Nog iets verder ging dezelfde barst midden door een elzenbos

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

De aardbeving van San Francisco.

Door Prof. Dr. Hugo de Vries.

Als men met een ferryboot van Berkeley naar San Francisco gaat, heeft

men een overzicht over de geweldige ruïnen der hoofdstad. De aardbeving

heeft rechtstreeks niet zulk een groote schade veroorzaakt, maar

zij deed den brand ontstaan die nagenoeg de geheele stad in de asch

gelegd heeft. Zij brak de pijpen der waterleiding en maakte daardoor

het blusschen onmogelijk. Vóór zich ziet men het waterfront der stad

en het lage gedeelte, daarachter stijgt de stad tegen de heuvelen

omhoog. Zoowel de woningen der rijken als die der armen zijn door den

brand verwoest. Nobb Hill is evenzeer vernietigd als China-town. Rondom

Marketstreet, en tusschen deze hoofdader en het waterfront langs de

golf is alles vergaan. Op de hoofdlijnen rijden de trams nu weder,

nadat het puin van de straten verwijderd is. Rijdende van de ferries

naar het station in Townsendstreet, heeft men een overzicht van de

volkomen vernietiging. Alle hout, alle balken zijn geheel verbrand,

verkoolde overblijfselen ziet men zoo goed als niet. De ijzeren balken,

zelfs de allerdikste zijn door de hitte omlaag gezakt en gekromd,

gewrongen in alle denkbare richtingen.

De groote schade is door den brand aangericht; de rechtstreeksche

schade der aardbeving is in vergelijking klein. Zij beperkt zich

tot de slecht gebouwde huizen en tot de wijken die op weeken grond

stonden. Wat op vasten bodem stond en goed gebouwd was, weerstond aan

het geweldige schudden. Met name die gebouwen, die uit een stalen

geraamte zijn opgetrokken, hielden de schokken uit. Waren de muren

in de mazen van het geraamte los gebouwd, zoo werden zij verscheurd

en uitgeworpen, en ziet men nu het naakte geraamte. Waren zij echter

stevig gecementeerd, zoo bleven zij ongedeerd.

Zoo bleef die reuzenzuil op den hoek van Marketstreet en van de derde

straat, die naar het station van den Southern Pacific leidt, tijdens

de aardbeving ongedeerd. Het is het zoogenaamde Call-gebouw, waarin

het voornaamste dagblad, de San Francisco Call, gedrukt wordt. Het

werd eerst later door den brand aangetast, die in den koker van de

lift een weg vond, om in korten tijd alle verdiepingen te bereiken.

Het is echter mijn voornemen niet, hier een overzicht van die ramp te

geven. Daaromtrent is genoeg bekend geworden. Maar deze aardbeving is

in Californië terstond aangevat als een bron van studie, eensdeels

over de oorzaken van het verschijnsel zelf, en anderdeels over de

omstandigheden die de materieele schade veroorzaakt hebben. Deze

waren overal dezelfde, n.l. slechte bouw en weeke grond. De

Universiteit van Berkeley rust op rotsgrond en is goed gebouwd; zij

heeft betrekkelijk niet geleden. De gebouwen dierzelfde Universiteit,

die door de medische en aanverwante vakken gebruikt worden staan ten

zuiden van het Golden Gate op de helling der rotsachtige heuvelen

en bleven gespaard. Westelijk van Marketstreet, op het heuvelachtige

gedeelte, was alles na de aardbeving en vóór den brand zoo goed als

onbeschadigd. Maar het lage gedeelte der stad, dat deels op gewonen

kleigrond en deels op aangeplempten grond staat, werd het hevigst

geteisterd. Huizen van gebakken steen leden het meest, vooral als de

muren dun waren of waar, uit zuinigheid, slechte metselkalk gebruikt

was. Hoe vaster de grond, hoe zwaarder de fondamenten en hoe meer

het gebouw één massieve steenklomp vormde, des te minder schade leed

het. Daartegenover staan de houten woonhuizen, die hier de groote

menigte der gebouwen buiten het binnengedeelte vormen. Zij mogen

gekraakt hebben, maar zijn niet gebroken. Hun steenen schoorsteen en

zijn afgeworpen, en als het dak niet stevig genoeg was, vielen zij

daar doorheen. Het pleisterwerk hunner muren is overal gescheurd,

maar de huizen zelf zijn geen oogenblik onbewoonbaar geweest.

De oorzaak der aardbeving is in dit geval aan de oppervlakte der

aarde op verschillende punten zichtbaar, iets wat betrekkelijk zelden

voorkomt. Het gevolg daarvan is de mogelijkheid van een ingaande en

nauwkeurige studie. Terstond hebben de geologen deze taak in handen

genomen, en reeds den 21en April werd door de regeering van Californië

een commissie benoemd, om zooveel mogelijk alle gegevens te verzamelen

en te verwerken. De hoogleeraar in de geologie, Prof. Lawson, is

voorzitter dier Commissie. De zichtbare oorzaak der aardbeving is

een groote scheur, die over een groot deel van Californië en dicht

langs de kust loopt. Deze scheur is in den nacht van den 18en April

plotseling ontstaan als een gevolg van opgehoopte spanningen, en de

twee zijden van de scheur zijn daarbij langs elkander gegleden. De

verschuiving bedraagt omstreeks 6 meter, wat klaarblijkelijk voldoende

is om den geheelen bodem over een groot deel van den staat te doen

trillen en beven.

Het spreekt van zelf, dat ik er groot belang in stelde, deze scheur

door eigen aanschouwing te leeren kennen. Natuurlijk moest ik

mij tot een klein gedeelte beperken, want de scheur is bijna 400

mijlen lang. Ook zijn niet alle gedeelten even duidelijk of even

toegankelijk. De assistent van Prof. Lawson, de heer H. O. Wood,

had de vriendelijkheid mij en Prof. Osterhout, den botanicus, op een

zijner tochten mede te nemen. Hij moest een aantal photographische

opnamen voor de Staats-Commissie maken en daartoe een tocht langs het

noordelijkste gedeelte der scheur maken. Wij wandelden daar langs,

over een afstand van ruim een uur gaans en bezochten daarbij alle

punten waar de werking duidelijk was.

Deze streek ligt ten noorden van San Francisco, op het schiereiland

dat de golf aan de noordwestelijke zijde begrensd. Men vaart van de

stad met de ferry naar Sausalito over, en van hier voert de trein

eerst in noordelijke richting, om weldra naar het westen om te buigen

en dan de kust te naderen. Door twee lange tunnels voert de spoorweg

onder de heuvelenreeks van San Rafael naar het dal waarin de scheur

ligt. Als men de kaart van Californië wil raadplegen, zal men hier

een lang en smal schiereiland vinden, waarvan de noordelijke top

Tomales en de zuidelijke Bolinas heet. Het is een hooge en steile

heuvelenreeks. Van het vaste land is het, om het zoo uit te drukken,

door een even lange en even smalle laagte gescheiden. Van deze laagte

ligt de noordelijke helft onder water en vormt de Tomalesbaai; dan

volgt een dal, en aan het zuidelijke uiteinde weer een baai, de Bolinas

Lagoon. In het dal ligt het station Point Reyes, waar wij afstapten,

en het dorpje Olema, dat het eindpunt van onzen tocht vormde.

Dit dal is sedert vroegere geologische tijden de zetel van een stelsel

van scheuren in de aardkorst geweest. In het dal en langs de beide

baaien kan men de gevolgen van die scheuren zien, in verschuivingen

der aardlagen. Zij lagen vooral langs den westelijken kant, dus

langs de heuvelreeks van het schiereiland, en dit ziet men duidelijk

aan de steile hellingen dier heuvels, vergeleken met de glooiende

kanten aan de oostzijde. De steile hellingen zijn bedekt met bosch,

afgewisseld met naakte rotswanden, maar aan de oostzijde gaan de

grasvelden tot hoog op de heuvels. Die barsten gingen meestal gepaard

met verschuivingen in verticale richting, zoodat de laag eenerzijds

hooger kwam te liggen dan aan de andere zijde. Bij de aardbeving van

18 April vond echter zoo goed als geen verticale, maar alleen een

horizontale verschuiving plaats. Men neemt aan, dat elk dier barsten

en verschuivingen met een aardbeving gepaard is gegaan. De scheur van

18 April behoort klaarblijkelijk tot ditzelfde stelsel; zij vormt een

deel van de verschijnselen die het oprijzen van de kust van Californië

begeleiden. Men neemt aan, dat zij tot de zeer groote aardbevingen

behoort, en dat verreweg de meeste, die hier hebben plaats gevonden,

veel kleiner zijn geweest.

Het bedoelde dal is een rechte lijn, die van het N.W. naar het

Z.O. loopt. Als men deze lijn op de kaart verlengt, ligt haar

noordelijke verlenging geheel in zee, vlak langs de kust gaande tot

dicht bij Point Arena in Mendocine County, waar zij over land achter

dit voorgebergte omgaat. De zuidelijke verlenging gaat eveneens

eerst door zee, en loopt zoo voorbij San Francisco tot Mussel Rock,

acht mijlen ten zuiden van het Cliffhouse. Van daar gaat de lijn,

altijd in rechte richting, allengs het land in. Hier vindt zij weer een

lange rechte vallei, in welke zij bij Chittenden, even ten noorden van

Pajaro (lees Páharo) de spoorweglijn kruist. Dit punt ligt tusschen

San José en Santa Cruz. In de zelfde richting doorgaande loopt zij

door Monterey County tot in Ventura County bij Mount Pinos. Deze lijn,

van Point Arena tot Mount Pinos is 375 mijlen lang. Over haar geheele

lengte, zoover zij niet onder zee, of in moerassen of meren ligt,

kan men de scheur vervolgen. Overal vertoont zij zich op de zelfde

wijze en met de zelfde bijverschijnselen, en overal is de oostelijke

rand naar het zuiden en de westelijke naar het noorden verschoven. De

mate der verschuiving is waarschijnlijk overal in beginsel dezelfde;

maar wat men daarvan te zien krijgt hangt natuurlijk van de soort

van grond aan de oppervlakte af. Het gevolg daarvan is, dat men wel

meestal verschuivingen van omstreeks zes meter gemeten, maar hier en

daar ook kleinere waarden gevonden heeft.

Het is uiterst merkwaardig dat die lijn, over bijna 400 mijlen, een

zoo zuiver rechte richting volgt. Overal ligt zij in een streek,

waarin de structuur der rotsen een geheel systeem van barsten uit

oudere en jongere tijden aanwijst, die telkens met verschuivingen

gepaard gegaan zijn. Of de lijn misschien veel langer is, weet men

voorshands nog niet. Naar het Noorden ligt hare verlenging geheel in

zee, en zal het dus wel niet mogelijk zijn haar te bestudeeren. Aan

het zuidelijke uiteinde zijn de gegevens nog onvoldoende. Zeker is het,

dat de barst daar niet ophoudt maar zich veel verder uitstrekt. Echter

niet zuiver in het verlengde der oorspronkelijke richting, maar óf

met een ombuiging landwaarts in, óf met een systeem van parallele,

landwaarts in gelegen barsten.

Hoe oud dit systeem van barsten is, weet men niet juist. Zeker is

het dat het zich over een groot gedeelte der quaternaire periode

uitstrekt, dus waarschijnlijk in zijn geheel jonger is dan de groep

van barsten in de heuvels achter Berkeley. Hoe groot bij elke beweging

der aardschors de verschuiving was, is eveneens moeilijk na te gaan,

daar men in elke barst slechts de som van alle verplaatsingen meten

kan. Waarschijnlijk gaf elke plotselinge verplaatsing een aardbeving,

waarvan de intensiteit overeenkwam met de grootte der verschuiving.

Om zich een denkbeeld van de oorzaken van zulk een scheur en

dus van een aardbeving te maken, kan men uitgaan van de volgende

beschouwingen. In de eerste plaats is deze aardbeving ten minste geen

gevolg van een vulcanische werking en hangt zij met geen uitbarsting

van eenigen vulcaan samen. Verder weet men dat de aarde voortdurend

afkoelt en daarbij inkrimpt. De schors is echter al koud genoeg;

zij ontvangt van het inwendige ongeveer evenveel warmte als zij naar

buiten afgeeft en krimpt dus niet geleidelijk met het inwendige in. Het

gevolg moet zijn, dat zij rimpels en plooien krijgt, evenals de schil

van een appel die langzaam indroogt. De rimpels zijn de hoofdlijnen

der gebergten. Maar de aardkorst is hard en bros, en niet zoo taai

als een appelschil. Het rimpelen zal dus gepaard gaan met barsten,

die in hoofdzaak evenwijdig met de rimpels en op of langs deze zullen

loopen. Zulke systemen van barsten vindt men in Californië langs alle

voorname bergruggen, en een blik op de kaart toont aan, dat zij in

groote trekken evenwijdig met de kust loopen. De opheffing der kust,

die in de jongste geologische tijden omstreeks 1000 voet bedragen

heeft, is een van die verschijnselen van rimpeling.

Moge nu ook het inwendige der aarde zeer geleidelijk afkoelen, de

harde schors volgt haar inkrimpen slechts met schokken en stooten. Die

schokken zijn de aardbevingen. Tusschen elke twee schokken volgt de

schors niet, of niet voldoende en ontstaat er dus een spanning, die

allengs toeneemt. Eindelijk wordt die spanning te groot, de rotsmassa's

kunnen niet langer weerstand bieden en breken. Een verschuiving is het

gevolg, en een opheffing of ten minste zeer aanzienlijke vermindering

der spanning. In de volgende periode neemt deze nu weer langzamerhand

toe, maar het is duidelijk, dat de gescheurde grond niet meer een even

grooten weerstand kan bieden als de ongescheurde. M.a.w., veel vroeger

en bij een veel kleiner spanning zal de oude barst weer openscheuren

en de spanning vereffenen. Zoo worden de barsten allengs grooter en

kunnen de verschuivingen, die telkens slechts enkele meters bedragen,

in den loop der eeuwen tot honderden van meters aangroeien.

Deze geheele beschouwing leidt ons tot de voorstelling, dat de barsten

door de volle diepte van de vaste aardkorst heengaan. Dit punt kan

men niet rechtstreeks nagaan en wat men van de barst ziet is precies

het tegendeel. Deze is maar een meter diep, meest minder, zelden een

weinig meer. Op verschillende plaatsen heb ik in de barst gestaan, maar

overal was zij ondiep. Dit komt natuurlijk van het invallen van den

grond. Nergens loopt de barst door zuivere naakte rotsen, overal is de

bovengrond verweerd en kleiachtig, meer of minder hard. Die klei zakt

in en vult de barst, zoodat men nergens in de diepte kan zien. Toch

moet men aannemen, dat de barst ten minste een aantal mijlen diep is,

en het feit dat Santa Rosa, San Francisco en San José, die vele mijlen

ten oosten van de hoofdbarst liggen, verwoest zijn, bewijst natuurlijk

dat de barst niet eenvoudig een oppervlakkig verschijnsel kan zijn.

Onze tocht ging van Point Reyes langs den harden rijweg in de richting

van Inverness, dat op het schiereiland ligt. De weg gaat dus dwars door

het barsten-dal. Dit dal is laag en gedeeltelijk moerassig, terwijl

in het breede moeras hier en daar, in overlangsche richting, lage

glooiende, met gras begroeide heuvels loopen. Van het moeras loopt een

beek naar Tomalesbaai en een andere naar Bolinas-Lagoon. Onze weg ging

over de eerst genoemde beek, en een eind verder, in het moeras, over

een zijtak van deze. Hier konden wij het verschijnsel der verschuiving

voor het eerst waarnemen. De weg had vroeger in een lange rechte

lijn, in de richting van Olema naar Inverness, schuin door het moeras

geloopen. Er was natuurlijk geen reden om haar te doen afwijken, en de

rechte richting is de kortste en dus de goedkoopste. Waar de barstlijn

haar kruiste, was de grond uiteengereten en de twee einden waren van

elkander geschoven. De eene helft lag niet meer in het verlengde der

andere, maar daar naast, evenwijdig met dit verlengde. Op eenigen

afstand der scheur staande zagen wij dit zeer duidelijk. Het was

drie maanden geleden gebeurd, en de weg was dus hersteld. Een klein,

S-vormig gebogen stuk verbond de beide deelen. Dat dit nieuw was,

was gemakkelijk te zien, en aan de grasbermen aan de buitenzijde

van den weg konden wij nog duidelijk waarnemen, dat die vroeger niet

gebogen geweest waren maar recht doorgeloopen hadden. Wij maten de

verschuiving en bevonden dat deze zes meter bedroeg. Links van den

weg was het moeras deels drassig, deels blank water en begroeid met

lischdodden, biezen, schermbloemigen (Berula), gras en andere planten,

zoodat hier niets van de scheur te zien was. Rechts van den weg liep

de beek op een afstand van omstreeks 20 meter, en over dezen afstand,

die door een bank van harde klei ingenomen was, konden wij overal de

scheuren zien. De oever zelf was gebroken en verschoven in denzelfden

zin als de weg, waarmee hij evenwijdig lag, en onze meting gaf dus

natuurlijk ook hetzelfde bedrag. Op den hoogen en steilen oever had

een hek gestaan, uit houten palen en ijzerdraad gevormd. Westelijk

van de scheur stond het nog ongedeerd, oostelijk waren de palen

uit den grond getrokken en lag het hek in brokken op den grond. Wij

vonden in dit gedeelte van den oever talrijke secundaire scheuren,

meest een of twee voet breed, eenige meters lang en een halve meter

diep. Zij liepen natuurlijk in allerlei richtingen, die afhingen

van de hardheid der kleilaag. Waar die door een groep biezen vast

ineen zat, bogen de scheuren uit. Maar meestal was het dor gras, met

smalbladige weegbreê en andere gewone, betrekkelijk zwakke planten,

wier wortels geen weerstand konden bieden. De hoofdrichting van deze

kleine scheuren, die omstreeks 20 in aantal waren, liep schuin op de

richting van de hoofdbarst. De scheuren waren soms zoo wijd, dat ik

er gemakkelijk in kon afdalen, en toonden soms een omlaagzakking van

de eene zijde, die één of twee voet bedroeg.

Hoe de weg precies gescheurd was, konden wij natuurlijk niet meer

zien. Maar een der leden van de aardbevings-commissie had het punt

bezocht enkele dagen na den 18en April en vóór de reparatie, en toen

den toestand gephotografeerd. Er waren tusschen de beide uiteinden

van den weg drie groote scheuren geweest, op een onderlingen afstand

van omstreeks een meter, zoodat een stuk weg van ruim twee meter

lengte tusschen de beide buitenste scheuren verschoven en verbrokkeld

was. Maar deze beiden gingen scherp langs de nog rechte uiteinden

van den weg.

Dit verschijnsel, dat de barst aan de oppervlakte niet

noodzakelijkerwijze enkelvoudig is, maar uit twee of meer evenwijdige

barsten kon bestaan, vonden wij op onze verdere wandeling overal

terug. Soms liggen de barsten zoo dicht bij elkaar als hier, zelden

dichter; nog zeldzamer is het slechts één enkele lijn. Meestal gaan

zij verder uiteen, soms tot ruim 30 meter. De grond er tusschen

is dan natuurlijk als het ware stuk gewreven tusschen de beide

zich verschuivende kanten, en vol van secundaire barsten en andere

begeleidende verschijnselen. Men moet zich dan voorstellen dat ver in

de diepte de hoofdscheur enkelvoudig is, en zoo blijft, voor zooverre

zij door rotsachtig gesteente gaat, maar dat zij in de kleilaag

daarboven zich verdeelen kan, onder den invloed van den plaatselijk

wisselenden samenhang van dien verweerden grond. Men zou het ook zoo

kunnen opvatten, dat de kleigrond eigenlijk slechts passief gescheurd

wordt en dus barst waar hij meegeeft, maar verbrokkelt waar hij te

taai is.

Wij gingen links van den weg, dus in zuidelijke richting door het

moeras naar een lagen heuvelrug, waarin de scheuren duidelijk te zien

waren. Die rug loopt ongeveer evenwijdig aan de hoofdrichting der

vallei. Op zijn westelijke helling lag de scheur, die hier geregeld

uit een systeem van scheuren bestond waarvan de beide buitensten nu

eens wat verder, dan weer wat minder ver uiteenlagen. Alles lag op

de westelijke helling, en bijna overal gingen dus de scheuren met

secundaire verzakkingen naar het moeras toe gepaard. Denkt men zich

dat de schok werkt als een tijdelijke opheffing van het verband der

oppervlakkige lagen met hun ondergrond, dan begrijpt men gemakkelijk,

dat dit een afglijden van de glooiing ten gevolge kon hebben. De

grootte van die afglijding hing dan weer van de plaatselijke stevigheid

der kleilaag en dus voor een goed deel van de doorgroeiing daarvan

met plantenwortels af.

Als men van uit het moeras naar de helling keek, zag men de barsten als

lange donkere lijnen langs den bergrug loopen. Maar het moeras was,

zooals alle Amerikaansche plassen, vol muggen die ons voortdurend

beten, en wij gingen dus liever op den heuvelrug. De barsten waren

hier talrijk, meest evenwijdig, maar daartusschen schuinloopende,

als een gevolg van de wrijving der beide hoofdkanten. Nu eens was de

onderkant eenvoudig omlaag gezakt, en dus een terras gevormd. Dan

weer was de barst een of meer voeten breed geworden, zoodat men er

in kon loopen. De dikke wortels der struik-lupinen en de tallooze

wortelstokken van het adelaarsvaren hingen los in den gebarsten

grond. Soms was de wortelstok uitgetrokken, liep schuin over de barst,

maar was nog aan beide zijden in den grond bevestigd. Meestal waren

zij echter afgescheurd. Soms lagen twee hoofdscheuren op korten

afstand en was de grond er tusschen door kleine schuine barsten in

schollen verdeeld die dan omgedraaid en verschoven waren en met hun

westelijke punt over het gras naast de barst gedrukt waren. Men kon

dan den aard der beweging duidelijk zien. Het was alsof er kleine

aardschollen tusschen twee groote handen gewreven en geperst en ten

slotte naar buiten gedrukt waren. Die overgeschoven uiteinden waren

hier en daar afgebroken en meters ver over het gras, weggeworpen,

aanduidende de kracht waarmede dat alles gebeurd moet zijn.

Ook de plantengroei toonde soms duidelijk de werking aan. De grond was

meest begroeid met gras, dat nu dor was, en daartusschen weegbreeën,

herfst-paardebloemen en ander gewas, dat geen weerstand geboden had

en dus ook geen aanwijzing gaf. De wortelstokken van het adelaarsvaren

waren te talrijk, wij konden tenminste nergens vinden welke uiteinden

links en rechts van de scheur bijeen behoorden. Maar een groepje

bloembiezen, als onze Juncus conglomeratus, gaf ons de gewenschte

inlichting. Het was een ronde pol geweest van een halven meter in

doorsnede. Rondom waren de stengels groen en kleiner, naar het midden

toe langer, dichter gedrongen en met veel doode er tusschen. Daardoor

was het gemakkelijk, binnen en buitenzijde te herkennen. Die pol stond

precies op de westelijke hoofdscheur en was midden doorgescheurd. De

eene helft stond nog op haar plaats, de andere, oostelijke, was bijna

drie meter in zuidelijke richting verschoven, en daar in de gleuf

gevallen. Zij hing er nog halverwege in, want de gleuf was hier vrij

breed en diep, en de westelijke helft stond dan ook op den rand van

een afgrondje van een meter diepte. Zulke verschijnselen zagen wij

hier en daar. Zij duiden natuurlijk niet de geheele verschuiving aan,

omdat de andere hoofdbarst vrij ver weg gelegen is, maar gaven ten

eerste zuiver de richting der verplaatsing, en dan ten minste ook

een deel van de grootte daarvan aan.

Iets verderop gingen de barsten over een deel van den bergrug

waar een klein beekje den grond uitgegraven had en de omgeving

vochtig hield. Zulke plekken zijn hier overal met groen chaparral en

hoogere heesters, soms met boomen begroeid. Dwars door dit boschje

gingen de barsten, maar de grond was nat, en bijna alles was dus

al bij gezakt. Toch kon men de barstlijnen duidelijk zien, maar

van gebroken of verscheurde boomwortels zagen wij niets. Langs de

barsten waren de struiken echter langs elkander geschoven. Meestal

had dat geen zichtbaar gevolg nagelaten, maar op eene plaats vond

ik een Baccharis-heester, dus een der meest gewone soorten van het

chaparral, die vlak aan de barst stond en zijn takken wijd en zijd,

in alle richtingen en dus ook ver over de barst heen gezonden had. Die

heester stond op den oostelijken rand, en op den westelijken stond

een kleine live-oak, ook met een dikken, stevigen, rechtopgaanden

stam. Tegen dien stam waren de takken, die over de barst hingen,

aangeschoven; en daar de beide heesters een klein eindje voorbij

elkander bewogen waren, waren die takken daar achterom gebogen,

wat nog zeer duidelijk te zien was.

Nog iets verder ging dezelfde barst midden door een elzenboschje

waarvan de grond dicht met thimble-berries (platte wilde, een weinig

zure maar zeer lekkere frambozen), bramen en ander groen struikgewas

dicht begroeid was. De barst had klaarblijkelijk met den bodem alle

wortels op haar loop doorgescheurd, en de onderhelft van het boschje

was naar beneden gezakt, zoodat een ruim pad van meer dan een meter

breedte ontstaan was. Aan de bergzijde van dit pad was er weinig

veranderd, maar aan de moeraszijde waren al de elzen gestorven. Het

waren een half dozijn hooge en vrij dikke stammen. De elzenproppen van

het vorige jaar en hier en daar een groene, nog levende tak bewezen,

dat het sterven pas kort geleden was, en er kon geen twijfel zijn dat

het een gevolg van het afschuiven van den grond en het verscheuren der

wortels was. De enkele groene takken correspondeerden waarschijnlijk

met zijdelings gerichte en daardoor minder zwaar beschadigde wortels.

Wij daalden nu van de helling omlaag en kwamen op den rijweg. De barst

liep ongeveer evenwijdig aan deze, en eerst zagen wij de hoofdbarst

aan onze linkerhand, later rechts en daarna weer links. Klaarblijkelijk

waren er tal van kleinere barsten schuin door den weg gevormd geweest,

maar later weer gerepareerd. Hier en daar was de weg ook duidelijk

ineen gedrukt en opgeheven. Beiderzijds groeide nu heestergewas,

meest live-oaks en bay-laurels, met langnavelige hazelnooten,

thimble-berries, roosjes (Rosa gymnocarpa), Cascara (Rhamnus

californicus), veel smalbladige wilgen en allerlei andere soorten,

vaak overgroeid en ineengeslingerd door Lathyrussen en heggeranken

(Echinocystis). Rechts van den weg was de scheur dubbel, en de grond

er tusschen schuin gedrukt. Op die schollen vonden wij enkele kleine

heesters, die door de beweging geheel of ten deele ontworteld waren,

doch nog met hun hoofd wortels in de schol stonden als vroeger. Een

looistof-eik, (Quercus densiflora) was op deze wijze geheel gedood,

terwijl al de bladeren nog dor aan de takken zaten en een bay-laurel

(Umbellularia californica) was half dood met dorre bladeren en groene

takjes. Overal toonde de plantengroei min of meer duidelijk hoe de

scheuren ontstaan waren; maar ik mag natuurlijk niet meer voorbeelden

aanhalen.

Onze weg voerde ons, korten tijd voordat wij Olema bereikten, langs de

boerderij of ranch van den heer Skinner. De barst was midden door de

plaats, vlak vóór de beide huizen en onder de schuur door gegaan. Het

was hier maar één enkelvoudige barst, met een onderlinge verschuiving

der beide randen van omstreeks zes meter. Allerlei in het oog loopende

en zeer leerzame verschijnselen hebben dit punt tot het belangrijkste

van de geheele, bijna 400 mijlen lange barst gemaakt. Het belangrijkste

was de schuur. Deze is een groot, langwerpig vierkant houten gebouw,

opgetrokken op een fondament, dat onder de beide muren aan de uiteinden

goed en stevig gemaakt is, maar langs de lange zijden slechts uit

enkele palen in den grond bestond. De barst ging zóó onder die schuur

door, dat zij een hoek daarvan afsneed. Deze hoek brak echter niet

van het gebouw los, maar bleef daaraan vastzitten, werd echter van

zijn fondament afgeschoven. De beschadigingen van dit gedeelte waren

voor den eigenaar meer van belang dan voor ons. Maar wat ons trof was

het stuk fondament van de achterzijde. Het lag onbeschadigd in den

grond, van den hoek van het vroegere gebouw tot aan de scheur, met een

lengte van 8 à 10 Meter. Het was een rechte lijn, ongebogen. Het was

juist 15.6 voet onder het huis weggeschoven, en de afstand kon zeer

precies gemeten worden. De scheur rondom was weer aangevuld, maar de

hoek der schuur hing nog ten deele in de lucht, en men was tijdens

ons bezoek juist bezig die van een nieuw fondament te voorzien. Het

oude liet men onveranderd, als een aandenken aan de ramp en als een

gemakkelijke aanwijzing van haren aard en hare grootte. Achter de

schuur had een breede rijweg geloopen en het hek daarlangs was ook

gebroken op de scheur, terwijl de eene zijde eveneens 15.6 voet naar

het zuiden verschoven was. Verderop stond een dwarshek, dat door de

barst in evenwijdige richting getroffen was en alle sporen der daardoor

ontstane verwoesting toonde. Wat de bewoners bizonder getroffen had,

was de waterleidingspijp, die van uit een reservoir op den heuvel

achter den stal leidde en door de scheur uiteen getrokken was. Een

stuk pijp van ruim 15 voet had men moeten inlasschen om de schade

te herstellen. Elders was een pijp, die onder den grond liep, ineen

gedrukt en in een groote bocht boven den grond te voorschijn gekomen.

Op de boerderij stonden twee woonhuizen. Aan een van beide was de

scheur vlak langs den zijwand gegaan. Een hek, van paaltjes gemaakt

en witgeverfd, was daardoor losgescheurd, hier en daar verwrongen

en tenslotte met zijn uiteinde voor het midden van een kelderdeur

blijven staan. Tijdens ons bezoek was men er nog niet toe gekomen,

dit hek weg te nemen of de overige schade aan dit gebouw, dat hier

en daar van onderen naar boven opengereten was, te herstellen. Achter

het hek stond een rij van drie zware Eucalyptus-boomen (E. Globulus);

deze waren natuurlijk ook 15.6 voet langs het huis verschoven. Eén er

van was daardoor vlak voor een trapje geplaatst dat van de achterzijde

van het huis omlaag ging. Men kon de trap dus niet meer afkomen;

trouwens de boom had de onderste treden ook uiteengedrukt. Waar hij

vroeger gestaan had was nu een weg gemaakt, maar ter plaatse waar

de tweede boom gestaan had was de spleet nog open en konden wij de

vingerdikke afgescheurde wortels nog in den grond zien zitten. Ook

deze boom was natuurlijk 15.6 voet zuidwaarts verschoven.

Het andere huis stond op korten afstand dwars op het vorige, zoodat de

scheur aan zijn voorgevel voorbij was gegaan. Langs dien gevel liep

de rijweg en aan de andere zijde was een moestuin, met een hek van

witgeverfde paaltjes. De scheur was bijna evenwijdig aan den gevel

gegaan, ten noorden in den moestuin en ten zuiden schuin over den

rijweg loopende. Het pad door den tuin was recht tegenover de deur

geweest; nu was het ruim 15 voet naar het zuiden verschoven. Het

hek was vernield en ineengedrukt; enkele paaltjes stonden nog en

waren hoog overgroeid door hop, die verder op de grenslijn eenvoudig

over den grond moest kruipen. De scheur was dwars door een vak met

frambozen gegaan, die op rijen stonden en dus in de verschuiving der

rijen weer een goed middel gaven om de grootte daarvan te meten. In

het bizonder werd een rij uien gewezen, die midden doorgescheurd en

ruim 15 voet uiteengeschoven was.

Daarmede was ons onderzoek van de scheur zelve afgeloopen. Een

even belangrijke vraag is echter die naar hetgeen er buiten

het eigenlijke scheurgebied gebeurt. Dit kan men in twee deelen

verdeelen. De eene groep van verschijnselen omvat grondverschuivingen,

de andere de gevolgen van de trillingen, die bij het losscheuren

in de aardschors ontstaan en die meer in het bizonder den naam van

aardbeving dragen. Van die grondverzakkingen konden wij dien dag het

een en ander zien; de trillingen echter zijn het, die Santa Rosa,

San Francisco en San José verwoest hebben.

Het ligt voor de hand, wanneer de scheur in weeken grond de aardschors

onvast maakt, dat dan op korten afstand hetzij op de helling van een

heuvel, hetzij langs den oever van een beek of riviertje, grond omlaag

kan schuiven. Geschiedt dit onder een gebouw, dan kan dit tengevolge

daarvan verzakken. Het eerste wat wij daarvan zagen betrof de houten

brug over de hoofdbeek der vallei, dicht bij de plaats waar de weg

van Point Reyes zich naar Olema en naar Inverness vertakt. Aan den

oostelijken oever was de grond onder de brug omlaag gegleden en had

een der spanten medegenomen. De verplaatsing bedroeg maar enkele

voeten, maar de balken, waarop de vloer van de brug lag, waren van

het spant afgetrokken en met vloer en al omlaag gevallen. Evenzoo was

het opgaande gedeelte uiteengescheurd. Dit alles was nog duidelijk

te zien, ofschoon men tijdelijk een nieuwen vloer over het gebroken

gedeelte heen gebouwd had.

Evenzoo zagen wij de bruggen van zijwegen door het moeras plaatselijk

verzakt. Dicht bij Olema was de grond onder een huis naar de beek

afgezakt, en stonden de beide zijwanden in plaats van vertikaal en

evenwijdig, schuin en in een wijden hoek tegenover elkander. Het was

een houten huis, en zou dus van de aardbeving als zoodanig niet geleden

hebben. Toch was het, ofschoon niet inéén gevallen, onbewoonbaar

geworden en de eigenaar was bezig, dicht er bij een nieuw te laten

timmeren. Langs den weg in Olema zag men overal de gevolgen van die

verzakking. Een huis was, in zijn geheel en vrij wel onbeschadigd,

een paar meters achteruit gegleden, van de helling af, met grond en

al. Andere, wier voorgevel te hoog stond en dus bleef staan, waren

in het achtergedeelte van hun steunsel beroofd en dus omlaag gezakt,

nu eens het huis schuin trekkende, dan weer de ruiten brekende, elders

een veranda scheef zettende enz. Ook zag men sidewalks, die naar den

huiskant toe omlaag gezakt waren. Natuurlijk waren de schoorsteenen

gebroken en was men druk bezig die te herstellen.

Voor zoover wij de scheur bezochten, had de verschuiving alleen in

een horizontale richting plaats gevonden. Wat wij van verticale

verplaatsingen zagen, was geheel van localen aard en veroorzaakt

door de eigenschappen van den kleigrond of door het instorten van

aardschollen in de kleinere spleten of het omlaagzakken van den grond

tusschen de hoofdspleten. Evenzoo heeft men over de geheele lengte

van de spleet ten zuiden van San Francisco slechts horizontale

verschuivingen kunnen waarnemen. Van deze kon ik bij Chittenden,

waar de barst den spoorweg kruist, het een en ander zien. Men ziet

hier namelijk, van de trein uit, de barsten als zwarte lijnen over

den met gras begroeiden en dus bruinen heuvel loopen, die vlak achter

het station ligt. De voornaamste barsten gaan in de richting van de

scheurlijn, maar ook enkele zijdelingsche barsten waren duidelijk

te zien. Vertikale verplaatsingen ontbreken echter niet geheel op de

scheurlijn; zij worden aan het noordelijkste uiteinde gevonden, waar

deze het voorgebergte van Point Arena van het vaste land afscheidt. De

westelijke of juister zuidwestelijke zijde van de scheur is hier

omhoog en de tegenovergestelde dus omlaag gegaan. De verplaatsing

bereikt ten hoogste 4 voet. Dit feit is daarom van belang, omdat

het de overeenkomst van deze barst met de oudere barsten nog nader

aantoont. In die oude barsten kan men n.l. de vertikale verplaatsing

aan de verschuiving der lagen zeer goed waarnemen en meten, maar de

horizontale is meest onbewijsbaar, omdat men daarvoor geen punten

van vergelijking heeft.

Een merkwaardig gevolg van de scheur van 18 April is, dat de

plaatsen langs de kust van Californië niet meer precies daar zijn,

waar zij vroeger waren. Voor de astronomische observatoriën en

voor de merkpalen der landmeting moet dit natuurlijk een zeer

ongewenschte verandering geven, en vooral in het begin nogal veel

werk, om de juiste verplaatsing te bepalen. Langs de scheur kan men,

op een gewone excursie, alleen zien hoeveel de eene rand ten opzichte

der andere verplaatst is, maar of beide verschoven zijn, en zoo ja,

hoeveel elk, kan men niet nagaan. Sommigen beweren dat de top van

Mount Tamalpais door deze aardbeving juist even veel terug verplaatst

is, als zij bij een vorige uit haar vroegere ligging verschoven

was. Zij zou dus nu haar oude plaats weer hernomen hebben. Alle

grenslijnen van grondeigendommen, die over de scheur heengaan

zijn natuurlijk gebroken. Waar hekken stonden zijn de beide einden

juist zoo uiteengeschoven als de weg, dien ik het eerst beschreef,

en als niets anders op den grond de verschuiving aanwijst, is zulk

een onderbroken hek een hoogst opvallend verschijnsel. Het zal heel

wat werk kosten eer de juridische grensbepalingen weer geheel in

orde gekomen zullen zijn, en het schijnt dat vele eigenaars zich

voorloopig tot een eenvoudige praktische oplossing der vraag zullen

bepalen. Maar bij een lateren verkoop van eigendommen kunnen dan nog

allerlei kleine eigenaardige moeilijkheden ontstaan. Dringend echter

is een oplossing in een geval, waarvan ik vernam, dat een spleet

tusschen twee huizen doorging, zóó dat de muur van het eene voor de

voordeur van het andere geschoven werd.

Behalve in de vallei van Olema is de scheur der aardbeving voornamelijk

bij Santa Cruz onderzocht. Prof. Branner had zich aldaar gedurende

eenige jaren bezig gehouden met het in kaart brengen van de

verschillende barsten in het gebergte en van de verschuivingen

die zij veroorzaakt hadden. Juist was deze arbeid voltooid toen de

aardbeving van 18 April kwam. Alles was dus als het ware voorbereid

om de daarbij ontstane veranderingen nauwkeurig te bestudeeren. Een

groote nieuwe scheur was te midden der oude ontstaan als een diepe

groeve. Langs deze lijn waren de wegen van hun plaats geschoven,

waterleidingen gebroken, hekken in wanorde gebracht enz. De groeve liep

hier niet in het dal maar over de kam der heuvelen. De verschuiving

bedroeg hier meestal ongeveer drie meters, maar een opheffing of

verzakking was niet waarneembaar. Een oude eikenboom stond juist op

de scheur en werd ontworteld. Een huis dat er op stond werd in twee

deelen uiteengescheurd. Boomstronken werden van onderen naar boven

opgescheurd en verloren nu eens alleen hun bast, dan weer werd ook het

hout uiteengereten. In een bosch bij Loma Prieta maakte de scheur, die

hier een dubbele was en den grond tusschen de beide lijnen fijnwreef,

een recht pad, dat over de geheele lengte door liep. Hier ontstond

ook een zijtak van de hoofdscheur. Langs dezen tak was de berg als

't ware verbrijzeld, als of hij opgetild en daarna op een harde

grond gevalle ware. Kleine barsten liepen hier zeer talrijk, meer

dan driehonderd konden over een lengte van een mijl geteld worden.

Het zichtbaar worden van de scheuren in de oppervlakte van den

aardbodem is een verschijnsel, dat gewoonlijk bij aardbevingen niet

wordt opgemerkt. Het schijnt dat de aardbeving van San Francisco in

dit opzicht eenig is. Het is natuurlijk mogelijk, dat men er vroeger

niet op gelet heeft, maar de verschijnselen zijn zoo in 't oogloopend

en berokkenen in bebouwde streken zulk een onmiskenbare schade, dat

dit haast niet denkbaar is. Men moet dus aannemen dat de scheur in

de diepere aardlagen ontstond, en dat de bovenste elastisch genoeg

waren om daarin niet te deelen. In zulke gevallen is het natuurlijk

veel moeilijker om de juiste plaats van de scheur te bepalen dan in

het tegenwoordige.

Ik kom thans tot de bespreking van de trillingen of golven, die

door het plotseling scheuren ontstaan. Links en rechts van de scheur

zijn zij natuurlijk geweldig en veroorzaken zij de verschijnselen van

omwerpen van gebouwen, die men als de gewone gevolgen eener aardbeving

pleegt te beschouwen. In Californië heeft zich deze streek omstreeks

25-30 mijlen landwaarts in van de scheur uitgestrekt, en voor zooveel

de waarnemingen aan het zuidelijk uiteinde een gevolgtrekking toelaten,

ook even ver naar den westelijken kant. Verderop, ja over den geheelen

aardbodem is de aardbeving door de daarvoor bestemde toestellen

opgeteekend. Zulke waarnemingen zijn gedaan te Washington, Potsdam,

Tokio en elders. De geheele aarde beefde toen San Francisco verwoest

werd. Die toestellen heeten seismograaf en bestaan in hoofdzaak

uit een slinger, die zijn bewegingen op een onderliggend vlak kan

opschrijven. De richting, het aantal en de betrekkelijke groote der

trillingen worden aangeteekend, alsmede de tijd, waarop de aanteekening

plaats vond. De aardbeving van 18 April veroorzaakte achtereenvolgens

drie systemen van golven. De uitslag was eerst ongeveer van noord

naar zuid, dus evenwijdig aan de scheur. Dit was klaarblijkelijk

een rechtstreeksch gevolg van de verschuivingen bij het ontstaan

daarvan. Nadat de naald een aantal zulke golven had opgeschreven,

veranderde zij haar richting en trilde van oost naar west, dus

loodrecht op de scheur, om ten slotte een groep onduidelijk draaiende

en verwarde bewegingen aan te geven, die geen bepaalde hoofdrichting

meer hadden. Deze brachten ten slotte de aardbeving tot rust. Voor

een leek geeft zulk een figuur slechts een zeer onvolledig denkbeeld

van de bewegingen. Daarom wil ik hier de waarnemingen aanvoeren van

iemand die te Santa Rosa juist uit zijn raam keek toen de aardbeving

begon. Vrij ver in den tuin stond een groote iep, vrijwel afgezonderd

van andere boomen. Plotseling begon de geheele kroon heen en weer

te zwiepen, niettegenstaande er geen wind woei. De geheele boom boog

eerst naar de eene zijde en daarna naar de tegenovergestelde over en

herhaalde dit een paar malen. Toen scheen de stam met den grond omhoog

te rijzen en weer te dalen, en maakte allerlei bewegingen tot bijna

even plotseling alles ophield. Niets was daarbij gebroken geworden,

noch aan dien boom, noch aan eenig ander gewas in denzelfden tuin. Dit

is trouwens een algemeene ervaring; behalve juist op de spleet zijn

boomen en planten door de aardbeving zoo goed als nergens beschadigd.

Een zeer belangrijk punt is de vraag, hoe de golven zich door harde

en hoe door weeke gronden voortplanten. Met de eerste zijn de rotsen

zelven bedoeld; als weeke grond wordt de alluviale, aangeslibde bodem

bestempeld, die uit meer of min zanderige klei bestaat. In den harden

grond planten de trillingen zich als krachtige maar kleine golven

voort, in den weeken bodem veranderen deze in groote langzamere, maar

geweldig verwoestend werkende golven. De kleigrond trilt als een gelei,

zegt men, wat er opstaat wordt zoover heen en weer geslingerd, dat het

breekt en ineen valt. Dit is de voorstelling, die men zich er thans

van maakt, en die nog aan de waarnemingen moet getoetst worden, zoodra

deze volledig genoeg zullen verzameld zijn. Ik vermeld haar hier niet

als een vaststaande wetenschappelijke verklaring, maar omdat ik denk,

dat zij voor mijn lezers het overzicht over de details der verwoesting

gemakkelijk kan maken. De aard der gebouwen speelt natuurlijk ook een

groote rol, en maakt daardoor dikwijls het maken van gevolgtrekkingen

onzeker, vooral wanneer, zooals helaas bij deze gelegenheid zoo vaak

gebleken is, de bouw niet voldeed aan de voorschriften, volgens welke

de bouwmeester betaald werd.

In San Francisco kon men hier en daar het wezen dier groote golven

bestudeeren. Het is in het lage op aangeplempten grond gebouwde

gedeelte ten zuidoosten van Marketstreet. Hier werden de straten

volgens ooggetuigen golfsgewijs opgetild, met golven zoo hoog als

een man. Men zag de golven als het ware onder de straten doorgaan en

deze optillen en weer laten zakken. Hetzelfde vertelde een ooggetuige

van een spoorweglijn bij Santa Rosa. Deze mededeelingen schijnen

ongelooflijk, maar waar de achtste straat te San Francisco door dit

aangeplempte gedeelte gaat, is de straat in die plooiingen gebleven,

nadat de golven ophielden en loopt men daar dus nu nog als over een

reeks van kleine heuvels.

De streek, waarover de aardbeving haar verwoestingen deed gelden,

bedraagt ter weerszijden van de barst omstreeks 25-30 mijlen. Maakt

men nu een lijstje van de steden en dorpen van deze streek en wel

eenerzijds voor die welke op rotsgrond staan, andererzijds voor die

welke in de dalen liggen en dus op alluvialen grond gebouwd zijn, dan

ziet men de tegenstelling terstond. In de eerste groep behooren Santa

Cruz aan de westzijde, en Petaluma en San Rafaël aan de oostzijde der

scheur. Tot de verwoeste plaatsen behooren Salinas aan de westzijde,

San José en Santa Rosa aan de oostzijde. De drie eersten zijn op

rotsgrond, de drie laatsten midden in de dalen gebouwd. San José ligt

13 mijlen en Santa Rosa 20 mijlen oostelijk van de scheur, terwijl San

Rafaël en Petaluma beiden dichter daarbij liggen. Te Salinas werden

niet alleen de steenen gebouwen van het stadje verwoest, maar ook de

suikerfabriek van den heer Spreckels, een gebouw met stalen geraamte,

maar met onvoldoende fondeering. Omtrent een aantal andere minder

bekende plaatsen ontving de Commissie, aan wier rapport deze gegevens

ontleend zijn, opgaven die het bedoelde verband tusschen grondsoort

en graad van verwoesting bevestigen.

San Francisco behoort, zooals wij reeds gezien hebben, tot beide

groepen. Het is voor een deel op de rotsachtige heuvels en voor een

deel op zeer weeken grond gebouwd. Men kan er zelfs vier grondtypen

onderscheiden, n.l. de rotsachtige heuvelhellingen, de valleien

tusschen de heuvels, waarin in de oude tijden grond afgezet is, de

zand-duinen en het kunstmatig aangeplempte land langs de baai. Wanneer

men nu niet let op de gevolgen van den brand, maar alleen op den

toestand na de aardbeving en vóór den brand, dan komen de verwoestingen

zeer wel met deze vier grondsoorten overeen. Op den aangeplempten grond

overtroffen zij alle voorstelling, en van hier uit zijn de branden

dan ook voortgekomen. De grond schudde als een gelei of als water

waarin een steen wordt geworpen. In de zandduinen moeten de golven

ook groot geweest zijn, blijkens de talrijke scheuren en barsten,

en hetzelfde geldt, ofschoon in iets mindere mate, van den lagen

grond in de valleien. Hier werden vele gebouwen zwaar beschadigd,

ofschoon in veel minderen graad dan op den aangeplempten grond. Op

de rotsachtige heuvelhellingen en op de toppen der heuvels was de

verwoesting echter zeer gering; hier en daar werden schoorsteenen

afgeworpen, maar elders ook weer niet. De trillingen moeten hier

kort en elastisch geweest zijn, en waarschijnlijk gelijk aan die

van de rotsen onder de gebouwen. In Oakland en Berkeley kon men,

ofschoon op veel kleinere schaal, de betrekking tusschen grondsoort

en verwoesting zien, en de Universiteit, die op den rotsachtigen

grond van haar campus staat is zoo goed als ongeschonden gebleven.

In het begin heb ik er reeds op gewezen, dat niet de grond alleen

beslist, maar dat ook de bouwwijze van groote beteekenis is. Houten

gebouwen aan de eene zijde, en massieve steenen kolossen met stalen

geraamte aan de andere zijde, mits met goede fundeering, weerstonden

de schokken. Huizen van gebakken steen, vooral die met dunne muren,

verdwenen bij de eerste trilling. Hieruit volgt, dat de beide

eerste typen voor de toekomst alleen aanbeveling verdienen, en dat

alle steenen gebouwen van een voldoend ijzeren geraamte behooren

voorzien te worden. Tevens kan men besluiten, dat het geenszins

onverschillig is, waar men een gebouw plaatst. De aangeplempte

grond deugt niet voor publieke gebouwen; deze moeten op rotsgrond

opgetrokken worden. De waarde van een huis of paleis moet de plaats

bepalen, de beste terreinen moeten voor de duurste of belangrijkste

gebouwen worden bestemd. In dit opzicht zijn uit de jongste aardbeving

tal van lessen te trekken, die voor het vervolg de schade van zulke

woeste natuurverschijnselen aanmerkelijk zullen kunnen verminderen.

Waterleidingspijpen moeten zooveel mogelijk beveiligd worden, teneinde

niet juist gebroken en doelloos te worden, wanneer een aardbeving

branden veroorzaakt. Wat dwars over de scheur gaat, zal wel altijd

gebroken worden, maar op een afstand van de hoofdlijn, zooals te

San Francisco, kunnen voorzorgsmaatregelen worden getroffen. Het

is weer de harde grond, die de voorkeur verdient, en waarin dus de

hoofdbuizen moeten liggen. Hun aansluitingen met de zijbuizen, die naar

den weekeren grond gaan, moeten voldoende en gemakkelijk afsluitbaar

gemaakt worden, teneinde gebroken pijpen van het overige deel van het

stelsel te kunnen losmaken. Allerlei voorschriften kunnen ook hier

allengs afgeleid worden, om ook dit gevaar zoo klein mogelijk te maken.

Veel voorschriften waren feitelijk reeds van vroegere aardbevingen

bekend, en o.a. de Universiteit van Stanford is voor een groot gedeelte

overeenkomstig die voorschriften gebouwd en in dat gedeelte dan ook zoo

goed als onbeschadigd gebleven. Maar zorgeloosheid en winzucht hebben

overal tot afwijkingen en ontduikingen geleid, en de straf voor deze

is verschrikkelijk. Zij treft echter zoo dikwijls anderen dan juist

de schuldigen, dat men thans algemeen inziet dat de handhaving dier

voorschriften een zaak van algemeen belang is, meer nog dan dat van den

bizonderen eigenaar. Vooral de brand trof in hoofdzaak onschuldigen.

De aardbeving van San Francisco De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 1 / 4 段