HOOFDSTUK VIII.

„’t Is alles in orde, kapitein, ’t is alles in orde,” verzekerde Henry

den halfbloed-kapitein, die met hen op het strand stond en niet veel

lust scheen te hebben om afscheid te nemen en terug te keeren naar de

Angélique, die op een halve mijl afstand dreef in een absolute

windstilte, die zich neergelegd had over Juchitan-Baai.

„Het is wat je noemt een Krijgslist,” legde Francis uit. „Dat is een

aardig woord—Krijgslist. En het is nog aardiger, wanneer je er de

uitwerking van ziet.”

„Maar als het zijn uitwerking mist,” protesteerde Kapitein Trefethen,

„dan wordt het een ellendig woord, dat ik Catastrophe zou willen

noemen.”

„Dat overkwam de Dolores, toen we haar schroef vastlegden,” lachte

Henry. „Maar wij kennen de beteekenis van dat woord niet. Wij gebruiken

daarvoor in de plaats Krijgslist. Het bewijs, dat het zijn uitwerking

niet zal missen, is dat wij de beide zonen van Senor Solano bij u

achterlaten. Alvarado en Martinez kennen het vaarwater op hun duimpje.

Ze zullen je er met het eerste gunstige briesje uitloodsen. De Chef

heeft het niet op jou voorzien. Hij zit ons na en wanneer we de heuvels

intrekken, zal hij ons achtervolgen met den laatsten man, dien hij bij

zich heeft.”

„Begrijp je het dan niet!” viel Francis in. „De Angélique zit in de

val. Als wij aan boord blijven, neemt hij ons gevangen en de Angélique

even goed. Maar wij gaan voor afwisseling de heuvels in. Hij vervolgt

ons. De Angélique komt vrij. En natuurlijk vangt hij ons niet.”

„Maar neem nu eens aan, dat ik den schoener verlies!” hield de

donkergekleurde kapitein aan. „Wanneer hij op de rotsen loopt, is hij

verloren en de doortocht is zeer gevaarlijk.”

„Dan zal je er voor betaald worden, zooals ik reeds gezegd heb,” zei

Francis, blijk gevend van opkomende toorn.

„En dan heb ik ook nog mijn talrijke uitgaven...”

Francis haalde een bloc-note en potlood te voorschijn, krabbelde een

briefje en overhandigde hem dit, zeggend:

„Geef dat aan Senor Melchor Gonzales te Bocas del Toro. Het is goed

voor duizend dollars goudgeld. Hij is bankier en mijn agent, en hij zal

je uitbetalen.”

Kapitein Trefethen staarde ongeloovig op het bekrabbelde stukje papier.

„O, hij is er goed voor,” zei Henry.

„Ja, mijnheer, ik weet wel, mijnheer, dat mijnheer Francis Morgan

bekend staat als een rijk heer. Maar hoe rijk is hij? Is hij even rijk

als ik in alle bescheidenheid ben? Ik ben eigenaar van de Angélique

heelemaal vrij van schuld. Ik bezit twee aandeelen in de stad Colon. En

ik bezit vier aandeelen in de waterleiding van Belen, die mij rijk

zullen maken, wanneer de United Fruit Company begint met den bouw van

warenhuizen...”

„Wat heeft je vader je nagelaten, Francis?” vroeg Henry spottend. „Of,

beter gezegd, hoeveel?”

Francis trok zijn schouders op, toen hij vaag antwoordde: „Meer dan ik

vingers en teenen heb.”

„Dollars, mijnheer?” vroeg de kapitein.

Henry schudde heftig het hoofd.

„Duizenden, mijnheer?”

Weer schudde Henry het hoofd.

„Millioenen, mijnheer?”

„Nu begint het er op te lijken,” antwoordde Henry. „Mijnheer Francis

Morgan is rijk genoeg om bijna de geheele Republiek Panama te koopen en

het Kanaal op den koop toe.”

De Neger-Indianen-zeeman keek ongeloovig Enrico Solano aan, die

antwoordde:

„Hij is een eerlijk man. Ik weet het. Ik heb een wissel van hem geïnd

van duizend pesos bij Senor Melchor Gonzales te Bocas del Toro. Ze

zitten daar in dien zak.”

Hij knikte met zijn hoofd in de richting van het strand, waar Leoncia

midden tusschen de bagage, die met hen aan land gezet was, zich bezig

hield met een Winchester-geweer te laden. De zak, die reeds lang de

aandacht van den kapitein getrokken had, lag aan haar voeten in het

zand.

„Ik reis niet graag kort bij kas,” legde Francis verlegen uit aan de

blanke mannen, die bij de groep waren. „Je weet nooit, hoe je een

dollar noodig kunt hebben. Ik kreeg een gebroken machine te Smith River

Corners, op weg naar New-York, terwijl ik enkel een chèque-boek in mijn

zak had en weet je, ik kon in de stad zelfs geen cigaret krijgen.”

„Ik heb eens een blanke mijnheer vertrouwd in Barbadoes, die mijn boot

huurde om vliegende visschen te gaan vangen...” begon de kapitein.

„Dus, tot ziens, kapitein,” sneed Henry hem den pas af. „’t Was beter

als je aan boord ging, want we gaan op stap.”

En Kapitein Trefethen, die de ruggen te zien kreeg van zijn

vertrekkende passagiers, kon niet anders doen dan gehoorzamen. Hij

hielp de boot afduwen, klom er in, nam den stuurriem en zette koers

naar de Angélique. Van tijd tot tijd achterom kijkend, zag hij hoe het

gezelschap op het strand de bagage op den schouder nam en verdween in

den dichten groenen plantenmuur.

Zij kwamen uit op het begin van een open gedeelte en zagen ploegen

inlanders, die aan het houthakken waren en de wortels uitroeiden van

het maagdelijke tropische woud, zoodat daarvoor in de plaats

rubberboomen geplant konden worden voor de fabricatie van

automobielbanden. Leoncia liep voorop, naast haar vader. Haar broeders,

Ricardo en Alesandro, die in het midden liepen, droegen de bagage,

evenals Francis en Henry, die de achterhoede vormden. En deze vreemde

optocht ontmoette een slanke, rechte, hidalgo-achtige, oude heer, die

zijn paard over boomwortels en kuilen liet springen om hen te bereiken.

Zoodra hij Enrico zag, sprong hij van zijn paard en nam, Leoncia

herkennend, zijn sombrero af, stak zijn hand uit om Enrico als een oud

vriend te begroeten, terwijl zijn lippen woorden vormden en zijn oogen

zijn bewondering te kennen gaven voor Enrico’s dochter.

Het gesprek had plaats in een snelvuur van Spaansche woorden en de

vraag naar paarden was gedaan en reeds toegestaan, eer de beide Morgans

voorgesteld werden. Het paard van den haciendado was, volgens Latijnsch

gebruik, onmiddellijk ter beschikking van Leoncia en, zonder veel

complimenten, kortte hij de stijgbeugels in en hielp haar schrijlings

in het zadel. Een veeziekte, zoo verklaarde hij, had zijn plantage

beroofd van rijdieren; maar zijn eerste opzichter bezat nog een heel

goed dier, dat ter beschikking van Enrico zou zijn, zoo gauw als het

gehaald kon worden.

Zijn begroeting van Henry en Francis was hartelijk, zoowel als beleefd,

daar hij een paar minuten noodig had, om te beweren, dat de vrienden

van zijn waarde vriend Enrico ook zijn vrienden waren. Toen Enrico den

haciendado vroeg over de paden naar de Cordilleras en over olie sprak,

spitste Francis zijn ooren.

„U wilt me toch niet vertellen, senor,” begon hij, „dat ze olie

gevonden hebben in Panama?”

„Het is zoo,” bevestigde de haciendado ernstig. „Wij kenden de oliebron

en wisten al sedert generaties, dat die bestond. Maar het was de

Hermosillo-Maatschappij, die heimelijk haar Gringo-ingenieurs hierheen

zond en het land opkocht. Ze zeggen, dat het een uitgestrekt veld is.

Maar ik ben zelf volstrekt niet op de hoogte van olie. Ze hebben

verscheidene bronnen en hebben er nog meer geboord en ze krijgen

zooveel olie, dat deze over het land wegloopt. Ze zeggen, dat ze het

niet geheel kunnen stoppen, zoo groot is de voorraad en de drang, die

er achterzit. Wat zij noodig hebben, zijn de leidingen voor het

transport over den oceaan, die zij nu begonnen zijn te maken.

Ondertusschen vloeit de olie weg door de ravijnen, wat een

ongeloofelijk groot verlies beteekent.”

„Hebben ze tanks gebouwd?” vroeg Francis, wiens gedachten afgunstig

dwaalden naar de Tampico-Petroleum, waarin hij het grootste gedeelte

van zijn fortuin belegd had en waarvan hij, ondanks de stijgende koers,

niets meer gehoord had sedert zijn vertrek uit New-York.

De haciendado schudde het hoofd.

„Het vervoer,” legde hij uit. „Het overbrengen van de zee naar de

bronnen op muilezels is uitgesloten. Maar ze hebben het meeste

vastgelegd. Zij hebben heele oliemeren, groote reservoirs in de laagten

tusschen de heuvels, met aarden wallen afgedamd en nog kunnen zij den

stroom niet keeren en nog steeds stroomt de kostbare vloeistof weg door

de ravijnen.”

„Hebben ze deze reservoirs afgedekt?” vroeg Francis, die zich een

noodlottige brand herinnerde in de eerste dagen der Tampico-Petroleum.

„Neen, senor.”

Francis schudde afkeurend het hoofd.

„Ze moesten afgedekt zijn,” zei hij. „Een lucifer, weggeworpen door de

hand van een dronken of wraakzuchtigen inlander kon de heele boel in

brand steken. ’t Is een armzalig werk, een armzalig werk.”

„Maar ik ben de Hermosillo-Maatschappij niet,” zei de haciendado.

„Ik bedoelde ook van de Hermosillo-Maatschappij, senor,” legde Francis

uit. „Ik ben zelf een olie-man. Ik heb honderden en duizenden moeten

betalen voor dergelijke ongelukken of misdaden. Men weet nooit precies,

wat het is. Men weet alleen, dat ze gebeuren...”

Wat Francis nog meer had willen zeggen over het noodzakelijke van

beschermende olie-reservoirs met het oog op stomme en kwaadwillige

inlanders, zou men nooit te weten komen; want, op dat oogenblik, kwam

de eerste opzichter der plantage, met een stok in de hand aanrijden,

zijn belangstelling verdeeld, half over de nieuwe bezoekers en de

andere helft over de groep inlanders, die vlakbij aan het werk was.

„Senor Ramirez, wilt u mij pleizier doen door af te stijgen,” sprak

zijn werkgever, de haciendado, beleefd aan, tegelijkertijd hem, zoodra

hij afgestegen was, aan de vreemdelingen voorstellend.

„Het paard is het uwe, vriend Enrico,” sprak de haciendado. „Mocht het

sterven, zend mij dan alstublieft, wanneer het u gelegen komt, zadel en

tuig terug. En als het u niet gelegen komt, herinner u dan alstublieft

niet, dat er iets terug te zenden is, uitgezonderd dan altijd en immer,

uw liefde voor mij. Het spijt mij, dat gij en uw gezelschap nu geen

gebruik kunt maken van mijn gastvrijheid. Maar ik weet, dat de Chef een

bloedhond is. Wij zullen ons best doen, om hem van uw spoor af te

leiden.”

Leoncia en Enrico te paard en de bagage met leeren riemen vastgemaakt

aan de zadels, ging de cavalcade op pad, terwijl Alesandro en Ricardo

ieder een stijgbeugel omklemden van het zadel huns vaders en

meedraafden. Dit was om grooter spoed te kunnen maken, en werd

nagevolgd door Francis en Henry, die zich vastklemden aan Leoncia’s

stijgbeugels. Aan den knop van haar zadel was de zak met zilveren

dollars bevestigd.

„Het moet een vergissing zijn,” verklaarde de haciendado aan zijn

opzichter. „Enrico Solano is een achtenswaardig man. Iedere zaak,

waarin hij betrokken is, is een eerlijke zaak. Hij heeft deze zaak tot

de zijne gemaakt, wat het ook zijn moge en nu is Mariano Vercara è Hyos

hen op het spoor. Wij zullen hem om den tuin leiden, als hij dezen kant

uitkomt.”

„En daar heb je hem al,” merkte de opzichter op, „zonder tot nog toe

het geluk gehad te hebben om paarden te vinden.” Als toevallig keerde

hij zich naar de werkende inlanders en spoorde hen, onder

verschrikkelijke bedreigingen aan, om tenminste in een dag tijd het

werk van een halven dag te doen.

Tersluiks hield de haciendado de snel voortschrijdende groep mannen in

het oog, in wier voorhoede Alvarez Torres liep; maar, alsof hij hen

niet gezien had, besprak hij met zijn opzichter de voordeelen van het

uitgraven van dien bijzonderen stomp, waarmee de inlanders juist bezig

waren.

Vroolijk beantwoordde hij de begroeting van Torres en vroeg beleefd,

met een tikje boosaardigheid, of hij het gezelschap aanvoerde op de een

of andere verkenningstocht naar olie.

„Neen, senor,” antwoordde Torres. „Wij zoeken Senor Enrico Solano, zijn

dochter, zijn zoons en twee lange Gringos, die in hun gezelschap zijn.

Die Gringos moeten we hebben. Kwamen ze hierlangs, senor?”

„Ja, ze zijn hierheen gekomen. Ik dacht, dat zij ook de olie-koorts te

pakken hadden, zoo’n haast maakten zij, zoodat ze niet eens beleefd een

praatje konden maken en zeggen, wat het doel hunner bestemming was.

Hebben ze de een of andere misdaad begaan? Maar hoe kan ik dat vragen?

Senor Enrico Solano is een veel te achtenswaardig man...”

„Welken kant gingen zij uit?” vroeg de Chef, ademloos zijn gendarmes

vooruitloopend, die hij juist ingehaald had.

En terwijl de haciendado en zijn opzichter hen om den tuin leidden en

uitvluchten zochten en een geheel verschillende richting aanwezen,

merkte Torres een der inlanders op, die, op zijn schop geleund,

aandachtig toeluisterde. En terwijl de Chef nog om den tuin geleid werd

en bevel gaf om het valsche spoor te volgen, wierp Torres op eigen

houtje den luisterenden inlander snel een zilveren dollar toe. De

inlander knikte met zijn hoofd in de juiste richting, greep ongemerkt

het geldstuk, en begon weer te graven aan den wortel van den

reuzenstomp.

Torres veranderde het bevel van den Chef.

„Wij zullen den anderen kant uitgaan,” zei Torres, met een wenk aan den

Chef. „Een vogeltje heeft mij verteld, dat onze vriend zich vergist en

dat ze die richting genomen hebben.”

Toen de stoet vertrokken was langs het nog warme spoor, keken de

haciendado en zijn opzichter elkander verbijsterd en verwonderd aan. De

opzichter maakte met zijn lippen een beweging om tot stilte aan te

manen en keerde zich toen bliksemsnel tot de groep werklui. De

schuldige inlander werkte verwoed en geheel in zijn werk opgaande, maar

een andere inlander, wees hem, met een nauwelijks merkbaar hoofdknikje,

aan den opzichter aan.

„Hier hebben we het vogeltje,” riep de opzichter, met groote stappen op

den verrader toeloopend en hem verwoed door elkander schuddend.

Uit de lompen van den inlander vloog een zilveren dollar te voorschijn.

„Aha,” zei de haciendado, den staat van zaken begrijpend. „Hij is

plotseling rijk geworden. Het is verschrikkelijk, dat mijn inlanders

rijk zouden zijn. Ongetwijfeld heeft hij voor dat geld iemand vermoord.

Geef hem de noodige stokslagen en zorg, dat hij bekent.” Het schepsel

bekende, op zijn knieën gelegen en terwijl de stok van den opzichter

onophoudelijk neerdaalde op zijn hoofd en rug, wat hij gedaan had, om

dien dollar te verdienen.

„Sla hem, geef hem er nog wat meer, sla hem dood, dat beest, dat mijn

beste vrienden verraden heeft,” spoorde de haciendado lakoniek aan.

„Maar neen—voorzichtig. Sla hem niet dood, maar bijna. Wij hebben op

het oogenblik een te kort aan arbeidskrachten en kunnen dus niet den

vrijen loop laten aan onzen rechtmatigen toorn. Sla hem, dat hij het

flink voelt, maar toch zoo, dat hij maar een paar dagen niet werken

kan.”

Van hetgeen den inlander onmiddellijk hierna overkwam, zou een boekdeel

geschreven kunnen worden, dat men een heldendicht van zijn leven zou

kunnen noemen. Doch het is minder aangenaam om een beschouwing te

houden over iemand, die doodgeslagen wordt of daar lang bij stil te

staan. Laat het u genoeg zijn wanneer ik vertel, dat hij, toen hij nog

slechts een gedeelte van zijn straf ondergaan had, zich losrukte, met

achterlating van de helft van zijn lompen in de greep van den opzichter

en als een dolle naar de jungle vluchtte, het van den opzichter

winnend, die niet gewend was aan een snelle beweging, behalve wanneer

hij op den rug van zijn paard zat.

Zóó snel vluchtte de ongelukkige kerel, voortgedreven door de pijn van

zijn verwondingen en de vrees voor den opzichter, dat hij, blindelings

voorthollend, het Solano-gezelschap inhaalde, de jungle uitstormde en,

juist toen zij een ondiepe rivier overstaken, op zijn knieën en om

genade smeekend, tusschen hen neerviel. Hij jammerde omdat hij hen

verraden had. Maar dit wisten zij niet en Francis, die zijn ellendigen

toestand zag, bleef lang genoeg achter om de metalen schroef van een

veldflesch los te maken en hem met de helft van den inhoud te

verkwikken. Toen spoedde Francis zich voort, den armen duivel

achterlatend, die onverstaanbare dankbetuigingen uitstiet, eer hij

wegdook in een andere richting in de beschuttende jungle. Maar,

ondervoed, overwerkt als hij was, bezweek zijn kracht en hij zonk

onmachtig in het dichte groen neer.

Het volgende oogenblik bereikten de vervolgers de rivier, Alvarez

Torres vooraan en als een hond speurend, de gendarmes vlak achter hem

aan en de Chef hijgend en kortademig in de achterhoede. De natte

voetstappen van den inlander, die zich afteekenden op de droge steenen

langs den zoom der rivier, trokken Torres aandacht. In een oogwenk werd

de inlander, bij het beetje kleeren, dat hem nog overgebleven was, te

voorschijn gesleept. Op zijn knieën, welke lichaamsdeelen hij dezen dag

het meest scheen te moeten gebruiken, smeekte hij om genade en werd

ondervraagd. En hij zei, dat hij niets wist van het gezelschap Solano.

Hij, die een verrader geweest was en geslagen werd, maar die enkel hulp

had ontvangen van hen, die hij verraden had, voelde in zich een spoor

van dankbaarheid en betere gevoelens opwellen. Hij ontkende, dat hij de

Solanos gezien zou hebben sedert het oogenblik, waarop hij hen verkocht

had voor een zilveren dollar. Torres’ stok daalde neer op zijn hoofd,

vijfmaal, tienmaal, en bleef neerdalen met de zekerheid, dat dit zonder

ophouden zou voortduren tot hij de waarheid vertelde. En ten slotte was

hij toch maar een ellendig, ongelukkig schepsel, zijn geestkracht

gebroken door de slagen, die hij van kindsbeen af had ontvangen en de

pijn van Torres’ stok, die dreigde neer te dalen tot de dood intrad,

die zijn eigen meester, de haciendado, niet wilde voltrekken, hem deed

toegeven en den weg ter vervolging aanwijzen. Maar het was nog slechts

een begin van zijn wederwaardigheden. Nauwelijks had hij de Solanos

voor de tweede maal verraden en nog altijd lag hij op zijn knieën, of

de haciendado, met het gezelschap naburige haciendados en opzichters,

die hij te hulp geroepen had, verscheen, op dampende paarden gezeten,

ten tooneele.

„Mijn inlander, senors,” kondigde de haciendado aan, naar hem

toesnellend. „Gij mishandelt hem.”

„En waarom niet?” vroeg de Chef.

„Omdat ik het recht heb om hem te mishandelen en dit zelf verkies te

doen.”

De inlander kroop kermend naar de voeten van den Chef en bedelde en

smeekte om niet uitgeleverd te worden. Maar hij smeekte om genade, waar

geen genade te vinden was.

„Zeker, senor,” zei de Chef tot den haciendado. „We zullen hem u

teruggeven. Wij moeten de wet handhaven en hij is uw eigendom.

Bovendien hebben we hem niet meer noodig. Toch is hij een uitstekend

inlander, senor. Hij heeft gedaan, wat geen inlander ooit deed in de

geschiedenis van Panama. Hij heeft tweemaal op één dag de waarheid

verteld.”

Met de handen vóór hem samengebonden en door een koord vastgemaakt aan

het zadel van den opzichter, werd de inlander weggeleid met de vaste

overtuiging, dat het ergste pak slaag, dat hem dien dag beschoren was,

hem nog wachtte. En hij vergiste zich niet. Teruggekomen op de

plantage, werd hij als een dier aan een paal van een

prikkeldraad-heining gebonden, terwijl zijn meester en de vrienden van

zijn meester, die met de jacht geholpen hadden, in de haciënda hun

twaalfuurtje gingen gebruiken. Hij wist wat hem te wachten stond als

dat afgeloopen was. Maar het prikkeldraad der heining en de kreupele

merrie in de paddock daarachter, deden een idee oprijzen in het

wanhopige brein van den inlander. Ofschoon de scherpe haken telkens

weer zijn polsen wondden, zaagde hij snel zijn banden door, zoodat hij

vrij was, behalve voor de wet, kroop onder de heining door, leidde de

merrie het hek uit, sprong op de bloote rug van het paard en terwijl

zijn naakte hielen tegen haar ribben trommelden, galoppeerde hij weg

naar de veilige Cordilleras.

Drie Harten · 第 11 / 33 题