Vijf maanden waren sedert de laatst beschreven gebeurtenissen
verloopen. Het vriendelijke voorjaar had zijn intrede gedaan, doch
kapitein Smit was reeds sedert lang niet meer de gast van De Witte
Leeuw. Hartelijk was het afscheid tusschen hem en het gezin van Kees
Kodde geweest en 't ging den zeeman werkelijk aan het hart, dat hij
zijn goede vrienden aan den Duinweg moest verlaten.
Verlaten, zeker, maar met de stellige belofte en het vaste voornemen,
zoo gauw als hij kon voor een paar dagen weer te keeren.
Natuurlijk was er nog heel veel te bespreken geweest over de toekomst
van Jan, want moeder Trui had nu ten volle haar toestemming gegeven
voor het naar zee gaan van haar ondeugenden jongen, waar ze zoo
dolveel van hield.
Kapitein Smit was zèlf met Jan naar den bovenmeester gegaan om dien
het groote nieuws te doen hooren en tegelijk ook zijn medewerking in
te roepen. 't Eenige bezwaar was feitelijk, dat Jan geen Fransch had
geleerd, want daar deed men op Elswijk niet aan, maar wat de andere
vakken betreft, zoo zei meester, kon hij op de mulo in de stad best
mee. Er lagen nu nog aardig wat weken voor den boeg en als er hard
gestudeerd werd kon ook dat Fransche bezwaar wel voor een groot deel
uit den weg geruimd worden.
Een paar dagen later was de beschermer van onzen jongen vriend
vertrokken en alles ging nu weer vrijwel zijn oude gangetje. Natuurlijk
stonden de kameraads wàt te kijken, toen ze hoorden, wat er voor
vriend Kodde in 't vooruitzicht lag. De een vond het een reuze-bof en
de ander gewoonweg een mirakel. 't Spreekt als een boek, dat Stoffel,
toen hij 't groote nieuws vernam, "voor geen geld van de wereld zeeman
zou worden," waarop Jan oordeelde, dat hij het erg jammer vond, want
dat "er beslist wel gebrek was op zee, aan zoo'n gezellig wezen als
de heer Stoffel Driedijk er een was. Zoo vroolijk en zoo leuk."--
In 't begin van Juni liep Jan op een Woensdagnamiddag den burgemeester
tegen het lijf, die hem staande hield met de vraag:
"Wel, wat hoor ik baasje; zal het er dan toch nog van komen?"
"Wat bedoelt u, burgemeester?" hield Jan zich onnoozel.
"Nou zeg, dat zou jij niet snappen! Je gaat naar zee hè?"
"Als 't een beetje wil, ja; maar toch vandaag of morgen nog niet,
burgemeester."
"Dat snap ik, maat. Eerst nog een heeleboel leeren zeker, hè?"
"Nou! 'k Zit midden in 't Fransch."
"Da's gauw."
"Hoe bedoelt u?"
"Wel, als je er midden inzit, heb je de helft al achter den rug,"
was 't lachende antwoord.
"'k Zeg het zoo maar bij wijze van spreken."
"Ja, ja. En wanneer ga je nou naar de stadsschool?"
"Met September, burgemeester."
"Een heele kuier, Jantje, anderhalf uur naar stad en anderhalf terug;
of heb je 'n fiets?"
"'k Wou dat het waar was, maar enfin, 'k heb goeie beenen en er is
niets aan te doen."
"Koop er een."
"Dat zou wel gaan, burgemeester, maar..."
"Te duur hè? Ja jô, zoo'n ding is duur..." De burgemeester zweeg even
en hervatte toen:
"Je bent zeker erg blij, hè, dat je naar zee mag?"
"Dat begrijpt u. 'k Vind het heerlijk."
"Ik ook. Ik vind het erg plezierig voor je, kerel. En 't is toch zoo'n
schoon leven, daar weet ik alles van. Nou Jantje, 'k ga weer verder,
maar... je moet over veertien dagen eens bij me komen hoor. Vandaag
over veertien dagen. Zul je?"
"Zeker burgemeester!"--
En veertien dagen later was onze vriend bij den burgemeester
aan huis. Toen ze eenige oogenblikken gepraat hadden over de
toekomstplannen, zei die:
"Hoor eens Jan, 'k heb er eens goed over gedacht, maar van dat heen
en weer geloop elken dag naar stad kan niets komen hoor. Je hebt dan
geen tijd om je huiswerk behoorlijk te maken."
"'t Zal toch moeten, burgemeester."
"Hm! Kun je fietsen?"
"Dat wel, maar wat schiet ik daarmee op, als ik geen fiets heb."
"'t Kan niet. Kort en goed: je krijgt een fiets."
't Was Jan, of hij een donderslag hoorde bij een helderen hemel. Hij
keek den burgemeester met open mond aan, zonder een woord uit te kunnen
brengen van verbazing. 't Was ongelooflijk. Een fiets! Hij een fiets!
"Hoor je 't?"
"Jawel, burgemeester," klonk het verward.
"Nou, hoe is 't? Vin je 't niet goed?"
Jan gaapte den glimlachenden burgervader verwezen aan en zweeg.
"Zeg dan ja, kerel. Je krijgt een fiets!"
"Ikke? Een fiets. Krijgen? Van wien?"
"Van wien? De eene helft van mij. Achterwiel en zadel en een half
frame."
"En de rest?"
"Ja, mijn waarde heer, de rest komt van iemand, die nog al aardig wat
met jou op heeft, geloof ik, maar die wou er zich niet mee bemoeien;
die wou alleen geven, geven zooals hij graag doet aan menschen, die
't waard zijn. Waard zie je?"
"Dan weet ik het wel."
"Nou?"
"Da's baas Kooiman."
"Hoe kom je daar zoo aan?"
"Dat kan ik zoo niet zeggen, maar ik weet zeker haast, dat het zoo is."
"Je hebt gelijk. En kom nou 's mee."
De burgemeester nam Jan mee naar het schuurtje achter het huis,
opende de deur en:
"Daar staat het beestje!"
Jan vloog vooruit en slaakte als 't ware een kreet:
"Maar burgemeester! Is die voor mij? Dank u, dank u. O, wat is dat een
mooie!" En in vervoering greep hij burgemeesters hand; de tranen van
ongedacht geluk sprongen hem in de oogen en met moeite bracht hij uit:
"Hoe prachtig! Ik kan 't haast niet gelooven. Dank u, dank u."
"Stil maar. 't Is al welletjes hoor. 'k Wil het wel gelooven, dat je
blij bent. Maar luister nou eens hier vent. De helft van die fiets
geef ik je in het vaste vertrouwen, dat je de goeie verwachting van
kapitein Smit zoowel als van mij niet zult beschamen. Jan, doe je best,
dat je een zeeman wordt naar mijn hart. Zul je?"
"Stellig, burgemeester!"
"De hand er op! En neem hem nou maar mee naar huis."
"Alstublieft, maar 'k ga er niet op."
"Waarom niet?"
"'k Heb mijn klompen aan."
"Da's waar. Neem haar dan maar aan de hand mee. Dag Jan. Tot ziens
hoor!"
"Dag burgemeester! nog wèl bedankt."
En Jan de straat op, trotsch als een haan. Hij rinkelde met zijn
prachtig blinkende bel, dat het een aard had en bereikte zijn doel:
als musschen schoten een paar jongens op hem af.
"Is die van jou? Is dat jouw kar? Waar haal je die zoo gauw
vandaan?" Van allerlei vragen warrelden door elkaar.
"Ja, da's nou de mijne en wat zeg je er wel van?"