ZESTIENDE HOOFDSTUK.

DE STORM. EEN BETEEKENISVOLLE OUDEJAARSAVOND. EEN GEKNIPTE

STRANDROOVER.

Kapitein Smit's vrees werd maar al te krachtig bewaarheid. Oudejaarsdag

bracht regen en wind, veel wind; driekwart storm en nog meer. De kale

boomen zwiepten angstig heen en weer; de waterige wolken ijlden in

wilde vaart langs den somberen hemel.

's Voormiddags stapte de kapitein er weer met Jan op uit; natuurlijk

naar het strand.

"'t Wordt nog erger met den wind Jantje! Kijk maar eens daar." En

hij wees naar den vuurtoren, waar aan een hoogen mast boven op het

duin een zwarte kegel hing met de punt naar boven gekeerd.

"Zie je 't? 't Stormsein hangt uit en dan nog liefst met de

verwachting: storm uit het noordwesten. Dat ziet er slecht uit. Dan

houdt de Poolster het zeker niet en slaat bepaald binnen weinige uren

uit elkaar."

Ze wipten even bij Jilles aan, die, rookend uit een reusachtig groote

houten pijp met zijn grijze kousen tegen de kachel zat, terwijl zijn

vrouw in het kleine keukentje bezig was.

"Morgen, Jilles! kruip je in je schulp met het mooie weer?"

"Goeie morgen saam," luidde het antwoord. "Ja, kapteintje, we krijgen

boos weer. Het stormsein hangt uit."

"Dat hebben we gezien. Ik vrees ook..."

"Voor je schuit, hè? Ja, 't is een schrale troost, maar om je de

waarheid te zeggen, ik heb er een zwaar hoofd in en vrees, dat ze 't

niet lang zal uithouden. Er staat daar boos water. Maar ga zitten, want

het is buiten toch niks gedaan. De tanden waaien bijna uit je mond."

"Neen, dank je. We kwamen eens even kijken naar de zee, maar ik vrees,

dat die me al even min moed zal inspreken als jij."

't Was waar: die troost was nog schraler. Hoog liepen de golven op en

krulden zich steigerend tegen de paalhoofden, die ze op hun onwrikbare

koppen in vlokkend schuim deden uiteen spatten.

"Ik zie mijn Poolster nooit weer, Jantje! Denk je 't ook niet?" riep

de kapitein boven het geraas van wind en golven.

"'t Is bar weer!" antwoordde Jan schreeuwend. Hij kon zich op dat

dijkje ternauwernood staande houden en telkens moesten ze achteruit

of zijwaarts springen voor een golf, die hen met een ijskoud stortbad

bedreigde. Nog enkele oogenblikken bleven beiden het indrukwekkende,

ruwe schouwspel sprakeloos gade slaan. Kapitein Smit draaide zich om,

alsof het hem moeite kostte afscheid te nemen van de plek waar zijn

arme schuit naar den kelder ging en hij zei:

"We gaan naar huis, kereltje. We kunnen hier toch ook niets

uitrichten. Misschien heeft moeder de koffie wel klaar. Kruip maar

een beetje achter me."

"Ik kan er wel tegen op!" riep Jan, die zich graag groot wou houden;

maar de wind joeg bij tijden den adem terug in zijn keel.

't Was een harde dobber om thuis te komen. De koffie was klaar en

toen de kopjes gevuld waren, zei kapitein Smit:

"'t Is een booze ouwejaarsdag, vrouw Kodde en mijn schip is verloren,

hoor!"

"Is 't waar, kaptein? 't Is toch zonde."

"Dat is 't. 't Gaat me razend aan mijn hart."

En toen na een oogenblik stilte.

"Vin je 't goed, dat ik vanavond hier weer kom?"

"Best hoor!" klonk het gul. "Erg best. Dan vieren we met zijn viertjes

oud in nieuw. Da's voor Kees ook gezellig."

"Mooi zoo. Maar op een droogje kunnen we niet zitten hoor. Mag ik

dan eens trakteeren? Ja? Zorg jij dan voor alles, vrouw Kodde?"

"Voor wat zoo al?"

"Voor een goeien voorraad krentenbollen en verder voor een flinken

ketel chocolademelk. Doe je 't? Alle onkosten zijn voor mij!"

"Hè, hoe gezellig," riep Jan in verrukking. "Dan zullen we nog eris

een echt gezelligen oudejaarsavond hebben!"

"'t Zal aan mij vast en stellig niet mankeeren, hoor," beloofde moeder.

Nog maar pas was dien avond de tafel afgeruimd, of kapitein Smit

stapte al naar binnen.

"Jongens, jongens," zei hij, "wat een wind, wat een wind! En

regenen! 't Giet soms met putsen tegelijk uit den hemel. Goeien avond

allemaal. Wat ziet het er hier echt gezellig uit. Je hebt er alle

eer van, hoor moeder!"

En vrouw Kodde hàd er eer van. De kopjes stonden zoo gezellig op het

theeblad te pronken en op de kachel prijkte de chocoladeketel. Vader

Kees zat in zijn leunstoel van zijn pijpje te genieten en Jan sloeg

bij het binnenkomen van den verwachten gast gauw zijn bibliotheekboek

dicht.

Het gesprek was weldra in vollen gang en Kees had zijn pijp verruild

voor een lekker sigaartje. Van tijd tot tijd stokte het gesprek

even als een huilende windvlaag de boomen bij het huis hun fluitend

takkengezwiep deden hooren. Dan klapperden de pannen op het dak.

"'t Is nou toch ook niet alles op zee," bracht vrouw Kodde in het

midden, maar de zeeman betoogde:

"Neen, dat is het zeker niet. Voor je plezier ben je daar nou niet;

maar die lui van het land nemen het toch veel zwaarder op, dan een

goeie zeeman zou doen. Werkelijk, als je er eenmaal in bent en je

hebt een beetje zeemansbloed in je boddie, dan neem je dat ook nog

wel op den koop toe mee. En bovendien, jullie denken, geloof ik,

dat het op zee ongeveer drie honderd vijf of zes en zestig dagen in

het jaar stormt, of op z'n minst hard waait. Maar, dat is niet zoo,

hoor. 't Kan toch zoo heerlijk zijn en 't is ook in den regel zoo

prettig, als je schip met een kalme zee er door snijdt, dat het een

lust is om te zien. En dan je kostelijke vrijheid! Geen gezemel van

ouwe zeurkousen. Geen lasterpraatjes van je buren; geen zorgen..."

"Geen zorgen?"

"Wel neen! Nou ja, zorgen heeft ieder mensch, maar geldzorgen bedoel

ik. Wie oppast, komt vooruit en oppassen moet je overal op de wereld,

anders ben je je kost niet waard. En je werk wordt betaald, goed

betaald. Zeg nu eens, of dat op het land ook altijd het geval is."

Kees Kodde schudde bedenkelijk het hoofd en zei: "Zwijg daar maar over;

daar weten we alles van. Hard werken, weinig verdienen en altijd de

ouwe knecht blijven, tot je dood-versleten bent."

"En de wereld zien van een anderen kant dan van uit je dorp doe je

nooit," zei Jan.

"Ook waar. Och Kodde, ik zie niet laag op je neer. Ieder neemt zijn

plaatsje op de wereld in, waar hij nuttig kan bezig zijn en elk mensch,

hoe gering in stand, kan op zijn manier zich verdienstelijk maken,

maar ik hou vol: leve de zee! Wat zeg jij er van Jan?--Hoe is 't

moeder, ben je nog niet van gedachten veranderd?"

"Och, kaptein, ik zou er zoo tegenop zien, m'n eenigen jongen naar

zee te zien gaan."

Nu werd kapitein Smit ernstiger en zei:

"Dus je ziet hem liever veldarbeider! Veldarbeider en zijn heele leven

tegen zijn zin in de aarde wroeten? Moeder, moeder, kun je dat voor

je zelf verantwoorden? Stel je, ik zou haast zeggen, je eigen belang

boven dat van je jongen?"

Jan had wel willen roepen: "toe maar, kaptein, toe maar!" doch

hij zweeg.

"Moet je jongen, omdat zijn moeder haar eigen ik voorop stelt, dan

versteenen op zijn dorp. Mag hij zijn... zijn levensideaal niet zien

te bereiken, omdat zijn moeder zegt: ik hou hem liever thuis. Màg

zijn moeder dat eigenlijk? Mag ze er een pappot vent van maken,

feitelijk tegen beter-weten-in? Wat zeg jij ervan, Kodde?"

"Als je 't zoo beschouwt," was het antwoord, "zou ik zeggen, neen. Dan

zou ik er toe overhellen om te zeggen: als jij dan zoo'n zin hebt om

zeeman te worden, doe het dan en probeer een kerel te zijn. 'k Heb

er nooit zoo over gedacht, omdat ik nooit iemand heb gesproken, die

't zoo kon voorstellen als u. En van een ander zou ik 't misschien

ook niet aangenomen hebben. Van u doe ik dat wel, omdat... vooruit,

'k zeg mijn hart rondweg, omdat ik u vertrouw."

"Vandaag sprak ik toevallig den burgemeester en die weet, dat ik hier

de laatste paar dagen mijn anker nog al eens uitwerp. 't Gesprek kwam

op onzen jongen vriend Jan en de burgemeester zei: "'k wou voor den

jongen, dat hij zijn zin mocht volgen. Ziedaar, da's nommer twee,

die het je zou aanraden."

"Toe, moeder, zeg nou ook maar ja," zei Jan met schitteroogen. "Zeg

dan tenminste maar, dat je er niet langer tegen bent."

Moeder Trui zuchtte. De tranen kwamen haar in de oogen toen ze

antwoordde:

"Welnou. 'k Zeg niet langer neen."

"Bravo!" klonk het opgeruimd uit den mond van den stoeren zeeman. "Da's

een flink besluit."

"Hoera! Hoera!" riep Janbaas. "Nou krijg ik toch gelukkig mijn zin!"

"Maar, nou komen de maren," zei Kodde. "Gewoon matroos, dat zei ik al,

is toch zeker niet zoo heel veel bijzonders, hè kaptein?"

"Gewoon matroos is ook heelemaal mijn bedoeling niet. Luistert

daarom, hoe ik het me heb voorgesteld. Zoo je weet, heb ik kind noch

kraai. Niks dan een stuk of wat neven en nichten en daarom zou het me

zoo'n plezier doen, als ik nou eens voor Janneman mocht zorgen. Hij

moet wat meer worden, dan knecht-van-den-jongen-van-den-bijkok. Hij

moet hoogerop, doch dan moet er geleerd worden en heel wat ook. Eerst

goed leeren hier en dan later op een zeevaartschool. En daar kunnen

ze geen domkoppen gebruiken. Je gaat om te beginnen naar stad

naar een Mulo en als je daar goed je best doet, dan komt de rest

wel terecht. Willen we dus afspreken: alle kosten komen voor mijn

rekening? En als mijn jongen vriend Jan goed zijn beste beentje wil

vooruit zetten..."

"En 'k zàl mijn best doen," kon deze niet nalaten te onderbreken.

"Daar vertrouw ik op. Dàn wordt jij later een kerel, die er zijn

mag. Een vent; een zeeman, die zijn kostje waard is."

"Heerlijk! Heerlijk!" jubelde Jan.

"Laten we daar onze kopjes eens op leegdrinken. Daar: op den goeien

afloop. Op den voorspoed van onzen Jan; daar ga je jongen! Maak mijn

goeie verwachtingen niet beschaamd hoor!"

Wat een uitkomst voor Jan! Wat een plezierige Ouwejaarsavond! Zijn

oogen schitterden van vreugde. Naar zee! Toch naar zee!

't Was intusschen al over negenen geworden.

"Hoor die wind toch eens te keer gaan," zei Kodde! "wat zal de zee

nou boos wezen."

Kapitein Smit trok hard aan zijn sigaar, blies een paar zware

rookwolken uit en zweeg. Hij stond eens op en liep de kamer een paar

malen op en neer. Toen sprak hij eensklaps:

"'t Is me net, of ik naar het strand toegetrokken word; naar m'n

schuit. 'k Wou er toch zoo graag eens naar toe; zoo maar om er bij

te zijn. Geef jullie er niet om, dat ik er even heen ga?"

"Mag ik dan mee?" vroeg Jan, opstaande.

"Als je vader en moeder er niet op tegen hebben, is het mij best. Je

zult niet wegwaaien en desnoods hou ik je bij je kraag. Mag hij,

moeder?"

"'k Heb er niet tegen, maar stop je er goed in, Jan."

"Weet je wat je dan doet, Jan," ried Kodde aan. "Ga dan met meneer

Smit het binnenpaadje langs en zoo door 't Olmenbosch, da's veel

nader en dan ben je er in een klein kwartier. 't Is niet zoo heel

erg donker en bovendien: je kent den weg."

"O, best! Net zoo goed in 't pikdonker als midden op den dag en we

komen dan vlak bij Jilles uit."

Weldra waren beiden buiten en stapten ze arm in arm langs het smalle

zanderige veldpaadje op het Olmenbosch aan, dat zich als een donkere

massa tegen den jagenden nachtelijken hemel vaag afteekende. Telkens

brak de maan tusschen de wolken door, maar ook slechts heel even

en een snerpende regen striemde de wandelaars, zijn groote, kille

druppels in het gelaat.

Jan had een ferme, lange jas aan, maar zijn oudere vriend droeg

slechts een kort jekkertje.

"Jongen, Jantje!" riep de kapitein, toen ze vlak bij het bosch

gekomen waren, "wat een weer hè? Da's nog doornat thuis, als 't een

beetje wil! 'k Wou, dat ik mijn oliejas aanhad, maar die zit diep

onder water!"

"Had die van vader maar aangetrokken."

"Heeft die er een?"

"Nou, een ferme ook. Die komt tot aan den grond."

"'k Wou, dat ik 'm had."

"Laten we terugkeeren, dan halen we hem."

"Neen, 'k zou wel beter weten, maar durf jij hier alleen onder de

boomen op me te wachten?"

"Waarom toch niet? Maar hoe vraagt u dat zoo?"

"Wel, dan loop ik gauw even terug en vraag hem terleen. Als ik goed

doorstap ben ik binnen tien minuten weer wel terug."

"Ik vind het best. Verdwalen kunt u niet en u zult den weg wel

vinden. Dan zal ik hier aan den rand van het bosch op u wachten. Ik

kruip zoolang wel achter een boom."

"Tot straks dan. En pas op, dat je niet wegwaait, Jantje!"

Kapitein Smit verdween in het nachtelijk duister en Jan zocht zijn

heil achter een dikken boomstam. Maar een boom, al is hij dan ook

tamelijk dik, biedt allerbedroevendst weinig bescherming tegen zoo'n

storm- en regenvlaag en hoe de jonge aanstaande zeeman ook probeerde:

hij vond maar geen voldoende beschutting.

"Wacht," mompelde hij, "'k weet beter. Hier vlak bij moet een stapel

vaamhout staan, daar zal het beter dienen zijn."

Hij verliet zijn schuilboom en vond inderdaad voldoende beschutting

achter den grooten klamp brandhout, dien hij in het donker bereikte.

Hier voelde hij noch regen, noch wind en toch kon hij, zooveel de

duisternis tenminste toeliet, den kant in 't oog houden, vanwaar

straks kapitein Smit zoo moeten terugkeeren.

Wild huilde de stormwind door de hooge boomstammen en de kale kruinen,

die krakend zuchtten onder de heftige aanvallen. Als Jan omkeek gaapte

tusschen die stammen een tooverachtig diepe duisternis. Naast het

zweepen der boomtakken klonk hol brommend het geraas der golven.

't Mocht hierachter dat brandhout dan al een veilig plekje zijn,

gezellig was het er zeer zeker niet en Jantje kon den wensch niet

onderdrukken:

"'k Wou, dat ik maar mee terug gegaan was, om die oliejurk, want

ik vind het hier niks ouwejaarsachtig en nou ik hier zoo moederziel

alleen sta, zou ik wel zoo graag willen, dat de kaptein alvast maar

terug was. 't Is... hè, wat een benauwelijk leven!"

Een nieuwe windstoot wierp zich met felle kracht op 't bosch en

wrong zich gierend en fluitend door stammen en takken. De maan brak

even door de jagende waterwolken. Onwillekeurig keek Jan nogmaals

achterwaarts en kroop nog meer in zijn jas, dan hij tot nu toe gedaan

had. Zoo dicht mogelijk drong hij zich tegen zijn beschermenden hoop

hout aan en kon haast een kreet van schrik en van angst beide niet

inhouden. Hier alléén te staan was zeker buitengewoon onplezierig,

maar gezelschap was misschien nog akeliger en juist dáárvoor bekroop

hem nu plotseling de vrees, want tusschen de stammen door zag hij uit

het bosch een gestalte naderen, wel onduidelijk zichtbaar, maar... ze

naderde en dat was genoeg om hem een doodschrik op de leden te jagen.

Een gestalte, kromgebogen schijnbaar onder een zwaren last. En wat

voor goeds kon er te wachten zijn van zoo'n nachtelijken wandelaar en

dan nog liefst zoo'n geheimzinnig voortsluipenden. Want geheimzinnig

voorwaarts gaan deed hij. Jan zag, hoe die naderende telkens behoedzaam

stilstond; wel om de tien passen. Stilstond en dan rond loerde. 't

Was een man met een last op den rug, maar wie 't was, kon hij niet

onderscheiden. Daarvoor was het te donker en daarenboven, het hoofd

werd van tijd tot tijd slechts heel even opgeheven.

"Die vent heeft bepaald niet veel goeds in den zin en als hij me

hier vindt, loopt het vast en stellig niet goed met me af," huiverde

Jan. "'t Is nu geen tijd voor een gewoon eerlijk mensch, om met een

vracht op zijn nek door het bosch te scharrelen en vooral niet bij

zoo'n weer. Brandhout kan hij in het donker niet gezocht hebben. Wat

hij op zijn rug sjouwt is dus zeker niet eerlijk verkregen. Een dief

of... Wacht eens, ik snap het geloof ik, al zoo half en half. 't Zou

me niets verwonderen of het is Gerrit de Vries, die naar 't strand

is geweest om te zien, of er niets van zijn gading was te vinden en

nu met een vrachtje op zijn rug onderweg is naar huis. Zoo'n gemeene

strandjutter; zoo'n roover! Daar gaat ie weer vooruit en..."

Doch de maan verborg zich weer achter het wolkengordijn en Jan had

van vrees wel in den brandhoutklamp willen wegkruipen. Verbeeld je

toch, dat die kerel eens hierheen kwam om wat uit te blazen en dan

tegen hem aanbonsde. "Hu! Zoo'n gevaarlijke leelijkerd. 'k Wou,

dat ik maar zien kon."

En gelukkig brak de matte maanschijf weer door. De gebogen

nachtwandelaar was nu den rand van het bosch genaderd en schoof

voorzichtig op het voetpad aan, waarlangs Jan zoo even gekomen was

en waarover straks kapitein Smit zou komen aanstappen. Weer loerde

de geheimzinnige man loerend rond. Plotseling evenwel rees uit een

diepen greppel van achter een groep eikenhakhout een tweede gedaante

op en nu volgde er een reeks gebeurtenissen zoo snel, dat niets in

staat is om ze behoorlijk te beschrijven.

"Sta!" bonkte een barsche stem door den stormwind. "Sta! of ik schiet!"

Maar die bedreiging scheen geen voldoenden indruk te maken. De

kromgebogen gestalte werd eensklaps een kaarsrechte. De sluiper moest

dus zijn vracht neergeworpen hebben en rende naar den kant, waar Jan

van louter angst op zijn beenen stond te beven. Nauwelijks echter had

de vluchteling vijf of zes stappen kunnen doen of: pang--pang! daar

paften twee schoten en pang! nog een.

Jan begreep de zaak nu volkomen. Van Stappen had in dien greppel op

de loer gelegen en maakte nu gebruik van zijn revolver, terwijl hij

zijn prooi achterna sprong. De vluchteling koos blijkbaar eiers voor

zijn geld en stond; maar hij scheen weinig of geen lust te hebben

om zich zoo maar zonder slag of stoot over te geven. Misschien had

hij de stille hoop, in het duister niet herkend te worden, want

nauwelijks was zijn achtervolger hem genaderd onder den uitroep:

"nou heb ik je dan toch eindelijk te pakken!" of Jan hoorde een van

woede heesche stem een ijselijken vloek uitbraken gevolgd door: "dat

zullen we dan toch eens zien. Kom op, lamme verklikker, als je durft."

Maar die lamme verklikker was niet van gister. Jan zag, hoe Van Stappen

onverschrokken toegreep en onder een van weerskanten klinkend geroep

rolden èn veldwachter èn achterhaalde over den grond.

Jan wist geen raad. In wanhoop schoot hij van achter zijn schuilplaats

op het paadje toe onder den kreet: "help, help!" En zoo overijld

ging hij te werk, dat hij tegen iemand aanbonsde, die riep: "hei,

hei! Wat is er te doen met je help, help?"

"O, kapitein bent u daar? Gelukkig. Help, help dan gauw. De veldwachter

is aan 't vechten met een kerel. Hier vlak bij. Hoor ze eens te

keer gaan. Hier, hier heen. Dezen kant uit!" Daar viel een heldere

lichtbundel tusschen de stammen door en over het mos. Kapitein Smit

had zijn electrische zaklantaren voor den dag gehaald en bij het

licht daarvan ontwaarden beiden nu de twee vechtenden.

"Hou vast dat licht!" En Jan had de lantaren al te pakken waarmee hij

het terrein van den strijd belichtte. Kapitein Smit hoefde niet te

vragen, wien hij moest aanvatten. Daar zorgden de blinkende knoopen aan

van Stappen's uniform wel voor. Met zijn sterke zeemansknuisten greep

hij den ander bij de keel, zoodat die een heesch geluid uitstootte

en trok hem achterover.

"'k Zal je helpen, veldwachter!" riep hij. "Wat ik vast heb, laat ik

niet los," en meteen zette hij zijn knie op de borst van...

"Dat dacht ik wel!" riep van Stappen hijgend van vermoeidheid, terwijl

hij vliegensvlug overeind krabbelde. "Je bent er dan eindelijk eens

bij, Gerrit!" Want bij het licht van de zaklantaren herkende hij,

zoo goed als Jan, den beruchten Gerrit de Vries, die algemeen bekend

stond als een vermetel wildstrooper en even algemeen verdacht werd

van strandjutterij. Het laatste, zoo als nu bleek niet ten onrechte.

"Hou 'm even vast, meneer," hijgde van Stappen, "dan doe ik 'm de

armbandjes aan."

"Haast je niet," zei kapitein Smit.

"Vuile strandjutter," kon de veldwachter niet nalaten te zeggen,

"je zou niks te goed geweest zijn, om me om zeep te helpen, maar dat

was mis."

"Een strandjutter! Zoo, is 't zóó laat?" bromde de kapitein. "Zoo'n

smerige strandhyena. Hier veldwachter."

Gerrit slaakte af en toe de gemeenste vloeken en verwenschingen.

"Hou je maar in," beet van Stappen hem toe en boeide hem intusschen de

armen stevig op den rug. "Sta op en probeer niet er van door te gaan,

want ik heb nog aardig wat kogels op mijn revolver zitten. Sta op en

mee naar je vrachtje daar ginder."

Jan z'n knieën beefden van zenuwachtigheid onder zijn lijf.

"Geef hier mijn lampje, Jan," verzocht kapitein Smit, "dan zal ik

bijlichten. Ha! daar ligt zijn vrachtje. Wacht eens, da's...

"Veldwachter, je hebt een goeie vangst gedaan. De vuilpoets heeft al

wat te pakken uit mijn gezonken boot. 'k Herken het duidelijk; een

vaatje olijfolie. Hij weet nog, wat hij mee moet nemen ook. Zoo'n

ongedierte! Hij heeft zeker op de loer gelegen. M'n goei Poolster

is bepaald bezweken en nou heeft die sinjeur er al wat uit te

pakken. Zoo'n landhaai!" De kapitein wond zich meer en meer op. "Je

zou zoo'n vent hangen. 't Is nog niet erg genoeg, dat mijn schuit

met lading en al gekelderd is: nou mot zoo'n vlegel er nog als de

kippen bij zijn om er uit te stelen, wat er te stelen valt. Bah! wat

een minne kerel!"

Gerrits oogen schoten vuur en nijdig bromde hij:

"'k Heb niet gestolen!"

"Nee," zei de veldwachter, "dat vaatje heeft pootjes en is hier naar

toe gekuierd. Lieg maar niet, Gerrit; dat maakt je vuile zaakje er

niet beter op. Je bent er gloeiend bij, maat. En dan je verzet tegen

de politie nog.

"Vooruit, dan mag je oud en nieuw onder den toren vieren.--Ik dank

u wel meneer voor uw krachtige hulp. Wie weet, waar die sinjeur voor

in staat was geweest!"

"Als ik gekund had, zou ik je gewurgd hebben, narigheid," snauwde

Gerrit.

"Dat zou vriendelijk van je geweest zijn," zei van Stappen. "Nog eens

kaptein, wel bedankt. U ziet wel, dat het niet aan hem zou gelegen

hebben me een veel heil en zegen in 't nieuwe jaar toe te wenschen

en tegelijk maar te bezorgen ook. En nou: vooruit Gerrit."

De gesnapte strandjutter koos de wijste partij en ging gedwee met den

veldwachter mee. 't Vaatje bleef waar 't was. Dat zou van Stappen

strakjes wel komen halen, want het spreekt van zelf, dat dit zoo

spoedig mogelijk door hem moest worden opgeborgen, daar het zou moeten

dienen als bewijsstuk.--

"We gaan ook maar terug Jantje," zei kapitein Smit. "'k Begrijp nou

wel, dat mijn schip onherroepelijk verloren is. Morgen bij daglicht

gaan we naar 't strand en dan zul je zien, dat een groot deel der

lading zal zijn aangespoeld. Ik kan dan vroeg aan den burgemeester

vragen, maatregelen te nemen om alles op te bergen. Jammer van mijn

mooie schuit."

Geen van vieren sprak veel onderweg. Alleen Gerrit kon zijn

teleurstelling en woede niet verkroppen en mopperde van tijd tot

tijd op van Stappen, die hem, dank zij zijn lang op de loer liggen,

zoo netjes had gesnapt.

Ze kwamen bij het huis van Kees Kodde en daar zei de kapitein:

"Wij gaan niet verder mee, veldwachter. Ik ga met Jan mee naar binnen.

"O. Nou, welterusten dan samen. Ik bedank u nog wel en jou ook hoor

Jan. Je hebt je ferm gehouden. Welterusten."

Gerrit kon geen "welterusten" uitbrengen. Hij bromde maar en stapte

met zijn geleider het dorp in.

"Je hebt je ferm gehouden," dacht Jantje. "Nou, als van Stappen eens

wist, hoe ik in de olie heb gezeten, zou hij 't niet zeggen. 'k Ben

blij, dat alles zoo goed afliep. Brr, hoe akelig!"--

't Is te begrijpen, hoe vader en moeder luisterden naar de verhalen

van gast en zoon.

Vooral Jan hing een levendig schilderij op, van wat hij gezien en

gehoord had, voordat de kapitein op 't slagveld verscheen.

"O, foei, 't was zoo akelig," kon hij niet nalaten te zeggen,

"te weten, dat die twee mannen daar op leven en dood met mekaar aan

't vechten waren. Foei!"

Moeder Trui rilde ervan.

Aan stof was geen gebrek en als vrouw Kodde niet gezegd had:

"Drink toch eens, anders wordt de melk koud," dan had de chocoladeketel

wel een uur vacantie gehad. Doch die aansporing miste haar uitwerking

niet en zóó gauw en ongemerkt vloog de laatste avond van het jaar

om, dat de schelle slagen van het huisklokje hen als 't ware deden

opschrikken.

't Nieuwe jaar kondigde zich aan en nooit werden hartelijker

heilwenschen uitgesproken, dan bij die eerste klokslagen van den

nieuwen jaarkring in het eenvoudige huis van Kees Kodde. Kapitein

Smit had zijn schuit verloren, maar hartelijke, welmeenende, zij het

ook onaanzienlijke, vrienden gevonden.

Toen Jan goed en wel in bed lag, warrelde er van alles door zijn hoofd:

wind en regen en donkere boomen en vechtende mannen, maar boven alles

jubelde een stem in zijn binnenste: "toch naar zee!"

De avonturen van Jan Kodde · 第 36 / 40 题