Jan deed die open en riep: "Huila!"

De vrouw van den meester kwam en vroeg vriendelijk:

"Wel Jantje, wat is er, vent?"

"Mevrouw," hakkelde Jan een beetje in de war, "de meester is ziek en

nou... wie moet er nou voor de konijnen zorgen?" En zonder antwoord af

te wachten, raffelde hij er achter: "Ik zal 't wel doen en uitmesten

en eten geven ook en halen ook."

"Da's aardig van je," zei mevrouw. "Dat zal de bovenmeester ook erg

aardig van je vinden."

"Dan ga ik ze eerst uitmesten."

"Goed en als je dat gedaan hebt, moet je 't even komen zeggen, zul je?"

"Ja mevrouw."

En Jan ging achter in meesters tuin, waar tegen het schuurtje op

houten stellinkjes de twee hokken stonden.

Hij wipte het schuurtje in en kwam er even later weer uit met een

schrabber, dien meester gebruikte om in zijn tuin te wieden. En nu aan

den slag! Je kon merken, dat Jan zoo'n werkje niet voor den eersten

keer deed. 't Ging hem handig af. Hij maakte de beide hokken keurig

netjes in orde en spreidde er een laagje lekker frisch hooi in.

"Ziezoo, ouwe jongens, nou zit jullie heerlijk schoon in je

buitenverblijf. 'k Zal eens zien, of er wat te bikken voor je is,

want je etensbakjes zijn puur leeg. Wat zou meester jullie in je

bakjes geven? Brood? Nou, da's ook wat! Knabbel-spul was beter;

een koolstronk of een flinke wortel. 'k Zal zien, of er niet een

bloemkoolstronk voor jullie te vinden is in meesters hof."

En werkelijk: Jan vond er twee en of de konijnen er zich aan te goed

deden! Jantje had er zelf zijn draai in.

"Da's andere kost dan brood hè? Jullie moet knagen, anders groeien je

tanden te hard en dan maak je je hok maar stuk. Huila, zwarte knaap,

niet zoo driftig, anders breek je nog een tand en daar zou je niet op

lachen, slokop! Zou de bovenmeester jullie altijd gras voeren? Even

vragen."

"Zeg Ka," riep Jan tegen de meid, die juist uit de achterdeur kwam,

"weet jij niet, wat de meester altijd aan zijn konijnen voert?... Wat

zeg je? Gras? O zoo! Nou, maar dan zal ik ze vandaag en morgen eens

op wat anders trakteeren. Ze krijgen paardebloem-planten, zooveel

als ze lusten!"

Kaatje riep iets terug.

"Waarvandaan?" antwoordde Jan. "Dat weet ik wel. 'k Haal 't voor de

mijne ook altijd! Is er geen mandje bij de hand?"

"Kijk maar eens in 't schuurtje, daar zal er wel een wezen!"

't Was waar. Jan vond wat hij zocht en hij wou juist om een voorraad

voer gaan, toen meesters vrouw hem riep:

"Kom nou maar eerst in de keuken om een kop koffie Jan! Wil je?"

"Astublieft!" En Jan kwam de keuken in, waar hij een kop koffie kreeg

met een snee zoetekoek van wel anderhalven vinger dik. Een bommerd!

Terwijl hij in zijn heete koffie zat te blazen, kreeg hij op eens het

raampje in 't oog, waardoor hij toen naar dien sla-emmer gehengeld had

en onwillekeurig schoot hij haast in een lach. Maar hij hield zich in,

omdat hij dat avontuur nu liever maar met rust liet.

Een kwartier buiten het dorp lag het kerkhof, dat met een dichte haag

van elzen omzoomd was en achter dat kerkhof liep een sloot, nu droog,

begroeid met gras, allerlei struikgewas en dichte braamdorens. Daar

had Jan voor een paar weken een grooten voorraad paardenbloemen

ontdekt. Hij kroop tusschen de struiken door en stak met zijn mes

de bossen uit, die wel wat op andijvie geleken. 't Was een echte

lekkernij voor konijnen.

Hij lette er niet op, dat het witte melksap, dat uit de afgesneden

wortels te voorschijn kwam, zijn vingers bruine plekken bezorgde. Dat

ging er strakjes met een blaadje zuring wel weer af. Hij had het erg

druk, tot opeens...

Stil, wat was dat?

Een groote vogel met een heeleboel kleintjes, net kuikentjes.

Jan loerde stilletjes tusschen de braamstruiken door en zag een

fazant hen, die met haar kleine grut door 't gras scharrelde. Dat

was toch een leuk gezicht, die bruingrauwe vogel en al die kleine

dotjes er trippelend bij. Papa met z'n mooie goud roode veeren was

zeker uit. Jan kroop nog wat verder en liet een verrast "aha! da's

een buitenkansje!" hooren. Wat vond hij?

Het broednest van de fazant en daarbij de leege eierdoppen.

"Jongens, da's getroffen!" juichte hij zoo luid, dat de fazant er

met haar kroost zoo gauw mogelijk van door stoof en in 't lange

kerkhofgras verdween.

"Als ik die leege schalen bij Westdijk, den jachtopziener breng,

heb ik een dubbeltje voor 't stuk. Laat eens zien. Tien, elf,

twaalf uitgebroede eiers, da's één gulden en twintig centjes. Zoo'n

fortuintje is me nog nooit te beurt gevallen. Ik doe ze voorzichtig

in mijn zakdoek en leg ze dan op mijn mand met konijnenvoer. Jongens,

jongens, hoe is 't mogelijk, zou je zeggen. Da's pas een bik!"

En Jan verkneuterde zich in zijn buit.

"Nou ga ik eerst naar Westdijk toe, voor ik naar den meester ga. De

konijnen kunnen tòch nog geen honger hebben."

't Was een aardige wandeling naar den jachtopziener, maar dat kwam

er minder op aan. Jan trof hem gelukkig thuis en ja hoor: hij kreeg

een gulden en twee dubbeltjes voor de leege eierdoppen: een maatregel

natuurlijk om het uithalen der eiers en daardoor het verminderen van

den wildvoorraad te voorkomen. Heeren jagers weten ook wel wat ze doen.

Een gulden en twintig cent! Zoo rijk was hij nog nooit zoo gauw

geweest. Wat zou moeder lachen als ze 't hoorde. Maar nu eerst de

konijnen van den meester verzorgd en dan op een beentje naar huis toe.

Op den terugweg naar het dorp moest hij voorbij het huisje van

den armen Toon Kempe. Toon was een oud, versleten mannetje, die met

Geertje, zijn vrouw, woonde in een huisje, dat eigenlijk meer den naam

van hut verdiende. Werken kon ouwe Toon al lang niet meer en hij leefde

voornamelijk van 't geen hij en Geertje van 't staatspensioen trokken.

Eén geluk: melk hadden ze in den regel in overvloed van hun geit.

Op 't oogenblik nu, dat Jan de schamele woning zou voorbijgaan, zag

hij Toon en Geertje bij iets geknield liggen op het bleekveld voor

't huisje. Hij werd nieuwsgierig en stapte op het paar oudjes toe. De

oude vrouw hield haar schort voor de oogen en schreide, terwijl Toon

de geit, die bewegingloos in 't gras lag, streelde.

Wat was er gebeurd?

Toon vertelde het hem met een treurige stem:

"Jan, Jan, nou is opeens onze goeie geit gestorven. Gisteren was ze

nog gezond, toen at ze tenminste nog en nou dood!"

"Nou zijn we nog armer dan arm!" snikte Geertje "... Dat lieve

beest. Waar halen we nou voortaan onze melk! En ze gaf zoo veel en

koemelk is zoo duur. Daar is voor ons geen aankomen aan!"

"'t Is verschrikkelijk!" jammerde Toon, "'t is erger dan erg. 't Was

ons heele bezit."

Jan was verslagen. Wat moest hij zeggen! Hij had innig medelijden

met de twee oude, arme stakkers.

"Kom, kom Geerte," probeerde hij te troosten om toch wat te zeggen:

"Je kunt misschien wel een nieuwe geit koopen."

"Koopen?" zei Toon treurig. "Koopen? Van wat? Zet eens een vuist,

als je geen vingers hebt; kun jij pluimen halen van een kikker? Neen,

Jantje, mijn jongen. We zullen 't zonder melk moeten stellen. Da's

een zware slag voor ons, vent." En zijn stem beefde.

"En zonder pap ook," snikte Geertje. "En dan dat lieve, vriendelijke

beest dood. Arm is nog niet genoeg. Nou dit nog! Je moet toch maar

ongelukkig zijn."

"'t Is lam, da's waar!" Jan wist niets anders te zeggen en ging erg

onplezierig gestemd verder.

Hij? Een andere geit koopen? Ja zeker, maar hoeveel zou zoo'n beest

wel kosten! Hij zou er met alle plezier zijn pas verworven vier en

twintig stuivers voor over hebben. Maar zooveel wist hij wel: voor

vier en twintig stuivers heb je geen geit.

"'t Is toch zonde van die twee ouwe, stumperige stakkers," mompelde

hij.

Zou daar nou toch eens niets op te verzinnen zijn? Niets?

De avonturen van Jan Kodde · 第 20 / 40 题