Nauwelijks zat de zesde klas den morgen na den tocht, dien we in de
vorige hoofdstukken beschreven, goed en wel op zijn plaats, of een
der onderwijzers kwam het lokaal binnen met de boodschap:
"Jongens en meisjes, 'k heb jullie wat te zeggen."
Algemeene belangstelling. Wat zou er nou gebeuren!
"Zooals je weet is de bovenmeester gister naar een vergadering
geweest. Welnu, toen hij 's avonds thuis kwam, voelde hij zich zóó
onwel, dat hij dadelijk naar bed moest. De dokter werd geroepen en
deze zei, dat de bovenmeester ten gevolge van het harde fietsen
waarschijnlijk--en 't wàs zoo warm gisteren--zich zóó heeft
overspannen, dat hij eenige dagen het bed zal moeten houden. Jullie
hebt dus een gedwongen vacantie. Gaat nou allemaal bedaard naar huis en
schopt geen spektakel op 't schoolplein, want dat zou de bovenmeester
vast niet lekker vinden."
Of ze nèt zoo blij waren, als met dien eenen vrijen
vergaderings-vacantiedag?
Neen! Er zat een onpleizierige bijsmaak aan dit vrijaf.
Ons drietal wandelaars van gister slenterde lanterfanterig door
den Achterweg.
"'k Vind er weinig aan," zei Jan. "Die echte loldag, dàt was leuk,
maar daar loop je nou wel met je ziel onder je armen."
"Da's waar," beaamde Hein. "'t Is nou eigenlijk precies alsof 't zoo
niet hoort."
"Dat haal je de koekoek," vond Gommert, "of 't zoo niet hoort. Noem jij
't maar zooals 't hoort, als je me daar met dat mooie weer onder de
dekens kunt liggen suffen, zooals de bovenmeester. 'k Wed, dat die
't heelemaal niet vindt, zooals het hoort en dat hij wèl zoo lief
naar school zou willen gaan."
"O zoo," viel Jan bij. "'k Vind het erg lam voor 'm, want het is
toch een goeie vent. Niks geen zoeker, zooals je wel eens van andere
meesters hoort. Hij kan nog eens tegen een grapje; wat jij Gommert?"
"Da's waar. Je kan best een grapje bij hem uithalen, als 't niet àl
te kras wordt. 'k Hoorde laatst van mijn neefje Geert; daar had je
d'r een en die zat je voortdurend achter je vodden met strafregels
of schoolblijven of thuis sommen maken, dat je d'r scheel van zou
gaan zien, en dan ben je toch zoo's even uit, zou 'k zeggen. Als je
d'r zoo een treft, ben je óók niet zonder."
"'k Heb nog maar twee keer behoorlijk straf gehad eigenlijk," pochte
Jan tevreden op zichzelf.
"Da's geen wonder," plaagde Hein, "jij bent zoo'n brave droogpruimer."
"Nee, da's nou flauwigheid, maar om je de waarheid te zeggen: 'k had
wel eens wat meer verdiend. Zooals laatst met... met... nou ja, je weet
wel, dat gedoe met d of t op 't end, hoe heet die schuit ook weer?"
"'t Kofschip."
"Ja. 't Was voor mij bijna een bofschip."
"Nou jò, daar ben je reusachtig goed van afgekomen zeg."
"Maar e... wat gaan we nou uitvoeren?" vroeg Gommert.
"Uitvoeren? Niks!" besliste Jan. "Ik ga stiekum naar huis. 'k Heb geen
zin om te gaan slenteren. 'k Ga mijn konijnenhok eens schoonmaken en
zoo meer. En daarom salu!"
Zonder verdere complimenten sloeg Janbaas links af en binnen een paar
minuten had hij moeder Kodde de verzuchting ontlokt:
"Weer geen school? Nou, voor mijn part was de bovenmeester morgen
beter."
"Voor mijn part ook moeder."
"Dat zal wel."
"Dat geloof je zeker niet, hè? En toch is 't waar. 't Is een veel te
aardige vent om ziek te wezen."
"Maar onder de hand zit ik met je opgescheept en 't wordt weer heele
dagen kattekwaad uithalen en kleeren verslijten, dat weet ik wel."
"Hè moeder, wat ben je nou in eens uit je pruik. Zou je dan willen,
dat ik maar altijd in huis bleef zitten, zoet, met mijn handjes
over mekaar voor 't raam achter je blommetjes? Of neen, 'k weet nog
mooier. Geef me een schort voor, dan ga ik zoo meteen stof afnemen
in onzen salon en als dat gebeurd is, den vloer aanvegen en ..."
"'k Zou je feestelijk bedanken, nieuwbakken kamermeid. Eerst stof
afnemen en dàn den vloer vegen!" Moeder Kodde moest er om lachen.
"Nou, wat zou dat?"
"Och jongen, dan vloog immers alles weer opnieuw onder 't stof!"
"Al weer niet goed. Wat ben ik toch een wurm."
"En of! 'k Zou je beklagen als 'k tijd had. Maar hoepel nou maar gauw
op, want je houdt me maar van mijn werk.--Wat ga je uitvoeren?"
"De konijnen uitmesten en een hoop eten voor d'r halen."
En kort daarop stond onze vriend Jan al bij zijn twee konijnenhokken.
"Eerst jou, dikke grijze sultan. Wat zul jij toch een baas wezen van
't najaar. Allo, ga eens een beetje opzij. Ja zoo! Je hebt het maar
mal-goed bij me, altijd je buik vol eten en lekker eten ook, zoo veel
als je maar lust en iedere week een schoon hok met versch stroo er
in. Zoo heeft elk konijn het niet. Een leven als een prinsen-konijn.--
"Wacht, 'k Zet je even in 't bleekveld ouwe heer. Kijk me zoo'n
opschepper nou eens een plezier hebben! Prettig hè, zoo in vrijheid
te kunnen rondspringen. Da's anders dan in je nauw hok...
"De meester mocht willen, dat ie in jouw plaats was.--Verbeeld je,
de meester hier in de bleek. Dat zou een mooie boel worden, maar
't was in elk geval nog beter dan in zijn bed zooals nou.
"Wie zou er voor meester z'n konijnen moeten zorgen? Die heeft er
ook twee, dat weet ik. Zijn vrouw vast niet. En de meid zal er ook
niet veel aan doen. Hoe zou dat nou moeten gaan?"
Jan stond even te denken. Toen scheen hij eensklaps een besluit te
nemen, want hij zei:
"Ja, dat doe ik en dan hier een beetje gauw opgeschoten."
Om tien uur was onze baas op 't schoolplein, slenterde even heen en
weer en deed toen het hekje naast meesters huis open, waardoor hij
bij de achterdeur kwam.