Eenparig luidde het oordeel: "'n fijne beweging."

"En kijk 'm 's mooi blinken. Zie 's wat een zadel en hoor 's! Da's

effen een bel hè?"

Van alle kanten werd de nieuwe fiets bekeken en betast.

"Ga d'r eens op."

"Ik dank je lekker, op mijn klompen! Zal ik zeker 's gauw dat mooie

nikkel van de trappers bekrassen."

In optocht arriveerde de fiets thuis, waar moeder van pure verbazing

de handen in elkaar sloeg. Ze was uit alle woorden en toen vader thuis

kwam, steeg de feestvreugde ten top. Jan raakte niet uitverteld over

zijn gesprek met den burgemeester.

"En 'k ga direct nog naar baas Kooiman om hem te bedanken," zei Jan.

"Natuurlijk; dat spreekt vanzelf," beslisten vader en moeder en zoo

gebeurde 't ook.

Toen Jan in de hem wel bekende boerenkamer voor den goeien baas

Kooiman stond en bijna geen woorden kon vinden om zijn dankbaarheid

te betuigen, zei deze eenvoudig:

"Ja Jantje, 'k wou óók graag wat doen en de burgemeester bracht me op

een goed denkbeeld. 'k Vind je een aardig jonk onder ons gezeid. Zelf

heb ik geen kinders, zoo je weet en... van die geit vond ik mooi van

je. Daar, nou weet je 't. Doe maar goed je best, jonkie; pas braaf op

en als je dan later thuiskomt als je eens zeeman bent, mot je altijd

even bij ons aanwippen hoor!"

"Ja Jan, dat moet je doen hoor," voegde vrouw Kooiman er bij. "Zul je?"

"Zeker, en graag ook! Och baas, och vrouw, 'k ben toch zoo blij."

"En mondje dicht weer hoor!"

"Dat beloof ik je!"

Ze bleven nog een poosje met z'n drieën wat napraten en toen Jan

afscheid nam voelde hij, dat hier twee harten warm voor hem klopten;

echte vriendenharten.

En als ge weten wilt, of Jan ook vast van plan is om zijn goede

voornemens ten uitvoer te brengen; om zijn belofte, aan kapitein Smit

gedaan, gestand te doen; vraagt ge, of hij ook uitstekend zijn best

doet op de mulo, waar hij nu al eenigen tijd leerling is, hoor dan

naar het gedeelte van den brief, die kapitein Smit de laatste maal

uit Valencia schreef:

't Doet me veel genoegen, dat het laatste rapport zooveel zevens

en achten vertoonde en maar twee zessen. Dat is de ware manier,

Jan. Flink gewerkt, mijn jongen. Zonder werken wordt men niets. En

je weet ook: niets zonder moeite. Vergeet niet, dat je lijfspreuk

moet zijn en blijven: Steeds hooger. Vooruit is de weg.

Hou zee! Hou moedig zee!

De avonturen van Jan Kodde · 第 39 / 40 题