I.

Alvorens dit boek te besluiten, zooals we den korf hebben gesloten over

de verstijfde stilte van den winter, wil ik zelf een tegenwerping maken,

die slechts zelden uitblijft van de zijde dergenen, voor wie men de

verrassende staatkunde en nijverheid der bijen ontvouwt. Ja, mompelen

zij, dat alles is nu heel wonderbaarlijk, maar zonder dat er eenige

verandering in komt. Daar leven ze nu reeds duizenden jaren onder

merkwaardige wetten, maar duizenden jaren zijn deze wetten dezelfde

gebleven. Reeds duizenden jaren bouwen ze die merkwaardige raten,

waaraan men niets heeft toe te voegen of af te nemen, en waarin men de

kennis van den scheikundige, den landmeter, den architect en den

ingenieur vereenigd aanschouwt; doch deze raten zijn precies gelijk aan

die welke men in oude sarcophagen vindt of die staan afgebeeld op

Egyptische steenen en papyrusrollen. Noem ons één enkel feit, dat wijst

op eenigen den minsten vooruitgang, wijs ons op een of andere

bijzonderheid, die toont dat ze iets nieuws hebben ingevoerd, een enkel

punt, waarop ze de routine van eeuwen hebben gewijzigd: dan zullen we

ons buigen en erkennen, dat in hen niet alleen een bewonderenswaardig

instinct schuilt, maar een verstand, hetwelk recht heeft dat van den

mensch ter zijde te streven, en tegelijk met hem te hopen op een of

andere bestemming, hooger dan die van de onbewuste of afhankelijke

materie.

Niet alleen de leek spreekt aldus, maar bekende entomologen als Kirby en

Spence hebben hetzelfde argument aangevoerd, om aan de bijen elk ander

intellect te ontzeggen buiten en behalve dat hetwelk zich nauw merkbaar

beweegt in den engen kerker van een verrassend doch onveranderlijk

instinct. "Toon ons," zeggen zij, "één enkel geval, waarin ze, door de

omstandigheden gedrongen, b.v. op het denkbeeld zijn gekomen de was en

de maagdenwas te vervangen door klei of mortel, dan zullen we

toestemmen, dat ze in staat zijn tot overleg'."

Deze redeneering, die Romanes "The question begging argument" noemt, en

die men ook wel de "onverzadelijke redeneering" zou kunnen noemen, is

hoogst gevaarlijk en zou ons, op den mensch toegepast, buitengewoon ver

doen afdwalen. Wel beschouwd spruit ze voort uit dat "eenvoudig gezond

verstand," dat dikwijls heel wat kwaad aanricht en dat aan Galileï ten

antwoord gaf: "Niet de aarde draait, want ik zie de zon zich aan den

hemel bewegen, 's morgens weer opkomen en des avonds ondergaan, en niets

gaat boven het getuigenis mijner oogen." Gezond verstand is uitstekend

en noodig als grondslag voor onzen geest, onder voorwaarde echter, dat

het wordt gecontroleerd door iets hoogers, dat nimmer sluimert en dat

waar het noodig is, aan datzelfde gezond verstand herinnert, hoe

oneindig groot nog zijne onkunde is; zoo niet, dan is 't niets meer dan

de routine der lagere deelen van ons intellect. De bijen zelven echter

hebben antwoord gegeven op de tegenwerping van Kirby en Spence.

Nauwelijks was ze uitgesproken, of een ander natuuronderzoeker, Andrew

Knight, kwam, toen hij de zieke schors van zekere boomen had bestreken

met een soort van cement, vervaardigd uit was en terpentijn, tot de

ontdekking, dat zijne bijen het inzamelen van maagdenwas geheel hadden

opgegeven en uitsluitend deze hun onbekende materie gebruikten, die

weldra beproefd werd bevonden en algemeen aangenomen, daar ze die geheel

gereed en in overvloed vonden in de omgeving hunner woning.

Trouwens, de helft van de theorie en de praktijk der bijenkunde is de

kunst, vrijen loop te laten aan het initiatief der bij, aan haar

ondernemend verstand gelegenheid te geven zich te oefenen, en echte

ontdekkingen, wezenlijke uitvindingen te doen. Zoo gebeurt het b.v. wel,

dat bijenhouders, wanneer het stuifmeel schaarsch is in de bloemen, een

zekere hoeveelheid meel in de nabijheid van den bijenstand uitstrooien,

om zoodoende mede te helpen aan het grootbrengen der larven en nymphen.

't Is vrij duidelijk, dat de bijen een dergelijke stof nooit hebben

aangetroffen in hun natuurstaat, in hunne oorspronkelijke woonplaatsen,

de bosschen of Aziatische valleien, waar zij waarschijnlijk het

levenslicht aanschouwden in het tertiaire tijdperk. En toch, wanneer men

zorg draagt er eenige te lokken, door ze op het uitgestrooide meel te

zetten, dan betasten ze het, proeven het, zien in, dat het in qualiteit

bijna gelijk staat met het stof der helmknopjes, keeren naar den korf

terug, deelen de tijding mede aan hunne zusteren en ziet, daar komen

alle honingdraagsters op deze onverwachte en onbegrijpelijke spijze

aanvliegen, terwijl toch in hunne aangeboren herinneringen hun voedsel

onafscheidelijk moet zijn van de bloemkelken, waar zij reeds sedert zoo

vele eeuwen zulk een weelderig en overdadig onthaal vinden.

Het leven der bijen · 第 117 / 136 题