WAARIN TOON EN GEERTJE EEN GEIT KRIJGEN EN WAARIN GEURENDE VERF
VOORKOMT.
Toen Kees Kodde 's middags op den weg aankwam, stond Jan hem al op
te wachten. Hij sprong als het ware zijn vader tegemoet en riep hem
al van verre toe:
"De duiten zijn er hoor!"
"Wat zeg je nou?" klonk het roepend terug.
Ze waren nu vlak bij elkaar en Jan herhaalde:
"Met de duiten is 't in orde."
"Wat hoor ik nou?" vroeg Kees verwonderd, "da's ook gauwigheid. Hoe
komt dat zoo?" En in korte trekken vertelde Jan onder het naar huis
gaan zijn wedervaren van dien voormiddag.
't Spreekt van zelf, dat er onder 't middagmaal nergens over gesproken
werd, dan over de collecte en over de geit.
Vader had nog eens geïnformeerd en wist, dat die geit, waar hij van
sprak, een erg beste moest zijn. Hij zou vanavond een uurtje vroeger
naar huis komen en dan zoo gauw mogelijk naar Moerland gaan. De prijs
kwam er nu niet zoo bijzonder erg meer op aan en als het beest hem
aanstond, zou hij het maar tegelijk mee brengen.
Na den eten liep Jan als een haas naar den bovenmeester toe om hem
het goede nieuws mee te deelen en toen had hij nog even den tijd
om bij den burgemeester aan te wippen. Jan was in de wolken en de
beide heeren waren wàt in hun schik over den goeden uitslag. Maar
over Kooiman sprak Jan zoo weinig mogelijk. Gelukkig werd niet naar
de lijst gevraagd. 't Geld was er en dat bleef het voornaamste.
Natuurlijk hadden de jongens al vernomen, waarmee Jan de laatste paar
dagen zijn tijd had zoek gebracht en de meesten waren in hun hart
jaloersch op hem, omdat hij zoo'n buitengewoon leuk plan, want dat
wàs het, ten uitvoer kon brengen. Als gevolg van die jaloerschheid
probeerden sommigen Jan een steek onder water te geven, maar al die
steken liet hij ijskoud langs zich heen glijden. En uithooren over
wat er nu verder moest gebeuren? Hij dacht er niet aan en liet de
nieuwsgierigheid onbevredigd.
De namiddag duurde hem minstens tienmaal zoo lang als anders en volgens
zijn idee kon het om drie uur al best zes geweest zijn. Eindelijk
na uren zonder eind sloeg het zes en gelukkig: daar kwam vader. Nu
eerst boterham eten.
Vader was niet zoo opgewonden als zoonlief en toen de laatste zei:
"Mot je nou nòg al een boterham hebben, vader?" klonk het kalm:
"Ja, man, eerst mijn genoegen anders val ik van de graat."
Om half zeven was Kees Kodde al op stap naar Moerland, dat een twintig
minuten gaans van Elswijk af lag en om zeven uur liep Janbaas, die
nergens rust kon vinden, al uit te kijken, of zijn vader nog niet
terug kwam. Zóó ongedurig was hij, dat moeder, om hem te plagen zei:
"Wacht je ergens op, mijn ventje?"
"Och, plaag me nou niet," was 't antwoord, "ik wou dat vader maar
kwam."
Dat duurde nog tot bij achten en toen klonk Jan's juichkreet:
"Daar komen ze an!"
"Wie?"
"Vader en de geit natuurlijk!" En mèt ijlde hij den weg over.
Wat een pronkstuk van een beest. En 't blaatte zoo prettig en zoo
leuk. Jan meende, dat er al veel mooie geiten konden zijn, maar zoo'n
juweel spande stellig de kroon: zwart met witte vlekken en mooie horens
en een sik!! Janbaas was er niet over uit. Ze kostte acht en twintig
gulden. Dat kwam wel terecht, maar waar moest ze nu van nacht blijven!
Dat wist vader. Hij zou ze voor vannacht stallen bij Hannes de Jager,
die had er wel ruimte voor, maar dan moest het gauw gebeuren, anders
lagen die lui te bed.--
Weer was Jan den volgenden dag al vroeg bij den bovenmeester. Hoe
moest dat nu met de geit?
"Wel," zei meester, "je gaat er mee naar Toon toe tusschen den middag
en als je daar bent, dan bied je de twee ouwe luidjes d'r geit aan
en dan zeg je..."
"Meester, daar komt geen spaan van terecht. Als ik dat op mijn
eigen houtje moet doen, loopt de heele zaak ongemanierd in 't
honderd. 'k Weet zeker, dat ik een sliert jongens achter me krijg
van wat-ben-je-me. Heusch, daar komt niks van."
"Wat wou jij dan?"
"Doe u 't 's."
"Dank je feestelijk," was 't antwoord. "Ik sjouw met geen geit over
't dorp."
Jan moest onwillekeurig lachen. Hij zag in zijn verbeelding den
bovenmeester al met die geit aan een touw marcheeren! Dat zou me een
dwaas gezicht zijn.
"Neen, dan weet ik beter," stelde meester voor; "ik ga vooruit,
wacht je onderweg op en dan kom jij met je geit."
"Hè ja, da's goed. En dan zegt u alles bij Toon hè? De heele preek?"
"En jij dan?"
"Ikke? Ik luister."
"Nou vooruit. Om twaalf uur van huis. Dat kan net, want om half twaalf
gaat de school uit."
"Prachtig. Houdt u weer school?"
"Jawel, ik ben weer beter."--
Dien voormiddag zag meester heel wat door de vingers. Voortdurend
toch dwaalde Jan met zijn gedachten af.
Om twaalf uur stapte hij met zijn viervoetig cadeau aan een touw den
weg op naar Toon en halverwege al kwam meester van achter een boschje.
Gelukkig maar ook, want Jan had al gevolg. Een stuk of zes makkers
gevoelden zich verplicht de plechtigheid met hun tegenwoordigheid
op te luisteren en bij die zes was vriend Stoffel nog al. Meester
verzocht ze vriendelijk rechtsomkeert te maken.
Daar waren ze bij Toon. Meester opende de deur en Toon kwam naar
voren, op den voet gevolgd door Geertje want ze hadden door 't raam
den drieledigen optocht zien aankomen.
Meester begon:
"Toon en Geertje! Door toedoen van Jan Kodde vernamen we, dat je
vorige geit gestorven is en, óók weer door zijn toedoen, is er geld
bijeen gebracht om je deze nieuwe te koopen."
Geertje sloeg van verbazing de handen ineen en greep daarop
onmiddellijk naar een slip van haar schort, want zoo'n groot onverwacht
geluk overstelpte haar. Toon knipperde geweldig met zijn oogen,
toen hij probeerde te zeggen:
"Da's toch kras, da's..."
Jan stond bedremmeld. Hij had zich voorgesteld, dat Geertje en
Toon... nou ja, dansen van blijdschap, daarvoor waren d'r beenen te
stijf, maar die tranen! Hij werd er een beetje raar van. Doch meester
vervolgde: "En Jan alleen heeft er zich voorgespannen om dat geld
bijeen te brengen. Hij zag er wel wat tegen op, je je geit alleen te
brengen en daarom ging ik mee. Geertje en Toon, uit zijn naam bied
ik je het beest aan."
Geertje greep Jan bij de hand en snikte; Toon wou zijn andere hand
grijpen en tegelijk wat zeggen, maar zijn keel schoot vol. 't Werd nu
Jantje-baas te machtig. Hij kreeg zelf de waterlanders in de oogen,
maakte zich los, draaide om en liep, liep, alsof hem tien van Stappens
op de hielen zaten. Hij liet den meester bij de twee overgelukkige
oude menschen achter.
"Als ik dàt geweten had, dan had ik vader met de geit gestuurd,"
dacht hij onder 't vliegen en hij verslapte zijn vaart pas, toen hij
bij het dorp was. Daar schoot Stoffel hem op zij. Die had een pot
met groene verf in de hand en begon opslag te vragen:
"Wat zeien ze wel, Jan?"
"Wie?"
"Wel Toon en Geerte van d'r geit?"
"Ze keken maar aldoor naar d'r neus."
"Naar d'r eigen neus?"
"Wel neen sukkel, naar den neus van de geit."
"Waarom?"
"Die was nat?"
"Nat? Van wat?"
"Van plezier, omdat ze hem nooit in een andermans zaken steekt."