SENTE, 29/10 '98.

=EGO FLOS=....

(CANT. II:1)

Ik ben een blomme

en bloeide vóór uwe oogen,

geweldig zonnelicht,

dat, eeuwig onontaard,

mij, nietig schepselken,

in 't leven wilt gedoogen

en, na dit leven, mij

het eeuwig leven spaart.

Ik ben een blomme

en doe des morgens open,

des avonds toe mijn blad,

om beurtelings, nadien,

wanneer gij, zonne, zult,

heropgestaan, mij nopen,

te ontwaken nog eens of

mijn hoofd den slaap te biên.

Mijn leven is

uw licht: mijn doen, mijn derven,

mijn' hope, mijn geluk,

mijn eenigste en mijn al,

wat kan ik, zonder u,

als eeuwig, eeuwig sterven;

wat heb ik, zonder u,

dat ik beminnen zal?

'k Ben ver van u,

ofschoon gij, zoete bronne

van al dat leven is

of immer leven doet,

mij naast van al genaakt

en zendt, o lieve zonne,

tot in mijn diepste diep

uw aldoorgaanden gloed.

Haalt op, haalt af!...

ontbindt mijne aardsche boeien;

ontwortelt mij, ontdelft

mij!... Henen laat mij... laat

daar 't altijd zomer is

en zonnelicht mij spoeien

en daar gij, eeuwige, ééne,

alschoone blomme, staat.

Laat alles zijn

voorbij, gedaan, verleden,

dat afscheid tusschen ons

en diepe kloven spant:

laat morgen, avond, al

dat heenmoet, henentreden,

laat uw oneindig licht

mij zien, in 't Vaderland!

Dan zal ik vóór....

o neen, niet vóór uwe oogen,

maar naast u, nevens u,

maar in u bloeien zaan;

zoo gij mij, schepselken,

in 't leven wilt gedoogen,

zoo in uw eeuwig licht

me gij laat binnengaan.

Laatste verzen · 第 118 / 155 题