ging, want we gaan op stap.”
En Kapitein Trefethen, die de ruggen te zien kreeg van zijn
vertrekkende passagiers, kon niet anders doen dan gehoorzamen. Hij
hielp de boot afduwen, klom er in, nam den stuurriem en zette koers
naar de Angélique. Van tijd tot tijd achterom kijkend, zag hij hoe het
gezelschap op het strand de bagage op den schouder nam en verdween in
den dichten groenen plantenmuur.
Zij kwamen uit op het begin van een open gedeelte en zagen ploegen
inlanders, die aan het houthakken waren en de wortels uitroeiden van
het maagdelijke tropische woud, zoodat daarvoor in de plaats
rubberboomen geplant konden worden voor de fabricatie van
automobielbanden. Leoncia liep voorop, naast haar vader. Haar broeders,
Ricardo en Alesandro, die in het midden liepen, droegen de bagage,
evenals Francis en Henry, die de achterhoede vormden. En deze vreemde
optocht ontmoette een slanke, rechte, hidalgo-achtige, oude heer, die
zijn paard over boomwortels en kuilen liet springen om hen te bereiken.
Zoodra hij Enrico zag, sprong hij van zijn paard en nam, Leoncia
herkennend, zijn sombrero af, stak zijn hand uit om Enrico als een oud
vriend te begroeten, terwijl zijn lippen woorden vormden en zijn oogen
zijn bewondering te kennen gaven voor Enrico’s dochter.
Het gesprek had plaats in een snelvuur van Spaansche woorden en de
vraag naar paarden was gedaan en reeds toegestaan, eer de beide Morgans
voorgesteld werden. Het paard van den haciendado was, volgens Latijnsch
gebruik, onmiddellijk ter beschikking van Leoncia en, zonder veel
complimenten, kortte hij de stijgbeugels in en hielp haar schrijlings
in het zadel. Een veeziekte, zoo verklaarde hij, had zijn plantage
beroofd van rijdieren; maar zijn eerste opzichter bezat nog een heel
goed dier, dat ter beschikking van Enrico zou zijn, zoo gauw als het
gehaald kon worden.
Zijn begroeting van Henry en Francis was hartelijk, zoowel als beleefd,
daar hij een paar minuten noodig had, om te beweren, dat de vrienden
van zijn waarde vriend Enrico ook zijn vrienden waren. Toen Enrico den
haciendado vroeg over de paden naar de Cordilleras en over olie sprak,
spitste Francis zijn ooren.
„U wilt me toch niet vertellen, senor,” begon hij, „dat ze olie
gevonden hebben in Panama?”
„Het is zoo,” bevestigde de haciendado ernstig. „Wij kenden de oliebron
en wisten al sedert generaties, dat die bestond. Maar het was de
Hermosillo-Maatschappij, die heimelijk haar Gringo-ingenieurs hierheen
zond en het land opkocht. Ze zeggen, dat het een uitgestrekt veld is.
Maar ik ben zelf volstrekt niet op de hoogte van olie. Ze hebben
verscheidene bronnen en hebben er nog meer geboord en ze krijgen
zooveel olie, dat deze over het land wegloopt. Ze zeggen, dat ze het
niet geheel kunnen stoppen, zoo groot is de voorraad en de drang, die
er achterzit. Wat zij noodig hebben, zijn de leidingen voor het
transport over den oceaan, die zij nu begonnen zijn te maken.
Ondertusschen vloeit de olie weg door de ravijnen, wat een
ongeloofelijk groot verlies beteekent.”
„Hebben ze tanks gebouwd?” vroeg Francis, wiens gedachten afgunstig
dwaalden naar de Tampico-Petroleum, waarin hij het grootste gedeelte
van zijn fortuin belegd had en waarvan hij, ondanks de stijgende koers,
niets meer gehoord had sedert zijn vertrek uit New-York.
De haciendado schudde het hoofd.
„Het vervoer,” legde hij uit. „Het overbrengen van de zee naar de
bronnen op muilezels is uitgesloten. Maar ze hebben het meeste
vastgelegd. Zij hebben heele oliemeren, groote reservoirs in de laagten
tusschen de heuvels, met aarden wallen afgedamd en nog kunnen zij den
stroom niet keeren en nog steeds stroomt de kostbare vloeistof weg door
de ravijnen.”
„Hebben ze deze reservoirs afgedekt?” vroeg Francis, die zich een
noodlottige brand herinnerde in de eerste dagen der Tampico-Petroleum.
„Neen, senor.”
Francis schudde afkeurend het hoofd.
„Ze moesten afgedekt zijn,” zei hij. „Een lucifer, weggeworpen door de
hand van een dronken of wraakzuchtigen inlander kon de heele boel in
brand steken. ’t Is een armzalig werk, een armzalig werk.”
„Maar ik ben de Hermosillo-Maatschappij niet,” zei de haciendado.
„Ik bedoelde ook van de Hermosillo-Maatschappij, senor,” legde Francis
uit. „Ik ben zelf een olie-man. Ik heb honderden en duizenden moeten
betalen voor dergelijke ongelukken of misdaden. Men weet nooit precies,
wat het is. Men weet alleen, dat ze gebeuren...”
Wat Francis nog meer had willen zeggen over het noodzakelijke van
beschermende olie-reservoirs met het oog op stomme en kwaadwillige
inlanders, zou men nooit te weten komen; want, op dat oogenblik, kwam
de eerste opzichter der plantage, met een stok in de hand aanrijden,
zijn belangstelling verdeeld, half over de nieuwe bezoekers en de
andere helft over de groep inlanders, die vlakbij aan het werk was.
„Senor Ramirez, wilt u mij pleizier doen door af te stijgen,” sprak
zijn werkgever, de haciendado, beleefd aan, tegelijkertijd hem, zoodra
hij afgestegen was, aan de vreemdelingen voorstellend.
„Het paard is het uwe, vriend Enrico,” sprak de haciendado. „Mocht het
sterven, zend mij dan alstublieft, wanneer het u gelegen komt, zadel en
tuig terug. En als het u niet gelegen komt, herinner u dan alstublieft
niet, dat er iets terug te zenden is, uitgezonderd dan altijd en immer,
uw liefde voor mij. Het spijt mij, dat gij en uw gezelschap nu geen
gebruik kunt maken van mijn gastvrijheid. Maar ik weet, dat de Chef een
bloedhond is. Wij zullen ons best doen, om hem van uw spoor af te
leiden.”
Leoncia en Enrico te paard en de bagage met leeren riemen vastgemaakt
aan de zadels, ging de cavalcade op pad, terwijl Alesandro en Ricardo
ieder een stijgbeugel omklemden van het zadel huns vaders en
meedraafden. Dit was om grooter spoed te kunnen maken, en werd
nagevolgd door Francis en Henry, die zich vastklemden aan Leoncia’s
stijgbeugels. Aan den knop van haar zadel was de zak met zilveren
dollars bevestigd.
„Het moet een vergissing zijn,” verklaarde de haciendado aan zijn
opzichter. „Enrico Solano is een achtenswaardig man. Iedere zaak,
waarin hij betrokken is, is een eerlijke zaak. Hij heeft deze zaak tot
de zijne gemaakt, wat het ook zijn moge en nu is Mariano Vercara è Hyos
hen op het spoor. Wij zullen hem om den tuin leiden, als hij dezen kant
uitkomt.”
„En daar heb je hem al,” merkte de opzichter op, „zonder tot nog toe
het geluk gehad te hebben om paarden te vinden.” Als toevallig keerde
hij zich naar de werkende inlanders en spoorde hen, onder
verschrikkelijke bedreigingen aan, om tenminste in een dag tijd het
werk van een halven dag te doen.
Tersluiks hield de haciendado de snel voortschrijdende groep mannen in
het oog, in wier voorhoede Alvarez Torres liep; maar, alsof hij hen
niet gezien had, besprak hij met zijn opzichter de voordeelen van het
uitgraven van dien bijzonderen stomp, waarmee de inlanders juist bezig
waren.
Vroolijk beantwoordde hij de begroeting van Torres en vroeg beleefd,
met een tikje boosaardigheid, of hij het gezelschap aanvoerde op de een
of andere verkenningstocht naar olie.
„Neen, senor,” antwoordde Torres. „Wij zoeken Senor Enrico Solano, zijn
dochter, zijn zoons en twee lange Gringos, die in hun gezelschap zijn.
Die Gringos moeten we hebben. Kwamen ze hierlangs, senor?”
„Ja, ze zijn hierheen gekomen. Ik dacht, dat zij ook de olie-koorts te
pakken hadden, zoo’n haast maakten zij, zoodat ze niet eens beleefd een
praatje konden maken en zeggen, wat het doel hunner bestemming was.
Hebben ze de een of andere misdaad begaan? Maar hoe kan ik dat vragen?
Senor Enrico Solano is een veel te achtenswaardig man...”
„Welken kant gingen zij uit?” vroeg de Chef, ademloos zijn gendarmes
vooruitloopend, die hij juist ingehaald had.
En terwijl de haciendado en zijn opzichter hen om den tuin leidden en
uitvluchten zochten en een geheel verschillende richting aanwezen,
merkte Torres een der inlanders op, die, op zijn schop geleund,
aandachtig toeluisterde. En terwijl de Chef nog om den tuin geleid werd
en bevel gaf om het valsche spoor te volgen, wierp Torres op eigen
houtje den luisterenden inlander snel een zilveren dollar toe. De
inlander knikte met zijn hoofd in de juiste richting, greep ongemerkt
het geldstuk, en begon weer te graven aan den wortel van den
reuzenstomp.
Torres veranderde het bevel van den Chef.
„Wij zullen den anderen kant uitgaan,” zei Torres, met een wenk aan den
Chef. „Een vogeltje heeft mij verteld, dat onze vriend zich vergist en
dat ze die richting genomen hebben.”
Toen de stoet vertrokken was langs het nog warme spoor, keken de
haciendado en zijn opzichter elkander verbijsterd en verwonderd aan. De
opzichter maakte met zijn lippen een beweging om tot stilte aan te
manen en keerde zich toen bliksemsnel tot de groep werklui. De
schuldige inlander werkte verwoed en geheel in zijn werk opgaande, maar
een andere inlander, wees hem, met een nauwelijks merkbaar hoofdknikje,
aan den opzichter aan.
„Hier hebben we het vogeltje,” riep de opzichter, met groote stappen op
den verrader toeloopend en hem verwoed door elkander schuddend.
Uit de lompen van den inlander vloog een zilveren dollar te voorschijn.
„Aha,” zei de haciendado, den staat van zaken begrijpend. „Hij is
plotseling rijk geworden. Het is verschrikkelijk, dat mijn inlanders
rijk zouden zijn. Ongetwijfeld heeft hij voor dat geld iemand vermoord.
Geef hem de noodige stokslagen en zorg, dat hij bekent.” Het schepsel
bekende, op zijn knieën gelegen en terwijl de stok van den opzichter
onophoudelijk neerdaalde op zijn hoofd en rug, wat hij gedaan had, om
dien dollar te verdienen.
„Sla hem, geef hem er nog wat meer, sla hem dood, dat beest, dat mijn
beste vrienden verraden heeft,” spoorde de haciendado lakoniek aan.
„Maar neen—voorzichtig. Sla hem niet dood, maar bijna. Wij hebben op
het oogenblik een te kort aan arbeidskrachten en kunnen dus niet den
vrijen loop laten aan onzen rechtmatigen toorn. Sla hem, dat hij het
flink voelt, maar toch zoo, dat hij maar een paar dagen niet werken
kan.”
Van hetgeen den inlander onmiddellijk hierna overkwam, zou een boekdeel
geschreven kunnen worden, dat men een heldendicht van zijn leven zou
kunnen noemen. Doch het is minder aangenaam om een beschouwing te
houden over iemand, die doodgeslagen wordt of daar lang bij stil te
staan. Laat het u genoeg zijn wanneer ik vertel, dat hij, toen hij nog
slechts een gedeelte van zijn straf ondergaan had, zich losrukte, met
achterlating van de helft van zijn lompen in de greep van den opzichter
en als een dolle naar de jungle vluchtte, het van den opzichter
winnend, die niet gewend was aan een snelle beweging, behalve wanneer
hij op den rug van zijn paard zat.
Zóó snel vluchtte de ongelukkige kerel, voortgedreven door de pijn van
zijn verwondingen en de vrees voor den opzichter, dat hij, blindelings
voorthollend, het Solano-gezelschap inhaalde, de jungle uitstormde en,
juist toen zij een ondiepe rivier overstaken, op zijn knieën en om
genade smeekend, tusschen hen neerviel. Hij jammerde omdat hij hen
verraden had. Maar dit wisten zij niet en Francis, die zijn ellendigen
toestand zag, bleef lang genoeg achter om de metalen schroef van een
veldflesch los te maken en hem met de helft van den inhoud te
verkwikken. Toen spoedde Francis zich voort, den armen duivel
achterlatend, die onverstaanbare dankbetuigingen uitstiet, eer hij
wegdook in een andere richting in de beschuttende jungle. Maar,
ondervoed, overwerkt als hij was, bezweek zijn kracht en hij zonk
onmachtig in het dichte groen neer.
Het volgende oogenblik bereikten de vervolgers de rivier, Alvarez
Torres vooraan en als een hond speurend, de gendarmes vlak achter hem
aan en de Chef hijgend en kortademig in de achterhoede. De natte
voetstappen van den inlander, die zich afteekenden op de droge steenen
langs den zoom der rivier, trokken Torres aandacht. In een oogwenk werd
de inlander, bij het beetje kleeren, dat hem nog overgebleven was, te
voorschijn gesleept. Op zijn knieën, welke lichaamsdeelen hij dezen dag
het meest scheen te moeten gebruiken, smeekte hij om genade en werd
ondervraagd. En hij zei, dat hij niets wist van het gezelschap Solano.
Hij, die een verrader geweest was en geslagen werd, maar die enkel hulp
had ontvangen van hen, die hij verraden had, voelde in zich een spoor
van dankbaarheid en betere gevoelens opwellen. Hij ontkende, dat hij de
Solanos gezien zou hebben sedert het oogenblik, waarop hij hen verkocht
had voor een zilveren dollar. Torres’ stok daalde neer op zijn hoofd,
vijfmaal, tienmaal, en bleef neerdalen met de zekerheid, dat dit zonder
ophouden zou voortduren tot hij de waarheid vertelde. En ten slotte was
hij toch maar een ellendig, ongelukkig schepsel, zijn geestkracht
gebroken door de slagen, die hij van kindsbeen af had ontvangen en de
pijn van Torres’ stok, die dreigde neer te dalen tot de dood intrad,
die zijn eigen meester, de haciendado, niet wilde voltrekken, hem deed
toegeven en den weg ter vervolging aanwijzen. Maar het was nog slechts
een begin van zijn wederwaardigheden. Nauwelijks had hij de Solanos
voor de tweede maal verraden en nog altijd lag hij op zijn knieën, of
de haciendado, met het gezelschap naburige haciendados en opzichters,
die hij te hulp geroepen had, verscheen, op dampende paarden gezeten,
ten tooneele.
„Mijn inlander, senors,” kondigde de haciendado aan, naar hem
toesnellend. „Gij mishandelt hem.”
„En waarom niet?” vroeg de Chef.
„Omdat ik het recht heb om hem te mishandelen en dit zelf verkies te
doen.”
De inlander kroop kermend naar de voeten van den Chef en bedelde en
smeekte om niet uitgeleverd te worden. Maar hij smeekte om genade, waar
geen genade te vinden was.
„Zeker, senor,” zei de Chef tot den haciendado. „We zullen hem u
teruggeven. Wij moeten de wet handhaven en hij is uw eigendom.
Bovendien hebben we hem niet meer noodig. Toch is hij een uitstekend
inlander, senor. Hij heeft gedaan, wat geen inlander ooit deed in de
geschiedenis van Panama. Hij heeft tweemaal op één dag de waarheid
verteld.”
Met de handen vóór hem samengebonden en door een koord vastgemaakt aan
het zadel van den opzichter, werd de inlander weggeleid met de vaste
overtuiging, dat het ergste pak slaag, dat hem dien dag beschoren was,
hem nog wachtte. En hij vergiste zich niet. Teruggekomen op de
plantage, werd hij als een dier aan een paal van een
prikkeldraad-heining gebonden, terwijl zijn meester en de vrienden van
zijn meester, die met de jacht geholpen hadden, in de haciënda hun
twaalfuurtje gingen gebruiken. Hij wist wat hem te wachten stond als
dat afgeloopen was. Maar het prikkeldraad der heining en de kreupele
merrie in de paddock daarachter, deden een idee oprijzen in het
wanhopige brein van den inlander. Ofschoon de scherpe haken telkens
weer zijn polsen wondden, zaagde hij snel zijn banden door, zoodat hij
vrij was, behalve voor de wet, kroop onder de heining door, leidde de
merrie het hek uit, sprong op de bloote rug van het paard en terwijl
zijn naakte hielen tegen haar ribben trommelden, galoppeerde hij weg
naar de veilige Cordilleras.