Indien de mensch hem niet opvangt, eindigt de geschiedenis van den zwerm
hier niet. Hij blijft aan den boom hangen tot aan de terugkomst der
werkbijen, die dienst doen als gevleugelde verkenners of
kwartiermeesters en die zich dadelijk bij het begin van het zwermen in
alle richtingen hebben verspreid om een woonplaats op te zoeken. Een
voor een komen ze terug en geven verslag van hunne zending, en daar het
ons onmogelijk is de gedachten der bijen te doorgronden, moeten we het
schouwspel, dat we bijwonen, wel op menschelijke wijze verklaren.
Waarschijnlijk dan luistert men aandachtig naar hun verslag.
Klaarblijkelijk hemelt de een een hollen boom op, een ander roemt de
voortreffelijkheid van een spleet in een ouden muur, een holte in een
grot of een verlaten kuil. 't Komt dikwijls voor, dat de vergadering tot
den volgenden morgen overweegt en besluiteloos blijft. Eindelijk echter
is de keuze gedaan en de overeenkomst gesloten. Op een gegeven
oogenblik raakt de heele tros in beweging, wriemelt dooreen, maakt zich
los van elkaar, verstrooit zich en de trillende wolk richt zich met een
onstuimige en ongestoorde vlucht, die ditmaal geen hinderpalen meer
kent, over heggen, korenvelden, vlasakkers, hooimijten, vijvers, dorpen
en rivieren heen, in rechte lijn naar een vast en altijd ver verwijderd
doel. Zelden kan de mensch hen bij dezen tweeden uittocht volgen. Ze
keeren terug tot de natuur en wij raken het spoor van hunne verdere
lotgevallen bijster.