Mocht zulk een tale eilaas
geen enkel tale wezen,
geen woorden, waarheid en
onnagemaakte smert
op willens voet gesteund,
op biddens vlerk gerezen
tot naast het evenbeeld
der wenschen van Gods hert,
dan zou wellicht de baan
de duistere baan des levens
verlichten in den glans
van Hem die U bemint,
van hem die naar u wacht,
van Jesus, dien gij tevens
al waart gij nog zoo boos
toch geren ziet, mijn kind.
_Ten halven afgewrocht,
ontvangen, niet geboren;
gevonden algeheel,
noch algeheel verloren,
zoo ligt er menig rijm
onvast in mij, en beidt
den aangenamen tijd
van volle uitspreekbaarheid._
(RIJMSNOER).
O stede- en vaste oude meuniksmoffen
wat schijnt ge mij een beeld
van veile vastigheid;
de vlaamsche vuist heeft u
eens in den leest getroffen,
u in de scherpe zon te
droogen uitgeleid;
het angstig vier heeft u
nadien opeengestapeld,
gebakerd ommentom uw leên
en sterk gemaakt,
totdat gij een en al. . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . .
* * * * *
Neen, en schrijft, op rijm of onrijm,
iets, of eer ge aan 't schrijven gaat
. . . . . . . . . . . . . . . . .
* * * * *
Luistert allen, luistert allen:
Gods woord is mij ingevallen.
* * * * *
Ik had ne keer nen dicht gemaakt,
en 't stond van vooren aan zoo wat
van God, gelijk geen een mij dat
en dient te doen herdichten,
. . . . . . . . . . . . . . . . .
* * * * *
Heere geeft dat wie, wanneer
ooit dit schrift in handen kome
. . . . . . . . . . . . . . .
* * * * *
Een lieftallig liedjen op
het wijken van den wintere.
* * * * *
Een deuntje willen wij dichten.
* * * * *
Dat hier en daar en elders leeft,
dat nimmer nog bestaan en heeft,
't gebenedijde u al van in. . .
. . . . . . . . . . . . . . . .
* * * * *
Dat kruis dat gij mij gaaft
een jaar van hier geleden.
* * * * *
De zegen Gods, u, mij en al
die met ons bidt, bewaren zal.
* * * * *
Een heel onvast onthouden van
de onvaste voeren daar ze mij--
. . . . . . . . . . . . . . . .
* * * * *
Gij die God zijt dezer eeuwe,
God gemaakt, in steê van God.
* * * * *
Goevrijnacht, als Jezus
gevangen, gesleurd,
vol wonden geslegen,
besmet en besmeurd.
* * * * *
Heere, komt, ik ben ellendig,
'k ben vol zonde en vol verdriet,
komt, uw' goedheid is onendig,
lange en beidt, o Heere, niet.
* * * * *
Hoe verre buiten al 't bereik
der menschelijke macht gesteld
. . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . .
het worden van den zonnedag.
* * * * *
'k Danke u, van het leven, dat
gij mij laat genieten.
* * * * *
o Bindt mijn handen alle twee,
o bindt mijn herte aan u, en
en laat ze nooit meer, losgegaan,
uw Godlijk herte schuwen.
* * * * *
Oneindig wezen, God,
drievuldig, een, almachtig,
wat zijt gij dicht bij mij
die niet en zie en hoor.
* * * * *
O Maria welk eene eere,
dienstbaar zijn en God den Heere
dragen, zoo gij, moeder zoet,
Jesus uwen Schepper doet.
* * * * *
't Was God die onze zonden zag,
't is Hij die ze ons vergeven mag,
en wij zijn 't die de boeten
daarvan God gelden moeten.
* * * * *
Zijn eigen zoon en spaarde hij niet
en liet hem voor mij slachten.
* * * * *
Die elken vogel voedsel geeft
gebrek voor mij geleden heeft.
* * * * *
Die nievers zijns gelijke en vindt
voor mij wierd mensche en moeders kind
* * * * *
De wille des Heeren,
zoo gister zoo nu,
de wereld zal keeren,
geen "individu".
* * * * *
En niet uw straffen naar
ons kwalijkdoen gemeten
* * * * *
Zijn leven stond hij af voor mij,
gekruist, en voer in 't graf voor mij.
* * * * *
'k En was
nog in
't bestaan
niet, en,
bestaat,
zei God,
mijn kind,
en 'k ben.
* * * * *
Ons toekome, God en vader,
dat wij immer nader, nader
. . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . .
ons toekome uw Koninkrijk.
* * * * *
Oorspronkelijk en van eersten af
is 't God die mij dit leven gaf.
* * * * *
Moeder stond zij, vol van smerte,
naast het kruis en 't brak heur herte,
dat heur kind daar hangend was.
* * * * *
Komt, de stem die roept tot u.
* * * * *
Denkt gij, vriend, dat dat
niemen en weet
dat in uwen boezem
geborgen, daar ligt
het diepste van al,
't zij edel 't zij leelijk
't zij goed het zij kwaad,
't gezien heeft een ooge en 't
bewaren, ontdekken . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . .
Hij zal . . .
* * * * *
Men durft er nog naar kijken nu:
ze is nauwlijks overleden,
ze lacht, of 't ware, en schoonder is
ze, in de eeuwigheid getreden,
als vroeger, daar zij lijdend lag
en leelijk deed.
* * * * *
Mij schielijk is een vreemde
ontroeringe ingevallen:
is stervende iemand, of
ben, veeg, ik zelf misschien
bestemd om heen te gaan?
* * * * *
't En gaat geen een verloren,
geen dingen dat bestaat,
't en wordt geen een geboren,
dat heel en al vergaat.
* * * * *
Mijn schamel, schamel kind,
hoe geren zou 'k het wezen
van uwe eenvoudigheid
zien staande blijven, dat
. . . . . . . . . . . . . .
* * * * *
Maakt pompen van canons
en speiten van geweren,
al 't vechten is voorbij,
't is vrede weere in 't land.
* * * * *
Broonood lijdende,
lam ellendig,
nooit verblijdende,
en onbestendig.
* * * * *
Noch geld, noch wijn, noch brood
en stilt den mensch zijn nood,
daarbij begeert hij ook
met herte en ziele...rook!
* * * * *
O vader, zorgt bevreesd
dat 't kind u geren ziet,
opdat gij nooit en vreest:
dat kind en vreest mij niet.
* * * * *
Pinte, ponte, palingpot,
loopt ermeê naar 't wagenkoot,
loopt ermeê naar 't overbuur...
* * * * *
Waarom bemint u, kind, zoo zeer
't zij welke ontaarde ziele
die kleen zijt, hulploos, arme en teer...
* * * * *
Ei! wat baat het slingervuisten,
hadt gij nog zoo zware knuisten
stondt gij nog zoo hooge en sterk...
* * * * *
Gij zijt, en zult het altijd wezen,
zoo God u schiep, een vrije geest,
geen lichaam, eene ziel, nadezen.
* * * * *
Ten dorse geschreden, zoo
hing 't harnas
hem loodzwaar om de leden.
* * * * *
Over hem Gods handen waken,
vrij van schade en schandeaanraken,
waren ze 't...
* * * * *
De dood, wat is de dood,
herdenkt, o mensch, een stonde.
* * * * *
Noch wulvengier, noch evertand,
en vreest die heeft gezond verstand,
* * * * *
Met uw vuil en stinkend vat
vol gouden vruchtbaarheden.
* * * * *
Als ik jong was, zoo verlangde ik,
dag op dag, naar iets of wat,
* * * * *
Dien man zie ik geren rusten,
zie 'k geren slapen gaan.
* * * * *
Doet hetgeen gij moet,
doet al dat gij doet[1].
[1] VAR. III:
Doet hetgeen gij moet,
Doet hetgeen gij doet,
Gebaren is niet goed.
* * * * *
En zeggen, zeker nu,
zoo zult gij bij uw zelven
* * * * *
Geen bandenbrekend leven
menigvuldiglijk...
* * * * *
Het leven is zoo kort, men kan 't
niet wel genoeg verleven.
* * * * *
Heel verarbeid, heel vermoeid,
zit nabij den boord te wachten
* * * * *
Hoe schoon de weerde schat ook zij,
'k en zal hem nooit beminnen[1].