"Van 't zelfde."
Stoffel zette eensklaps zijn verfpot neer, bukte en greep een steen.
"Wat gaan we nou eten?" vroeg Jan.
Maar Stoffel gaf geen antwoord en slingerde den kei over de sloot op
't erf van Jansen, waar een kalkoensche haan liep te snateren en
te pronken.
"Mis!" en Stoffel zocht een nieuwen steen.
"Hou toch op en laat dat beest met rust. Hij doet je immers niks."
"'k Zal gooien als ik wil."
"Bah wat ben jij toch een dierenplager."
Stoffel zocht nog altijd. Jan kreeg den verfpot in 't oog en roerde
er met den kwast in.
"Hier heb ik een lekkere," klonk het verrast uit den mond van den
gooi-graag. "Als ie die op z'n bast krijgt, zul je 'm eris hooren. Let
op." Maar op 't zelfde oogenblik kwam Jansen om den hoek van de schuur
en Stoffel liet stiekum den steen vallen.
Jan was met een verrukt gezicht in de verf bezig. Hij rook aan
den kwast.
"Wat is dat voor verf, Stoffel?"
"Voor moeder. Voor d'r emmers."
"Da's zonde," En Jan snoof weer begeerig.
"Zonde? Waarvoor?"
"Zulke kostelijke verf heb ik nog nooit geroken." Weer rook Jan aan
den kwast.
"Ruiken? Ruikt die dan zoo lekker?"
"Lekker? Meer dan fijn. Ruik zelf."
En Stoffel boog, maar Jan plantte opeens den vollen kwast op diens
sproetigen neus, zoodat de verf er in stralen langs droop. Stoffel
blies en Jan gierde het uit.
"Leelijkerd!" keef Stoffel!
"Ja!" schaterde Jan. "Jij bent nou mooier, groene baviaan!"
Het slachtoffer poetste en wreef, maar dat maakte de zaak niet beter:
zijn heele gezicht werd groen en hij zag er zoo bespottelijk uit,
dat Jan zoo mogelijk nog harder schaterde. Stoffel was als een spin
en ging zóó te keer, dat er eenige jongens kwamen aanhollen.
De troep werd steeds grooter en de vroolijkheid steeg ten top. Jan
danste als een dolle om den groenen Stoffel heen, die ten slotte niets
beters wist te doen, dan zijn verfpot te grijpen en zoo hard hij kon,
naar thuis te rennen.
Toon en Geerte en den meester en de geit: Jan had ze alle vier
totaal vergeten en had nog pret om half twee, toen hij Stoffel op
't schoolplein zag verschijnen. Die rook naar terpentijn. Je begrijpt
wel, hoe dat kwam.--
Meester zei, met gedempte stem, toen de school pas in was:
"Jij bent ook een mooie mosch. Je liet me netjes in den steek."
Toen werd Jan bedaard en hij antwoordde:
"'k Had er mijn bekomst van, meester." Meer werd er in 't bijzijn
van de heele klas niet over gesproken.
Maar de geitenzaak was nog niet afgedaan. De geldkwestie moest nog
in orde komen en daar liet Jan geen gras over groeien. Om vijf uur
's avonds stond hij bij de achterdeur van Kooiman en moest dadelijk
binnen komen.
"En?" vroeg de baas.
"'t Is allemaal in orde hoor, baas. Ze hebben d'r geit. Vanmiddag
al. Vader kocht gisteravond een bovenstebeste op Moerland voor acht
en twintig gulden."
"Dat doet me genoegen. Enne... mondje gehouden?"
"As een Mof!"
"Goed zoo. Wacht nou even. Hoeveel had je ook weer in kas?"
"Twintig gulden twintig."
Kooiman stond op, opende zijn secretaire, scharrelde er even in,
kwam terug naar de tafel en zei: "Hier, da's net gepast." Hij gaf
Jan een bankbiljet van tien gulden.
"Nee baas, da's teveel en 'k heb niet terug."
"'k Wil ook niks terug hebben. Wat er teveel is, mag jij houden."
Jan werd rood en antwoordde: "maar dat neem ik niet an. Dat wil
ik niet!"
"Waarom niet?"
"Baas, de aardigheid zou er voor mij heelemaal af zijn, als 'k er
zelfs ook maar één half je voordeel van had. Begrijp je dàt nou niet?"
"Dat kan wel, maar eens gegeven, blijft gegeven."
"Mag ik het dan houden?" Jan's stem klonk blij. "En er mee doen wat
ik wil?"
"Da's te zeggen. Wat wou je er dan mee?"
"Nog een aardigheidje koopen voor Geerte; suiker en koffie en al
zulk gesnor."
Kooiman glimlachte tevreden en zei: "Je bent een aardig jonk. Doe er
maar mee, wat je wilt. Maar je moet toch wàt van me mee hebben. Waren
de pruimen lekker?"
"Heerlijk, baas!"
"Neem er dan nog een beetje mee. Dàt doe je toch wel?"
"Asjeblieft, baas!"--
En moeder Kodde beaamde ten volle wat Jan zei, toen ze 's avonds met
zijn drieën aan de lekkere gele pruimen smulden:
"Die Kooiman een vrek noemt, kent hem niet."
Moeder beloofde nog dienzelfden avond het overschot van 't geld goed
te besteden en toen Geertje den volgenden morgen de deur van haar
huisje opende, vond ze op de stoep eenige zakken en zakjes met koffie,
suiker, thee en wat niet al. Boven op lag een papier, vastgestoken
met een speld in een zak met bruine suiker, op welk papier met een
echte schooljongenshand geschreven stond:
Voor Geerte van de rest van 't geite geld.