KAPITEIN SMIT KOMT BIJ KEES KODDE OP BEZOEK.

Boven de deur van de Elswijker dorpsherberg was een groot houten bord

bevestigd, waarop een wit beest stond afgebeeld. Het dier trok een

afschuwelijk leelijk gezicht, alsof het ergens hevige pijn leed en

als wanhopig van smart op zijn achterpooten steigerde. De staart stond

krampachtig in de hoogte. De dorpsschilder, die indertijd het kunststuk

had afgeleverd, hield stijf en strak vol, dat het een leeuw voorstelde

en dat zal hoogstwaarschijnlijk het geval geweest zijn, want boven den

kop van het wondermonster stond in zeer duidelijke letters te lezen:

"Hotel" en onder de pijnlijk springende pooten zweefden de woorden:

"De Witte Leeuw."

Die Witte Leeuw nam de heele bemanning van de verongelukte Poolster

onder zijn vorstelijke bescherming; doch slechts voor één nacht, want

den anderen morgen al vroeg vertrokken allen te voet naar de stad

om zich vandaar te begeven naar het kantoor te Amsterdam. Alleen de

kapitein wachtte op nadere orders van zijn patroon en bleef.

Janbaas, die zich zoo bijzonder nauw bij het scheepsongeval betrokken

gevoelde, richtte natuurlijk reeds in den vroegen voormiddag zijn

schreden langs De Witte Leeuw. Daar werd op het raam getikt en opziende

ontwaarde hij den kapitein, die hem wenkte, om naar binnen te komen.

Kapitein Smit, zooals we reeds zagen, een man van rond de vijftig,

was het type van een zeeman. Hij begroette Jan met de woorden:

"Zoo, kerel, ben je daar? Je hebt zeker niks te doen hè?"

"Neen meneer, we hebben vacantie."

"Noem jij me maar kapitein, dat klinkt me meer gewoon in de ooren. Ik

moet je nog bedanken voor het gebruik van je keel gister, want zonder

jullie geschreeuw hadden we misschien den heelen dag en wellicht den

nacht erbij in onze open boot kunnen rondzwalken. Maar nou zou ik ook

graag dien man eens bedanken, die toen bij je was. Dat was zeker je

vader, niet?"

"Neen, kapitein, dat was Jilles."

"Zoo, Jilles. Nou veel wijzer ben ik door je verklaring niet. 'k Zou

wel eens naar hem toe willen gaan, want ik loop toch met m'n ziel

onder de armen. Breng jij me eens bij hem? Je heet Jan, hè?"

"Jawel kaptein. En als ik u eens bij Jilles wil brengen: met plezier."

"Vooruit dan. 't Is hier binnen een saaie boel."

De mist was nu heelemaal opgetrokken en er sijpelde een drenzerige

motregen neer. Jan stapte met zijn nieuwen kennis naar het duin en

weldra stonden beiden op het strand. 't Was laag water en in eindelooze

wijdte strekte zich nu de vloed uit onder den éénkleurigen grijzen

hemel, die vloed, die gister gehuld was in den ondoordringbaren

mistsluier.

"Waar moeten we nou heen, Jan?"

"Dezen kant uit. We gaan zeker eerst eens kijken, of er wat van uw

schip te zien is?"

"Natuurlijk, want ik ben erg benieuwd."

Het dijkje was spoedig bereikt en daar lag de roeiboot van de

Poolster op het droge zand. Ze waren den kleinen dijk nog niet ten

einde geloopen, of kapitein Smit riep:

"Ginder ligt ze, mijn arme schuit!" En 't viel Jan op, hoeveel smart er

in die weinige woorden lag opgesloten. Hij had gedacht een stoomboot te

zien zitten en hij zag niets, wat hij dan ook tegen den kapitein zei.

"Kijk langs mijn vinger; zie je daarginds geen stok boven water

uitsteken? Da's de top van m'n mast. Zie je 't?"

"Ja, ik zie hem, maar..."

"Goeien dag, samen," klonk eensklaps de zware stem van Jilles achter

hen. "Morgen kaptein; heb je je schip in de gaten?"

"Goeie morgen, Jilles, zal ik ook maar zeggen. Ja, man, maar van mijn

schip zie ik helaas niet veel. Da's treurig afgeloopen en zonder

jouw tegenwoordigheid van geest zou het hoogst waarschijnlijk nog

veel ellendiger geëindigd zijn. Ik dank je wel hoor. Je hebt, door

je kordaat optreden, vast een heeleboel onheil voorkomen."

Kapitein Smit drukte Jilles dankbaar de hand, maar deze hield strak

en stijf vol, dat het totaal niets te beteekenen had, die hulp meende

hij en toen vroeg hij belangstellend:

"Waar was u mee geladen?"

"Stukgoed. Olie, eenige vaten wijn, kisten met sinaasappelen en wat

andere Zuidvruchten en al dat spul, maar ik vrees, dat ik er nooit

veel van terug zien zal."

"'k Vrees er ook voor," was de schrale troost, die Jilles gaf. "Zoudt

u denken, dat er nog moeite zal worden gedaan, om de zaak te lichten?"

"'k Weet niet, wat de reederij, of het assurantiekantoor zullen

doen. Was het zomertijd, ja, dan zou ik haast wel denken, dat hier al

gauw een paar lichtbokken van Van der Tak's bergingmaatschappij of zoo,

zouden liggen, maar nu! De tijd van 't jaar zal ons leelijk parten

spelen. Je kunt veel te weinig op 't weer aan en als er wind komt,

is er van lichten geen sprake. Dan zouden trouwens die bokken hier

ook vast niet heengesleept kunnen worden. 't Zou te gevaarlijk zijn."

"Is 't loodswezen al gewaarschuwd?"

"Ja, gisteravond nog. Ze zullen dus wel gauw een groene ton brengen,

ten teeken, dat er een wrak ligt, anders vaart er 't avond of morgen

nog een andere schuit boven op die van mij en dan heb je nog meer

spektakel."

"'t Was dan ook razend mistig gisteren."

"Bar. En 't ergste was, dat die mist zoo plotseling opkwam. Ik had

geen keus en 'k moest dóórvaren, of ik wilde of niet, al was het dan

ook erg langzaam en we gaven elke minuut een stoot op de fluit, maar

bij zulke weer weet je je oosten of je westen niet. Aan je oogen heb

je zoo goed als niets en je ooren laten je ook in den steek. Je bent

heelemaal aan het blinde toeval overgeleverd.--Maar 't is geen weertje

om hier lang te blijven stil staan en bovendien, je kijkt toch maar

als een uil door een schuifgat naar dien onnoozelen masttop en dat is

toch voor mij zoo'n ellendig idee, te weten, dat daar je schip nou

zit. Je eigen trouwe schuit, waar je jaren op gevaren hebt; die om

zoo te zeggen een stuk van je bestaan geworden is. 't Is beroerd!" en

weer klonk er aandoening in de woorden van kapitein Smit. Langzaam

wandelden ze met hun drieën op, staken het duin over en vervolgden

langs den binnenkant hun weg.

Jilles nam, bij zijn woning gekomen, afscheid en kapitein Smit en

Jan gingen verder.

Ze kwamen langs het huis van Kees Kodde en Jan zei:

"Hier woon ik."

"Woon jij hier? Dan ga ik eens even mee naar binnen. Je vader is

zeker niet thuis?"

"Neen, maar moeder wel."

Vrouw Kodde had juist de koffie klaar. De kennis was gauw gemaakt en

weldra zat de nieuw aangekomene met een kop heete koffie achter de

kachel, druk in gesprek met Jan's moeder, die zich uitsloofde, om het

haar gast zoo aangenaam mogelijk te maken. En deze vond het gezellig in

het eenvoudige arbeidershuis, waar een adem van gemeende hartelijkheid

zweefde en toen hij na een uurtje opstond om te vertrekken, vroeg hij:

"Vin je 't goed, vrouw Kodde, dat ik vanavond wat kom praten, als je

man thuis is? 'k Vind het in die herberg zoo ongezellig en 'k voel

me er zoo weinig op mijn gemak. Hier heb ik in allen gevalle goeie

kennissen, al zijn ze versch. Mag ik?"

"Zeker, kaptein. Kom maar gerust hoor. 'k Weet zeker, dat Kees het

erg prettig zal vinden en Jan ook. Is 't niet m'n jongen?"

"Jan is zoo wat onze redder. Kerel, kerel, Jan, je weet nog niet half,

wat we aan jou te danken hebben." Na een hartelijk afscheid vertrok

de bezoeker.

Hij vertrok, om vroeg in den avond reeds weer te keeren. Kees Kodde

zat al op hem te wachten en het duurde niet lang of hij genoot van

een lekker sigaartje, dat de kapitein hem aanbood.

"Een boterham meeëten? 't Is toch niet te veel gevraagd? Dan graag,

want ik zit hier zoo echt op mijn gemak en als ik jullie vanavond

soms te lang uit je kooi houd, dan jaag je me maar gerust weg."

Maar van wegjagen was in de verste verte geen sprake. Daarvoor

was kapitein Smit een veel te gezellige prater en hij van zijn kant

voelde zich hier zoo echt thuis. Weldra zat hij te vertellen van zijn

ongeluksdag van gister.

"Langzaam, erg langzaam stoomden we op, want ik begreep wel,

hoe gevaarlijk onze toestand was. We deden allen, wat we konden,

maar kijk eens uit als je kunt bij zoo'n weer. Van de brug af kon je

ternauwernood den steven van de schuit zien en je ooren zijn ook geen

goeie gidsen bij zulk een gelegenheid."

"Da's waar," bevestigde Jan, "want eerst hoorden Jilles en ik één

stoomfluit en later, toen het er twee waren, was op geen stukken na

te zeggen, van welken kant het geluid kwam."

"Da's altijd zoo met mist. Je doet wat je kan en ieder oogenblik,

iedere minuut dreigt je gevaar. Wij hoorden die andere boot ook en

ineens, daar dook ze uit de mist op. We probeerden nog te wijken. Ik

sprong op 't stuurrad toe en wierp zelf het roer òm, maar daardoor

voer die Engelschman dwars op ons in. Die kon er ook niets aan doen

en hij was bepaald even ontdaan als wij, al kwam hij er ook veel

beter af. 'k Hoorde z'n kaptein nog schreeuwen, "achteruit!" maar te

laat. Met z'n kop zat hij in ons middenschip. Er was voor mij nog één

kansje om m'n schip te redden en dat was: probeeren op het strand te

loopen. Maar wáár wàs het strand! Door den mist viel er nòch van strand

nòch van duin iets te bespeuren. Daar hoorde de tweede stuurman het

luide geschreeuw en gefluit, dat, zooals me later bleek van jouw, Jan

en van Jilles afkomstig te zijn en nadat de Engelschman zich van ons

had losgemaakt en òpstoomde, probeerden we op jullie aan te koersen,

want we begrepen jullie bedoeling. Helaas, onze boot maakte zooveel

water, dat we vreesden het strand niet meer te zullen halen en die

vrees werd maar al te zeer bewaarheid. Ik zag het gevaar, dat we

zouden zinken en gaf bevel, de groote boot uit te zetten. Gelukkig,

dat ik daarmee niet langer gewacht had, want we waren nog geen honderd

meter onderweg of we hoorden een hevig gesuis. Ik begreep het: mijn

trouwe schuit ging naar de diepte. Jullie kunt niet begrijpen, wat

er dan in 't gemoed van een zeeman omgaat..."

't Was even stil in de kleine kamer, maar kapitein Smit hervatte:

"Vandaag was er iemand van 't kantoor hier en die zei, dat ze zullen

probeeren, m'n arme Poolster te lichten, maar... zal 't lukken!"

"Als 't maar niet gaat waaien." Kees Kodde keek bij deze woorden zijn

vrouw eens beteekenisvol aan. Hun gast merkte het op en zei:

"Ja, ik hoor het ook wel. De wind steekt op: dan is alles verspeeld

ook; maar komaan laat ik niet klagen, er zijn geen menschenlevens

bij de ramp verloren gegaan en dat is het voornaamste toch bij slot

van rekening."

"Zou uw vrouw niet ongerust zijn?" vroeg moeder.

"Mijn vrouw? Neen, vast niet, want ik heb nog nooit tijd kunnen

vinden om een vrouw te zoeken," was het lachend gegeven antwoord;

"en nou is het daarvoor te laat geworden ook. Wat jij, moeder Kodde?"

Trui lachte maar even en zei toen:

"'t Is toch een eng leven, dat van een zeeman."

"Eng?" was het nu. "Eng? Dat denk je maar. Niks mooier!"

"Hoe is 't mogelijk in vredesnaam, dat u zooiets kunt zeggen, na al

wat er nu pas gebeurd is."

"Maar mijn lieve ziel, een mensch zijn zin is een mensch zijn leven..."

"Dat zeg ik ook, vader," stemde Jan in, "en als ik mijn zin had..."

"Ja, hou jij je mond asjeblieft maar gauw over de zee," suste moeder.

"Hoe dat zoo?"

"Wel kaptein, die jongen zeurt me voortdurend aan mijn ooren om ook

naar zee te mogen gaan."

"Ja? En?"

"En?"

"Toe, kaptein, doe eens een goed woordje voor me bij moeder; 'k wou

toch zoo graag."

"Zwijg jongen, wat is dat nou?" riep moeder Kodde bijna angstig uit.

"En dan altijd matroos," vond Kodde.

"Altijd matroos?" vroeg kapitein Smit verwonderd; "altijd

matroos? Waarom?"

"Och kaptein, wat zou zoo'n jongen, die niet meer geleerd heeft,

anders? En wij zouden het niet kunnen bijbrokken om hem wat meer te

laten leeren."

"Laat mij dan voor hem zorgen," was het gulle aanbod.

"U?"

"Wel ja. 'k Heb kind noch kraai."

"Toe vader, toe moeder, zeg nou maar ja," vleide Jan.

Vader keek zwijgend voor zich uit en moeder? Ze zuchtte en... zei

óók niets.

't Was dus nog geen "neen."

"Enfin, denkt er maar eens over. Neemt niet dadelijk een besluit:

we spreken mekaar wel eens nader.

"Maar komaan, 't wordt zoo zoetjes aan jullie bedtijd en voor mij

ook. De waard uit De Witte Leeuw mocht anders eens denken, dat ik voor

vannacht niets met zijn kramppootig monster wou te maken hebben." De

kapitein stond op en na een hartelijk welterusten van weerskanten

vertrok hij.

Jan rook de zee toen hij naar boven klauterde en in het ruischen

van den wind, die meer en meer aanwakkerde, hoorde hij het gesuis

der golven en de zee zong over de duinen heen in zijn ooren haar

slaapliedje: naar de zee! naar de zee!

Zou het waar zijn?!

De avonturen van Jan Kodde · 第 35 / 40 题