stad van de aardbeving als natuurverschijnsel zoo goed als niets
meer zien. Hier en daar zijn de trottoirs gebroken en opgetild, of
schuttingen schuin geplaatst. De geloofwaardigheid der verhalen die
men mij deed, is natuurlijk door de Amerikaansche wijze van vertellen
en verslaggeven beperkt; het meest trof mij het bericht van iemand
die tijdens de aardbeving op den spoorweg geweest was en den weg
in voortloopende golven had zien gebogen worden. Dit komt overeen
met de buigingen, die hier en daar ook na de aardbeving zichtbaar
gebleven zijn. Verder is de meening algemeen, dat de beide eerste,
hardste schokken in richtingen loodrecht op elkaar plaats vonden,
terwijl daarna een draaiende beweging plaats vond. De juistheid van
dit bericht wordt door de seismographische opteekeningen bevestigd.
Op de kweekerij van den heer Burbank te Sebastopol had ik de
gelegenheid de grondverschuivingen en barsten te zien, die het
gevolg der aardbeving waren. Rondom Santa Rosa was de grond toen
overal vol barsten, die meest een paar voeten breed en zelden dieper
dan een meter waren. Zulke barsten waren soms een halve mijl lang en
liepen soms langs, soms dwars over de wegen. Hier en daar was dan een
gedeelte van een weg zijwaarts uitgebogen, en deze verschuiving was
klaarblijkelijk de oorzaak van de barst aan de eene zijde. De meeste
barsten waren natuurlijk allengs weer aangevuld en vereffend, maar
eenige kon ik toch nog in hun oorspronkelijken staat zien. De schokken
van de aardbeving hebben in horizontale richting plaats gevonden,
en men kan dus gemakkelijk begrijpen dat de grond nu eens in die
richting samengeperst en dan weer uitgerekt werd. Het samenpersen kan
tot tijdelijke golven en opheffingen aanleiding gegeven hebben, terwijl
het uitrekken overal scheuren moet hebben doen ontstaan daar, waar de
grond niet stevig of meegaande genoeg was om aan de beweging weerstand
te bieden of haar te volgen. Het is verbazend dat de cementen trottoirs
in de stad van die bewegingen zoo goed als geen, schade geleden hebben.
De kweekerij van Burbank te Sebastopol ligt grootendeels op de helling
van een heuvel, maar de graad van helling verschilt op de verschillende
plaatsen. De landweg stijgt vrijwel recht tegen de helling op, en
van den ingang der kweekerij naar het huis, dat ongeveer in het
midden ligt, loopt een rijweg, die aan beide zijden begrensd is
door culturen van bloemgewassen die op lange rijen, even lang als
de weg en evenwijdig aan dezen, geplant waren. Dit gedeelte van den
grond was bergafwaarts over ruim een meter verschoven, terwijl aan de
bovenzijde der afschuiving talrijke barsten ontstaan waren en aan de
onderzijde de grond ineen en omhoog gedrukt was. De rijweg was daarbij
zoo beschadigd, dat men hem niet berijden kon, en de barsten waren
zoo talrijk dat het niet mogelijk was, de paarden voor den ploeg er
over te laten gaan, om den grond te herstellen. Het verschoven stuk
grond was meer dan honderd meters lang en breed.
De planten waren half April in vollen groei en konden dus niet
meer verplant worden. Vandaar dat de gebogen en gescheurde rijen nu
duidelijk te zien waren. Op een plaats was een houten waterput; deze
was, vrij wel zonder beschadiging, over bijna 1 1/2 meter bergafwaarts
verplaatst. Dit was het punt van de grootste verschuiving en hier
waren de rijen midden door gebroken en was het eene deel naast de
breukplaats sterker verschoven dan het andere. Van een der einden
der rij ziende, zag men haar in haar midden doorgebroken en over
een meter of meer verplaatst. Breede rijen van Shasta-daisies, vol
in bloei, toonden dit merkwaardige verschijnsel. Iets minder was de
breuk en de verschuiving in de rijen van Gladiolus. In het lagere
deel waren de rijen niet gebroken maar bergafwaarts uitgebogen. In
zoodanige rijen van Lobelia cardinalis kon ik duidelijk zien, dat
de verplaatsing in het midden ook omstreeks een meter bedragen had;
naar de uiteinden nam zij zeer langzaam af.
Op mijn vraag of de ondergrond misschien rotsachtig was, en of de
bouwgrond daarover omlaag kon gegleden zijn, kreeg ik ten antwoord,
dat er tot op tientallen van meters diepte geen rotsgrond aanwezig
was, maar dat alles kleiachtig zand was. Het was dezelfde grond
als waarop Santa Rosa gebouwd is. Het is zeer merkwaardig, dat de
beschadigingen meestal in de dalen en valleien hebben plaats gevonden,
waar de grond zoo niet alluviaal, dan toch van dezelfde losse structuur
is, terwijl de bergen weinig schijnen geleden te hebben. Eigenlijke
bergafschuivingen schijnt de aardbeving niet te hebben veroorzaakt.
Tusschen de rijen van het verschoven gedeelte was den vorigen dag
geploegd, en moest den volgenden dag de grond vlak geëgd worden. Maar
de aardbeving had alles zoo geschud, dat de voren verdwenen, de
grond gelijkgemaakt en het onkruid bedolven was. Het eggen was dus
niet noodig. Dit heeft mij 35 dollars arbeidsloon bespaard, zeide
Burbank, en dat bedrag dekt ongeveer de schade aan den weg en aan
het huisje berokkend.
Zeer merkwaardig is, dat geen enkele plant, heester of boom door de
aardbeving beschadigd werd. Zoo zag ik het op Burbank's kweekerij
en langs de straten en in de huizen van Santa Rosa en Sebastopol, en
ooggetuigen bevestigden dit opvallend feit. Zij zijn klaarblijkelijk
beter gebouwd dan de beste woonhuizen der stad.
Overeenkomstige verschijnselen als te San Francisco, Palo Alto en
Santa Rosa heb ik ook te San José en elders kunnen waarnemen. Maar
de indruk is overal dezelfde en ik zou vreezen in herhalingen te
vervallen. De aardbeving werkt volgens zeer eenvoudige beginselen,
hoewel met geweldige kracht. De gevolgen der werking laten zich niet
alleen betreuren maar ook begrijpen, en een grondige studie leidt tot
de kennis van de middelen en wegen, die bij een volgende aardbeving de
materieele schade zoo klein mogelijk kunnen doen zijn. De Californiërs
wanhopen dan ook niet en bouwen met vollen moed hun steden op dezelfde
plaatsen weer op. Maar zij voorzien hun steenen gebouwen van stalen
geraamten en maken ze tegen de schokken en trillingen even bestand
als de rotsen zelve zijn.
Doodendal in Californië
Een reiziger in het woestijngebied van Californië deelt een en ander
mee over de groote ellende, die er wordt geleden in de water- en
plantenarme streken van Californië. Hij, Walter V. Woelhke uit San
Bernardino, vertelt als volgt:
Onze cavalcade trok langzaam langs een rotswand, die de gloeiende
zonnestralen met dubbele kracht terugkaatste. De thermometer aan
den schaduwkant van den wagen wees een temperatuur van 45° C. (113°
F.). Het fijne, alkalihoudende stof, door de vier-en-twintig met
schuim bedekte, hoestende muildieren opgeworpen, had alles met een
gele laag bedekt, onze kleederen doortrokken en zich in neus en mond
afgezet; zijn bijtende werking verscherpte den brandenden dorst, die
door het lauwwarme water, dat al twee dagen mee gevoerd werd, niet
kon gelescht worden. Zonder schaduw, zonder water, zonder planten,
levenloos en troosteloos strekte zich de geelwitte vlakte tusschen
de grijsblauwe bergketenen uit. Hoog boven de toppen, een donker punt
vormend tegen den harden, stalen hemel, zweefde in wijde kringen een
aasgier. Slechts het knallen van de zweep, die nu en dan de muildieren
om de ooren zwiepte, verbrak de stilte.
Den koetsier, die reeds vijf jaar lang borax uit dit helsche oord
had gehaald, schenen de hitte zoomin als het bijtende stof te
hinderen. Zonder een trek in zijn leerachtig, typisch amerikaansch
gezicht te veranderen, merkte hij op: "Een uitstekende ligging
hier. De lucht is fijn, het uitzicht prachtig, goede buren, er is geen
verwarming noodig en de belastinginner komt hier niet dikwijls. Ik
heb er al aan gedacht mij op mijn ouden dag hier te vestigen".
Gedurende de drie dagen, sedert de wagen het kleine station Dagget
in de woestijn aan den Santa-Fé-weg had verlaten, had deze koetsier,
borax-Jack, op denzelfden toon, als waarop een gids toeristen op
bijzonder schoone punten in het landschap opmerkzaam maakt, ons het een
en ander griezeligs gewezen en met een verhaal geïllustreerd. Hier een
graf, daar een graf, ginds een klein kruis, elders eenige gebleekte
beenderen, naast een ledigen waterzak. En over alles de zon, de
onbarmhartige, gruwzame zon, voor wier verschroeiende stralen noch
het gloeiende zand, noch de heete rotsen eenige beschutting boden.
In den nauwen pas tusschen de beide rijen heuvels, waardoor de
wagen heenreed, blies een wind, die uit een gloeienden oven scheen
te komen. "Windy Cap" heet deze pas en daardoor komt men van uit het
Zuiden in het Dal des doods, "Death Valley", de laagst gelegen plek
van het amerikaansche vasteland, waar de temperatuur des zomers bijna
dagelijks tot 55° à 60° C. stijgt, en waarvan de oostelijke wand
door de Sierra Nevada, het hoogste gebergte der Vereenigde Staten
gevormd wordt.
Dit dal, dat aan den rand van de groote woestijn in het Zuidwesten
van Amerika ligt, draagt zijn veelbeteekenenden, onheilspellenden
naam sedert zijn ontdekking door de eerste blanke reizigers. In
1850 verdwaalde een uit zeventig Mormonen bestaand reisgezelschap,
dat door Brigham Young uit Utah op een ontdekking was uitgezonden, in
deze dorre woestenij. Slechts twee dier zeventig ontkwamen. De overigen
bezweken onder de vlammende pijlen, die de zon op de naakte rotsen en
zandvlakten afzendt en die het bloed der ongelukkige slachtoffers uit
hun aderen schijnt te zuigen. Sinds die 68 Mormonen er den dood vonden,
is de naam van het dal voor goed gerechtvaardigd. In den zomer van
1906 verdwenen er 15 avonturiers, wier beenderen dezen winter werden
gevonden en begraven, en de kopergroeven in de nabijheid zullen
volgende zomers nog wel meer waaghalzen er heen voeren.
Dit doodendal is een kloof, 160 Kilometer lang en 20 tot 40
Kilometer breed, die zich 100 Meter lager dan de oppervlakte der zee,
tusschen twee hooge gebergten op de grens van Californië en Nevada
uitstrekt. Overdag brandt de zon aan den wolkenloozen hemel in dezen
zandigen kuil tusschen de rotsen, totdat de heete lucht als uit een
bakoven er uit opstijgt; des nachts waait een scherpe koude wind van
de 5000 Meter hooge sneeuwtoppen der Sierra neer. In het diepste
gedeelte van die kom strekken zich mijlenlange witte velden uit,
alsof het sneeuwvlakten waren. Zij bestaan uit zout, het overblijfsel
van den oceaan, die eens geheel zuidwest Amerika bedekte, tot dat
vulkanische krachten land en bergen uit het water ophieven. In de
komvormige vlakte zelf valt bijna nooit een droppel regen, zoodat
dieren- en plantenleven er onbestaanbaar is, waarvoor echter moeder
natuur een eigenaardige vergoeding heeft gegeven. Het doodendal is een
enorm chemisch laboratorium, waarvan de grondstoffen overal voor den
dag komen. Met die stoffen op haar palet heeft de natuur de wanden
van het dal en de rotsen wondermooi gekleurd. Als groene en blauwe
strepen vertoonen zich de aderen van het gesteente, waarin het koper
voorkomt; de roode, cinnaber-houdende rotsen verheffen zich torenhoog;
lichtend geel schitteren de met zwavel bedekte hellingen; grijs
doen de granietmassa's zich voor, en dofzwart steken de lavavelden
bij de witte zoutvelden af. Op andere plaatsen heeft, als het ware,
een meesterhand de kleuren gemengd en heerlijke kleurspelingen te
voorschijn geroepen, die met alle beschrijvingen spotten. Doch overal
in deze kleurenpracht loert de dood. De weinige bronnen, die uit de
gedoofde kleine kraters opborrelen, bevatten vitriool en arsenik,
of als het water niet doodelijk vergiftig is, dan is het toch door
zijn gehalte aan zout of petroleum ondrinkbaar.
De grootste van deze bronnen, die uit een oude krateropening op de
helling van het "begrafenisgebergte", aan de oostzijde van het dal
ontspringt, doet een kleine beek ontstaan, waarvan de bedding uit
den asphaltneerslag van het water is gevormd. Om zijn temperatuur
heeft men het waterstroompje de gloeiovenbeek genoemd. Naast deze
bron heeft voor eenige jaren een opmetingsexpeditie met wreeden spot
een bord geplaatst, met de volgende aanwijzingen:
Doodendal, 365 voet onder het zeeoppervlak.
Het loopen over het gras is streng verboden.
Het plukken van bloemen wordt gestraft volgens de wet.
Ligging: 105 mijlen van Randsburg, 85 mijlen van Dagget,
60 mijlen van alle houtgewas, 20 mijlen van water, 40 voet
van de hel. God zegene deze plek!
Bailey's opmetingsexpeditie.
Kerstmis 1900.
Niettegenstaande zijn schatten aan mineralen heeft dit doodendal
tot nu toe geen groote voordeelen opgeleverd. De eenige, die er rijk
door is geworden, is Frank J. Smith, borax-Smith, zooals men hem in
Californië noemt. Toen Smith twintig jaar geleden de borax-lagen van
het dal voor het eerst zag, werden in de Vereenigde Staten de borax
en de soda voor een dollar per pond verkocht. De mijnen in het dal,
die beide mineralen in bijna volkomen zuiveren toestand leveren,
hebben Smith tot millionair gemaakt, en den prijs van het product
tot op 10 cent per pond verminderd. Tegenwoordig zijn slechts
weinige arbeiders in de mijnen, of liever kuilen van het doodendal
werkzaam. Aanvankelijk lokten de hooge loonen, die betaald werden,
honderden werklieden hier heen, en de opbrengst en het behaalde
voordeel waren groot. Toen echter de arbeiders bij dozijnen ten
offer vielen van de hitte, het slechte water, de giftige gassen en
de andere moeilijkheden, werd het onmogelijk, het bedrijf op groote
schaal voort te zetten. In het er om heen liggende deel van de woestijn
werden andere, hoewel niet zulke rijke lagen der mineralen ontdekt,
en thans doen de groote borax-wagens, die 40 000 pond inhouden,
en bovendien nog een voorraad water voor de 2 dozijn muildieren en
hun drijvers meevoeren, slechts weinige reizen per jaar. Het uit het
dal aangevoerde ruwe product wordt in de fabrieken bij Dagget, aan
den Santa-Fé-spoorweg, verwerkt. Dat het ook daar geen paradijs is,
bewijst het feit, dat het bedrijf er van half Mei tot aan October
gesloten is, daar in de er dan heerschende hitte zelfs de Indianen
en Mexicanen het niet bij de ketels kunnen uithouden.
Twee duizend meter boven den bodem van het dal ligt het mijn
werkersstadje Greenwater, op een plateau tegen de helling van
den Panamintberg. Het plaatsje schijnt zijn naam "Greenwater"
gekregen te hebben omdat er noch iets groens, noch water te vinden
is. Dit laatste kost er gewoonlijk 20 gulden per vat. In plaats van
plantengroei vindt men er koper, enorm veel koper als de berichten
waarheid spreken. Ofschoon dit stadje Greenwater eerst in October 1906
is ontstaan, en in Maart van 1907 naar een andere plaats verlegd is,
wordt zijn lof toch reeds door twee weekbladen en een maandschrift
aan de wereld verkondigd.
Het besproken Dal des doods is niet de eenige streek, die jaarlijks,
als een Moloch, haar schatting aan menschenoffers verlangt. Het rijk,
waar de zon en de dorst heerschen, strekt zich over het geheele
Zuidwesten van de Vereenigde Staten uit, van het Rotsgebergte in
het Oosten tot bijna aan den Stillen Oceaan, en naar het Zuiden tot
ver in Mexico. Overal in dit gebied bevinden zich steenhoopen, met
hier en daar een verweerd houten kruis, waaronder de offers van den
dorst rusten. Behalve in het hooggebergte en aan de groote rivieren,
die door de gletschers daarvan gevormd worden, is er slechts op zeer
groote afstanden water te vinden. De reiziger, die in een slaapwagon
van een sneltrein twee dagen lang door de heete, stoffige woestenij
wordt heengevoerd, bemerkt niets van het watergebrek. Hij heeft er
niet het minste besef van dat het glas ijswater, dat hem door den
zwarten bediende wordt overgereikt, misschien een mensch het leven
zou kunnen redden, die nu slechts weinige mijlen van den spoorweg
verwijderd, ellendig om het leven komt.
Hoe licht men het offer der woestijn kan worden, kan ik uit eigen
ervaring mededeelen. In Juni van het vorige jaar maakten wij met ons
drieën van Mekka, een woestijnstationnetje aan de zuid-pacificlijn,
een reis naar Los Palmos, een kleine nederzetting van goudzoekers
70 K.M. van den spoorweg, om daar een nieuw ontdekte laag fossielen
in oogenschouw te nemen. De eerste op de kaart aangegeven waterkom
bereikten wij op den juisten tijd, doch de brandende zon en het
bijtende stof hadden ons toen reeds zoo gepijnigd, dat wij ondoordacht
besloten, den marsch des nachts voort te zetten en overdag aan de
volgende waterkom te rusten. Door de duisternis en onze slaperigheid
weken wij van den weg af, en de eerste stralen der zon vonden ons
ver van ons doel verwijderd. Het laatste droppeltje water was des
ochtends om 6 uur opgebruikt. Des middags verhief zich een scherpe
wind, waarvan de gloeiende adem onze aderen scheen uit te drogen,
terwijl het bittere stof zich in het slijmvlies van neus en mond
vastzette en de kwelling van den dorst nog tienvoudig verergerde. Bij
elke bodemverheffing werd naar water uit gezien, doch steeds zagen
wij geen ander beeld dan kaal, geelgrijs zand, grauwe cactusplanten,
harde rotswanden en flikkerende zonnestralen, onder wier invloed het
onbedekte deel van de huid verschrompelde, als de schil van een appel,
die langzaam aan de lucht is gedroogd. Het koortsheete bloed suisde
in de ooren, voor onze oogen voerden roode zonnen een dollen dans uit,
en de opgezwollen tong weigerde den dienst bijna geheel.
Fred, de jongste van het gezelschap, gaf tegen twee uur den strijd met
den dorst op. Met schorre stem begon hij plotseling een straatliedje
te zingen, rukte zich de kleederen van het lijf en snelde, terwijl hij
zijn hemd boven zijn hoofd zwaaide, naar den voet van een naburigen
berg, waar de Fata Morgana bedriegelijker wijze een blauw meer voor
oogen tooverde. De woestijndorst had hem in zijn klauwen gegrepen en
slechts krachtige maatregelen zouden hem kunnen redden. Zonder dralen
sloeg mijn metgezel den jongeling tegen den grond, en te zamen droegen
wij hem naar den wagen, die de vermoeide trekdieren nauwelijks door
het heete zand konden voortsleepen.
In de nu volgende uren moesten wij al onze wilskracht aanwenden, om
niet het voorbeeld van onzen jeugdigen makker te volgen. Onze gedachten
werden steeds verwarder, steeds sterker lokte de Fata Morgana, steeds
duidelijker wenkte ons het koele water te midden van het gloeiende
zand. De lippen barstten open en bloeden bij elke poging, om over
den te volgen weg te beraadslagen. De rimpels en plooien in het gele
bestoven gelaat van mijn metgezel werden dieper en zijn oogen trokken
zich ver in hun kassen terug, zoodat hij in die weinige uren wel 20
jaar ouder scheen geworden te zijn. Binnen in den wagen kreunde en
zuchtte de arme Fred, ijlende als in koorts. Slechts het gedrag der
muildieren, die zonder ophouden en zonder eenige leiding voortstapten,
hield ons er van terug den strijd op te geven.
Eindelijk, te middernacht, bereikten wij de waterkom. Tong en keel
van den patient waren echter toen zoo gezwollen, dat aan drinken
niet te denken viel. Met natte doeken wieschen wij den bebloeden mond
van Fred, wij sprenkelden hem water over zijn lichaam, en eerst na 4
uren was het mogelijk, hem eenige droppels van het kostbare vocht te
doen opnemen. Gelukkig waren wij nog genoeg bij onze zinnen, om maar
heel weinig te drinken, totdat wij eenigszins hersteld waren. Drie
dagen bleven wij bij deze waterbron, totdat wij ons in gezelschap van
eenige goed met den weg bekenden verder waagden. De zieke Fred moest
na onze terugkomst nog veertien dagen in een ziekenhuis verblijven,
voor hij geheel hersteld was.
Wij waren slechts ongeveer 20 uur zonder water in de woestijn geweest,
en toch waren we haast omgekomen van den dorst. Het zouthoudende stof
en de wind, die het lichaam als in een bakkersoven doen uitdrogen, zijn
de oorzaken, die in deze amerikaansche woestijn de marteling van den
dorst zoo kwellend maken en zoo spoedig den dood doen optreden. Vaak
treedt het einde reeds na 36 uren in, en in menig geval nog eerder,
daar bijna elk slachtoffer zich in razernij de kleederen van het
lijf rukt en zijn huid onbeschut aan de zonnestralen blootstelt. De
meesten verdwijnen spoorloos.
Een bijzonder slechten naam heeft een waterkom in zuidelijk Arizona,
waar het water zeer verborgen achter een rotswand zich verzamelt en
waar men in den omtrek 38 graven vindt. Meer dan drie dozijn menschen
zijn daar dicht bij water van dorst omgekomen.
Is het water in het uitgestrekte Zuidwesten van Amerika negen maanden
lang uiterst schaarsch, gedurende de drie andere maanden, van December
tot Maart, vormt de overvloed van water de grootste moeilijkheid,
waarmee de spoorwegen te worstelen hebben. In den zomer moeten vele
stations eener lijn hun water wel van 100 Kilometer ver laten komen,
terwijl in den regentijd het water zooveel schade aanricht, dat op
sommige lijnen de dienst dagen, ja wekenlang gestaakt moet worden. De
gemiddelde jaarlijksche regenval voor het geheele gebied bedraagt niet
meer dan 22 à 27 centimeter, die echter vaak in 3 of 4 wolkbreuken
neerstorten. Van de naakte heuvelruggen, de kale rotswanden en de
geheel onbegroeide hellingen van den bodem stroomt het water als
van een leien dak naar de laagste plaatsen en vormt diepe beken,
die alle naar één hoofdbedding vloeien. Den drang van deze watermassa
kan niets weerstaan.
De spoorwegen worden verweekt en weggedreven alsof ze van bordpapier
waren vervaardigd. In de twee jaar, sedert hij gereed is, heeft de
nieuwe spoorweg, die van Salt Lake-city door de woestijnen van Utah
en Nevada naar zuidelijk Californië leidt, door wolkbreuken een schade
geleden, die op 9 millioen gulden geschat wordt.
In deze overigens zoo van water verstoken woestenij, komt
merkwaardigerwijs de sterkste regenval voor, die in 24 uur is
opgemerkt. In de nabijheid van Campo, in het San-Jacinto-gebergte,
viel op 3 Februari 1895 in enkele uren een hoeveelheid regen van 54
centimeter. Door de dalen in het gebergte wierpen zich watermuren van
8 à 10 Meter hoogte met den gang van een sneltrein in de woestijn ter
neer, en na een paar dagen was er niets meer van eenige vochtigheid
te bemerken!
End of Project Gutenberg's De aardbeving van San Francisco, by Hugo de Vries