1 VAR. II:

Hoe schoon de schat ook zij,

Nooit zal ik hem beminnen,

* * * * *

Hoe eer ik ware dood geweest,

hoe min 't hem ha' gespeten

* * * * *

Hij riep met luider stem,

daar alle dingen zwegen

* * * * *

'k Voele een traan mijne oogen ontzwellen.

als ik denke: 't is voorbij[1].

[1] VAR. V:

'k Voele een traan mijn oog _ontwellen_.

* * * * *

Maar haalt mij ievers een die half

zoo eerbaar in zijn . . . . .

* * * * *

Wij hebben al niet veel anders meer,

maar wij hebben nog vlaamsche leute[1].

[1] VAR.

W'n hebben niet veel meer ander Vlaamsch,

maar w' hebben nog vlaamsche leute.

* * * * *

Zoo is uw hand,

zoo weze uw hert.

* * * * *

Het leven, welk geluk was het,

met Adam's zonde en zeer besmet?

* * * * *

Kleene visschen, zoo luidt het lied,

en dappere dieven, en vangt men niet.

* * * * *

Handhaaft u brood van hand,

maar niet van herten.

* * * * *

Daar is hij, roept er een,

loopt weg, hij gaat u vangen!

* * * * *

vol goedheid en vol vriendschap

onversleten . . . . . . . . .

* * * * *

Waar haalt hij 't uit, waar haalt hij 't al.

* * * * *

Verre van ouders, verre van huis,

verre van

* * * * *

_Erumpunt_....

Bottende, en om uit te bersten,

ziet mij al die boomen staan

zoo de naasten zoo de versten,

zwellen doen ze en zwaar nu gaan:

daar 't nu zwart is, zal 't geworden

lente zijn, van einde te orden,

loopt het nog twee nachten aan.

* * * * *

Waarom, waarom bemin ik toch

den donder?

Ontleedt, o gij, die wijs zijt, mij

dit wonder.

Ik hoore heel den nacht

het gulzig slokken van

die gote daar.

* * * * *

Hoe dood, hoe dood,

in al de levendheden

der lieve lente, staat gij daar

onlief alleen....

* * * * *

Waar gaat gij, o geest van de blomme,

wanneer

zij 't leven moet laten en liggen.

* * * * *

Hebt toch meelye,

menschen, meelye

met de schoone

boomen Gods!

* * * * *

De boomen roepen allen,

overluid en lang:

wat loopt gij, stoere stormen,

boos en bulderachtig

voorbij op onzen hals.

* * * * *

De bleekgroene schaaiaards,

nog nauwlijks geblaard,

rijên, hooge in de wolken,

hun' lochtige vaart.

'k Zie u geren blauw en blank,

blank en blauw geweven

wolken

* * * * *

De mane zit en ziet

dat aan; ze schijnt te zeggen:

't is avond nu en 't geen

mijn zuster zonne zag

is henen: rust nu wat

en nederleggen

de zorge gaat van dezen zwaren dag.

* * * * *

Ik weet een hoeksken in

den hof, en, daar geborgen,

ontvluchte ik voor 't geweld

der luide levenszorgen.

Verheven is 't van de aarde,

op oude bouwselbraken,

met boomen overal

omzet, en 't zonneblaken

en vindt het morgens noch

des middags; op nen stoel

ontduike ik dikwijls daar

. . . . . . . en 't geterg

des werelds

. . . . . . . en daar

en vindt des morgens mij

daar zittend immer niet

noch middags; menschenloos

. . . . . . . . . . . . . .

zijt God die mij daar ziet.

* * * * *

_Pisseblommen._

't Weer is helder lauw en zoet

zoo 't niet elken dag en doet.

Laat mij in de groene weiden,

bij der hand, u henenleiden,

'k zal u blomkes nu en dan

toogen en gij zult daarvan

later dit en dat mij klappen,

nopens blomkes eigenschappen.

't Blomke dat ik liefst van al

zie en altijd blijven zal

geren zien zoo lange er bloeien,

ziet het daar beneen u groeien,

reis en reis met de eerde, daar

strekt zijn zedig loofgeblaar,

en men ziet zijn groen verterre

maar van bij en nooit van verre

. . . . . . . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . . . .

wilt gij weten hoe ze nommen?

't zijn, met oorlof, pisseblommen.

* * * * *

Uw vlerk,

aan 't werk

in 't zwerk,

zweeft zwierend deur de wolken,

o tier-

end dier

dat hier

en ginder almedeens

* * * * *

Tallen tijden kan men nu

versche blommen bloeien zien,

bloeien te aller steden.

* * * * *

Bolle kake,

roode mond,

och, hoe zal 'k het zeggen,

witgetande,

blij en blond

* * * * *

Thorhout, Thorhout, heilige stede,

wist gij waar uw voet op staat;

wat uw' bosschen rooken dede,

wat uw naam vermoeden laat.

* * * * *

Steenratjes

waar hebt gij

van den nacht

geslapen?

* * * * *

Wat zei dat vinnig stemgepiep

dat uit dien boom mij tegenliep

en groette.

* * * * *

Men kan aan de dieren

zoo vele doen zeggen,

en spreken ze niet.

* * * * *

De zage zucht

en kerft het hout

in kisteberd, in korsten

* * * * *

O meulewal, met al 't geheugen

der schuldelooze onnoozelheid

mij vóór uw' voet en lief geheugen

* * * * *

Hoe schoon, hoe schoon,

wat zal ik anders zeggen,

hoe schoon, hoe schoon

en van geen menschenmacht

(_wolke met zwart haar

dat er bij lange

klissen uitschiet_).

* * * * *

Zwarte eeken, olmen,

donkergroene esschen,

abeelen die grauwt

* * * * *

Gij merelaar met uw zwart habijt

en uwen bek van goude,

wat wondere ik hoe gij blijde zijt

* * * * *

Hoe stille is 't om de stad nu hier

is 't op de kwaadste dagen

verdragelijk, als 't kiezinge is

of lotinge

* * * * *

Hoe schoon zijt gij van verre uit uw

beggijnhofboomen

* * * * *

O wat is 't toch lief getal

rondom mij en rondom al

* * * * *

O zingend kind, en wist' gij niet

en zongt gij zoo 't de vogels doen

* * * * *

't Was op nen dampen donkeren dag,

't was 's morgens in de vroegte

* * * * *

De zonne is weg die liên en land

verblijdt, en 't vlugge volk van 's hemels harpenaren

* * * * *

Den nieuwen wegel werpt

de zon vol oosterlicht,

* * * * *

Zegt mij hoe de sterren worden,

zegt mij

* * * * *

Ze beven door de lucht,

de duiven

* * * * *

Ik ben eens verre weg,

bij donker nacht, gereden

* * * * *

En stoort de vleugels niet,

ze zijn zoo bezig.

* * * * *

Van boomen die roerloos, en schoon

zichtbaar, in den smoor bedolven staan.

En die eer gedroomde boomen

als gewisse boomen zijn

* * * * *

Eer dauw en dag,

eer dag en dauw

* * * * *

't Is stille, stille allengskens, en

't is avond weer aan 't worden.

* * * * *

De wereld draait nochtans.

* * * * *

't Molenzeil, dat, bruingeboend

* * * * *

De wind die uit de stikken waait.

* * * * *

Hebt gij ooit een peerd zien pinnen?

* * * * *

Ik heb nen dreupel dauw gedronken,

gesmaakt, geweeklaagd en geweend...

* * * * *

Laatste verzen · 第 146 / 155 题